Archive | 12 maart, 2017

Wie zou in vadsige onverschilligheid thuis blijven? Stemadvies van Jacob van Lennep

‘Wie zou in vadsige onverschilligheid thuis blijven’ als er gestemd moet worden, schreef Jacob van Lennep in oktober 1866 in een pamflet. In het najaar van 1866 ging het er hard aan toe in de politiek. Het conservatieve kabinet Van Zuylen van Nijevelt was per 1 juni aangetreden, met een minister Mijer voor koloniale zaken. Deze werd al drie maanden na zijn aantreden benoemd tot Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, een van de hoogste regeringsposten. Hierover brak de tyfus uit. De pers suggereerde dat Mijer zijn benoeming tot minister alleen maar had aangenomen om de lucratieve post van gouverneur-generaal te krijgen. De Tweede Kamer was hels. Dit was ‘politieke immoraliteit’. Ze nam een motie van afkeuring van het gedrag van het kabinet aan. Daarop zou koning Willem III de regering hebben moeten ontbinden, maar hij ontbond daarentegen de Kamer en schreef nieuwe verkiezingen uit. Daarna deed hij iets wat nog niet eerder vertoond was: hij richtte zich in een Proclamatie rechtstreeks tot het volk. Op rood-wit-blauwe aanplakbiljetten verdedigde hij zijn handelwijze. Kiezers kregen die ook in de bus. De Koning schreef dat hij gebruik had gemaakt van zijn grondwettig recht om de kamer te ontbinden. Kabinet en volksvertegenwoordiging lagen steeds met elkaar overhoop en daardoor kon de regering niet regeren zoals het behoorde. Hij riep zijn ‘geliefd volk’ op om te gaan stemmen. Er was geen stemadvies aan de Proclamatie verbonden, maar het was wel duidelijk dat hij de kibbelende liberalen uit de Kamer wilde.

Proclamatie1866

Van Lennep koos ervoor wel een stemadvies te geven aan Amsterdamse kiezers. Hij liet bij zijn vaste pamflettenuitgever J. de Ruyter een brochure uitkomen Aan zijne medekiezers. Hij wees erop dat de tijden hachelijk waren en de toekomst onzeker. Er was inderdaad oorlogsdreiging: Pruisen en Oostenrijk hadden een hoogoplopend conflict waar Nederland bij betrokken kon worden. Eenheid en eensgezindheid onder de bevolking was noodzakelijk om die gevaren af te wenden, en daarvoor was een krachtige regering nodig. Maar als het bestuur van het land steeds omvergeworpen werd, kon er geen beleid gevoed worden. Inderdaad vielen de kabinetten in die tijd als rijpe pruimen uit de bomen. Van Lennep riep zijn landgenoten op te gaan stemmen, naar aanleiding van de proclamatie van de koning: ‘Wie zou in vadsige onverschilligheid thuis blijven, als Oranje hem oproept?’ Van Lennep ried aan om te kiezen voor mannen die wars van partijschap waren, voor mannen die er niet op uit waren spaken in het wiel van de regering te steken. ‘Komt trouw ter stembus, en brengt daar uw stem uit op hen, van wie gij vertrouwt, dat zij, op ’t voorbeeld des Konings, Zijn Ministerie zullen handhaven’. Zijn stemadvies was: kies J.J. Rochussen, M.J. Pijnappel en H.A. Insinger. Rochussen was een gepokt en gemazeld conservatief politicus, diverse malen minister geweest; Pijnappel was een opkomend man van het midden en een ondernemende handelsman; Insinger een conservatief gemeenteraadslid met vele functies in Amsterdam. Alledrie werden ze gekozen.

Wat voor les kunnen wij uit de verkiezingen van 30 oktober 1866 trekken? Deze:

GA STEMMEN!

Advertenties