Archive | juni 2018

Herziene uitgave van de voetreis in 1823

Hoeveel kilometer legden Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp in het jaar 1823 te voet af door Nederland, toen ze hun befaamde voetreis maakten? Ik zou de rekenaars onder mijn volgers willen vragen of zij wellicht het aantal kilometers dat Jacob en Dirk liepen kunnen berekenen. Er is een prachtige kaart van hun route getekend in de nieuwe druk van Jacobs dagboek van de voetreis. Een presentexemplaar voor wie het juiste antwoord geeft kan ik echter niet ter beschikking stellen, want ik weet het antwoord niet! Het zal lastig rekenen zijn omdat de kilometers over de paden en wegen van toen anders waren die van nu.

kaart5

In 2000 gaven Geert Mak en ik Lopen met Van Lennep uit, het dagboek dat Jacob bijhield in de zomer van 1823. Tegelijkertijd kwam er een serie op de buis, waarin te zien was hoe Geert deze voetreis naliep door het landschap van nu – en hoeveel er nog onveranderd was gebleven. 2000 was het jaar dat de negentiende eeuw definitief zijn benaming ‘de vorige eeuw’ verloor, en in dat jaar waren er in het hele land tentoonstellingen en bijeenkomsten over de negentiende eeuw, waarbij de uitgave van Van Lenneps dagboek naadloos aansloot.

We zijn nu achttien jaar verder. Het boek zou meerderjarig zijn geworden, als het nog leverbaar was. Maar het is al een hele tijd alleen maar antiquarisch te krijgen, voor vrij hoge bedragen. Tijd voor een nieuw jasje. Het oude was een beetje sleets. Inmiddels zijn  afbeeldingen van negentiende-eeuwse landschappen, buitenhuizen, markten en dergelijke veel makkelijker te vinden via internet. Dus hebben we de visuele informatie in het boek flink kunnen uitbreiden. Tientallen plaatjes hebben we toegevoegd, die allemaal naadloos aansluiten bij de landschapsbeschrijvingen in de tekst. Ook vonden we afbeeldingen van schilderijen die ze zagen en gebouwen die ze bezochten. De toelichtingen zijn herzien en uitgebreid. De vorige editie had geen plaatsenregister, dat is nu toegevoegd, dus iedereen kan nu volgen dat de jongens dorpjes als Haaften, Koekange, Ferwerd en Zweelo bezochten. En ook dat ze Brabant grotendeels, Limburg, Zeeuws-Vlaanderen en de Zuidelijke Nederlanden helemaal oversloegen. Het Verenigd Koninkrijk zat nog niet in hun gedachten, Nederland was nog min of meer een synoniem voor de Zeven Provinciën.

Van Lenneps dagboek is af en toe bevlogen, als hij zich kwaad maakt over de manier waarop met bedelaars wordt omgesprongen. Hij is een flirter en gokker in Bad Bentheim en altijd zoekt hij getuigen van het verleden op in de plaatsen die hij bezoekt. Zijn weergaven van dialogen tussen bijvoorbeeld een duffe dominee en de twee die hem willen bezoeken, zijn heel geestig. Als hij ontroerd is, door landschappelijke schoonheid, door een agressieve behandeling of door de ontmoeting met een vroegere vriendin, schrijft hij zijn gevoelens op in poëzie.

Naar aanleiding van de eerdere uitgave zijn er nogal wat mensen geweest die de voettocht geheel of gedeeltelijk zijn gaan nalopen of nafietsen. Her en der op internet vind ik er verslagen van. Ik hoop dat er nu weer mensen geïnspireerd worden om de Van Lennep-wandeling uit te voeren. Het Geuldal en het Pieterpad zijn al zo platgelopen – hier kunt u zelf nog aan de slag. Met de nieuwe uitgave van uitgeverij Atlas Contact in uw hand.

zmer1823omslag

 

 

Advertenties

Bredero in Wroclaw

Toen ik in 1966 aankwam bij de Universiteit van Amsterdam, kreeg ik meteen commentaar zodra ik mijn mond open deed. ‘O, jij komt uit Limburg. En je studeert Nederlands?’ Ik mocht dan zelf invullen wat de spreker dacht: ga eerst eens spraaklessen nemen, wat moet dat hier met die zachte -g, zou je wel Nederlands kunnen studeren als je het ABN niet eens behoorlijk uitspreekt. Talloze keren deden Hollanders mijn zachte -g en andere zangerige klinkers en medeklinkers na, nooit beseffend dat ze die toch niet behoorlijk uitgesproken kregen, en nooit erbij stilstaand dat ze mij ermee kwetsten. Ik werd meteen tot ‘de ander’ gemaakt. Dat gebeurde al voordat ik met de colleges begon, in de introductieweken van de studentenvereniging. De eerste week dat ik aansloot bij de colleges viel ik van mijn stoel van verbazing: ik kreeg colleges over Bredero van een vrouw die plat Amsterdams sprak. Ik wist niet wat ik hoorde: een taaltje dat in mijn omgeving altijd afgedaan werd als ordinair en onbeschaafd, werd hier voor de collegebanken gesproken. Dr. Liesje Oey gaf zeventiende-eeuws, en deed dat op de sappigst denkbare manier – en dat plat-Amsterdams deed ze niet na als het om Robbeknol ging, het was haar eigen taal. Al heel snel werd ze een legitimatiemodel voor me: als zij plat-Amsterdams mag praten vóór de zaal, mag ik in de zaal zangerig Limburgs spreken. Wie daar iets over zegt heeft geen recht van spreken. Nederlands is voor en van iedereen.

Liesje jaren60B

Liesje Oey, een struise dame met een enorme krullebos haren, rokend als een ketter wat in die tijd nog voor de collegezaal mocht, behandelde met ons Moortje en De Spaansche Brabander. Ik herinner me hoe ze ons in de lokalen van het Lambert ten Kate-huis figuurlijk mee de stad in nam. Hoe ze ons de groente-, vlees en vismarkten liet kijken met de uitstallingen van niet meer bestaande kapoenen en schelvissen. Ze legde uit dat er ’s winters in de bevroren grachten wakken open gehouden werden zodat de mensen er water konden tappen en konden vissen – en dat er wel eens mensen in die wakken terechtkwamen omdat ze niet goed uitkeken. Bredero zelf misschien wel. Wakken kende ik niet – in Limburg waren geen grachten die konden bevriezen. Ik kende ook niet de veelkleurige stad die Amsterdam in de zeventiende eeuw was, met allerlei ‘gekleurde mensen’ zoals wij ze tegenwoordig noemen. En natuurlijk was ik ook stomverbaasd dat Oey het zonder enige gêne over hoeren en hoerenmadames had – daar hadden de leraren op de nonnenschool waar ik zat nooit over verteld in de lessen. Ik had mezelf natuurlijk wel via de literatuur op seksueel gebied bijgeschoold, ik had Wolkers en Claus gelezen, Alexandre Dumas en Flaubert, maar in de les was seks als onderwerp taboe. Liesje sprong behendig van ijswakken naar het bordeel, alsof het allemaal gewone gespreksonderwerpen waren. Ik leerde Bredero door haar lessen veel beter kennen dan ik Vondel leerde kennen – die kwam in de massale hoorcolleges van Stuiveling aan de orde.

 

Later verloor ik Bredero uit het oog, hoewel ik de aanpak van Liesje zelf ging hanteren. Zo dien je met teksten om te gaan: plaatsen in de tijd, omgevingen en mentaliteiten erbij betrekken. Bredero was in de negentiende eeuw, waarin ik me specialiseerde, geen canonfiguur. Kluchten werden niet hoog aangeschreven en voor schoolgebruik zou Bredero niet erg geschikt zijn: ‘Den Brabander beschouw ik voor scholen geen goed boek’, had Eelco Verwijs geschreven, J. ten Brink meende ook dat Bredero geen passende lectuur voor gymnasiasten was en J. H. van den Bosch, redacteur van de Zwolsche herdrukken, wilde de Brabander niet in de vierde klas behandelen: ‘Ik heb er twee jonge dames onder mijn gehoor en een bende van zestien schalken van jongens’ (ik ontleen de voorbeelden aan Lisa Kuitert, Het ene boek in vele delen).  Toch is er in het Klassiek Letterkundig Pantheon in 1859 een uitgave van Moortje verschenen – de klucht die toch nog heel wat vrijmoediger is dan de Spaansche Brabander.

Nu was ik deze week in het Poolse Wroslaw om colleges te geven – en toevallig was daar bij de afdeling Nederlands (groter dan die in Amsterdam!) een Brederofestival. Men vroeg me of ik ook wat wilde bijdragen. In een boekwinkel was een voordrachtsmiddag. In het Pools en in het Nederlands werd gereciteerd. Zeventiende-eeuwse Poolse teksten en Bredero. Twee studenten met prachtige stemmen zongen het geestige ‘Eenicheydt is Armoedt’: Wat baat je macht, rijkdom, schoonheid, geleerdheid – als je ’s nachts alleen in je bed moet slapen? Er was voor leerlingen van middelbare scholen een declameerwedstrijd uitgeschreven: de winnaars droegen uiterst plastisch oude Poolse poëzie voor, ik verstond er niets van maar hoorde de klankrijkdom en rytmiek van Bredero erin terug. Lia van Gemert was er ook, de Amsterdamse hoogleraar Gouden Eeuw, zij zong a capella een lied van Bredero en wist vervolgens iedereen in de boekwinkel mee aan het zingen te krijgen. Ikzelf had een stukje uit de Spaansche Brabander gekozen om voor te dragen: dat deel waarin Robbeknol en Jerolimo tegen elkaar opsnijden over de schoonheid van respectievelijk de Amsterdamse en de Zuid-Nederlandse taal. Het is een uiterst actueel stukje, waarin Robbeknol het Zuid-Nederlands aanpakt omdat er zoveel uitheemse woorden in staan en Jerolimo het Hollands bot en ongeciviliseerd noemt.
PolenWrozlaw4

Ik probeerde het Amsterdams uit te spreken zoals Liesje Oey het deed, en ik probeerde het Zuid-Nederlands uit te spreken zoals ik het deed toen ik net in Amsterdam aankwam. Het lukte me maar half, maar wat ik wel besefte is dat er geen schrijver is die zo muzikaal, plastisch en virtuoos die beide varianten van het Nederlands weet uit de drukken als Bredero.