Archief | oktober 2020

Het kwaad in de literatuur

Man verdenkt vrouw van overspel, en vermoordt haar – zoals in Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants of in Twee vrouwen van Harry Mulisch, in een iets andere setting, waarbij bedrog de hoofdrol speelt. Of: het individu bindt de strijd aan tegen de macht van het kapitaal, zoals in Thomas Rosenbooms Publieke werken. Of: vrouw bevecht zelfstandigheid en delft het onderspit, zoals in Majoor Frans van Geertruida Bosboom-Toussaint.  In de meeste romans en toneelstukken staat een conflict centraal, waarbij negatieve en positieve krachten botsen. Daaraan ontlenen literaire werken hun fascinatie. Belangrijk is niet dat de minnaar de beminde wel of niet krijgt, maar wat de algemene obstructies zijn die het menselijk geluk in de weg staan, en die in de literatuur zo beschreven worden dat de lezer ze herkent en ziet dat ze hemzelf aangaan. Wat zijn dan die negatieve krachten in een roman of toneelstuk die tot ondergang leiden of die soms overwonnen worden? Fascinerend is dat in de literatuur de negatieve krachten wisselen met de eeuwen, en dus afhankelijk zijn van het denken van de mensen in een bepaalde periode. 

Aanstaande woensdag (21 oktober) begint bij de Illustere School van de Universiteit van Amsterdam een collegereeks over Het kwaad in de Nederlandse literatuur.

Over het kwaad bestaat een uitgebreide filosofische literatuur – van Safranski tot Kant, van Leibniz tot Rousseau: vele filosofen probeerden te beredeneren hoe het kwaad in de condition humaine zit, of niet. De filosofen bestrijden elkaar: volgens Kant heeft de mens een diepgewortelde hang naar het kwade, Nietzsche ziet goed en kwaad slechts als menselijke interpretaties. Hoe zit dat bij de literatoren? Het kwade, het negatieve is de as waarom de literatuur draait, het is dat wat literatuur zo fascinerend maakt – er bestaat immers geen literatuur waarin alleen maar over voorspoed en geluk en tevredenheid een rol speelt. Behalve dan het satirische boek van Voltaire: Candide où l’optimisme, waarin Voltaire de optimistische filosoof Leibniz bespot met zijn opvatting over ‘de best mogelijke wereld’ waarin we zouden leven.

De duivel verleidt Adam en Eva, Rembrandt

In de Lucifer van Joost van den Vondel is het kwade belichaamd in de jaloezie die Lucifer op de mens heeft, die machtiger zou worden dan de engelen. Bij Mariken van Nimweghen is het kwaad letterlijk belichaamd in de duivel Moenen, die haar begeerte naar kennis zo weet te bespelen dat zij zwicht voor zijn verleiding. In Hanna Bervoets Alles wat er was is het kwaad aanwezig als een grote onbekende milieuramp in de buitenwereld, waardoor een kleine groep mensen gedwongen wordt mogelijkheden tot overleven te zoeken. Lichtzinnigheid, machtswellust, begeerzucht, experimenteerzucht, verslaving, dat alles kan teruggevonden worden in literaire teksten. Hangen die samen met de christelijke zeven hoofdzonden? Of moet het kwaad begrepen worden als het blinde noodlot uit de klassieke Griekse literatuur? Door de tijden heen is er misschien wel een fascinatie voor één soort kwaad per tijd aanwijsbaar. Geloofstwijfel komen we tegen in boeken uit de tijd van de Verlichting, in middeleeuwse teksten heeft de duivel macht, in de negentiende -eeuwse romans redt de medische wetenschap de personages niet van besmettelijke ziekten, oorlogszucht overheerst in boeken uit de twintigste eeuw.

Val van de opstandige engelen door C. Lebrun

De colleges worden gegeven door achtereenvolgens Yra van Dijk, Jeroen Jansen, Herman Pleij, Bert Paasman, Marita Mathijsen, Klaus Beekman en Jaap Goedebuure, wekelijks op woensdagmiddag. Het zijn zoomcolleges met mogelijkheid tot het stellen van vragen. Intekening is nog mogelijk via https://www.uva.nl/programmas/open-programmas-is/het-kwaad-in-de-literatuur/het-kwaad-in-de-nederlandse-literatuur-door-de-eeuwen-heen.html