Archief | mei 2021

Dagboek van een lezer 8

Ik had een woordenwisseling met mijn vrouw. Gisteravond las ik voor uit de Belangrijke tafereelen uit de geschiedenis der lijfstraffelijke regtspleging. Ook Anna en Johan waren erbij, de jongere kinderen waren al naar bed. Iedereen heeft het over dat boek, het bijzondere is dat de schrijver oude rechtbankverslagen opgediept heeft en daar mooie verhalen van maakt. Van sommige moorden blijkt pas na jaren wie de eigenlijke dader was, terwijl al die tijd een onschuldige in het gevang zat. Of men vindt een lijk en kan niet achterhalen wie het is, tot een toeval de zaak oplost.

Zo vertelt de schrijver over een paard dat op hol geslagen was en het woud in vluchtte. De knechten gingen er achteraan, en toen ze het beest aantroffen, stond het stil naast het lijk van een jonge man in vreemde kledij. Het gerecht probeerde alles om te achterhalen wie de dode was en wie de dader, maar uiteindelijk nam men maar aan dat het om een Turk ging, al stond er op zijn arm een tatoeage met gewone letters, niet van die speciale oosterse tekens. Elf jaar later was er kermis in die streek, men vertelde elkaar verhalen over recente moorden, en een man vertelde over de onbekende Turk en de tatoeage. Daarop werd een toehoorder lijkbleek. Het bleek de vader van de vermoorde te zijn, die al jaren op zoek was naar zijn zoon. De jongen was zo vreemd gekleed gegaan omdat hij optrad als koorddanser in zijn vaders circus. De knaap was met een collega naar een kermis gereisd, en toen die man alleen terugkwam, zei hij dat de zoon weggelopen was en zich als huursoldaat aangemeld had. Nu bleek wie de moordenaar was. Die werd opgepakt, maar nog voordat hij berecht kon worden, hing hij zichzelf op.

Mijn vrouw vond dit verhaal nog wel geschikt voor de kinderen, omdat de daad uiteindelijk gewroken werd, maar zij ergerde zich over het verhaal van een ongehuwd dienstmeisje, dat bij haar minnaar een kind had gekregen. Dat had zij met een steen om de hals in de gracht gegooid. Deze moord was uitgekomen omdat er vier zilveren lepels vermist waren. Haar baas veronderstelde dat het dienstmeisje die per ongeluk met het spoelwater in de gracht gegooid had. Maar toen er een baggerman naar de lepels ging zoeken, kwam het lijkje van de ongelukkige zuigeling naar boven.

Toen de kinderen naar bed waren hebben we daarover gesproken. Mijn vrouw vond die misdaad te gruwelijk voor de kinderen. Ook meende zij dat die niet hoefden te weten dat ongetrouwde vrouwen een kind kunnen krijgen. Zij zouden dan wellicht vragen stellen die we niet willen beantwoorden. Nu heb ik haar uitgelegd dat je kinderen toch ook moet leren wat er aan verderfelijks in de maatschappij is. De schrijver laat steeds zien dat door tussenkomst van God toch de ware misdadigers gestraft worden. Zij meende echter dat het verhaal over de kindermoord te aangrijpend was. Inderdaad kwam Anna de volgende dag bleek en met kringen onder haar ogen uit haar slaapkamer: ze had geen oog dichtgedaan. Ik heb nu mijn vrouw beloofd dat ik eerst alle verhalen lees en dan besluit of er bij zijn die te gruwzaam zijn om voor te lezen in de familiekring.

Het misdaadverhaal gebaseerd op ware gebeurtenissen is nieuw in de tijd dat onze lezer het voorlas aan zijn gezin. De auteur, een ambtenaar bij de provincie Utrecht, Jan Bastiaan Christemeijer, was zijn tijd vooruit met de Belangrijke tafereelen uit de geschiedenis der lijfstraffelijke regtspleging (1819) en Nieuwe tafereelen uit de geschiedenis der lijfstraffelijke regtspleging (1828), beide ettelijke malen herdrukt en zeer hoog gewaardeerd bij het publiek. Bij Christemeijer worden de misdaden vaak bij toeval opgelost, maar er zijn bij hem ook ‘detectives’, slimme politie-inspecteurs die blijven volhouden tot een diefstal of moord opgelost is. De echte ‘detective’ zal pas aan het eind van de negentiende eeuw geschreven worden. De Engelse schrijver Wilkie Collins zou de eerste schrijver daarvan zijn met The woman in White (1860) en The moonstone (1868). Maar Edgar Allan Poe was hem nog voor met drie verhalen over de scherpzinnige detective C. Auguste Dupin, voor het eerst in The murders in the Rue Morgue (1841). Terwijl nu vooral detectiveseries op tv (Netflix) met autistische, alcoholverslaafde en vereenzaamde misdaadonderzoekers populair zijn, waren de eerste detectives in een hoofdrol vooral slimme redeneerders.

Dagboek van een lezer 7

We hebben zo gelachen gisteren bij onze literaire club, Oefening kweekt kennis. Ik had gehoord dat er een jonge dichter zou optreden, die eigenlijk nog drukkersgezel is maar die opgang maakt met een verhaal over een zekere Pieter Spa. Zo kondigde hij zijn optreden aan: Pieter Spa’s reize naar Londen, ter gelegenheid van het krooningsfeest van koningin Victoria. Die kroning was twee jaar geleden, in 1837 dus. Nu, zoals die man voorlas, zo heb ik het nog nooit meegemaakt. Meestal toch zijn schrijvers die komen voorlezen deftige heren die de tijd nemen om hun toehoorders te doordringen van de diepzinnige inhoud van hun bespiegelingen. Deze jongeman, Van Zeggelen heet hij, kwam op met een innemende glimlach en een olijke blik, en hij liet het koddige en luimige bij de voordracht heel geestig uitkomen. De toehoorders gierden al na enige minuten van pret, toen hij begon met het tafereeltje waarbij de rentenier Pieter Spa aankondigt naar Londen te willen, en zijn kousenstoppende vrouw hem erop wijst dat hij nog nooit verder dan van Den Haag naar Amsterdam gereisd heeft en geen taal dan Hollands spreekt. Ze begrijpt er niets van: hij is altijd zo gierig en nu wil hij met de dure stoomboot.

Met koffer, valies, paraplu, overjas en hoedendoos stapt hij in Rotterdam op de boot, waar hij zeeziek wordt en zich beroerd en wel op het dek te slapen legt, onder zijn overjas. Als hij wakker wordt en meent in Londen te zijn, blijkt hij op de verkeerde boot te zijn gestapt en is hij in Duinkerken beland. Of hij misschien een processie wil bekijken, vragen ze hem. Nou, en toen deed Van Zeggelen dat Vlaamse taaltje na, zo van ‘parbleu, jou passe niet is koete’. Wat wil zeggen: verdorie, je paspoort deugt niet. Nu heeft de koning België dit jaar wel eindelijk erkend, maar het blijft toch een mal en achterlijk land met die Vlamingen die geen Nederlands en die Walen die geen Frans kunnen spreken.

Maar goed, Spa kon tegen grof geld met een smokkelaarsschuit vol varkens mee naar Londen. Na allerlei tegenslag komt hij nog net op tijd in Londen aan. Voor een Hollandse gouden munt krijgt hij een staanplaats op een propvolle tribune. Als het volkslied aangeheven wordt, wil hij zoals het hoort zijn hoed afnemen. Maar hij zit zo ingeklemd dat hij zijn armen niet omhoog krijgt.

Zijne armen hingen langs hem neêr,

Hij kon geen lid of vin verwrikken.

Hij was voor zijn bestel beducht,

En hijgde vaak naar versche lucht.

De omstanders roepen: ‘Pull off that hat’, maar het lukt hem niet. Een boze Engelsman beukt dan zijn hoed over zijn oren, zodat hij niets meer ziet als Victoria voorbijkomt:

Daar heft op eenmaal de euvelmoed

Zijn ijzren vuist omhoog en doet

Haar nederbonzen op Spa’s hoed,

Die om het hoofd niet sluitend scheen

Want, toen de slag werd toegebragt

Verkeerde hem de dag in nacht:

De hoed gleed eensklaps naar beneên,

Hem over neus en lippen heên.

En, tot de kin er in gedoken,

Was ’s mans gelaat in ’t vilt verstoken.

En dan moet hij weer terug en zijn vrouw de mislukking vertellen. Die constateert tevreden dat ze hem toch gewaarschuwd had.

Enfin, het verhaaltje stelt niks voor, maar die Van Zeggelen wist er echt iets van te maken. Van die man gaan we nog vaker horen. Heel afwisselend is dat gedicht ook, met zo’n huiselijk tafereeltje in het begin, dan die man die niet gewend is te reizen en op de verkeerde boot stapt. Vervolgens die Belgen die hem flink afzetten voor zijn stommiteit. Dan volgt er nog een heel romantische beschrijving van de angst van Pieter Spa als er een storm losbreekt. Heel klunzig dwaalt hij door Londen, en als hij thuiskomt heeft hij schrik voor de sarcastische woorden van zijn vrouw. Pieter Spa is typisch iemand die vijftig jaar achterloopt in de tijd en van stoomboot en reizen geen weet heeft. Dat type ken ik wel. Mijn eigen oom Pieter die in de zestig is en vroeger een handel in linten had en nu couponnetjes knipt, is er ook zo een. Die oom van mij, die lijkt weer sprekend op een type waarover ik las in een boek dat net is uitgekomen, van een zekere Hildebrand. Camera Obscura heet het, en daarin staat een verhaal over een benepen Leidse student, Pieter Stastok. De vader van die Stastok, dat is nou precies zo iemand als Pieter Spa en als mijn eigen oom Pieter. Hoe ik nou al die Pieters uit elkaar moet houden weet ik niet. Die Van Zeggelen heet in elk geval gewoon Willem.