Archief | oktober 2021

Interview met Nicolaas Beets, 13 september 1900

[Bij de presentatie van het boek L hield ik een interview met Nicolaas Beets, vertolkt door Carel Alphenaar. Het kan binnenkort op de site van Spui25 bekeken worden. Voor nu alvast de tekst van het interview dat ik met Beets hield.]

Professor Beets, we staan nu aan het begin van de twintigste eeuw – U bent vandaag 86 jaar geworden. Maar u bent nog behoorlijk fit en, als ik het zo mag zeggen, u telt nog steeds mee in de literatuur. Dat moet u toch wel genoegen doen?

Verbazen, bedoelt u dat? Wel, ik kan u vertellen dat ik net een dichtbundel, Dennenaalden, heb samengesteld en dat ik twee jaar geleden nog, toen Hare Majesteit op de troon kwam, zeven gedichten voor haar geschreven heb, die uitgevoerd werden bij haar kroning. Ik heb zelfs een nieuw Wilhelmus geschreven: [hij begint te zingen]

Wilhelma van Nassauwe

Tot Koningin gekroond!

U blijft het Volk getrouwe,

Dat U zijn liefde toont.

Dank u wel, meneer Beets, u zingt nog perfect. Maar ik wil het niet over het koningshuis hebben, Laten we over de literatuur spreken. In De Nederlandsche Spectator heeft een enquete gestaan onder lezers, over welk boek zij nou als het beste boek van de negentiende eeuw zien. Het beste van de Nederlandse literatuur dus. Daar kwam uit dat de Camera Obscura door de lezers het meest gewaardeerd werd van alle boeken van Nederlandse schrijvers uit de vorige eeuw. Hoe vindt u dat?

Wel mevrouw, ik weet dat dat boek nog steeds hoog gewaardeerd wordt. Het is merkwaardig, in 1839 kwam de eerste druk uit, en nu ben ik de twintigste druk aan het corrigeren. De twintigste, jawel! Er bestaan luxe-uitgaven, volksuitgaven, schooluitgaven, de mensen kunnen er maar niet genoeg van krijgen.

Waar ligt dat aan, denkt u?

Wel, het past een oude man past niet om zelfingenomen te zijn, maar toch, ik denk dat ik de werkelijke Hollandse geest in dit boek begrepen heb, en die heb ik met wat humor beschreven. Daar houden lezers van. Dus ik spiegel hun niet alleen de goede dingen van de Hollanders voor, maar ook hun slechte eigenschappen, en dan niet in zwart-wit kleuren, en ook niet in grijs, maar in alle tinten van de regenboog.

Maar het boek is meer dan zestig jaar oud, de Nederlanders moeten inmiddels toch wel veranderd zijn?

Wel, ja ja, de maatschappij is veranderd, we hebben stoomschepen en treinen, onze steden zijn niet meer ommuurd, de fotografie is uitgevonden en ze kunnen tegenwoordig een boek in een paar dagen herdrukken op zo’n moderne pers. Maar de Hollanders zelf zijn toch niet veranderd. Die zijn nog steeds even zuinig zoals de familie Stastok, er zijn nog steeds arme sloebers zoals Keesje het Diakenhuismannetje en er zijn nog steeds van die dames die denken dat ze aan cultuur doen als ze af en toe een boek lezen, en er zijn nog steeds mensen die plotseling rijk geworden zijn en hun weelde protserig en opzichtig ten toon stellen, zoals vader Kegge.

Dat is wel zo, maar de literatuur, die is toch zeker wel veranderd. De mensen willen nu toch andere boeken dan in de tijd dat u jong was?

Ach heremijntijd, die literatuur van tegenwoordig. Ik weet niet wat u ervan vindt, maar ik kan het er niet mee vinden. De Tachtigers, zo’n bende van over het paard getilde jongelui die vinden dat poëzie niet hoeft te rijmen en geen metrum hoeft te hebben. Ze stoppen alles wat maar smerig en platvloers is in boeken, waarom moet dat? Ik heb het zelf ook over akelige dingen gehad, die Suzette heb ik in de Camera opgevoerd, het meisje dat… eh… aangerand wordt, maar dan ga ik toch niet zover om te beschrijven wat er werkelijk gebeurt? Ik leid mijn lezers toch niet een bordeel in, en ik geef ze ook geen vergrootglas om eens goed te kijken naar… nu ja, u weet wel wat ik bedoel.

Over welke schrijvers heeft u het dan precies?

Ja, die bengels die schrijven voor De Nieuwe Gids, die speciaal. Lodewijk van Deyssel, ik hoop niet dat u Een liefde gelezen heeft. Dat zou verboden moeten worden in een christelijk land.

Er gebeurt toch niet veel meer in dat boek dan dat een vrouw dezelfde lichamelijke gevoelens heeft als een man?

En heeft u dan gelezen hoe die dame, een moeder nota bene, in de tuin zit – en daar haar rokken opschort en … laat ik erover ophouden. Haar man gaat naar de prostituees, dat komt ervan als je met zo’n vrouw getrouwd bent.

O, het ligt aan de vrouw dus als een man prostituees bezoekt?

Mevrouw, dit onderwerp past ons niet.

Ik wil toch nog even verder over de jonge schrijvers. Zo’n roman als die van Louis Couperus, Eline Vere, wat vindt u daar dan van?

Louis Couperus? Die komt toch nog maar net kijken? Nee, nee, ik lees die jongeren niet allemaal. Ik heb ook die Fransen, die naturalisten zoals ze zich noemen, de gebroeders Zola, o nee, ik bedoel de gebroeders De Goncourt, niet gelezen. Maar ik heb wel over Eline Vere gehoord, het boek schijnt in Den Haag nogal opgang te maken. Het zou gaan over een meisje uit hogere kringen dat zich verveelt en hopeloos verliefd raakt op een operazanger en dan zichzelf van kant maakt. Ach, ik begrijp niet waar die verveling vandaan komt, die zoveel romanfiguren nu uitstralen. Is het zo moeilijk om een zinvol bestaan te zoeken? Ik ben oud, ik zie niet goed, ik loop moeizaam, alles gaat trager, maar ik verveel me geen seconde. Wie zich tot God wendt, vindt altijd wel een mogelijkheid om de dag in te vullen en iets te betekenen voor zijn omgeving.

Mag ik verder vragen over de Camera? U heeft maar één prozaboek geschreven, en daarna alleen maar verzen. Dat succes van de Camera Obscura, had u er geen behoefte aan om dat te herhalen? Een roman schrijven, heeft u dat nooit overwogen? Proza trekt nu eenmaal meer lezers dan poëzie.

O, dat is uw mening! Toen ik begon met schrijven, in de jaren dertig, als student, schreef iedereen poëzie en die werd gretig gelezen. Ik was toen trouwens in de ban van de romantiek, ik heb een stuk of vijf lange dichtverhalen geschreven, ze werden indertijd wel aardig gevonden, heel wild en vurig, vol akelige en afgrijselijke tonelen, maar ik geloof niet dat ze nu nog gelezen worden. Romantiek is afgelopen, het wordt nu iets van dwepers gevonden. Maar om op uw vraag terug te komen: ik heb nooit de behoefte gevoeld om in proza mijn weg te vinden. Een verhaal in proza, dat is toch eigenlijk alleen maar onderhoud, amusement. Waar ik veel meer in zie, is in gedichten die lezers kunnen opslaan in hun geheugen en dan toepassen op het leven. Juist gewone gedichten over het dagelijks leven, over beslissingen die je moet nemen, over rampen die je overkomen, of feestelijke dingen, die maken het bestaan zo draaglijk. Ik probeer de mensen gedichten aan te reiken die hun dagen kunnen versieren, maar ook gedichten die troost bieden in geval van tegenspoed.

Wij verwachten in de toekomst periodes van tegenspoed, besmettelijke ziektes, onbekwame  regeringen, gebrek aan huizen, oorlogen over de hele wereld. Heeft u daar ook gedichten van troost voor?

Ach, wat vraagt u nu van een oude dichter? Mag ik u het gedicht dat ik geschreven heb voor mijn verjaardag voorlezen:

Wat door hart en leven ging,
Of door ’t hoofd kwam spelen,
Lokte allicht een toontjen uit
Een der snaren van mijn luit,
Zocht zich meê te deelen.
  
‘In mijn dichten is mijn hart,’
Heeft mijn pen geschreven;
Ja, in vreugd en droefenis,
Zooals ’t was, en werd, en is,
Heel mijn hart en leven.
  
Ooren zijn er steeds geweest,
Die mij hooren wilden,
Trouwe harten, nimmer koel
Waar mijn snaren van ’t gevoel,
Dat mij aangreep, trilden.
  
Dank mijn Vrienden, dank mijn Volk!
 Houdt uw ooren open
 Voor wat schoon is, goed, en waar!
 Van uw ouden harpenaar
 Valt, na zes en tachtig jaar,
 Wel niet meer te hopen.

Professor, mag ik u hartelijk danken voor dit gesprek en dit gedicht.

Portret door Thérèse Schwartze

Atte Jongstra’s gesproken column op 29 september

Geachte aanwezigen…

Marita Mathijsens monumentale boek L. is een zogeheten intellectuele biografie, de hoofdpersoon L. opent zijn lezersogen op 1 januari 1800, en slaakt op oudejaarsavond 1899 klokke 12 zijn laatste zucht. Wie was de mens L.? Deze vraag houdt me bezig sinds ik L uit heb, overdag, maar ook s’ nachts. Was het een man, een vrouw? Meteen na het lezen van Marita’s biografie droomde ik met hem… L. was dus een man, maar dat zal hem aan mij liggen.

Ik droomde met hem samen de laatste oudejaarsavond van de voorvorige eeuw te vieren. We droegen beiden een hoed en zagen tot onze verbazing eenzelfde kostuum te hebben aangetrokken.

‘Here,’ zei L. zelfs ‘U lijkt mij wel.’

‘Dat weet ik niet hoor,’ zei ik. ‘Ik herken veel van mij in u,  maar als ik uw biografie mag geloven ben ik toch echt van een andere tijd. Laten we het liever over uw eeuw hebben. Hoe zou u die eigenlijk typeren?

‘Nou, op de valreep dan, bijna achteraf…’ zei L. ‘Is misschien best een goed moment.’ Hij haalde diep adem, daar ging hij:

Onze eeuw van machines…

Onze eeuw van woelen, werken, jagen en streven…

Onze eeuw van strenge kritiek…

Onze eeuw van gothische gebouwen, met zalen en meubelen à la renaissance…

Onze eeuw van overgang…

Onze eeuw van veelvuldige ondernemingen, waarin alles beproefd en niets gespaard wordt…

Onze eeuw van de fabrieksschoorsteen als teken van beschaving, in plaats van kerktorens

Onze eeuw van koolwaterstofgas en Bunsen-elementen, en…

‘Hoeveel komt er nog?’ vroeg ik.

‘Laat me nou,’ zei hij. ‘U vroeg er zelf naar. En mijn tijd is bijna om.’

Ik keek op de klok. Tien voor twaalf, hij had gelijk. Daar ging hij alweer:

Onze eeuw van opgeblazenheid…

Onze eeuw van weifeling…

Onze eeuw van terugdeinzen…

Onze eeuw van maatschappijen en genootschappen…

Onze eeuw van ongedwongen concurrentie…

Onze eeuw van schandelijke eerzucht…

Onze eeuw van deficiet…

Onze eeuw van verblindende helderheid…

Onze eeuw van publiciteit en drukpers…

Onze eeuw van duodecimo’s en luchtige literatuur…

Onze eeuw van luchtledige toestellen…

Onze eeuw van werkelijke of ingebeelde geloofsijver…

Onze eeuw van speculatie…

Onze eeuw van vervalsing…

Onze eeuw, waarin de godsdienstzin van miljoenen katholieken zo schitterend blijkt, en veelzijdig schijnt…

Onze hooggeprezen eeuw, waarin nog dezelfde dwaasheden heersen als voor duizend jaar…

‘Het was me de eeuw wel, die honderd jaar van U,’ zei ik.

‘Zeker,’ zei  L. ‘Om dat allemaal te verstouwen − je moet er maar de persoonlijkheid voor hebben.’

Gelukkig heeft L. zich in zo’n persoonlijkheid mogen verheugen, aldus zijn biografe. Standvastigheid en koppigheid maakten er geen deel vanuit. Hij was een lettervreter en at wat hem werd voorgezet. ‘Een lezende allemansvriend’, welbeschouwd. Heb je eigenlijk niks aan, als biograaf. Je wilt als levensbeschrijver immers liever een karakter met haken en ogen. L. wil alles lezen, mits het populair is. Van hoog tot laag, van bevlogen tot achterklap, alles tussen verstand en sentiment, alles tussen droom en daad. Poëzie, proza, beschouwelijk werk… Genre is hem onverschillig, het lezersoog van L. staat niets in de weg. Van een persoonlijke smaak kunnen we hem dus niet beschuldigen. Misschien werd hij daarom wel honderd, al  was het zijn persoonlijk gastrisch stelsel dat zijn literaire eetlust mogelijk maakte.

Terug naar mijn droom. Het was intussen twee voor twaalf, op die gedenkwaardige eenendertigste december 1899. Ik zat aan L’s sterfbed en vroeg hem wat hij had gemist in al zijn levensdagen. Zijn stem was al aan het breken, maar deze woorden klonken helder: ‘Ik had zo graag meer lijstjes gezien. Toptiens, nee tophonderds. En dan voor elk jaar één. Het zou me houvast hebben gegeven. Richting. Doel. Nu moest ik steeds maar stuurloos stomen, door de oceaan der letteren.’

‘Een beetje schipper kijkt anders waar de wind vandaan komt…’ zei ik.

Hier schoot de stervende overeind uit de kussens.

‘Zo is het, en precies dat heb ik gedaan. Maar de wind, die draaide steeds.’

Er leek iets over zijn gezicht te strijken, ik meende er een glimlach in te zien. Was hij gelukkig? Of was het reeds de dood die intrad?

‘Ho, wacht even,’ riep ik. ‘Voor U ervantussen gaat, kan ik uit uw mond nog een laatste woord noteren?’

Eenmaal nog sloeg hij zijn ogen op. Ik legde mijn oor aan zijn lippen, dit was wat hij zei: ‘Voor ik naar de vaantjes ga, ik was zelf zo’n vaantje. Met alle winden mee, ik zag alle hoeken. Zo rijk in overzicht te kunnen sterven, daar kunnen U en alle… ‘

Daar begon de staande klok. Slag nummer twaalf en L. was weg.

Honderd en een en een twintig jaar, dames en heren, 121 jaar moest het duren voor we eindelijk kennis kunnen nemen van het rijke overzicht van L.  Maar nu kunnen we dan ook. L. is dood, Leve L.

Dank u wel.

Deze tekst sprak Atte Jongsta op 29 september uit tijdens de presentatie van het boek L. De lezer van de 19de eeuw. Met zijn toestemming is die hier afgedrukt. De typeringen van de eeuw ontleende hij aan Delpher.

Wie heeft er een foto van Atte op het katheder? Dan plaats ik die! Hier is Nicolaas Beets aan het woord.