Archief | mei 2022

Betje was niet zestien jaar

Zestien jaar zou Betje Wolff zijn op het bekende portret van haar met een platte zomerhoed, tegen de achtergrond van gebladerte, in haar handen het Essay on man van Alexander Pope. En overal kom je het tegen: zo zag Betje Wolff er op 16-jarige leeftijd uit. Of het nu Wikipedia is, het Betje Wolff-Museum in Midden Beemster, de DBNL, het Taalunie-handboek: deze tekening stelt Betje in 1754 voor.

In 1895 was het origineel voor het eerst en meteen ook voor het laatst in het openbaar te zien. Dat was op een tentoonstelling over Wolff en Deken, samengesteld door de overijverige dominee Johannes Dyserinck, die over vrijwel alle bekende negentiende-eeuwse schrijvers wel iets geschreven heeft. In de catalogus van die tentoonstelling staat dat het gaat om een Oost-indische inkttekening, eigendom van P. Molenaar in Zwolle. Dyserinck schat haar ‘op ongeveer zestien jaar’.[1]  

Dyserinck was ook de eerste die het portret in een boek opnam, in 1904. Ook hier blijft hij bij de puberleeftijd van het meisje.[2] Het origineel lijkt daarna van de aardbodem verdwenen te zijn. De afbeelding van Dyserinck, waarbij het boek niet helemaal afgebeeld is, werd ieders bron. Johanna W.A. Naber is de eerstvolgende die haar afbeeldt. Zij laat bij de leeftijd nu het woord ‘ongeveer’ weg, Betje ís gewoon zestien.[3] Geen woord erover dat het toch wel vreemd is dat een zestienjarig Zeeuws meisje poseert met een Engelse uitgave van Alexander Pope’s  Essay on man. We weten niet eens welke school ze volgde en of ze daar Engels leerde. Ook H.C.M. Ghijsen vraagt zich bijna een halve eeuw later niet af hoe ze aan dat boek gekomen kan zijn in Vlissingen.[4] En zo blijft die datering rondcirkelen. Ook ikzelf heb hem onnadenkend nog onlangs als zodanig op mijn blog gezet! Maar dat moet nu maar eens afgelopen zijn: Betje was 28 toen ze geportretteerd werd. Hoe het kan dat ze er zo jong uitziet? Wel, weelderige vormen had ze niet: ze was mager en niet groter dan 1.45 (volgens paspoort: 4 pieds en 8 pouces).

Toen in de jaren zeventig van de vorige eeuw het tijdperk Buijnsters aanbrak en Betje en haar vriendin eindelijk wetenschappelijk bestudeerd werden, volgde er nog geen correctie. Buijnsters houdt het bij ‘ongeveer 16-jarige leeftijd’. Voordat hij de biografie en de brievenuitgave publiceerde, maakte hij eerst een bibliografie (in die tijd – 1979 –  werd dat genre nog gedrukt). Hij deed navraag bij nabestaanden van de Zwolse Molenaar, of die het portret nog hadden, maar nee, geen origineel. Net zo kwijt als het stenen borstbeeld van Dionys Nachenius uit 1776, toch heel wat omvangrijker dan het papieren portret van Molenaar. Net zo onvindbaar als een portretje van dominee Adriaan Wolff, de weduwnaar-op-leeftijd die de 21-jarige Betje naar de pastorie in de Beemster sleepte.

Maar inmiddels is het digitale tijdperk aangebroken. In 2002 ontdekt de kunsthistoricus R.J.A. te Rijdt dat het Fries Museum een tekening heeft van de achttiende-eeuwse schilder Tako Hajo Jelgersma, dat diende als omslagblad bij een verzameling landschapsprenten van Betje Wolff. De domineesvrouw had zich als een verzamelaarster ontpopt. Op dit blad staan allegorische figuren rond de titel gerangschikt: Atlas van de zeven verenigde Landschappen byeenvergadert door Elisabeth Wolff-Bekker in de Beemster 1766. Jelgersma woonde in die tijd in Haarlem, en moet door Wolff aangezocht zijn om dat titelblad te maken.

Nu is uit brieven van Betje bekend dat deze Jelgersma vóór 1772 diverse pogingen deed een portret van haar te maken. Zij maakte een gedicht over haar afkeer van portretteren[5]:

’t Mislukte maal op maal, aan ’t zacht en malsch penseel
Des netten Jelgersma; hoe hy ’t ook aan mogt leggen.
‘Hy tekent zuiver, wascht volmaakt, – pastel is eêl;
Maar ’t lykt U niet genoeg”, dit blyft het oude zeggen.

Toch viel dat van Jelgersma haar nog een beetje mee, vergeleken met de producten van andere kunstenaars. Te Rijdt meent nu dat het puberportret van Betje ‘vrijwel zeker’ van de hand van Jelgersma is. Hij kent de eigenaardigheden van hem en herkent die op deze tekening. Bovendien maakt hij duidelijk dat die tekening niet uit 1754 kan stammen: Jelgersma werkte toen in Friesland en zou echt niet naar Vlissingen afreizen. Hij meent een trouwring aan haar vinger te herkennen, en het tonen van Popes Engelse titel is toch ‘een wel heel voorlijk statement’.[6] Betje publiceerde pas in 1783 haar vertaling van Proeve over den mensch. Te Rijdt maakt waarschijnlijk dat het portret in de Beemster jaren, dus ná 1759, geschilderd is. Haar eerste vertaling uit het Engels dateert van 1764.

Laten we nu eens verder redeneren. Rond 1754 woonde Jelgersma in Harlingen. Het is niet goed voorstelbaar dat hij dan naar Vlissingen zou reizen om de onbekende Betje Bekker te portretteren. Haar familie hoorde niet tot de top van de Vlissingse elite. Ligt het niet veel meer voor de hand dat Jelgersma haar ontmoette in 1766, de tijd van het albumblad, toen hij in Haarlem woonde, en dat hij haar toen schilderde, de jonge vrouw van 28?[7]

Met deze redenering kunnen we nog een stap verder gaan. In 1880 publiceerde J. van Vloten een boekje over Betje Wolff waarin hij een litho opnam van wat hij een zelfportret van Betje noemt. Het is een zeer vaardig portret, waarbij een fraaie Betje omringd wordt door allegorische figuren, zoals fortuin, de dood, de tijd, Venusengeltjes.

Onderaan de litho staat in haar handschrift dit gedicht:

De sterfling die zijn hart de Deugd heeft toegewijdt,

Begeert geen’ schatten; vreest Fortuin, nog Dood, nog Tijd:

Geen Armoe, geen Gewelt, geen Min zal hem doen beven

Die ’t voorschrift volgt ons door de Reden voor geschreven

Geen stof, geen jaren zijn verstoken van ’t genot

Der ware Wysheid, dient m’ eerbiedig zynen God.

Beemster 14 maart 1766                  E.W.g.B.

Maar wie de tekeningen van Betje kent die in het Zeeuws Archief bewaard worden, beseft dat ze echt niet vaardig genoeg was om zoiets zelf te tekenen. Veel meer voor de hand ligt, dat een bekwame tekenaar haar portretteerde en dat ze zelf het gedichtje inschreef op het stuk papier dat speciaal daarvoor opengelaten was. Natuurlijk ligt het dan voor de hand aan Jelgersma te denken, temeer daar het gedicht op 14 maart 1766 gedateerd is. Maar wat nog meer pleit voor de hand van Jelgersma is de gelijkenis met het zogenaamde zestienjarige-portret. Ze draagt ongeveer hetzelfde als op die tekening: dezelfde strikjes op borst en mouwen, hetzelfde armbandje aan haar rechterarm, eenzelfde soort ‘halsband’, dezelfde haardracht.

Kortom: Betje was geen zestien maar 28 toen ze geportretteerd werd, en maar liefst tweemaal:  – er is geen sprake van een zelfportret en geen sprake van een zestienjarig meisje met Pope in haar handen. Nu nog een spoiler: van beide tekeningen is het origineel niet bewaard…


[1] De tentoonstelling was bij gelegenheid van de onthulling gedenksteen op de Haagse begraafplaats Ter navolging. Johs. Dyserinck, Tentoonstelling van handschriften, boeken, portretten enz. van Elizabeth Woff en Agatha Deken […]. ’s Gravenhage: Van Cleef, 1895, 48. Eerder was er in Vlissingen een tentoonstelling bij de onthulling van de Wolff-Deken-fontein, maar daar was het ‘jeugdportret’ niet. Zie Johs. Dyserinck, Hulde aan Betje Wolff en Aagje Deken. Middelburg: Altorffer, 1884.

[2] Joh. Dyserinck, Brieven van Betje Wolff en Aagtje Deken. ’s-Gravenhage: Gebroeders Van Cleef, 1904, XVII.

[3] Johanna W.A. Naber, Betje Wolff en Aagje Deken. Amsterdam: Meulenhoff, 1913, 17.

[4] Ha.C.M. Ghijsen, Dapper vrouwenleven. Karakter- en levensbeeld van Betje en Aagje Deken. Assen: Van Gorcum, 1954, t.o. titelpagina. In hetzelfde jaar verschijnt wel een weinig informatief artikel van A. van der Boom, ‘De portretten van Elisabeth Wolff en Aagje Deken’. In: Boeket voor Betje en Aagje. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1954, 53-64. Hij betwijfelt wel de vroege datering.

[5] E. Wolff-Bekker, ‘Ontschuldiging, aan myne vrienden’. In: Lier- Veld- en Mengelzangen. Hoorn: Tjallingius, 1772, [XVI].

[6] R.J.A. te Rijdt, ‘Tako Hajo Jelgersma (1702-1795) en Betje Wolff: het titelblad voor haar topografische atlas en een portret’. In: Delineavit et Sculpsis 25 (2002), 25-36.

[7] Lieke van Deinsen en Beatrijs Vanacker, ‘Found through Translation’. In: Early Modern Low Counstries 3 (2019), 60-80 wijzen ook op de latere datering, maar brengen die niet in verband met het albumblad van 1766. Zie ook: Lieke van Deinsen, ‘’’k Zeg basta met dat portretteeren”. Elizabeth Woff en de (on)mogelijkheden van haar auteursportret’. In: De achttiende eeuw 2019, 85-103. 

Van P.J. Buijnsters noem ik: Bibliografie der geschriften van en over Betje Wolff en Aagje Deken (Utrecht: Hes, 1979); Wolff & Deken. Een biografie (Leiden: Nijhoff, 1984); Briefwisseling van Betje Wolff en Aagje Deken (Utrecht: HES, 1987, 2 dln.).

Uit de kast: een ‘emobiografie’ van Betje Wolff

Tot nu toe heb ik het verborgen gehouden, maar ik moet nu toch werkelijk eens tevoorschijn komen uit de kast waarin mijn boeken van en over Betje Wolff en Aagje Deken staan: ik ben begonnen met het schrijven van een nieuwe biografie van Betje Wolff. Lang heb ik geaarzeld: die van Piet Buijnsters uit 1984 is voortreffelijk, er zijn onderzoekers die meer van de achttiende eeuw weten dan ik, er is al zo veel over de dames geschreven, iedereen heeft wel een mening over ze. Bovendien zijn er sinds Buijnsters’ biografie alleen nog maar een paar onbekende brieven opgediept (Roelof van Gelder vond ze in het Engelse admiraliteitsarchief), er zijn geen omverwerpende andere documenten boven tafel gekomen. Geen wonder, want het onderzoek is door Buijnsters ongekend grondig aangepakt. Maar de biografie is allang uitverkocht en het accent kan nu toch anders komen liggen – dus toch. Ik wil me op alleen Betje concentreren: tenslotte leefde Betje slechts 26 van haar 66 levensjaren met Aagje samen, en ging ze de eerste veertig jaar haar eigen weg. Maar natuurlijk zal Aagje in mijn relaas over die 26 late jaren meelopen – een diepere ‘Wahlverwantschaft’ dan die is er tussen Nederlandse schrijvers niet te vinden.

Betje op 16-jarige leeftijd met A. Pope, Essay on Man. Over de leeftijd volgt binnenkort nog een blog.

Aan mijn uitgever, Balans, heb ik mijn plan al enige tijd geleden verteld. Ik zei daar dat ik een ‘emobiografie’ wil schrijven: dus dat ik het accent wil leggen op de gevoelens die Betje onderging toen ze op 17-jarige leeftijd er met haar geliefde vandoor ging, teruggehaald werd en vervolgens uit de Vlissingse gemeenschap werd gestoten. Hoe ze op haar 21ste opgehaald werd door een dertig jaar oudere dominee die ze nog nooit gezien had. Een man van in de vijftig was in de achttiende eeuw oud, had misschien geen tanden meer, stonk waarschijnlijk. Hij had kinderen die ouder waren dan het bruidje. Hoe ze daar in de winter in de platte, dodelijk saaie Beemster terecht kwam, in een bekrompen pastorie haar plek moest vinden, hoe ze vluchtte in de schrijverij en een uitgever vond. Hoe ze er niet voor terugschrok vijanden te maken door fel uit te halen tegen bekrompen gedachtegoed. Hoe ze tot een kameraadschap met de dominee kwam. Hoe ze dweepte met jonge meisjes die het schrijverschap ambieerden. Hoe ze tot die diepe vriendschap met Aagje kwam en hoe de twee vrouwen op de vlucht sloegen naar Frankrijk, althans als we hun emigratie als een vlucht moeten opvatten. Hoe ze bedrogen werden door de man aan wie ze in Nederland hun kapitaal in bewaring gegeven hadden. Hoe ze moesten smeken om geld bij autoriteiten in Frankrijk en Nederland, zodat ze terug konden naar Nederland. Hoe ze toen zichzelf in leven bleven schrijven. Hoe ziek Betje werd, aan een kanker die organen in haar hele lijf aan elkaar liet kleven, hoe ze onder hevige pijnen stierf, hoe Aagje daarna niet meer sprak en tien dagen later ook overleed. Diagnose: een gebroken hart.

Maar even belangrijk zijn natuurlijk haar gedachtegoed en haar gedichten en romans. Ik zal proberen te achterhalen hoe ze vóór haar huwelijk aan boeken kwam, en hoe ze toen en later zo goed op de hoogte was van wat er aan belangrijks uitkwam. Veel van haar zeer omvangrijke werk moet ik nog lezen – bepaald geen straf.

Een ‘emobiografie’? Hoe zie ik die? Geen biografie waarop ik zou kunnen promoveren![1] Maar natuurlijk wel een wetenschappelijk onderbouwde biografie, met noten en literatuurverwijzingen. Waarin  wijkt hij af van een ‘wetenschappelijke biografie’? Ik ga veel ruimte geven aan interpretaties, die ik dan wel zo formuleer dat ze herkenbaar zijn als mijn eigen zienswijzen. 

Ik heb mijn plan voorgelegd aan Piet Buijnsters. In de bundel Onbreekbare Burgerharten had hij al zijn ‘Afscheid van Wolff en Deken’ geschreven. Hij verheugde zich op de nieuwe aandacht, en heeft me de documenten toevertrouwd die hij over het Franse verblijf van Betje en Aagje verzameld had. Dat hij ermee instemt, stelt me gerust, maar tegelijk legt het een zware claim op me. Mijn biografie hoeft niet beter te zijn, alleen anders – misschien zie ik dingen die alleen een vrouw ziet of beter: voelt.

Nog iets: blijf ik haar Betje noemen? Blijf ik haar Betje Wolff noemen? Is Elizabeth Bekker niet juister? Vanuit het heden gezien zeker! Er zijn recente publicaties over haar waarin ze consequent zo genoemd wordt. Maar zit daar niet iets bestraffends in, als ik haar die altijd de naam van haar man meenam bij haar publicaties, die nu ontneem? Ze noemde zich afwisselend Elisabeth of E. Wolff, geb. Bekker, en na de dood van haar man: E. Bekker, wed. A. Wolff , soms met ‘Ds.’ nog voor zijn naam (in de doopakte staat ze als Elisabeth, maar in publicaties van haar hand komen we ook Elizabeth tegen). En die voornaam Betje dan, is dat niet denigrerend of te gemoedelijk? Haar persoonlijke brieven ondertekent ze met ‘Betje’, zo noemde ze zich dus. Voor wie haar liefhad wilde ze zo heten. Moet ik dan in een genre als de persoonlijke biografie de betweter zijn en haar met haar deftigheidsnaam noemen – terwijl ze ‘Elizabeth’ reserveerde voor haar officiële contacten en haar publicaties?

Betje Wolff dus – ik zal geen bloemen meer op haar graf kunnen leggen zoals ik bij Van Lennep deed, ik zal geen nazaten ontmoeten die op haar lijken en die nog wat onbekende brieven hebben liggen, ik zal geen kraan opendraaien voor water dat dankzij Van Lennep in Amsterdam uit de kraan komt. Maar ik kan in de pastorie komen waar ze haar eigen plek op zolder creëerde, ik kan dwalen rond het landhuis in Trévoux waar ik haar tweede schrijfhutje ontdekte, ik kan naar de Haagse begraafplaats Ter Navolging gaan waar nog een plaquette is met haar naam (het graf zelf is geruimd). En ik kan lezen en herlezen: de eenvoudige Economische liedjes, de fenomenaal geschreven Sara Burgerhart, haar spotternijen op dolgedraaide gelovigen, haar ongekend levendige brieven. U hoort van mij.

Plaquette in Den Haag

[1] Zie daarvoor mijn artikel: ‘Dit is waar de wetenschappelijke biografie aan moet voldoen’. In: NRC 18 november 2017.