Archief | november 2022

Een grote geest ging heen. Piet Buijnsters 1933-2022

Foto  Dick van Aalst

Op 20 april van dit jaar schreef ik Piet Buijnsters een brief. Ik was aan een nieuwe biografie van Betje Wolff begonnen, en vroeg me al maanden af of ik contact zou zoeken met de auteur van de laatste levensbeschrijving van Wolff en Deken. Ik kende hem eigenlijk alleen van neerlandistische wandelgangen en werk in een paar commissies. Er was best kans dat hij het helemaal niet prettig zou vinden als iemand zijn werk zou gaan overdoen. Want hoe dan ook is zijn biografie van Wolff en Deken uit 1984 een meesterwerk en nog niet verouderd, al wil ik de accenten wel anders gaan leggen. Mijn brief was nog geen dag gepost of hij belde me op. Dat hij dat een geweldig idee vond, dat hij me wilde helpen, en dat ik heel welkom was bij hem thuis. Negen dagen later ging ik bij hem op bezoek, op zijn verzoek nam ik appelbollen mee. Toen ik na uren wegging had ik het gevoel een vriend erbij gekregen te hebben.

Er volgden meer bezoeken, hij verheugde zich over de nieuwe aandacht voor Wolff en Deken. Het gezamenlijke zomer-interview met de zusjes Koelewijn in de NRC (30 juli) kwam tot stand. Drie weken geleden bezocht ik hem voor het laatst, nu in een verpleeghuis. Keurig in het pak, een heer ook daar. Ik had hem het eerste hoofdstuk van mijn Betje Wolff-biografie toegestuurd, en daarover spraken we. Hij leek er oprecht blij mee, stelde enkele verbeteringen voor en spoorde me aan vooral hard door te werken. Ik herhaalde wat ik hem al eerder gezegd had: dat ik het boek aan hem wil opdragen, en hij omhelsde me daarvoor.

Nu is deze grote en voorbeeldige geleerde overleden. Wat hij betekend heeft voor de studie van de achttiende eeuw is onmogelijk te overschatten. Hij brak nieuwe onderzoeksgebieden open: de jeugd- en kinderboeken, de spectatoriale geschriften, de bibliofiele wereld, het antiquariaat, de misdaadliteratuur. De achttiende eeuw was een grauw en verwaarloosd gebied voordat hij er zich mee bezig ging houden en andere onderzoekers in zijn spoor meetrok. Hij is een van de oprichters van de Werkgroep Achttiende Eeuw (al in 1968) en van het Documentatieblad dat daarbij hoort.

Toen ik hem vroeg welk van zijn vele werken hij het beste vond, dacht hij niet lang na: de Wolff & Deken-biografie. Dat verbaasde me enigszins, omdat dat een van zijn weinige boeken is die niet mooi is uitgegeven, terwijl hij juist zo’n liefhebber van mooie boeken was. Zoals bijvoorbeeld het magnifieke Lust en leering. Geschiedenis van het Nederlandse kinderboek in de negentiende eeuw, dat hij samen met zijn vrouw samengesteld heeft, een lust voor de geest én het oog. Een dergelijk spectaculair overzicht van het jeugdboek was niet eerder verschenen. Dat vernieuwende geldt ook voor zijn uitgebreide onderzoek naar het antiquariaat en de bibliofilie, waarvoor hij het laatste deel, over België, nog op tachtigjarige leeftijd verzorgde. Kennelijk oefenden de twee schrijvende vrouwen een speciale aantrekkingskracht op hem uit. Hij liet me een portretje van een jonge vrouw zien van wie hij dacht dat het Betje zou kunnen zijn: het hing prominent in een van de kamers, en hij keek er graag naar, vertelde hij, ook al wist hij niet zeker of zij het was. Zo stelde hij zich haar in elk geval voor.

Kenmerkend voor zijn werk is de heldere, vloeiende en volstrekt onpompeuze stijl, met vaak kleine ironische grappen erin verwerkt. Voor onderzoekers die van zijn werk gebruik maken is het een zegen dat hij altijd uiterst nauwkeurig al zijn bronnen vermeldt. Alles is nazoekbaar, inclusief verwijzingen naar wat hij niet gevonden heeft en waar hij gezocht heeft. Zijn omgang met een onderwerp zou voor onderzoekers een schoolvoorbeeld moeten zijn: niets is hem te min. Laat ik als voorbeeld zijn biografie van Betje Wolff en Aagje Deken nemen. Het werk eraan begon in 1970 met enkele publicaties in tijdschriften. Zijn oratie uit 1971 was al aan Sara Burgerhart gewijd. In 1979 gaf hij een bibliografie van hun werken uit, tot in detail verantwoord, inclusief vindplaatsen, signaturen van archiefstukken en studies over hun werk. In hetzelfde jaar kwam het Schrijversprentenboek uit, met daarin tal van onbekende illustraties en ook een korte chronologie van beider leven. Een royaal geannoteerde editie van Sara Burgerhart (1980) ging vooraf aan de biografie van 1984, en in 1987 volgde de tweedelige brievenuitgave — imponerend en niet te verbeteren. Ook andere achttiende-eeuwse auteurs over wie hij biografieën schreef, bezorgde hij naast die levensbeschrijving ook altijd een nieuwe, geannoteerde uitgave van hun voornaamste werk, of het nu om Hiëronymus van Alphen of Justus van Effen ging. Voor Van Alphen heeft hij in de Koninklijke Bibliotheek zelfs een getypte editie gedeponeerd van diens brieven — een editie die hij kennelijk niet uitgegeven kreeg. Zo gewetensvol ging hij te werk dat hij op deze manier toch zijn onderzoeksresultaten beschikbaar stelde.

Piet Buijnsters was zeer gehecht aan zijn vrouw Leontine, die hij ‘Lin’ noemde en die zelf ook een onderzoeker van formaat was. Samen brachten ze de verzameling kostbare boeken en prenten bij elkaar, samen schreven ze enkele boeken. Samen besloten ze de omvangrijke collectie historische kinderboeken te schenken aan de Tilburgse Universiteit, vanwege de leerstoel jeugdliteratuur daar. Haar overlijden, een jaar geleden, heeft hem zeer aangegrepen. Het ontroerde mij om te zien dat hij haar bed keurig opgemaakt naast het zijne in stand hield, alsof ze er zo weer in zou stappen. Hij was gelovig en hoopte haar terug te zien na zijn dood. Wat zou ik wensen dat hem dit gegund is.