Archive by Author | maritamathijsen

De minnares van Victor Hugo, een vriendin van Jacob van Lennep

Leoniedaunet

Léonie d’Aunet heette ze, ze was van een melancholieke schoonheid en al op haar twintigste getrouwd met de schilder François-Auguste Biard. Toen hij de opdracht kreeg een wetenschappelijke noordpoolexpeditie te begeleiden, stond ze erop mee te gaan en reisde via Nederland en Noorwegen naar Spitsbergen. Ze was de eerste vrouw die dat gebied bezocht. In de Revue de Paris schreef ze daarover een feuilleton. Ze was pas 23 toen ze in een salon Victor Hugo ontmoette. Dat werd een affaire waar de vonken vanaf spetterden. Hij schreef gedichten voor haar, en vertoonde zich met haar in het openbaar, terwijl hij toen al een minnares had, de bloedmooie actrice Juliette Drouet. Die was wel een paar jaartjes ouder dan Léonie, maar evengoed nog een opvallende schoonheid. Hugo stond erop dat zijn vrouw zijn maîtresses accepteerde. In die tijd stond er in Frankrijk echter gevangenisstraf op ‘adulterie’, overspel. Op 5 juli 1845 werden Hugo en Léonie daarop betrapt in een hotel. De laffe Hugo beriep zich op het feit dat hij “pair de France” was en dus onschendbaar, terwijl de gendarmerie Léonie oppakte en in de beruchte Saint-Lazare gevangen zette. In de kranten verschenen sappige berichten hierover, ook in de Nederlandse. Na twee maanden werd ze overgeplaatst naar een klooster. Toen ze uit het klooster mocht, bleef ze intiem met Hugo. Zij scheidde van de schilder en begon een literaire carrière. Haar boeken werden door Louis Hachette uitgegeven, de uitgever die ook Van Lenneps Franse vertalingen uitgaf.

Jacob van Lennep bezocht geregeld Parijs. In 1841 leerde hij Victor Hugo kennen. Die had volgens hem geen bloed maar bourgognewijn door zijn aderen stromen. Jacob bezocht hem in zijn huis op de Place Royale, waar hij met zijn wettige vrouw en kinderen op de kanapé zat en gasten ontving. Van Lennep maakte pas in 1859 kennis met Léonie d’Aunet, die toen nog geen veertig jaar oud was en nog steeds Hugo’s maîtresse. Van Lennep begon brieven met haar uit te wisselen en hij stuurde haar de Franse vertalingen van zijn romans. Ook schreef hij een lang vers voor haar toen ze geklaagd had dat ze zo lang niets van hem gehoord had, met vrij vertaald deze inhoud: Geloof eerder dat Parijs acht dagen zonder theater kan bestaan, geloof dat de Franse regeringsfinanciën in orde zijn, geloof in een recept tegen kwade ziektes, in zwevende tafels en klopgeesten, geloof in wat je wilt, lieve vriendin, maar geloof niet dat ik jou ooit zal vergeten. Ook stuurde hij haar in 1866 een foto van zichzelf met achterop een vers waarin hij zich zelf ‘un ami fidèle, dévoué, sincère, qui te chérit et te revère’ noemt: een trouwe, toegewijde oprechte vriend die van je houdt en je adoreert.

Het spijt me: ik kan geen nieuw schandaal openbaren. Léonie heeft naast de beroemdste Franse schrijver Victor Hugo niet nog de beroemdste Nederlandse schrijver van die tijd als minnaar genomen. Althans: daar wijst niets op. Zíjn brieven aan haar heb ik niet teruggevonden, maar de achttien brieven van haar aan hem die wel bewaard zijn, verraden niet de minste heimelijke gevoelens. De naam van Victor Hugo valt niet, maar toch moet Van Lennep zeker geweten hebben welk vlees hij met Leonie in de kuip had.

Advertenties

Rouwtoonen

Om zeven uur vanavond is het 149 jaar geleden dat Jacob van Lennep stierf. Een van zijn zonen, die erbij was, stuurde een telegram aan de jongste zoon die net die dag op verzoek van papa een pakketje naar Amsterdam bracht. ‘Papa is te zeven ure overleden’, kreeg Willem te lezen. Willem had al weken aan het ziekbed van Jacob doorgebracht, maar de laatste uren had hij niet meegemaakt. Hij had ook niet gehoord dat Jacob aan zijn vrouw zei: “Het is goed dat ik eerder ga, maar laat me niet te lang op je wachten.”

Telegram25081868

Ter herdenking geef ik hier een van Van Lenneps mooiste gedichten, dat hij niet in zijn verzamelde Poëtische werken heeft opgenomen.* Hij schreef het toen zijn jongste zoon in december 1860 naar Nederlands-Indië vertrok, de laatste die nog thuis woonde. Zijn vrouw leed daar enorm onder, en om haar te troosten schreef hij deze Rouwtoonen, en liet ze speciaal voor haar drukken. Jacob is in zijn leven niet altijd even aardig voor zijn vrouw geweest, maar dit laat hem van een heel inlevende, gevoelige kant zien. Hij begreep het verdriet van een moeder die haar kind naar een ongewisse toekomst ziet vertrekken. Van Lenneps poëzie is meestal niet zo melancholiek als dit vers, meer vrolijk óf erg op een gelegenheid toegespitst. Hier laat hij via een natuurbeeld zien hoe zijn vrouw en ook hij zich voelen. Ik citeer alleen het eerste couplet, want daarna zijn de verzen weer wat meer op de gelegenheid toegespitst.

Rouwtoonen. Aan mijne gade

’t Is doodsch op aard, ’t is droef omhoog,

Voor ’t luistrend oor, voor ’t zoekend oog.

’t Gevogelte trok zuidwaarts heen,

’t Gevogelte, ach ! dat kort geleên

Van elzestruik en berkestam

Zoo vrolijk nog den wildzang zong.

’t Zwijgt al in ’t rond. De Winter kwam.

Zijn ademtocht uit koude long

Blies grimmig bosch en akkers kaal

En drijft uit wolken, grijs en vaal,

Den jachtsneeuw neêr, die de aard bedekt

En in haar rust tot lijkkleed strekt.

De zon rijst laat: geen zonnestraal,

Geen enkle, die met warmen schijn,

Door ’t stijfgespannen wolkgordijn

Soms heendringt en ons tegenlacht:

De dag is droef en lang de nacht.

Het hele vers kan gelezen worden op google books als u ‘Rouwtoonen’ intikt.


*Wel gebruikte hij het nog in een liefdadigheidsuitgave, ‘ten voordeele der slagtoffers van de watersnood in Noordbrabant'(1861).

Straatnamen, tulpen en koeken

Naar de dichter Hendrik Tollens is een koek genoemd, naar Vondel een tulp. Van Lennep zou best de naam van een roos verdienen, de Lenneproos, die dan een roos zou moeten zijn met een sensuele geur, heel actief voor zover rozen dat kunnen zijn, een beetje opdringerig of op zijn minst opvallend, en geschakeerd, veelzijdig. Is er een rozenkweker onder mijn volgers die dit aandurft?

tollenscakebakkerpiet

Tollenskoek van bakker Piet in Rijswijk

Jacob heeft wel een heleboel straten naar zich vernoemd gekregen. Een snelle zoektocht via Google leverde 28 gemeenten met een Van Lennepstraat op. Deftiger is natuurlijk een Van Lenneplaan, waarvan ik er maar drie vond, in Zeist, Baarn en Haarlem. Amsterdam heeft ook nog de Jacob van Lennepkade aan het Jacob van Lennepkanaal. Zeist lijkt de enige gemeente met een Jacob van Lennepplein te zijn. De Van Lennepweg bestaat ook nog, in Den Haag, Oosterbeek, Aerdenhot en Zandvoort (dank Henk). Maar ik heb geen manier gevonden om echt systematisch naar straatnamen in Nederland te zoeken, ook al kom je via de postcodesite een heel eind. Het zou een hele klus zijn om uit te zoeken wanneer de namen gegeven zijn. Van Amsterdam weet ik dat het Jacob van Lennepkanaal zijn naam in 1886 heeft gekregen. Grappig is dat er ook enige straten naar zijn voornaamste romans genoemd zijn: er zijn Ferdinand Huyckstraten onder andere in Zaandam, Gouda en Eindhoven, en in Amstelveen en Rotterdam is er een Klaasje Zevensterstraat. En een Roos van Dekamastraat in Amersfoort (dank Jeroen).

Er zijn tenminste twee Jacob van Lennep-scholen geweest beide in Amsterdam: een MULO aan de Jacob van Lennepstraat, later verhuisd naar de Da Costastraat. En een lagere school in de Reggestraat. Het opmerkelijk modernistische gebouw dateert uit 1926.

jacobvanlennepschoolreggestraat

Jacob van Lennepschool, Reggestraat Amsterdam

Op de Kinkerstraat, alweer in Amsterdam, heeft een Jacob van Lennepbioscoop gestaan tussen 1911 en 1914. Het was een typische buurtbioscoop en de filmpjes die er vertoond werden hadden natuurlijk niets met Van Lennep te maken. Ik denk dat hij wel nieuwsgierig genoeg geweest was om zo’n bioscoop te bezoeken, als die er in zijn tijd bestaan had.

Er bestaat ook een Jacob van Lennepboot die je kunt afhuren voor een tochtje over de Amsterdamse grachten. Het is een omgebouwde trekschuit uit 1888. De trekschuit was in Jacobs tijd hopeloos ouderwets geworden, dus ik weet niet zeker of hij zijn naam wel had willen lenen aan zo’n trage sukkel als hem dat gevraagd was.

jacob-van-lennep

Voor wie niet kan wachten

kaart Am sterdam geillustreerd

Jacob van Lennep was een Amsterdammer in hart en nieren. Hij zou het goed hebben kunnen vinden met Eberhard van der Laan en hij zou hem nog een paar suggesties hebben gedaan om de stad nog liever te maken: een zwembad in een van de grachten, het Paleis op de Dam terug aan de Amsterdammers, een veiliger verkeer bij de kruising van de Elandsgracht en de Marnixstraat, lijn 16 terug, scholen met een curriculum op de 21ste eeuw toegesneden. Hoe dan ook: de cursus gaat over de spoorwegen, het drinkwater, het behoud van monumenten, het Rijksmuseum, Multatuli, de prostitutie, allemaal in samenhang met Amsterdam, de negentiende eeuw en Jacob van Lennep. Vanaf 26 september aan de VU (HOVO-onderwijs) in zes colleges. Zie:

http://www.hovo.vu.nl/nl/cursusaanbod/cursusaanbod-najaar/letteren-en-muziek/Het-Amsterdam-van-Jacob-van-Lennep/index.aspx

 

Caspar loopt en Jacob wandelt

opnamedatum 24-11-2010

Geerlig Grijpmoed, rond 1780, Bosrijk landschap met twee wandelaars

In de Volkskrant van vandaag, 2 augustus, staat in  casparloopt dat Jacob van Lennep in 1823 zijn befaamde voettocht deed om kennissen te bezoeken. Dat vertelt Flip van Doorn aan Caspar. Nee, zo vrijblijvend was die wandeling niet. Jacob en zijn metgezel, Dirk van Hogendorp, gingen op pad ‘om den landaart en de zeden en gewoontens der ingezetenen te leeren kennen’. Dirk was de initiatiefnemer en nodigde Jacob uit mee te lopen, Geen recreatie, geen familiebezoekjes, maar studie van het nieuwe koninkrijk was de bedoeling. Ze wilden weten hoe het ervoor met Nederland, Dirk was de zoon van Gijsbert Karel van Hogendorp, die het koninkrijk had helpen oprichten. Beide jongens maakten een verslag van de reis, Jacob een meeslepend, Dirk een droog. Zie ook mijn blog van 30 april dit jaar. Het verslag van Jacob van Lennep is in boekvorm verkrijgbaar (De zomer van 1823), dat van Dirk van Hogendorp stel ik digitaal beschikbaar voor geïnteresseerden. De authentieke tekst van Jacob trouwens ook (die in het boek is hertaald).

Twistgezangen van Vleesch en Visch: oplichterij

Oplichterij in de literatuur: het gebeurde al vóór Ossian. Ook Van Lennep deed eraan mee. De Rijmkroniek van Klaas Kolijn, zogenaamd uit de twaalfde eeuw maar in werkelijkheid in de zeventiende eeuw geproduceerd, is er een bekend Nederlands voorbeeld van. Iedereen tuinde indertijd in het bestaan van het Oera Linda Boek dat in 1872 werd uitgegeven als een handschrift uit 1256. Hoogstwaarschijnlijk was François HaverSchmidt (Piet Paaltjens) de voornaamste schrijver ervan. Het maken van forgeries is een leuk spelletje voor hele of halve geleerden die de taal van een bepaald tijdvak goed kennen en die zelf daarin wat willen presteren. Van Lennep hield van spelletjes.

bruiloftsavondkout

In 1830 gaf hij Het recht van bruiloftsavondkout uit, een bewerking van een Frans origineel, Le droit de Nopçage. [1] Het gaat over het recht van de adel om een bruidje te mogen ontmaagden voordat de bruidegom eraan te pas is gekomen. We kennen het uit Mozarts opera Le nozze di Figaro. Uit ‘welvoegelijkheid’ maakt Van Lennep er het recht op een uurtje kouten (kletsen) met de bruid van, zoals hij toelicht in een noot die zelf weer niets verhult over wat die ‘kout’ inhield. De abt van een naburig klooster en de baron van een naburig kasteel ambiëren beiden het recht op een ontmaagding (of volgens Van Lennep: een uurtje kouten), maar uiteindelijk weet het bruidspaartje ongeschonden te ontsnappen voor de bruiloft voorbij is. Op het feest wil een speelman het middeleeuwse Twistgesprek tusschen Vleesch en Visch voordragen. In de toelichting schrijft Van Lennep dat er middeleeuwse Desbats bestaan, waarin Ziel en Lichaam met elkaar debatteren. Dergelijke debatten werden ook gevoerd tussen Natuur en Jeugd, tussen Water en Wijn en tussen Vleesch en Visch. Hij citeert dan in eigengemaakt Middelnederlands een flink stuk uit De twist tussen Vleesch en Visch. Het vlees pocht erop dat het man en vrouw sterk genoeg maakt om de huwelijksdaad te bedrijven, terwijl de kille vis het zaad schade doet:

… ic maec sterc man ende wive

Tottet houwelix bedrive.

Maer du, visch, does den sade,

Door dyn kilte, grote scade.

De citaten komen, schrijft Van Lennep, ‘uit een onuitgegeven handschrift; onder mij berustende’. Waarop hij een brief kreeg van de Utrechtse hoogleraar Letterkunde L.G. Visscher of hij nog meer van die Middelnederlandse debatten had en of Visscher die mocht uitgeven. Een geleerde professor zag dus Van Lenneps eigen brouwsel voor echt Middelnederlands aan. Deze was heel eerlijk geweest over de herkomst: het handschrift lag bij hem op tafel en was inderdaad onuitgegeven.

[1] Het ‘origineel’ kan ingezien worden op Google Books als men ‘Historial de Jongleur’ intypt en het eerste verhaal daarvan opzoekt. Van Lenneps stuk staat ook op Google Books.

Een adembenemende ervaring

Je zit in een ver buitenlands archief en je krijgt mappen op tafel die je openslaat en dan herken je het handschrift… Dat adembenemend moment overkwam me eerder in Londen toen ik documenten van Gerrit van de Linde in handen kreeg, in Basel met Bilderdijk. Je keel schroeft zich even dicht, en dan volgt de ontroering om je dode vriend zo ver van huis bewaard te zien. Je strijkt even licht over de brief die je gevonden hebt, haalt diep adem en begint te lezen. Het voelt als een bevestiging: het buitenland vond het waard de Hollandse schrijver op te bergen in een archief, gelijk heb je dat jijzelf hem uit die archieven tevoorschijn wilt halen.

IMG_2475

Het overkwam me deze week in Saint-Germain la Blanche Herbe, in Normandië vlakbij Caen. Op een open vlakte tussen velden met bloeiend vlas en gelig koren ligt daar de Abbaye d’Ardenne waarin het IMEC gevestigd is, gespecialiseerd in uitgeversarchieven. Ik had van Hans Renders, de Groningse biografieprofessor, de tip gekregen daar eens te informeren naar correspondentie van Louis Hachette, de Franse uitgever van Jacob van Lennep. De behulpzame Franse archivarissen meldden mij, nadat ik hun uitgelegd had wat ik zocht, via de e-mail dat ze inderdaad een dossier Van Lennep-Hachette hadden en ze zouden het voor me klaar leggen als ik langs kwam. Paspoort mee, camera niet toegestaan. De gewone vereiste aanbevelingsbrief hoefde niet want ze hadden mij gegoogled en gewikipediaat en me voldoende geleerd bevonden. Of ik ook wilde lunchen en avondeten en of ik wenste te blijven slapen, want ze hadden een gastenverblijf.

IMG_2471

Nog nooit zag ik zo’n mooi hergebruik van een abdij. Het hele complex van kloostercellen, keukens, boerderijen, kruidentuin, refters en wat er allemaal bij hoort is omgebouwd als centrum voor wetenschappelijk onderzoek. Verder zijn er zalen voor lezingen, conferenties en inderdaad een eetzaal en slaapplaatsen voor onderzoekers. Een busje haalt en brengt onderzoekers van het station in Caen naar de abdij en andersom. De kerk van de abdij was ingericht als studiezaal. En wat voor een studiezaal! Vijf verdiepingen boeken, maar zo ingebouwd dat het licht en doorzichtig bleef in de kerk, waar een tiental onderzoekers aan de tafels zaten. Glazen vloeren en plafonds verhinderden dat je een gevoel kreeg van massiviteit. Elke architect die oude gebouwen herinricht zou er eens moeten gaan kijken.

IMG_2467

Al zou ik er niets interessants gevonden hebben, dan nog zou ik tevreden zijn over deze kennismaking met een voorbeeldig archief. Maar de verrassing kwam nog.

Het eerste document dat ik onder ogen kreeg was een contract tussen uitgever Louis Hachette, de Gentse vertaler Léon Wocquier en Jacob van Lennep, ondertekend door alledrie in september 1857. Hachette zal zes historische romans van Van Lennep uitgeven, en Wocquier zorgt voor de vertaling. Deze Gentse professor had er al voor gezorgd dat de Ferdinand Huyck als feuilleton in de Journal du Gand verschenen was. Wocquier zal gaan samenwerken met Van Lenneps oudste zoon, David.

Maar er komen kinken in de kabel. Eind 1858 komt Van Lennep erachter dat hij aan Hachette iets verkocht heeft waar hij helemaal geen recht op heeft. ‘J’ai commis une faute très grave en vous vendant ce qui ne m’appartenait pas.’ Hij had niet beseft dat hij geen eigenaar meer was van zijn boeken en niets te zeggen had over de vertalingen daarvan. Van Lennep schaamt zich diep als hij dit moet melden aan de vertaler en aan Hachette. Auteursrechten zijn in die tijd nog niet geregeld zoals nu. Dus de Rotterdamse firma Wijt, die de auteursrechten over Van Lenneps romans heeft, bezit ook de rechten op vertalingen. Van Lennep heeft zelf al contact opgenomen met Wijt en de boel wordt met Hachette geregeld zonder complicaties.

Daarmee is de kous niet af. Als Wocquier, die nogal laks is, eindelijk met een vertaling op de proppen komt, is Hachette geschokt over de kwaliteit ervan. Zulk slecht vertaalwerk hoort niet in zijn fonds thuis. Hij laat nu alle werk van Wocquier controleren en die kan erop rekenen de boel terug te krijgen als het rapport negatief is. Wocquier schrijft een slijmerige brief terug: hij heeft het geld nodig, de Universiteit van Gent betaalt hem te weinig salaris en hij vindt dat hij een prima vertaling afgeleverd heeft, zijn beste tot nu toe. Dat betrof overigens niet een boek van Van Lennep.

Maar Wocquier heeft het verbruid bij Hachette. Slechts twee van de zes voorgenomen vertalingen komen uit: Les aventures de Ferdinand Huyck en La rose du Dekama. De volgende vertaling, die van Vrouwe van Waardenburg, maakt Van Lennep zelf, op voorstel van Hachette.

Dit alles las ik dus in die abdij in Normandië, in die omgeving waarin je beseft welk een voorrecht het is historisch onderzoek te mogen doen.

Jacob van Lennep: striptekenaar

 

Stilzitten kon hij niet goed. Bij vergaderingen en congressen raakte Van Lennep gauw verveeld en maakte dan versjes en tekeningen, die hij ter vermaak van de ook verveelde andere luisteraars doorgaf. In het Literatuurmuseum worden vier vellen bewaard die Van Lennep eens voor de lol getekend moet hebben. Ze gaan over een jongen die niet wil deugen op school en ook niets uitvoert als hij in de leer gaat bij vaklui. Zijn ouders hebben erg veel begrip voor hem hebben en weten hem uiteindelijk bij een kunstenaar te plaatsen, die de ouders natuurlijk fopt over de talenten van de jongen. Van Lennep zat in het bestuur van de Academie voor Beeldende Kunsten. Ik kan me voorstellen dat hij deze tekeningen maakte tijdens een vergadering over de selectie van leerlingen…

2017-02-08 12.59.06

  1. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd in zijner ouders huis vermakelijk doorbrengt.
  2. Hoe de ouders Doornebos niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons, besluiten hem naar school te zenden.
  3. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd op die school doorbrengt.
  4. Hoe de ouders Doornebos niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons, besluiten hem bij een kleedermaker in de leer te doen.

2017-02-08 12.59.15

  1. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd bij den kleedermaker op de leer doorbrengt.
  2. Hoe de ouders Doornebos, niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons, besluiten, hem bij een timmerman in de leer te doen.
  3. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd bij den timmerman op de leer doorbrengt.
  4. Hoe de ouders Doornebos, niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons, besluiten hem bij een tabakskooper in de leer te doen2017-02-08 12.59.21
  5. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd bij den tabakskooper op de leer doorbrengt.
  6. Hoe de ouders Doornebos, niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons, besluiten hem bij een bakker in de leer te doen.
  7. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd bij den Bakker doorbrengt.
  8. Hoe de ouders Doornebos, niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons besluiten hem te huis te houden en te vermanen.2017-02-08 12.59.36
    1. De familie Doornebos gaat naar de tentoonstelling. Uitwerking der tentoonstelling op den Jongeheer Doornebos.
    2. Verrukking der ouders, bij het ontwikkelen van een onbekend talent in hun zoon.
    3. De groote Schilder Pruimgraag, bij de ouders ten eten verzocht zijnde, bewondert het ontluikend talent van den Jongeheer Doornebos en raadt aan een Rembrandt van hem te maken.  –

Geen ongestelde vrouwen in romans

Vrouwen zijn nooit ongesteld in romans uit de negentiende eeuw. Niet in de historische romans, maar ook niet in de grote naturalistische van het eind van de negentiende eeuw. Eline Vere, Madame Bovary en Anna Karenina zijn wel geregeld zwakjes maar nooit ongesteld. Ook in romans van vrouwelijke schrijvers wordt er nooit gezinspeeld op het maandelijkse ongemak. Ik ken maar één uitzondering, en die is van een man. Alexandere Dumas jr schreef La dame aux camélias. Hierin komt een beeldschone prostituee voor die in de hogere kringen van Parijs minnaars zoekt die haar onderhouden. Ze draagt altijd een witte camelia op haar borst, behalve enkele dagen per maand, dan is die rood. De roman is gebaseerd op het leven van de jong aan tbc gestorven courtisane Marie Duplessis. Haar graf kan nog bezocht worden op Montmartre. Giuseppe Verdi maakte van de roman de opera La Traviata. Maar voor andere voorbeelden moet ik naar de 20ste eeuw. Hoe zit het buiten de romanwereld …

Marie_Duplessis_(1)

Marie Duplessis

 

in de negentiende eeuw? Was menstruatie daar ook een taboe of schrijven de dames onder elkaar er wel over? Ik kom maar heel sporadisch er iets over tegen. De vrouw van de dichter Isaac da Costa schrijft er in haar dagboek heel openhartig over. Zij tekent aan: ‘24 augustus 1846 mogten wij beleven dat onze lieve Rebecca op haar dertiende jaar het eerst haar vrouwelijke zaaken kreeg. Groote dankstof.’ Ook de eerste menstruaties van dochter Hanna en Francisca, op veertienjarige leeftijd, kwamen in haar dagboek terecht. Ze noemt het steeds ‘de vrouwelijke zaken’ en zij dankt God ervoor. Het betekende duidelijk veel voor haar: de meisjes waren gezond in hun vruchtbare jaren gekomen. Omdat zij het over ‘wij’ heeft, denk ik dat Isaac ook ingelicht werd.

Bij de dichter Gerrit van de Linde (De Schoolmeester) kwam ik een spottende verwijzing tegen. Hij had een affaire gehad met de vrouw van de hoogleraar Van der Boon Mesch, en die leek zwanger te zijn geraakt. De hoogleraar was dat na vijf jaar huwelijk niet gelukt. Als dit geval uitkomt moet Gerrit de plaat poetsen. Vanaf een onderduikplaats schrijft hij aan Jacob van Lennep dat hij op een brief van hem hoopt: ‘Schrijf mij bid ik u toch spoedig, want ik verlang hier even vurig naar, als wellicht Van der Boon naar de menstruatie zijner Echtvriendin’.

In een pornografisch boekje uit de negentiende eeuw kom ik nog dit versje tegen:

Vraag

Waarmede staat de flinkste en dapperste officier,

Gelijk aan eene maagd, teêr als een anjelier?…

Antwoord

Dat beiden heet zijn van gedachten,

En er met grooten lust naar smachten,

Wanneer zij ’t maandlijksche verwachten.

Bij Van Lennep kom ik in de duizenden brieven van en aan hem die ik doorgewerkt heb nog maar één keer iets over de maandelijkse stonden tegen. Zijn vrouw Henrietta en zijn dochter Sara zijn op een gegeven moment in Zandvoort, waar ze zeebaden nemen, terwijl Jacob op reis is naar Duitsland. Zijn vrouw schrijft hem dat ze zullen terugkomen uit Zandvoort ‘als Saartje de epoque van de maand weder wagtende is’. Tampons bestonden nog niet, dus bij ongesteldheid werden er geen baden genomen. Zo’n mededeling geeft toch een ander beeld van de schuinsmarcheerder Van Lennep die ik in andere stukjes heb laten zien. Blijkbaar kon Henrietta vrij van taboes aan haar man schrijven over de ongesteldheid van de dochter. Peter Gay heeft in The Bourgeois Experience beweerd dat het Victoriaanse huwelijk veel liefdevoller was dan altijd aangenomen is, en dat ook de mannen veel zorgzamer waren voor de kinderen dan verondersteld werd. Zo’n kleine passage wijst inderdaad op gedeelde intimiteit.