Archief op auteur | maritamathijsen

Ver-van-mijn-bed-boek

Wat moet ik met een boek dat ik echt niet door mijn strot kan krijgen en dat 170 jaar geleden hoogste top was? Ik kamp met een solidariteitsprobleem. Ik probeer altijd het bijzondere van negentiende-eeuwse literatuur te zien. Ik let op wat de schrijver achter de misschien wat al te toevallige avonturen wil meedelen, ga mee met de gevoeligheden van de tijd, laat me meeslepen met dreigingen, melancholie, tederheid. Ik let op het ritme van de taal, de fraaie bouw van zinnen, de nuances van woorden. Ik hou van het vertelvermogen. Die negentiende-eeuwse schrijvers waren toch niet gek, die wisten hoe ze hun lezers moesten bespelen. Dus lees ik Helmers en Tollens en Loosjes met een negentiende-eeuwse bril en zie er de geweldenaren in die de tijdgenoten erin zagen.

Voor mijn nieuwe boek ben ik negentiende-eeuwers aan het (her)lezen die heel veel publiek trokken, die herdruk na herdruk kregen. Dus inderdaad Tollens met zijn Overwintering op Nova Zembla en Loosjes met Maurits Lijnslager. En ik sla schrijvers over die pluimen krijgen in traditionele literatuurgeschiedenissen, maar daarentegen weinig of geen herdrukken verdienden van het grote publiek. Bijvoorbeeld Everhardus Potgieter.

Zo begon ik aan Hermine van Elise van Calcar-Schiotling. Debuut in 1850, juichend besproken in de Vaderlandsche Letteroefeningen, herdrukken in 1852, 1863 en 1868. De herdruk van 1863 kwam in de zogenaamde Guldens-editie uit en dat was een fikse onderscheiding. Daarin verschenen alleen publiekslievelingen. Een recensent in De tijdspiegel bracht de aantrekkingskracht van Hermine terug op flink wat kwalificaties. De romantische santenkraam als eerste. Geheimen geopenbaard op sterfbedden, een kistje met familiepapieren dat onder het matras van een dode ligt; zelfmoorden, onschuldige slachtoffers, schurken en woeste en akelige scènes, precies waar de gewone romanlezer behoefte aan heeft. De recensent  prijst ook de stijl die krachtig en mannelijk is. Niet waterig – wat meestal zou gelden voor boeken door vrouwen geschreven…. Maar vooral het theologiseren in het boek bevalt hem, en dat er veel preken in voorkomen. Daar houdt het grote publiek van, volgens recensent. Hij heeft nog twee bizarre aanbevelingen in petto: er is geen humor in Hermine  en de liefde heeft geen hoofdrol. Hij vindt dat iedereen in Nederland deze roman zou moeten lezen, omdat Elise van Calcar zo goed de kwalijke gevolgen van godsdienstige dweepzucht en geestdrijverij beschrijft.

Met deze aanbeveling opende ik op Google Books de 760 bladzijden in twee delen. Het stuit me tegen de borst het te moeten toegeven: het boek is werkelijk onleesbaar. Dit kan geen mens van tegenwoordig meer aan. Alleen de natuurbeschrijvingen zijn mooi maar verder is alles gekwezel over godsdienst. Jonge mensen die gezellig bij elkaar komen in prieeltjes spreken aldus:

 – Ik wenschte dat ik nimmer meer lachte, sprak Gideon ernstig. Hermine zag hem verwonderd aan en herhaalde:

“Nimmer meer en waarom niet?”

– Omdat het strijdt met den ernst van het leven.”

– Gideon!” riep Hermine in stijgende verbazing uit, “lagchen is immers iets zeer onschuldigs![…].”

–  Laat dat zijn, doch hebt gij ooit gelezen, dat onze Heer en Zijne discipelen gelagchen hebben?”

Een gesprek tussen dezelfde Gideon en zijn studerende broer, die wel eens een biertje drinkt op de sociëteit, verloopt als volgt, omdat Gideon meent de plicht te hebben hem daarvan af te houden:

– Ik denke mij […] verdorven genoeg, om walgelijk te zijn voor God, indien gij u niet bekeert, en van de wereld en hare begeerlijkheden afstand doet.”

– Wat bedoelt gij door dat afstand doen der wereld?”

– De verzaking van alle neigingen des vleesches en begeerten der verdorvene natuur, het vlieden van alle wereldsche vermaken en ijdelheden dezes levens.”

En zo gaat het bladzijdenlang over het verschil tussen predestinatiegelovigen en de christelijken die Van Calcar prefereert. De favorieten zijn de bekommerden die zich bezighouden met liefdadigheid en in Christus niet een straffende maar een milde God zien. Alle gesprekken gaan daarover, en als Van Calcar een relatie tot een huwelijk laat leiden, is er geen snars aandacht voor lichamelijke aantrekkingskracht, laat staan hartstocht. Ik kan me deze totale obsessie met het geloof niet voorstellen, en hoe vaak het me ook lukt om toegang te krijgen tot het verleden in boeken en me de taal en het tempo en de mentaliteit ervan eigen te maken, nu had ik alleen maar het gevoel buitengesloten te zijn. Zelfs de romantiek die de recensent erin zag kon me niet bekoren: het was alleen maar bekering op het sterfbed, straf voor goddeloosheid in het geheime kistje, zelfmoord als zelfbestraffing, alles overgoten met die christelijke jus. Het is alsof er me een chinees boek voorgelegd is en ik de tekens wel zie maar er geen betekenis aan kan hechten.

De laatste doodstraf

Het lijkt wel of de doodstraf opnieuw ingevoerd is in Nederland, maar nu zonder proces, rechter of advocaat. Oud, dik, roker, verpleeghuisbewoner: het oordeel is geveld door Jort Kelder en consorten.

En toch is de doodstraf al in 1870 officieel uit het strafrecht gehaald in de Tweede Kamer, met 48 tegen 30 stemmen, dus toch nog 38% vóór handhaving. De laatste doodstraf in Nederland was tien jaar eerder voltrokken, in 1860 in Maastricht. Men was zich toen natuurlijk niet bewust dat dit de laatste zou zijn. Tussen eind 1860 en 1870 werden er wel nog doodvonnissen uitgesproken maar de veroordeelden kregen allemaal gratie.

Toeschouwers bij een gevangene die naar het schavot gevoerd wordt in Amsterdam, 1854

Wat was het geval? Een zekere Johann Nathan uit Broeksittard, geboren in Pruissen, had zijn eigen schoonmoeder omgebracht. Die was met de opbrengst van een verkocht vet varken op weg naar huis, samen met haar man. In het donker wachtte Nathan haar op een stille plek op, sloeg haar met een stok en een steen en stak vervolgens met een mes in haar hals, door haar katoenen jurk heen. Haar man wist te vluchten, maar hij had zijn schoonzoon niet herkend. Tijdens het proces in Maastricht toonde Nathan geen enkel teken van berouw. Hij ontkende zijn daad, verzon zelfs dat hij zelf slachtoffer was en samen met zijn schoonmoeder aangevallen was door onbekenden. Volgens de kranten gedroeg hij zich tijdens het proces zo hardvochtig dat iedereen tegen hem ingenomen werd. Er waren voldoende getuigenissen tegen hem. De stok en de steen waren teruggevonden met resten haar van de 68-jarige schoonmoeder. Al eerder zou hij haar uitgescholden en bedreigd hebben. Cassatie werd afgewezen, en ook een gratieverzoek aan de koning werd niet ingewilligd. De executie kon niet meteen worden voltrokken, omdat het schavot uit Amsterdam moest komen, met de beul mee.

Een paar dagen voor het vonnis toonde de man wel berouw en vroeg om dezelfde priester die eerder ook een ter dood veroordeelde begeleid had. Toen biechtte hij en schreef een brief aan zijn vrouw. Zijn galgenmaal bestond uit brood, eieren en wijn, en hij kreeg een sigaar. Het vonnis werd op 31 oktober in de ochtend uitgevoerd in het openbaar. Toen de stoet door de straten via het Vrijthof naar de Markt in Maastricht trok, op weg naar de ophanging, was het doodstil en kinderen werden binnengehouden. Het leek erop dat de inwoners van Maastricht zich afkeerden van zo’n openbare uitvoering van de doodstraf. Dat bleek later ermee te maken te hebben dat kinderen een doodvonnis nagespeeld hadden en er toen ternauwernood een kind gered was van ophanging. Op de Markt zelf was het druk en liepen de mensen uit om naar het vonnis te kijken. Twee uur lang bleef Nathan te pronk hangen, daarna werd het lijk afgevoerd.

Toen het schavot na afloop afgebroken werd, stortte een balk op het hoofd van een van de assistenten van de beul. Hij werd zwaar gewond naar het ziekenhuis gebracht. Er gebeurde nog iets vreemds. De priester die de biecht bij Nathan afgenomen had, stierf kort na het doodvonnis. Er waren tegenstanders van de doodstraf die deze twee gebeurtenissen zagen als een teken van God dat het afgelopen moest zijn met de doodstraf.

Galgenveld in Amsterdam, eind 18e eeuw, waar veroordeelden na het doodsvonnis tentoongesteld werden

Al in de vroege negentiende eeuw is er verzet tegen de doodstraf, vaak afkomstig van gerenommeerde verlichte dominees. Vooral het tentoonstellen van het lijk na de terechtstelling werd steeds meer als onbeschaafd ervaren. De bekende domineedichter E. Laurillard hield in De doodstraf (1864) een bewogen pleidooi tegen de uitvoering, waarbij hij de lezer als het ware dwong om mee te kijken: 

Je verzekert: `hij moet dood.’ Welnu, hij zal dood. Zie! ze grijpen hem aan. Neen! verdediger van de doodstraf! nu het gelaat niet afwenden! Bij God! dat sta ik je niet toe. Zien, moet je, zien, zien! De laatste maatregelen, die nodig zijn, worden genomen. Enige mannen zijn met de veroordeelde bezig, zoo wat als slagers met een rund. Wat, verdediger van de doodstraf! wilt je terug? Neen! blijven zult je, en zien zul je, zien! – De klokslag dreunt. Twaalf uur voor ons, eeuwigheid voor de verwurgde. Daar hangt hij. Nu mag jij naar huis gaan. En heb je dan na al, wat daar te zien en te denken en te voelen was, nog vrede met de doodstraf, je moet het maar weten. Maar ik zal God danken, dat ik er geen vrede mee heb!

Laurillard wilde dat alle galgpalen, op één na, werden verbrand. Die ene zou terecht moeten komen in een museum voor oudheden, bij al de andere afgeschafte foltertuigen van onverlichte tijden, zoals pijnbanken, duimschroeven en spijkertonnen.

En zo zit ik nu dan thuis, nadenkend over gestraften in de negentiende eeuw, horend bij de veroordeelden van Kelder, afwachtend of ik gratie krijg…

Sloop van monumentaal pand waarin Etty Hillesum tot 1943 schreef en leed

Het virus dat sinds februari 2020 kwetsbare ouderen sloopt, waart al veel langer in een andere vorm rond in Amsterdam. Daar sloopt het kwetsbare oudere panden. Het is bijna onvoorstelbaar waarvoor in met name Amsterdam-Zuid zonder enig pardon vergunningen verleend worden voor sloop, onderkeldering (met onomkeerbare gevolgen voor de waterstand), extra lagen bovenop bestaande gebouwen. Voor interne sloop is niet eens een vergunning nodig. Rudolf Dekker schreef er een boekje over: Roofbouw in Oud-Zuid, en er is een speciale website: www.amsterdamsloopt.nl  

Nu wordt ook het pand op de Gabriël Metsustraat 6 bedreigd. Hier woonde van 1937 tot 1943 Etty Hillesum en hier schreef ze haar aangrijpende, wereldberoemd geworden dagboek. Van hieruit kwam ze via Westerbork terecht in Auschwitz, waar ze vermoord werd, 29 jaar oud.  Dit alleen al zou voldoende moeten zijn om het pand te behouden.

Maar even belangrijk is de architectonische waarde van het gebouw. Het is ontworpen door de architect van het Stedelijk Museum, Adriaan Willem Weissman, in dezelfde kenmerkende rode steen. Het staat vrijwel naast het schitterende pand van Hendrik Berlage uit 1908, waar vroeger de Dagteeken- en kunstambachtschool voor meisjes zat en dat nu heel gewetensvol opgeknapt is voor het Concertgebouw. Tussen het Hillesumpand en het Berlagegebouw staat de Nieuwe Huishoudschool van J.H.W. Leliman uit 1907. Weer even verder zijn mooie voorbeelden van de Amsterdamse School te vinden in ontwerpen van Michel de Klerk, de architect die ook betrokken was bij de bouw van het Scheepvaartmuseum. Tegenover het Hillesumgebouw staat het Amerikaans Consulaat, van de architecten Schill en Haverkamp. Hierop keek Etty Hillesum uit, en het wrange lot wil dat hier toen het Duitse Consulaat was gevestigd, met in de belendende panden de hoofdkwartieren van het Duitse leger en de Duitse politie. Tussen het Consulaat en haar kamer lag een betonnen bunker, speciaal voor de bescherming van de Duitsers.

Gabriël Metsustraat 6

Kortom: zowel de historische als de architectonische waarde van dit stuk Gabriël Metsustraat is gigantisch, en de hele straat zou tot beschermd stadsgezicht verklaard moeten worden.

En wat kunnen wij doen om te laten merken aan verantwoordelijken dat we deze sloop niet willen?

  1. Onderteken petitie: https://petities.nl/petitions/stop-sloopplannen-etty-hillesum-s-panden-aan-het-museumplein?locale=nl
  2. Inloggen op www.erfgoedstem.nl en uw protest doorgeven
  3. Stuur een protestmail aan de man die in Amsterdam Zuid 13 portefeuilles heeft, waaronder  kunst & cultuur, bouwen en wonen: Sebastiaan.Capel@amsterdam.nl
  4. Stuur, omdat deze man zich nog nooit ergens wat van aan heeft getrokken, vooral ook een protestmail aan zijn politieke partij, D66, die nu al zenuwachtig op de verkiezingen van volgend jaar zit te wachten: zie https://d66.nl/contact/
  5. Stuur een protestmail aan de Amsterdamse wethouder cultuur Touria Meliani (gaat alleen via een inlog van de gemeentewebsite)
  6. Stuur een protestmail naar de Amsterdamse Raadscommissie voor Kunst: mailboxraadscommissieKDDvoorburgers@amsterdam.nl
  7. Stuur een protestmail naar de Amsterdamse Raadscommissie voor wonen en bouwen: mailboxraadscommissieWBvoorburgers@amsterdam.nl ;
  8. Stuur een protestmail aan Diederik Boomsma, fractievoorzitter CDA en raadslid, die eerder getoond heeft een hart voor Amsterdam te hebben: dboomsma@raad.amsterdam.nl
  9. Kent u invloedrijke mensen? stuur ze dan dit stuk door.
  10. Kent u mensen met hart voor Amsterdam? stuur ze dan dit stuk door.   

U kunt citeren uit bovenstaand stuk en gebruiken wat u wilt. Bekijk ook deze site: https://museumpleinbuurten.nl/gabriel-metsustraat-2-6/

U kunt citeren uit bovenstaand stuk en gebruiken wat u wilt.

Houd moed! Ook in deze tijden moeten we alert blijven op sloop van waarde.

En nu komt net dit nog binnen, een vergelijking die tranen oproept:

Relevante literatuur nu

Nu er zoveel aandacht is voor boeken als De pest van Albert Camus en De stad der blinden van José Saramago, is het tijd om ook eens het boek van Hanna Bervoets, Alles wat er was opnieuw in handen te nemen. Zeven jaar geleden verscheen het, en het is beangstigend om te merken dat Bervoets een voorspellende gave had. Want wat in dit boek gebeurt, loopt parallel met wat er zich nu afspeelt. Natuurlijk vergroot Bervoets de situatie en dat is het recht en de plicht van schrijvers, maar de overeenkomsten zijn beklemmend.

Bervoets zet een groep van acht mensen bij elkaar die geconfronteerd wordt met een ramp buitenshuis, zonder dat die ramp verder aangeduid wordt dan met ‘de knal’. Dat kan dus ook een virusuitbraak zijn. Niemand mag meer het gebouw uit waar ze nu toevallig bij elkaar zitten, een school. Er is nauwelijks etensvoorraad, ze weten niet wat er buiten gebeurd is en langzaam maar zeker vallen allerlei voorzieningen uit. Het internet waarop de overheid waarschuwde om binnen te blijven viel al snel weg. Eerst is er nog elektriciteit, maar na een paar dagen begint die te haperen en breekt tenslotte helemaal af. Dan stopt ook het water. Op dag 145 eindigt het boek en daarmee ook het leven van de opgeslotenen. Wat er daarvoor gebeurde, is een gruwelijke dystopie. Een van de vrouwen heeft een dagboek bijgehouden, dat in Alles wat er was in wisselende volgorde langskomt.

Wat het boek zo huiveringwekkend maakt, is de kenschetsing van menselijke reacties. Die zijn vergelijkbaar met wat we nu ook zien. Er zijn vier basisgegevens. Het eerste: iets totaal onbekends overkomt een groep mensen, iets wat niet eerder is voorgekomen. Het tweede: een groep is opgesloten, moet met elkaar zien om te gaan ook al zijn het geen vrienden. Het derde: de voorzieningen waarop je normaal gesproken kunt rekenen, vallen weg. Het vierde: er is gebrek aan eten, verband, medicijnen.

Hier komen dan de reacties overheen: angst, nachtmerries, onberekenbaar gedrag, onverantwoord gedrag, agressie, leugens, bietsgedrag, seks zonder liefde. Maar ook: improvisatievermogen, fantasie, organiseertalenten, altruïstisch afstand doen van eten voor anderen. Er zijn mensen bij die zo doordraaien dat ze toch de deur van de school uitgaan – en van hen wordt niets meer gehoord. Anderzijds is er ook iemand die een muis weet te vangen, schoon te maken en te stoven.

Soms lijken de gesprekken volledig overeen te komen met de woorden die nu in gezinnen overal hetzelfde klinken. Zoals:

Dan opperde Kaspar dat we ons mentaal en praktisch moesten voorbereiden op een periode van weken of zelfs maanden, zei ik dat we eerst maar moesten afwachten, riep Barry dat hij gek werd van onzekerheid en zei Leo dat Barry dat maar niet moest doen, gek worden, omdat dat de situatie er niet minder onzeker op zou maken, alleen een stuk onaangenamer.

De eerste dagen is de taal van het dagboek nog coherent, hoe verder in de tijd hoe meer die verbrokkelt. Het besef van tijd verdwijnt ook, zoals ook nu mensen gaan vergeten of het woensdag of donderdag is.

Er is ook het verlies aan decorum: men bekommert zich steeds minder om het uiterlijk, deels uit gebrek aan mogelijkheden om te douchen of te wassen, maar ook omdat het er niet meer toe lijkt te doen.

Het lijkt misschien vreemd als ik zeg dat dit boek hoe aangrijpend ook toch troost biedt. Natuurlijk heel eenvoudig omdat het een verdraaid knap boek is. Maar ook omdat het je terugwerpt op jezelf in onze barre tijd en je de vraag doet stellen: hoe zou ik het gedaan hebben en vooral: hoe doe ik het nu?

Uitgeverij Pluim

[Dit bericht verscheen ook op Tzum]

De boterham en de goudzoeker

Op de 218ste geboortedag van Jacob van Lennep draag ik het ironische gedicht voor van zijn goede vriend Gerrit van de Linde (De Schoolmeester) over hebberigheid en economische belangen. Beluister het hier: https://anchor.fm/hetverblijf/episodes/Dag-5—Marita-Mathijsen-leest-De-Schoolmeester-ebqr78

Voor wie wil is er ook nog de tekst:

http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/schoolmeester/boterham.html

Dit schreef ik erover op Literatuurgeschiedenis.nl:

Nog geen eeuw geleden leerde men op Nederlandse scholen de gedichten van De Schoolmeester van buiten. Bijna iedereen kende wel een paar regels van hem, bijvoorbeeld `Een leeuw is eigenlijk iemand, die bang is voor niemand’of `Een hond is vermaard om zijn gezelligen aard’. Vooral aan het eind van de negentiende eeuw was de oplage van zijn enige gedichtenbundel met de eenvoudige titel Gedichten van den Schoolmeester ongekend hoog. In het begin van de twintigste eeuw werd de bundel zelfs cadeau gedaan bij repen chocolade.

De Schoolmeester is uniek in de Nederlandse negentiende eeuw door zijn openhartigheid, door zijn geestig en virtuoos taalgebruik, door zijn losse omgang met regels en door de grappige manier waarop hij autoriteiten belachelijk maakt.

Hij lapt alle dichtregels van zijn tijd aan zijn laars en jongleert zo met de taal dat er geheel nieuwe beelden en associaties ontstaan. Zijn technisch vermogen is groot: hij draait zijn hand niet om voor lange rijmreeksen of kunstige dubbel- of binnenrijmen. Het grote verschil met andere toenmalige dichters, zowel Nederlandse als buitenlandse, zit hem in de afwezigheid van een metrum. Terwijl metrische poëzie de standaard was, schreef De Schoolmeester zijn zogenaamde knittelverzen zonder een vast patroon in beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen en met een bonte opeenvolging van korte en langere versregels. Een typografische broddel is het gevolg: sommige versregels zijn zo lang dat ze over de regel heenlopen, andere bevatten maar enkele syllaben. Toch lijken de regels bij voordracht even lang: door alliteraties en assonanties weet hij te bewerkstelligen dat ze naar behoefte ingekrompen of uitgezet worden. Het metrum, dat een hulpmiddel was bij het van buiten leren van verzen, blijkt bij hem niet nodig. Er is een verrassende muzikaliteit in het ritme, en men onthoudt de gedichten bijna vanzelf na ze een aantal keren gehoord te hebben.

Behalve de knittelverzen is er meer typerend voor De Schoolmeester. Malle beeldspraak, dolle personificaties, samenvoegen van dingen die niet bij elkaar horen, opzettelijke begripsverwarring en geestige overbodigheden treft men bij hem aan. En dan ook nog in een uitbundige opeenstapeling, die puur uit het plezier om wat er allemaal met taal mogelijk is, lijkt voort te komen. Gezegden en spreekwoorden vermengt hij zo dat letterlijke en figuurlijke betekenissen door elkaar gaan lopen. Eigenaardig zijn ook de bizarre vergelijkingen, die niet zoals gewoonlijk van klein naar groot gaan, maar andersom: de oceaan wordt vergeleken met een geschuurde schuimspaan, en de zon geeft zoveel licht dat hij wel op een kaars lijkt. Een meester is De Schoolmeester in het verzinnen van onmogelijkheden.

Zoals De Schoolmeester in de vorm van zijn poëzie weigert kunstregels te erkennen, zo schopt hij ook inhoudelijk aan tegen de autoriteiten die overal en altijd een erekwestie van maken en eeuwig te laat op de proppen komen. Tegelijk hekelt hij de negentiende-eeuwse maatschappij met haar voorkeur voor gezellige toneeltjes en haar biedermeierachtige karakter. De grootse thema’s waar de romantiek een voorkeur voor had, werden verkleind tot huiselijke tafereeltjes: de woeste schipbreuk wordt een plaatje op de wand, en had daarmee haar bedreigende karakter verloren. De burgerman van de negentiende eeuw verkleint de proporties van de wereld zó, dat hij haar lijkt te kunnen beheersen, en juist die mentaliteit hekelt De Schoolmeester.

https://www.literatuurgeschiedenis.nl/19de/tekst/lg19047.html

De corona van de negentiende eeuw: cholera

Wie zijt ge, die heel de aard’ met siddering vervult?

Gij, die, in duisternis en nevelen gehuld,

Niets dan verderving aâmt? Een vloekharpij, de kolken

Des afgronds uitgebraakt, om land op land te ontvolken?

Uit J.J. Goeverneurs gedicht ‘De cholera’ uit 1832, de tijd van de eerste cholera-epidemie in Nederland, blijkt hoe bang men was voor de onbekende en onverklaarbare ziekte. Een arts uit Utrecht beschreef wat hem overkwam in 1832. Hij werd bij een vijfjarig meisje geroepen, dat duidelijk de tekenen vertoonde die in de kranten beschreven waren voor cholera. Ze lag in een kruiwagen in een koud achterhuisje. Talloze buren waren uitgelopen omde vreemde ziekte te bekijken. Op aandrang van de dokter trokken de toeschouwers zich terug, want hij wist van het besmettingsgevaar. Een man van zestig was niet te bewegen weg te gaan en bleef hoofdschuddend naar het kindje kijken. De dokter haalde de moeder over om het kind naar het nieuw ingerichte cholerahospitaal te brengen. Het lijdertje huilde luidkeels met de eigenaardige hese cholerastem en smeekte om bij haar moeder te mogen blijven. De oude man raakte hierdoor nog meer van streek. Het kind was nog niet weggevoerd, of de dokter zag dat de meelevende toeschouwer de ziekte ook had. Binnen een uur veranderde hij totaal van uiterlijk. Tien uur later was hij dood. Het kindje overleed ook.

De cholera sprak tot de verbeeldingskracht van dichters. Ze werden gefascineerd door het huiveringwekkende raadsel van de ziekte, die zich leek te onttrekken aan eerdere ervaringen met epidemieën. Wie ben jij, schreef ook Hasebroek bij de tweede epidemie in 1848:

Wie zijt ge, o onbekende

En ongewenste gast,

Die, waar ik de ogen wende,

Mij overal verrast?

Richt ik naar ’t veld mijn schreden,

Ik zie u dreigend staan,

En wil ik stadwaarts treden,

Uw aanzicht grijnst mij aan.

Die personificatie van de cholera is er ook in de Brief in dichtmaat aan de cholera morbus van de libellenschrijver Jean Baptiste Wibmer, waarin hij de cholera toeschrijft dat die geniet van de angst als hij met zijn opengesperde kaak klaar staat om het mensdom te verslinden. Veel dichters van bekommernispoëzie hebben erover geschreven, ook Nicolaas Beets, Bernard ter Haar en Adriaan van der Hoop. De schrijvers voelden de angsten van de mensen aan. Ze schreven romans waarin de cholerabedreiging een rol speelt, ze schreven gedichten die voor de gezinnen van slachtoffers verkocht werden, ze schreven historische romans over de pest en iedereen verving het woord ‘pest’ natuurlijk door ‘cholera’. In 1835 verscheen er een vertaling van de Italiaanse roman De verloofden van Alessandro Manzoni, waarin de pest een angstaanjagend thema is, en dat boek had meteen succes. In de roman Elize, in 1839 uitgegeven door Elisabeth Hasebroek, spelen liefdesgeschiedenissen zich af tegen het decor van de uitbraak van de cholera. De Franse veelschrijver Eugène Sue stelt in Le juif errant van 1844-1845 de cholera voor als een reiziger ‘geheimzinnig als de dood, langzaam als de eeuwigheid, onverzoenbaar als het noodlot’.

Besmet drinkwater verspreidde de cholera

Adriaan van der Hoop gaf het gedicht De cholera: graf- en boeteklanken (1832) uit waarin hij de cholera als een straf van God voorstelde.  Da Costa sloot zich later in zijn gedicht Vijf en twintig jaren (1840) aan bij deze visie van Van der Hoop. Andere schrijvers zochten de oorzaak niet bij God maar bij zijn gewijde dienaren, zoals in een uit het Duits vertaald pamflet met de titel: Hoogst belangrijke bewijsgronden, dat de cholera morbus door de Jezuïten in Europa gebracht is, door hen geleid, en tot hunne oogmerken aangewend wordt.

De cholera was een nieuwe ziekte, die tot dan toe nog niet in West-Europa voorgekomen was. Men kende haar verschijnselen niet, wist niet hoe zij overgebracht werd, meende dat zij onberekenbaar was omdat zij een ander verspreidingspatroon vertoonde dan de pest. Ze leek op verschillende plaatsen tegelijkertijd te kunnen uitbreken en bracht daardoor een groeiend gevoel van onveiligheid onder de mensen. De beschrijvingen van haar optreden gingen de verbeeldingskracht te boven. De patiënten veranderden binnen het uur van uiterlijk. Helse krampen en een ondraaglijke dorst wisselden diarree en braakerupties af. Het gezicht viel in, de ogen begonnen uit te puilen, de stem werd hees en de huid verkleurde zwartblauw. De lijders voelden ijskoud aan. Ze waren zo koud, dat men sommige patiënten voor dood hield, die nog enige uren te lijden hadden. Er gingen verhalen rond van lijken, die terwijl ze in de extra diepe kuilen zakten die voor de choleradoden gegraven werden, op het laatst nog tegen de doodskist tikten.

Zo veranderden choleraslachtoffer in korte tijd

De cholera is uit India naar Europa gereisd. In het moerasgebied van Bengalen heerste zij al vele jaren. In 1817 brak zij door de grenzen van India heen en baande zich langzaam een weg naar Rusland, waar zij in 1830 de zuidgrens overschreed. Moskou werd in dat jaar getroffen. Russische legers namen haar mee naar Polen, waar militaire acties plaatsvonden tegen opstandige Polen. Pruisen legde langs de grens met Polen een scherpe bewaking in, maar tevergeefs, want ook Berlijn raakte besmet. Rijke mensen die in koetsen Berlijn wilden ontvluchten, werden tegengehouden door de menigte, die niet accepteerde dat de welgestelden zich konden onttrekken aan het lot. Engeland sloot zijn havens tegen schepen uit de Oostzee. Tevergeefs. Na Engeland was Frankrijk aan de beurt. Begin 1832 kon men in de Nederlandse kranten lezen dat de cholera Parijs had bereikt, waar beduidend meer slachtoffers vielen dan in Londen. In Parijs werd het volk hysterisch. Wie zich ophield in de buurt van waterputten, werd ervan verdacht het water te vergiftigen. Wie een vreemd flesje bij zich droeg, zou de smetstof willen verspreiden. Kasteleins zouden de wijn vergiftigen en zelf antistof ingenomen hebben. Onschuldigen werden door het volk aangevallen en gelyncht. Het gerucht verspreidde zich dat artsen beloningen kregen voor elke arme die aan de cholera stierf. De apothekers verdriedubbelden de prijzen van geneesmiddelen, die overigens niet hielpen. En ook hier was er een complotttheorie: de Jezuïeten verspreidden de ziekte. Waarom ze dat zouden doen was de vraag niet.

            Vluchtelingen uit Parijs brachten de ziekte over naar België, waar men even angstig reageerde als in Frankrijk. Het volk geloofde dat kwaadwillenden besmet snoepgoed aanboden aan kinderen.

            Nederland was voorbereid op het uitbreken van de cholera. In 1831 had de regering drie bekwame artsen naar Duitsland gestuurd om de ziekte te bestuderen en deze hadden een rapport opgesteld met aanbevelingen. In elke grote gemeente moest een choleracommissie ingesteld worden, bestaande uit een notabel, een arts en een politiedirecteur. De steden werden verdeeld in wijken waarin de wijkcommissie verantwoordelijk was voor de gang van zaken. Gemeenten kregen het advies een speciaal cholerahospitaal in te richten. Huizen waarin cholera heerste, kregen een bordje aan de deur. Als de zieken of doden uit huis waren, werd de woning ontsmet met de toenmalige middelen: luchten, azijn sprenkelen en chloorgas verspreiden. Choleradoden moesten direct de kist in zonder ze af te leggen, en ze moesten zo snel mogelijk in een dubbeldiep graf begraven worden. Jacob van Lennep was een van de notabelen in Amsterdam die verantwoordelijk werd voor een grachtenwijk.

            De adviezen van de commissie waren voor die tijd vooruitstrevend. Matigheid en reinheid werden als voorname middelen gezien om de cholera beheersbaar te houden. De voorbereidingen werden overal vrij stilletjes getroffen, omdat het burgergilde wilde voorkomen dat paniek en dus opstand zou uitbreken. Wel had de pers zich meester gemaakt van het onderwerp, en verscheen de een na de andere brochure met aanbevelingen hoe zich de ziekte van het lijf te houden. De Vaderlandsche Letteroefeningen publiceerden in elk nummer wel een verhandeling erover. De religieuze leiders gebruikten de angst om de mensen aan te sporen zich tot God te wenden, voor hij het grote kwaad naar Nederland zou sturen.

            De regering verwachtte dat de cholera, zoals alle kwaad, uit Frankrijk zou komen, en dus had men aan de Belgische grens verscherpte controle ingevoerd. Dat was des te makkelijker omdat er in verband met de Belgische opstand nog veel militaire troepen in Zuid-Nederland gestationeerd waren. Men had echter niet voldoende op de zee gelet. De cholera kwam Nederland binnen via een Scheveningse vissersschuit met botersmokkelaars. Tussen 25 juni, het binnenlopen van de visserspink, en 3 juli waren er al 46 lijders waargenomen. Vier daarvan waren binnen enkele dagen overleden. Direct trad het apparaat in werking. Vis uit Scheveningen mocht niet meer vervoerd worden. Jaarmarkten en kermissen werden verboden. Geneeskundige hulp aan armen werd gratis beschikbaar gesteld. Desondanks bereikte de ziekte in juli Den Haag, Katwijk en Rotterdam. In augustus waren Utrecht en Amsterdam aan de beurt. In totaal stierven bij de eerste cholera-epidemie 10.108 mensen. De tweede uitbraak van 1848-1849 was heviger en viel samen met een periode van hongersnood door aardappelziektes en hoge voedselprijzen. 22.460 mensen werden toen het slachtoffer. De laatste hevige uitbraak is van 1866-1867, en ook toen vielen nog 21.286 doden.

Van de verschillende besmettelijke ziekten in de negentiende eeuw heeft de cholera het meest onmatig toegeslagen. De pokken en de tyfus halen nog niet de helft van het totale dodenaantal van de cholera. Bovendien maakte de cholera de mensen radeloos, omdat ze zowel miasmatisch als contagieus leek te zijn, dus zowel een gevolg van vervuilde dampen als van smetstof. De snelheid waarmee een gezond mens in weinige tijd kon vervallen tot een onherkenbaar wrak, was angstaanjagend. De machteloosheid van medici, en de onverklaarbare resistentie van sommige mensen, vergrootten het raadsel van de helse harpij.

            Pas in 1883 ontmaskerde Robert Koch de boosdoener. Hij publiceerde de ontdekking van de cholerabacterie en wekte daarmee enthousiasme in medische kringen. Door de toegenomen hygiëne en de aanleg van waterleidingen waren de grote epidemieën echter al bedwongen. Zijn ontdekking bevestigde wel, dat hygiëne de belangrijkste vijand van de cholera was.

En: kunnen wij nog iets leren van de negentiende-eeuwse omgang met de cholera? Ik vrees van niet, maar ik ben wel benieuwd of er ook verzen of romans over de corona geschreven gaan worden. De parallellen zijn duidelijk: enorme media-aandacht, de onbekendheid, de snelheid. De overheidsmaatregelen van toen waren in elk geval ingrijpender dan die van nu: speciale hospitalen, meteen begraven, wijkcommittees voor toezicht en het aankruisen van huizen waar de ziekte heerste. En natuurlijk liepen de kerken toen vol – dezelfde die nu juist gesloten zijn. In 1848 kwam er een nationale bededag. Die hielp dus niet. Toch heb ik voor de zekerheid maar wat kaarsjes aangestoken toen ik in Limburg in ‘het kapelke van Geloeë’ kwam.

Veel van wat hierboven staat is ontleend aan mijn De gemaskerde eeuw, en komt ook voor in het boek dat ik nu aan het schrijven ben. De cijfers over de choleraslachtoffers komen uit P.D. ’t Hart, Utrecht en de cholera. Zutphen 1990.

Homeruslezing 28 maart afgelast

Op zaterdag 28 maart zou ik in het Museum van Oudheden in Leiden de Homeruslezing geven onder de titel: Krimp in het Latijn of hoe het Latijn verdween uit de geleerde wereld in Nederland. Maar het Museum gaat dicht. Het boekje met de lezing komt wel uit bij Athenaeum, maar wanneer het voor de spotprijs van € 2,50 te krijgen zal zijn, is nog onbekend.

15 MAART AFGELAST

De lezing die ik op 15 maart in Tilburg zou geven is afgelast. Nu komen jullie nog niet te weten of we Mulisch nu als een rebel kunnen beschouwen of niet. Misschien over enige tijd herkansing.

Oude wijn in oude zakken

U weet het wel van mij: ik was een scherpslijper op editiegebied: niks herspellen, niks hertalen van teksten uit het verleden, gewoon veel eisen van de lezer. Ik ben een aantal jaren geleden omgezwaaid omdat ik merkte dat het leesgedrag veranderde. Dan maar tegemoetkomen aan de luie lezer, schreef ik, wel herspellen en hertalen, desnoods inkorten. Ik voelde me gesterkt toen ik hoorde dat de Max Havelaar weer op de literatuurlijst van het Vossius Gymnasium was gekomen na de hertaling van Gijsbert van Es.

Nu dacht ik modern te zijn in die omslag. Bij de hertaling van Couperus’ Van oude mensen de dingen die voorbijgaan (2019) door Michelle van Dijk bleek immers dat er nog steeds heel veel kritiek is op dat soort aanpassingen. Er lijken nog heel wat heilige huisjes omvergetrokken te moeten worden om klassieke teksten meer naar onze tijd te trekken. Maar hoe schrok ik toen ik mijn eigen argumenten aantrof bij de doodsaaie negentiende-eeuwse eerste hoogleraar Nederlandse Taal- en Letterkunde, Matthijs Siegenbeek.

In de jaren veertig van de negentiende eeuw was de uitgever A. ter Gunne uit Deventer op Siegenbeek afgestapt. Hij wilde de dichtwerken van Jacob Cats uitgeven. Daar waren al heel wat verzamelde uitgaven van op de markt geweest, deels nog bij diens leven uitgekomen. In de achttiende eeuw was er een degelijke uitgave gemaakt door Rhijnvis Feith, in maar liefst 19 delen (1790-1799), die nog een herdruk kreeg in 1834. Ter Gunne wilde echter geen geleerde uitgave, maar een ‘naar de behoeften van den tegenwoordigen tijd ingerigt’, zoals de ondertitel luidt. Die moest ‘uitlokkend en gemakkelijk’ worden, in ‘eene nette, maar tevens van onnutten zwier ontbloote uitvoering’ en vooral niet te duur. De professor zag wel wat in die editie, maar had geen zin in het werk en liet daar een ‘jeugdig geleerde’ voor opdraaien, zonder diens naam te noemen. Hij gaf zijn fiat aan de bewerking.

Siegenbeek schreef wel het voorwoord. En daaruit blijkt dat ik niks modern ben, gewoon deels hetzelfde handel als die saaie Siegenbeek.

 Hij schrijft dat hij eerst bedenkingen ertegen had om vader Cats in een moderne jurk te steken. Maar toen begreep hij dat de oorspronkelijke spelling zo ver afweek van de gangbare, dat veel lezers afgeschrikt zouden worden als de oude vorm gehandhaafd bleef. Hij haalde er deskundigen bij om zijn ommezwaai te legitimeren: de nieuwe Statenbijbel van 1834 was immers ook herspeld door twee geleerden van onbesproken gedrag: de predikant Hendrik Cats en de hoogleraar Wessel Albertus van Hengel. Als de bijbel aangepast mag worden, dan toch zeker ook Cats.

 Nu ging de uitgave van Siegenbeek minder ver dan ik nu zou gaan als ik behoefte zou hebben Cats te editeren. Ik zou ook hertalen. Siegenbeek (of zijn assistent) vertaalt onbekende woorden onderaan de pagina in noten: het zou veel handiger zijn geweest de eigentijdse woorden gewoon in de tekst op te nemen.

 In een opzicht gaat Siegenbeek wel verder dan ik ooit zou doen. Enkele gedichten ‘wier inhoud tegen de thans heerschende begrippen van welvoegelijkheid streed’, liet hij achterwege. Dat klopt dan wel met de ondertitel van de Dichtwerken: ‘naar de behoeften van den tegenwoordigen tijd ingerigt’. Onwelvoeglijke teksten in de negentiende eeuw, die verschenen alleen maar ondergronds. Ik zal eens zoeken naar een assistent die voor mij gaat uitzoeken welke gedichten uit de acht vuistdikke delen weggelaten zijn…

Dichtwerken van Jacob Cats naar de behoeften van den tegenwoordigen tijd ingericht. Deventer 1843, dl. 1
Jakob Cats, Alle de werken. Uitgegeven door Mr. R. Feith. Amsterdam 1796, dl. 13

Rebellen en dwarsdenkers

BIJEENKOMST IN TILBURG OP 15 MAART AFGELAST!

Stel dat we een lijstje moesten maken van de meest rebelse schrijvers uit de Nederlandse literatuur, door de eeuwen heen, bij wie zouden we dan uitkomen? Het is dit jaar het thema van de Boekenweek: rebellen en dwarsdenkers. Ik pretendeer geen betrouwbaarheid, maar dezen vallen me meteen in:

+ De schrijver van Van den Vos Reinaarde (13e eeuw): hij of zij is niet bekend, maar het moet een geboren satiricus zijn om zo de maatschappij onderuit te kunnen halen

+ Anna Bijns (16e eeuw): als vrouw zo fel tegen de reformatie dat men haar zag als een halve heks, als een furie met haar op de tanden

+ Gerbrand Bredero (17e eeuw): altijd tegendraads in zijn werk, hield zich niet aan de literaire voorschriften van zijn tijd

+ Willem Godschalck van Focquenbroch (17e eeuw): losbandige arts wiens dertigjarige leven in Ghana eindigde, spotter, schreef met een ‘platheid en een vuilheid die in onze literatuur zelden geëvenaard zijn’; hij ‘wentelt zich behagelijk in zinnelijkheid en vuilheid als het zwijn in de modder”(citaat uit de literatuurgeschiedenis van G. Kalff)

+ Jacob Campo Weyerman (18e eeuw): nachtbraker, pierewaaier, schuinsmarcheerder, spotter, die de laatste tien jaar van zijn leven in de gevangenis doorbracht.

+ Gerrit van de Linde (De Schoolmeester, 19e eeuw): lapte de moraal aan zijn laars in zijn studententijd en daarna de dichtregels: zijn scherpe spotverzen op de maatschappij houden zich aan geen metrum, rijm of regellengte.

+ Multatuli (19e eeuw): verzette zich tegen het establishment, bespotte handelsgeest en maakte vrouwen attent op hun ondergeschikte positie.

Juist rebellen maken de literatuur zo sprankelend, ook die van het verleden. Dat is waarom ik de negentiende eeuw zo spannend vind, er is die beregelde maatschappij, tegelijk wordt de wereld op zijn kop gezet door de nieuwe technische en wetenschappelijke ontwikkelingen, en de schrijvers doorboren de regels en brengen daardoor de nieuwe wereld en de oude in beter evenwicht. En wie zijn dan de rebellen en dwarsdenkers in de twintigste en eenentwintigste eeuw? Er zijn er veel: Paul van Ostaijen, Jan Slauerhoff, Jef Last, Annie M.G. Schmidt, Anja Meulenbelt, Jan Wolkers, Drs. P, en bij de 21ste-eeuwers Mano Bouzamour, Maartje Wortel en mijn dochter Alma.

Toen Books 4 Life me vroeg of ik bij de Boekenweek iets wilde vertellen over rebellen, stelde ik de organisatoren voor de keuze: Multatuli, Willem Kloos of Harry Mulisch (zie voor het programma http://books4lifetilburg.nl/nieuwslog/). Ze zijn daar zelf dwarsdenkers: het inkomen van hun antiquariaat gaat voor 90% naar goede doelen en ze werken met alleen vrijwilligers. En ze kozen voor Mulisch. Nu moet ik waarmaken dat hij een dwarsdenker is. Ik kan alvast beweren dat een van de leukste schelmenromans uit de Nederlandse literatuur door hem is geschreven, De diamant, en de hoofdpersoon is een diamant, wiens bestaan je in een opeenstapeling van avonturen volgt van zijn geboorte tot zijn ondergang. Kunnen we de goedgeklede genieter van luxe die Harry Mulisch was, de man die zich graag liet zien in de buurt van nog grotere beroemdheden, die bevriend was met Ruud Lubbers en Rudy Fuchs en gesteld was op Prins Bernhard, wel een rebel noemen? Ik ben ervan overtuigd dat ik dat waar kan maken. Maar pas op 15 maart, in Tilburg.