Archive by Author | maritamathijsen

Van Lennep zendt u een glimlach

Bekijk deze animatie door Pim Kops, betachterachterkleinzoon van Jacob.

lennepkopsfilm

Advertenties

Laatste uren van het Van Lennep-jaar: een overzicht

Juist nog vandaag verscheen er in de Gooi- en Eemlander een prachtig stuk over de geheime geliefde van Jacob van Lennep, Doortje Ringeling, met wie hij in 1834 een nieuw leven in Engeland wilde beginnen. Ik besloot het hoofdstuk in mijn biografie over Jacobs gepassioneerde verhouding met deze Doortje, die haar eer en goede naam opofferde voor haar grote liefde met de zin: ‘wie zal er op haar graf nog een traan storten of een bloem neerleggen?’ Sinds het verschijnen van de biografie liggen er geregeld bloemen op Doortjes graf in Lage Vuursche …

KeesRingelingLageVuursche

Betachterachterneef Kees Ringeling legt bloemen op Doortjes graf

In 2018 was het 150 jaar geleden dat Van Lennep overleed. Op 18 januari verscheen zijn biografie. Daarvan was nog voor de zomer een tweede en derde druk nodig. Ik had daardoor de kans een paar kleine correcties aan te brengen waarvan de meeste zijn aangedragen door lezers. Ik voeg een bestand met correcties [Correcties derde druk3] bij, speciaal voor de kopers van de eerste en tweede druk, om geprint in het boek te leggen. Een vierde druk ligt in het verschiet.

Het boek stond al op 26 januari, nog geen week nadat het verschenen was, op de vijfde plaats van de NRC-boekentoptien. Daar bleef het staan tot en met 9 maart. Bij de algemene top 60 van de CPNB kwam het in de vierde week van 2018 binnen, steeg naar de 30e plaats en bleef vier weken lang bij de best verkochte boeken staan. VPRO-boeken wijdde er een uitzending aan met Jeroen van Kam. Bij De wereld draait door was het een van de vier Boeken van de Maand. Er verscheen de een na de andere juichende recensie, alleen een enkele criticus had moeite met mijn genuanceerde weergave van Van Lenneps bemoeienis met Multatuli en de Max Havelaar. De biografie kwam vervolgens op de longlist van de Libris Literatuurprijs en op de shortlist van de Nederlandse biografieprijs. Verder kwam het bij de beste 25 boeken van 2018 van NRC-lezers. In de Volkskrant, Trouw, het Fries dagblad, NRC en zo nog wat bladen werd het vermeld in de lijstjes van recensenten die hun beste boek 2018 aanwezen. Maarten ’t Hart zette een loftuiting op het literaire weblog Tzum, er waren vele mooie interviews in kranten, tijdschriften, voor radio (inhoudelijk heel goed vond ik vooral Arjan Peters in De Volkskrant en Theodor Holman voor OBA Live).

Ik gaf in totaal dit jaar 47 lezingen over Jacob van Lennep, door het hele land, soms zelfs twee op één dag. Daar waren heel gedenkwaardige bij. In Oosterbeek was ik gepland in een zijzaal van de Vredeskerk, maar er was zoveel belangstelling dat het publiek naar de grote kerk gedirigeerd werd. In Edam was het café afgeladen vol, evenals in Heemstede. Maar in Groningen waren in een boekhandel slechts 15 mensen op Van Lennep afgekomen – voor mij geen probleem omdat je dan een kringgesprek kunt voeren. Toen ik naar Lelystad moest, liet de NS me in de steek, ik kwam een kwartier te laat aan, maar toen ik het publiek uitlegde dat het paard van de trekschuit door zijn poten gegaan was, kon de avond niet meer stuk. In België heb ik maar één optreden gehad, in Izegem. Daar werd ik wel als een diva onthaald, met luxe hotel en vervoer. Bij een aantal van deze optredens was ook de bariton Job Hubatka aanwezig, de betachterachterkleinzoon van Jacob, die negentiende-eeuwse liederen op tekst van Jacob van Lennep zong. U kunt hem beluisteren op De veerman aan de Lek.

Voor Ons Amsterdam zette ik een Jacob-van-Lennep-wandeling uit, die een paar keer onder begeleiding gelopen werd, maar die iedereen ook zelf kan wandelen [wandelingOnsAmsterdam]. Voor het Multatuli-jaarboek schreef ik nog een uitgebreide versie van de kwestie Van Lennep-Multatuli, waarin ik de valse mythes die er over Van Lennep in omloop zijn probeer te slopen. [Multatuli2018 04 Mathijsenkwaadssprekersnapraters] Ook maakte ik voor Ons Amsterdam een stuk over de anonieme politieke hetze in 1859 tegen Van Lennep.

Heel prettig is dat er nu twee en binnenkort drie werken van hem in de boekhandel te krijgen zijn. In juni kwam er een vernieuwde herdruk uit van De zomer van 1823, zijn verslag van de voetreis samen met Dirk van Hogendorp. In december gaf uitgever Lalito een door Gera de Bruijn hertaalde en ingekorte versie van De lotgevallen van Klaasje Zevenster uit, een must voor degenen die de complete versie van vijf delen wat al te omvangrijk vinden, en toch een van Van Lenneps beste romans willen lezen. In maart verschijnt bij LJ Veen Klassiek De lotgevallen van Ferdinand Huyck.LalitoKlaasje2

Op zijn sterfdag 25 augustus was er een klein gezelschap familie, literatoren en belangstellenden naar Oosterbeek gekomen om hem eer te bewijzen bij zijn graf. Het regende pijpenstelen, maar gelukkig konden we terecht in een naburig woonhuis, waar ik een korte lezing gaf en Job Hubatka weer zong. De volgende dag was er in Oosterbeek de jaarlijkse Kneppelhoutwandeling, waarbij ook het graf bezocht werd en ik gedichten op Oosterbeek van Jan ter Gouw en Jacob voordroeg.

Een prachtig gedenkjaar dus – en ik beloof u dat er in 2019 nog wel wat navonkeling zal zijn.

Kerstverhaal

Het kerstverhaal is een negentiende-eeuwse uitvinding, en het is, weinig verrassend, opgekomen na het eerste onvergetelijke A Christman Carol van Charles Dickens uit 1843. Het genre is populair gebleven tot op heden, elke krant dist rond deze tijd wel een kerstverhaal op. Een paar weken geleden gaf uitgever Balans Kom vanavond met verhalen uit, met ‘waargebeurde’ verhalen over kerst door onder anderen Adriaan van Dis, Mano Bouzamour en Marcia Luyten, en het boek was binnen de kortst mogelijke tijd uitverkocht.

Charles_Dickens-A_Christmas_Carol-Title_page-First_edition_1843

Eerste druk 1843

A Christmas Carol was indertijd ook binnen een paar dagen uitverkocht. Daarna schreef Dickens nog vier uitgebreide kerstverhalen, die echter minder populair werden dan het hemeltergende verhaal van Ebenezer Scrooge. Ikzelf hou behalve van het oorspronkelijk verhaal, dat ik rond kerstmis graag herlees,  ook van de bewerkingen voor film, zoals die Robert Zenecki in 2009, met spookverschijningen die de film ongeschikt maken voor jeugdige kijkers en voor slechte slapers. Het verhaal heeft ook tekenaars ertoe gezet het beste van zichzelf te laten zien. Twee  jaar geleden is er nog een heel mooie nieuwe vertaling uitgekomen met tekeningen van René Hazebroek maar de oorspronkelijke van John Leech zijn ook geweldig.

DickensChristman

Tekening René Hazebroek

In 1844 kwamen er in Nederland meteen twee vertalingen uit: een van de vrij onbekende Amsterdamse uitgever Stemler, en een bij de bekende H. Frijlink, die al eerder verhalen van Dickens in zijn tijdschrift Het Leeskabinet had opgenomen. Stemler hanteerde als titel Kersgeschenk, eene geestverschijning, terwijl Frijlink het wat vriendelijker hield met Een kerstsprookje.

Wanneer werden andere schrijvers nu geïnspireerd om ook kerstverhalen te schrijven? In elk geval is het duidelijk dat vóór Dickens er geen fictieve kerstvertellingen verschenen, toen waren er alleen kerstpreken en kerstgezangen. Hij beïnvloedde vooral kinderboekenschrijvers: tegen het eind van de eeuw zijn er tientallen uitgaven voor kinderen, met titels als Kerstmis in de cel (1895), Nijdige Grietje, eene kerstvertelling (1887) en Levi’s eerste kerstfeest (4e druk 1895). Veel van die boekjes zijn speciaal voor zondagsscholen, voor het tractaatgenootschap of voor de Nederlandse Protestantenbond gemaakt. Van Dickens hebben de schrijvers niet veel geleerd, alleen het genre, maar niet hoe je een verhaal met een brave afloop toch meeslepend kunt vertellen.

De vroegste Nederlandse kerstvertellingen voor volwassenen die ik gevonden heb dateren van de jaren zestig. De bekende domineeschrijver Jan de Liefde gaf in 1862 De vrijbuiter, een kerstverhaal voor jong en oud uit, een verhaal waar de christelijke moraal vanaf druipt. B. Korfker schreef in die jaren Drie kinderen in een groot huisgezin opgenomen, eerlijk gezegd evenmin te pruimen. Ook andere titels die ik doorlas bedierven de kerststemming, die dit jaar toch al op een laag pitje staat omdat ik vanwege een knieoperatie aan huis gekluisterd ben. En ik kan ook niet bij mijn eigen uitgaven van Dickens’ kerstverhaal, om daar nog eens doorheen te gaan en de prachtige illustraties te bekijken. Dickens staat bij mij hoog in de boekenkast en ik kan geen ladder beklimmen.

25 beste boeken 2018: De bezielde schavuit

Ja, hij staat bij de 25 beste boeken van het jaar: Jacob van Lennep, een bezielde schavuit. Als u genoten heeft van het boek, dierbare volger, ga dan naar NRC-beste boeken en stem! Kijk nog maar even naar reacties en naar de speciale feestdageneditie. Ik ben iemand die blij is met nominaties en prijzen (hoewel ik maar één literaire prijs gehad heb in mijn leven, lang geleden, de Multatuliprijs).

Maar ik heb ook veel begrip voor de kritiek op literaire prijzen. Vorige week donderdag was ik bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren aan Judith Herzberg. Ze had bedongen dat er geen foto’s van de uitreiking ervan gemaakt mochten worden, en dus maakte de éne toegestane fotograaf alleen maar foto’s van de koning, en van wat gasten, maar niet van haar of van het moment suprême. Zelfs de mobieltjes mochten niet klikken. Met het gevolg dat er de volgende dag in de kranten niets verscheen over de uitreiking van deze voornaamste literaire prijs van het Nederlands taalgebied. Over de nieuwe grote Poëzieprijs zijn de laatste tijd heel veel kritische stukken geschreven. De dichters die mee willen dingen moeten € 75 storten of laten storten. Benno Bernard schreef een stuk in NRC over het beschamend circus om deze prijs en weigert eraan mee te doen. Vooral hekelt hij de uitreikingsavonden van literaire prijzen waarin verliezers en winnaar tegelijkertijd moeten optreden en tv inzoomt op teleurgestelde gezichten. Hij heeft groot gelijk. Eigenlijk is dat soort avonden vernederend voor iedereen, winnaar, verliezer, aanhang en jury inclusief.

De wedstrijd van NRC is heel anders ingericht. Hier is de prijs een pakket met álle 25 genomineerde boeken. Dus ook de prachtige Thorbecke-biografie, het schrijnende De eeuw van Gisèle, de indrukwekkende Bredero-biografie. En de prijs gaat niet naar de schrijver, maar naar de lezer. Stemmen dus!

Historieverneukerij

De driedimensionale Maria Callas zweefde over het podium van theater Carré in Amsterdam op maandag 26 november 2018 – ze stierf in 1977. Ik had me er enorm op verheugd en al heel vroeg kaartjes gekocht, voor 95 euro per plaats en 9,50 servicekosten.

We zagen een pop die sterk op Maria Callas leek, maar een karikatuur van de echte zangeres was. Ze drapeerde telkens opnieuw haar dunne sjaal, strekte haar hand poeslief uit naar de dirigent, bedankte quasi ontroerd met lichte buigingen het applaudisserend publiek. Haar stem was van blik geworden, zonder foutjes, zonder ademmomenten. Ze zong een ratjetoe aan aria’s die ze in werkelijkheid nooit bij elkaar in een concert gezongen zou hebben en van de befaamde aria Casta diva uit de opera Norma zong ze alleen het eerste deel en niet de cabaletta. Daarvoor zou ze zich zwaar gegeneerd hebben in het echt.

Ik voelde me opgelicht. Enige weken daarvoor had ik de documentaire Maria by Callas van Tom Volf gezien. Die kun je niet zien zonder gebiologeerd te raken door de diva. Je hoeft niet van haar te houden maar het is onmogelijk om onder haar uit te komen. Er is iets adembenemends in haar stem, houding, reacties. Toch liet Volf slechts krakkemikkige stukjes film zien, zwart-wit foto’s, haar onopgepoetste stem horen. Alles kwam over als werkelijke historie.

Die ervaring kreeg ik totaal niet bij de driedimensionale projectie. Het was een pop van pixels zonder de suggestie van leven die ik zag. De pop ademde niet, aarzelde niet, straalde geen nerveusheid uit, geen opluchting als de aria afgelopen was, reageerde niet op muziek of zaal.

callas3

Hologram van Maria Callas

Nu is zo’n teleurstelling natuurlijk maar een anekdote, en de verspilde euro’s beschouw ik als boete die ik betalen moest om te zeer gehoopt te hebben op het onmogelijke. Maar er is voor mij meer aan de hand dan alleen een mislukking. Het gaat hier om de mogelijkheid of onmogelijkheid om historie te herbeleven of niet. Om historische sensatie of historische sensatiezucht.

Ik had me voorgesteld dat bijvoorbeeld het Literatuurmuseum in de nabije toekomst stromen van bezoekers zou kunnen aantrekken door een driedimensionale Vondel op het podium te vertonen, die vervolgens geïnterviewd werd door Adriaan van Dis en voorgeprogrammeerde antwoorden gaf. Ik stelde me voor dat de techniek nog verder kon gaan: bezoekers konden vragen stellen en Vondel zou die kunnen beantwoorden, als het zou gaan om eenvoudige dingen als ‘hoe lang hoopte Gysbrecht nog de stad Amsterdam te kunnen redden?’. Ik zag Annie M. G. Schmidt al voor me, sigarettenpaffend op een stoel, en maar grappen maken met scholieren. Ik zag Harry Mulisch ijsberend geprojecteerd in zijn werkkamer, die tot in detail werkelijk nog bestaat (en op verzoek bezocht kan worden).

Ik had voor literatuur mijn hoop gevestigd op de techniek. In het Goethehuis in Weimar zag ik enige jaren geleden iets wonderlijks waar ik nogal van onder de indruk was. Er is daar een installatie waar schoolkinderen met woorden uit gedichten van Goethe die in een ruimte zwevend geprojecteerd worden. Door die woorden te vangen kunnen die kinderen zelf nieuwe gedichten maken. Prachtig, dacht ik, dit is de redding van literatuurmuseums die eindelijk verlost werden van nog weer eens een manuscript of eerste druk in een platte vitrine leggen. Driedimensionale dode dichters en zwevende gedichten: mooi toch?

Maar ik ben door de levenloze Callas ernstig aan het twijfelen gegaan. Het op deze manier opleuken van geschiedenis is wat men in Amsterdam en elders zo vaak doet met oude huizen: de gevels laten staan en er splinternieuwe appartementen achter plakken. Kitsch, humbug, charlatanerie, lariekoek. Ik moet me er maar bij neerleggen dat de tijdmachine niet bestaat, dat we hooguit een schaduw kunnen opvangen van het verleden. Nepgeschiedenis is niet wat we moeten willen. Dus toch maar gewoon Vondel laten spelen door Pierre Bokma en hem zo in die rol laten groeien dat hij Adriaan van Dis én scholieren antwoorden kan geven die van Vondel zouden kunnen zijn? Ook nep – maar toch een ander, eerlijker soort. Denk ik.

Marnixkade1

Historieverneukerij: gevels aan de Marnixstraat in Amsterdam waarachter het Nieuwe de la Mar theater gebouwd is

 

 

 

De eeuwwisseling van 1800 en de klok van de Bavo

Op oudejaarsavond 1799 was er in de Haarlemse gehoorzaal van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen een bonte avond. Vrouwen waren ook welkom, om gezamenlijk de nieuwe eeuw in te gaan. De bekende uitgever-dichter Adriaan Loosjes zou spreken. Loosjes had zijn zakhorloge gelijk gezet met de kerkklok van de Bavo. Enige tijd voor middernacht kwam hij op het podium. Hij overdacht de eeuw die nu bijna afgelopen was en de vrolijke stemming die er eerst was geweest veranderde in somberte. De achttiende eeuw was een gruwelijke eeuw geweest, die nu naar zijn einde liep. Hele rijken waren verwrikt en overhoop gehaald, allerlei volken van staat gewisseld. Oorlog had gebieden misvormd. Het mensdom was ten prooi gevallen aan de eerzucht van machtswellustelingen. Hoe vaak leek de vrede dichtbij, en toch werd die weer verjaagd. Ook ons vaderland werd niet gespaard voor oorlog of heerszucht. Interne twisten verdeelden het land, ijzingwekkende tonelen van geweld en woede speelden zich op onze grond af. Bijna sloeg de klok twaalf toen Loosjes bij het sterven van de achttiende eeuw en de toekomst aankwam:

En Toekomst? Welk een lot is voor dit volk bereid?

Dat laat deez’ stervende Eeuw den wijsten zuchtend raden. –

Hoe ’t zij, o Vriendenkring! nog weinig schreden maar,

En de Achttiende Eeuw verdwijnt; is als een rook vervlogen;

Net voor de eerste klokkeslag van de Bavo om 12 uur was hij bij de woorden:

Hoe ’t zij, o Vriendenkring! nog weinig schreden maar,

En de Achttiende Eeuw verdwijnt; is als een rook vervlogen;

Een enkle schrede nog; –

Daar stopte hij en wachtte tot de klok twaalf keer geslagen had en ging door:

 

de Negentiende is dáár;

Daarop begonnen de mensen te juichen, maar Loosjes maande de massa tot stilte, want:

 

Zij treedt haar loopbaan in, met duisternis omtogen.

De negentiende eeuw begon maar haar toekomst was duister. Toch eindigde Loosjes hoopvol: laten we ons niet storen daaraan. In deze nieuwe eeuw zijn er mensen met hart voor het goede, die ware mensenvreugd weten te verspreiden. Juist de Maatschappij tot Nut voor ’t Algemeen kweekt nieuwe burgers, die bereid zijn offers te brengen voor het algemeen heil. Wellicht dat er nog nieuwe rampen komen als eigenbaat de voorrang krijgt, maar als er een burgerij is die onzelfzuchtig naar verbetering voor iedereen streeft, zal het een goede eeuw voor iedereen worden.

Loosjes’ gedicht is symptomatisch voor het algemeen gevoel. Er werd niet vreugdevol teruggekeken op de voorbije achttiende eeuw, integendeel. Als er begin november 1799 een orkaan over Noord-Nederland raast die diverse slachtoffers maakt, bomen velt en dijkdoorbraken veroorzaakt, maakt de dichter M.C. van Hall de vergelijking met wat er in zijn tijd op politiek gebied gebeurd is, en hij vervloekt de achttiende eeuw:

Zink in het niet terug, rampzaligste der Eeuwen,

Ga onder, in een zee van tranen en van bloed!

De menschheid leed te lang door ’s menschen euvelmoed;

Men hoorde haar alöm, tot God, om redding schreeuwen.

’t Scheen dat haar bange kreet, door ’t krijgsrumoer gesmoord,

Niet tot den Hemel steeg, door God niet werd gehoord.

De volken zagen haar in bloedig stof gezonken;

Maar ’t schouwspel ’t geen, weleer, Barbaren had verzacht,

’t Gevoel weêr in het hart van ’t wreedste monster bragt,

Scheen nu der volken drift in heeter gloed te ontvonken […].

Niet alleen de orkaan van november, ook de watersnood die de eeuwwende had begeleid en die tot grote schade had geleid, werd gezien als een bevestiging van hogerhand dat het tijdvak niet deugde. De winter van 1799-1800 was uitzonderlijk streng, en bij het losgaan van de rivieren was het water en het ijs met een vernielend geweld gaan woeden. Zelfs de stevigste dijken bezweken, het ijs verpletterde eeuwenoude gebouwen, hele huisgezinnen werden begraven onder de puinhopen van hun woningen.

Nijmegen1800ZillesenOverstroming

C. Zillesen, Beschryving van den Watersnood 1800

Dit is wat algemeen overheerst bij de gedichten die geschreven werden om de eeuwwisseling te gedenken: de natuurrampen die het land troffen zijn symbolen voor de algemene ontreddering, de achttiende eeuw heeft weinig goeds gebracht, de helden van weleer hebben een verbasterd Nederland achtergelaten, de toekomst is ongelooflijk onzeker.

De dichter Cornelis Loots heeft het in zijn ‘Eeuwzang bij het begin der negentiende eeuw’over een afschuwelijk ondier, erger dan een duivel kan bedenken, dat macht heeft gekregen over Europa:

In naam der vrijheid moordt en woedt,

En zwelt zich zat aan menschenbloed,

’t Afschuwlijkst ondier, nooit te voren

In ’t brein van duivels zelfs gedacht. […]

Heel de aarde is thans een schrikverblijf,

Vol jammer en vol wanbedrijf.

De hele achttiende eeuw is er volgens hem een van tranen en bloed geweest, met bovendien `een fel vergiftigde staart’. Dat klopte voor Nederland ook, waar na de verdrijving van de stadhouder de twisten tussen Oranjegezinden, gematigde patriotten en felle revolutionairen zouden aanhouden, tot de overheersing door Napoleon de partijen in elkaars armen dreef. Het zou nog tot eind 1813 duren voor het ‘afschuwlijkst ondier’ aan zijn eind kwam, nog even nakwispelend in zijn honderd dagen.

Lejeune_-_Bataille_de_Marengo1800

L.F. Lejeune, Slag bij Marengo 1800 (Franse troepen onder Napoleon tegen Oostenrijkse troepen in Noord-Italië)

Wij tegen het water

We hebben weer een hoogleraar negentiende-eeuwse literatuur. Lotte Jensen in Nijmegen is degene die die specialisatie weliswaar niet in de leeropdracht heeft staan, maar het is uit alles duidelijk dat ze op die negentiende eeuw de nadruk legt in haar onderzoek en onderwijs. Afgelopen vrijdag hield zij haar oratie. Lotte werkte als postdoc onder mijn leiding  aan haar veelgeciteerde boek De verheerlijking van het verleden (2008). Het stemt mij intens tevreden in haar een academische voortzetter van mijn fascinatie voor de negentiende eeuw gekregen te hebben. De studenten die zij opleidt zijn in goede handen.

Haar oratie gaat over de strijd tegen het water en hoe bindend die werkt en tot gemeenschapszin leidt. Vooral rampzalige overstromingen leidden tot een heroïsche inzet om slachtoffers te helpen. Lotte Jensen wil met haar oratie vooral laten zien hoe de Nederlandse identiteit verbonden wordt met de strijd tegen het water, en hoe die culturele constructie ‘bij vlagen heroïsche en mythische proporties aanneemt’. U kunt haar verhaal nalezen in het boekje Wij tegen het water, uitgegeven door Vantilt.

Wat zij in het kort ook aansnijdt, is het verschijnsel van liefdadigheidsuitgaven, speciaal voor slachtoffers van rampen. Dat zijn boekjes van een paar pagina’s, meestal met een gedicht dat toepasselijk is op de ramp. Ze werden tegen een lage prijs verkocht onder de burgerij en de opbrengst ging naar de gedupeerden. Het lijkt vooral iets van de negentiende eeuw te zijn, maar er zijn ook vroegere van die uitgaven ‘ten voordeele van de slachtoffers van…’. Vaak waren die voor overstromingsslachtoffers, maar het kan ook om branden, de cholera, een ontploffing of mislukte oogsten gaan. De auteurs van die uitgaven zijn zowel lokale als nationale beroemdheden. Hendrik Tollens is de kampioen van liefdadigheidsuitgaafjes. Als hij een liefdadigheidsgedicht schreef, was de opbrengst gegarandeerd hoog. Ikzelf heb al vaker over de literatuur voor liefdadigheid geschreven, onder andere in De gemaskerde eeuw,  in Nederlandse literatuur in de romantiek  en in Verliefd op het verleden.

Een vroege liefdadigheidsuitgave voor watersnoodslachtoffers is er een uit 1799 bij een overstroming in Nijmegen: Merkwaardige brief uit Nymegen, wegens de ellende aldaar, door het water veroorzaakt. Het was voor 3 stuivers, ‘ten voordeele der Ongelukkigen’ te bekomen bij boekhandelaars in de hele randstad. Vijf predikanten schreven het boekje waarin deerniswekkende verhalen staan over slachtoffers en onvoorziene reddingen. Zo had een boer zijn vee in een schuur op een verhoging gebracht, de schuur werd met vee en al van zijn grondvesten getild en door het ziedende water kilometers verder neergeplant – al het vee overleefde. Ze beschrijven hoe een brakke schuit op woedende golven in de akeligste duisterheid van die ijselijke nacht door de storm voortgejaagd werd, onder donder en bliksem zonder roer of spanen, slechts met een koekenpan om het water uit de boot te hozen. Uiteindelijk werd de schuit op de wallen van Nijmegen gesmeten en de opvarenden konden gered worden.

watersnoodbriefNymegenDe meeste watersnoodhulpgedichten zijn wellicht in 1861 geschreven, toen er rondom Nijmegen 21 dorpen getroffen werden. Een student van me telde 88 uitgaven. Slachtoffers waren er 37 – niet zo heel veel voor wie weet dat de Watersnoodramp van 1953 officieel 1836 doden telde, en eerdere overstromingen zoals de Tweede Marcellusvloed en de St.Elisabeth’s vloed duizenden slachtoffers maakten. Ook Jacob van Lennep liet in 1861 voor de slachtoffers in Noord-Brabant een gedicht drukken, Rouwtoonen, dat bij de gebroeders Muller in Den Bosch gedrukt werd en voor een kwartje te koop was. Het leukste watersnoodgedicht is van de hand van Peter de Génestet. Die speelde dubbelspel: hij kritiseerde het genre maar zijn gedicht was wel uitgegeven ‘ten voordeele der overstroomden’. Het was opgedragen ‘Aan de waternood-poëten’ die ‘fluks aan het verzen lijmen’ waren geslagen:

Op, ’t is nu tijd van zingen,

Heel akelig – dat spreekt!

Laat allen handenwringen,

Terwijl u ‘t harte breekt.

Als het de dichter niet snel lukte kon hij ook wat streepjes zetten, ‘dat staat verschrikkelijk naar’. En hij kon ook oude verzen recyclen. In plaats van schapen laat hij dan koeien verzuipen. Hij moest vooral ook een opa op een dak zetten met een baby in de armen of een wiegje in de vloed laten drijven. Zo kan er zelfs voedend brood gemaakt worden van waterpoëzie, besluit De Génestet.

KoningWillemIIIwatersnood

Koning Willem III komt slachtoffers te hulp in 1861, afgebeeld in een wassenbeeldenmuseum

Lotte Jensen plaatst die watersnoodgedichten in een groter geheel van literaire verwerking van rampen. Daarover zal nog een boek verschijnen. Het is duidelijk dat zij oog heeft voor de rafelranden van de literatuur, en juist die zijn zo belangrijk in de negentiende eeuw.

Ken ik u ergens van? De lezer van de negentiende eeuw.

Negende Jacob van Lennep-Lezing.

Hebben we wel een goed beeld van de negentiende-eeuwse lezer? Dan bedoel ik de literatuurlezer, niet de lezer van kookboeken of de Enkhuizer almanak. Het is alweer 37 jaar geleden dat Bernt Luger zijn revolutionaire lezing hield: ‘Wie las wat in de negentiende eeuw?’ Het tekende een andere omgang met de literatuur van de negentiende eeuw, die al enige jaren daarvoor op gang was gekomen. Sindsdien heeft het onderzoek naar de lezer van de negentiende eeuw een hoge vlucht genomen, met proefschriften over recensies, met minutieus onderzoek naar de kopers van boeken, met boeken over protestantse lectuur, over censuur en pornografie. Maar hebben die ons verder gebracht met onze kennis van de lezer?

verhuelllezers

Er zijn ook sindsdien veel meer persoonlijke getuigenissen uit dagboeken en briefwisselingen gepubliceerd, wat zou kunnen helpen bij het vormen van een lezersportret. Delpher maakt krantenonderzoek een stuk makkelijker. We zouden advertenties voor boeken kunnen gaan bestuderen, maar wat zeggen die precies? Multatuli klaagde erover dat er geen advertenties van Max Havelaar verschenen en toch kan Max Havelaar een van de invloedrijkste boeken van de eeuw genoemd worden. Het zou bepaald niet makkelijk zijn een lijst samen te stellen van de meest invloedrijke boeken van de negentiende eeuw. Als je die voor Nederland zou wil samenstellen, heb je grote kans dat veel titels vertalingen uit het buitenland zijn. Zouden De brave Hendrik van Nicolaas Anslijn en De opkomst van de Nederlandsche Republiek van John Lothrop Motley op zo’n lijst komen? Waren er misschien ook boekjes die in zeer kleine oplagen onder de toonbank verspreid werden en toch invloed hadden? Wat betekenden boeken voor de negentiende-eeuwer dan eigenlijk? Vanuit de Verlichting was hij gewend grote betekenis te hechten aan kennisvermeerderende boeken. De particulier kocht graag cognitieve boeken. Maar wat verwachtte hij van bellettrie, literatuur? Het is de tijd van de opkomst van de roman, en die heeft wellicht toch heel andere lezers voortgebracht dan de achttiende-eeuwse spektatoriale geschriften en ontologische dichtbundels.

De vraag die bij de zoektocht naar de lezer opkomt is: moeten de literatuurprofessoren van nu eigenlijk nog wel literatuurgeschiedenissen schrijven, nu de nadruk steeds meer op de lezer en op het boek in het algemeen is komen te liggen? Is het nog wel gewenst een literatuurgeschiedenis te schrijven vanuit hedendaagse criteria over waarde en originaliteit – want dat doen de meest recente literatuurgeschiedenissen nog steeds? Nu het vak Nederlands en de literatuur zo in de gevarenzone terecht zijn gekomen, hoe kunnen we dan nog braaf opsommingen schrijven van wat wijzelf de canon vinden? Zou een geschiedenis van waar de lezer door geïntrigeerd werd, wat hem tot aanschaf of reacties bewoog, niet interessanter zijn dan een traditionele literatuurgeschiedschrijving?

De bovenstaande vragen ga ik stellen en deels beantwoorden in de negende Jacob van Lennep-lezing die ik geef op 4 oktober, 8 uur in Spui 25, Amsterdam. Meld u zich wel aan: de zaal is zo vol, op Spui25

 

Troostbloemen

Vandaag kreeg ik een grote bos bloemen met een kaartje: ‘Bloemen voor jou, omdat jij en ik en vele anderen wel beter weten. Hartelijke groet, Jacob van Lennep’. Ik verraad niet wie de echte afzender was. Ja, het is spijtig, De bezielde schavuit heeft de Nederlandse Biografieprijs niet gehaald. Het is gebleven bij de nominatie in de short list. Maar ik krijg dagelijks via de mail en de post (ja, ik ontvang ook echte brieven, soms handgeschreven) complimenten van lezers die meegesleept zijn door het boek. En dat is de prijs waar een auteur echt op zit te wachten: geboeide lezers.

Ik geef de komende tijd nog lezingen of interviews over Van Lennep in Oosterbeek (23 september), in Roermond (6 oktober), in het Historisch café in Amsterdam (10 oktober), in Zutphen (17 oktober), in Lelystad (24 oktober), in Haarlem (31 oktober), in Oisterwijk (6 november), in Laren (13 november), in Izegem (14 november), in Maastricht (16 november), in Edam (22 november), en nogmaals Oosterbeek (2 december). Verder treed ik woensdag 26 september in het Gronings Museum op met Hella en Freek. Geen idee waarover dat zal gaan. Zie voor details: Uitgeverij Balans

troostbloemen1

Maar inmiddels ploeter ik ook aan de nieuwe literatuurgeschiedenis. Daarover geef ik op 4 oktober in Spui 25 in Amsterdam de negende Jacob van Lennep-lezing onder de titel:

Ken ik u ergens van? De lezer van de negentiende eeuw.

Nadere informatie volgt.

 

Shortlist Nederlandse Biografieprijs

De bezielde schavuit staat, met vier andere biografieën, op de shortlijst van de Nederlandse Biografieprijs. De andere hebben allemaal twintigste-eeuwers als onderwerp. Afwachten maar…