Archive by Author | maritamathijsen

Ooggetuigen van 1813

In een appartement in de buurt van Leiden maakte ik een paar dagen geleden november 1813 mee alsof ik er zelf bij was. Ik mocht snuffelen in vijf grote zware dozen met documenten van de notaris Jan Fabius (1776-1850). Ik las hoe Napoleon nederlaag na nederlaag leed, dat er een kozakkenleger op weg was naar Nederland, dat Franse politie, militie en ambtenaren angstig overlegden over blijven of verdwijnen. In Amsterdam trok de Franse militie zich op 14 november halsoverkop terug uit de stad. Prompt barstten er de volgende dag rellen los. Douanehuisjes in de hele stad vlogen in de fik, Franse boten gingen in vlammen op, een opgefokte menigte probeerde het marinedepot te bereiken om aan wapens te komen, een strooien pop die Napoleon voorstelde werd verbrand, uithangborden met het keizerlijk wapen vernield. Het is een historisch raadsel hoe die furie zo snel op gang kwam, zo snel dat die wel georganiseerd lijkt. Als ik de papieren van Jan Fabius mag geloven was hij ‘met Falck en Job May de allereerste’ die de revolutie begon. Tussen zijn papieren zit een verbleekte oranje kokarde met daarbij in de hand van Fabius de tekst: ‘de hieraan vastgehechte oranjekokarde werd mij den 14den November 1813 door A.R. Falck gezonden als een signaal dat de gelegenheid gunstig was om het volk in deze stad in beweging te brengen; gelijk signaal werd ook gezonden aan den Hr. Job May; aan niemand anders; gunstige uitslag volgde op onze pogingen’. Op een ander papier schrijft hij dat hij ‘het meest, en wel het allermeest’ zich aan gevaren heeft blootgesteld in die revolutiedagen. De rol van Fabius komt niet in alle recente studies die er in verband met 1813 verschenen zijn (Joor, Koch, Lok, Uitterhoeve, Verheijen, Vles) even prominent naar voren als hijzelf voorstelt.

IMG_3535

November 1813 moet een buitengewoon verwarrende tijd zijn geweest. Fransen verlieten hals over kop het land maar hielden nog vast aan hun gezag,  er was ver weg een oranjeprins van wie niemand wist wat hij wilde, de Van Hogendorp-clan in Den Haag hijgden naar restauratie van de Oranjes, de Amsterdamse elite wilde juist vooral niet terug naar de oranjejaren van voor 1795. Oranje had voor elke groep een andere kleur: de oude stadhouderskleur van terugkeer of de nieuwe nationale kleur van grondwetsherzieningen en burgerinspraak. De dagen na 5 mei 1945 moeten ook zo verwarrend overgekomen zijn, al was toen de capitulatie van de Duitsers wel duidelijk en die van Napoleon in november 1813 nog niet. Toch vielen er op 7 mei 1945 op de Dam in Amsterdam nog 32 doden doordat Duitsers het vuur openden op een feestvierende menigte. Iets dergelijks gebeurde op 24 november 1813 in Woerden toen daar Franse troepen 26 oranjevierende inwoners van Woerden willekeurig doodschoten.

IMG_3401

Oproep aan Amsterdamse mannen om zich beschikbaar te stellen voor de schutterij, die de orde moest bewaken

De papieren van Jan Fabius zijn in 1912 door zijn gelijknamige kleinzoon verwerkt in het boek Herinneringen aan het einde der Fransche overheersching. In de dozen die ik mocht bekijken van een achterachterkleinzoon zit nog heel veel materiaal dat Fabius in 1912 niet kon verwerken. Ik trof aan: brieven van David Jacob van Lennep, van koning Willem I, van Anton Reinhard Falck die in elk geval een regisseur van de omwenteling was, prachtige  affiches en vlugschriften in goede staat, documenten over het oprichten van een vrijkorps en van de schutterij, proclamaties van het voorlopige bestuur van Amsterdam, een onuitgegeven gedicht van Bilderdijk over het Jacobakannetje, een gedicht van Kinker en nog veel meer. Historici die zich voor deze tijd interesseren kunnen hun borst nat maken: er is werk aan de winkel. De nazaat van Fabius is bereid inzage te geven.

JanFabiusMoritz

Jan Fabius

Advertenties

Tranen om een brief

Sinds De bezielde schavuit op de markt is, krijg ik lezersbrieven. Die zijn me dierbaar, want een brief schrijf je niet zo maar – je hebt iets op je hart wat je kwijt wil, maar je doet er moeite voor, je spuugt het niet onoverdacht uit. Je zoekt papier, envelop, een geschikte pen, weegt woorden af, koopt postzegel, loopt naar de brievenbus. Toch heel wat anders dan wat kreten slaken op twitter. Soms staan er in de lezersbrieven kleine correcties, waar ik erg blij mee ben. Vooral als iemand bij zo’n correctie dan de volgende lieve opmerking maakt: ‘In een zo foutarm boek vallen de meest onbenullige foutjes het meeste op.’ Dezelfde aardige lezer, een cardioloog, schreef me dat de moeder van Jacob waarschijnlijk niet aan een epileptische aanval is overleden, maar dat het een hartaandoening zal zijn geweest die geleid moet hebben tot astma cardiale. Zodra er weer een nieuwe druk komt, kan ik door de lezers nog wat dingen verbeteren.

Een brief bracht me in tranen. De schrijver daarvan wil ook iets corrigeren. Iedereen die het boek gelezen heeft herinnert zich het verhaal van Doortje Ringeling en Jacob van Lennep die samen naar Engeland wilden vluchten. Jacob is van plan vrouw, kinderen en carrière op te geven voor deze vlam. Maar papa Van Lennep komt tussenbeide. Jacob keert terug in zijn gezin. Doortje blijft achter, alleen, verloren, in de steek gelaten. Ze trouwt niet meer, want haar reputatie was natuurlijk besmet, en ik stel me voor dat ze tot haar vroege dood dagelijks aan haar grote liefde gedacht heeft. Ik besluit dit hoofdstuk in het boek met de vraag: ‘Haar graf valt nu nog te bezoeken op de Lage Vuursche. Maar wie zal er op haar graf nog een traan storten of een bloem neerleggen?’grafDoortjeEn nu kreeg ik via de uitgever een brief van K. Ringeling. Ja, een familielid. Die brief is zo mooi dat ik een deel letterlijk citeer (met zijn toestemming):

De suggestie is dat niemand dat doen zal [een traan storten of bloem neerleggen]. Mijn “tekstcorrectie” bestond hieruit dat ik een dag na het lezen hiervan naar het graf ben gegaan en er een boeket witte bloemen op gelegd heb. Ik vond dat het verhaal van Dorothea niet compleet was zonder een blijk van liefde jegens deze vrouw die zelf maatschappelijke uitstoting geriskeerd heeft om liefde te kunnen geven aan iemand van wie ze blijkbaar onvoorwaardelijk hield.

Ach, inderdaad, maatschappelijke uitstoting accepteren omdat je bij je geliefde wil zijn. Zo mooi had ik het nog niet gelezen. Doortje moet een groot hart gehad hebben. Er zijn sinds het verschijnen van mijn boek nu minstens drie keer bloemen bij haar neergelegd: door haar familielid, door mijn vriend Henk en natuurlijk door mezelf. Laat iedereen die Doortje wil verklaren tot patrones van onvoorwaardelijke liefde dit voorbeeld volgen!  RingelingbriefBilthoven2

Bibberend in het hol van de leeuw

Ik moet vanmiddag voor de Multatulianen verschijnen. Ja, zo voelt het, alsof ik voor een rechtbank moet komen. Ik ga daar mythe en waarheid in de verhalen over de bemoeienis van Jacob van Lennep met Max Havelaar en Multatuli proberen te ontrafelen. Dat ik veel in de verhalen over Jacob van Lenneps verhouding met Multatuli beschouw als verdraaiingen en zwartmakerij, weet iedereen die De bezielde schavuit heeft gelezen. Ook al zijn er punten waarin Van Lennep wel degelijk twee heren diende: de revolutieloze natie en de berooide meesterschrijver Eduard Douwes Dekker. Dat ga ik toelichten voor een publiek waarvan ik me voorstel dat ze alle delen van het Volledig werk van Multatuli in hun hoofd hebben zitten. Ze zullen me om de oren slaan met citaten die mij ontgaan zijn, zoals Isaac da Costa de jonge Van Lennep steeds corrigeerde met bijbelcitaten.

Ik ga in de lezing stuk voor stuk de kritiek op Van Lennep na en probeer die te ontkrachten, of te bevestigen als die juist is: de schimpscheuten op de hoge prijs, de kritiek op het gebrek aan advertenties, die op de slechte verspreiding in Nederlands Indië, die op de ‘verminkingen’ in het manuscript, die op het afkopen van het kopijrecht, die op het achterwege blijven van een volksuitgave,  op het dubbelspel over de inhoud dat Van Lennep gespeeld zou hebben, op de financiële afrekening.

Opnieuw heb ik de delen van het verzameld werk doorgenomen die hierover gaan, de verschillende brochures, W.F. Hermans Raadselachtige Multatuli, Atte Jongstra’s De Multatulianen, Nop Maas’ Multatuli voor iedereen, de bundel met vooral rechtskundige opstellen Ik heb u den Havelaar niet verkocht, de editie van A.M. Kets-Vree, Stuivelings werk, mijn eigen nieuwe vondsten.

multatulibronnenfoto

De kritiek en de harde woorden kwamen vooral van Multatuli zelf, die al de term ‘verminkingen’ gebruikte voor de ingrepen van Van Lennep in het manuscript, waar hij wél mee akkoord gegaan was. Daarna blijft het aan de gang: bij het leven van Van Lennep en Multatuli en na beider dood even hard. Of het nu om Lodewijk van Deyssel, Menno ter Braak of W.F. Hermans gaat: allemaal zien ze Van Lennep als een opportunistische profiteur, zonder zich af te vragen wat eigenlijk het belang van Van Lennep was bij de uitgave. Enfin, nu lijk ik zelf wel door te slaan naar de andere kant van de weegschaal. Hoe dan ook: ik ben nerveus. Kan een gelovige ooit in één middag van zijn geloof afvallen, kan een Multatuliaan knorrig toegeven dat de zaak misschien toch iets gecompliceerder lag dan hij veronderstelde? Ik heb een piepkleine verrassing in petto waar nog nooit iemand op gewezen heeft. Ik verraad die nu nog niet, maar ik geef wel vast de bladzijde weer waarover die verrassing zal gaan.

 

MaxHavelaarhsFritsvragen4

De lezing begint vanmiddag om 15.30 in het Amsterdam Museum. Er zullen weer liederen van Jacob van Lennep gezongen worden door de betachterkleinzoon, Job Hubatka. Als u de middag wilt bijwonen zult u lid van het Multatuli Genootschap moeten zijn of worden (€ 30). En dat raad ik iedereen aan. Want hoe dan ook: de Max Havelaar is ‘bl… mooi’ (citaat uit brief Jacob van Lennep).

Effe dimmen

Inmiddels probeer ik bij te komen van de onvoorstelbaar goede ontvangst van de biografie. Ik sta op nr. 4 van de meest gekochte boeken in de NRC, in Het Parool op nr.2 (het boek over Trump verslaat me nog!) van de non-fictie. De tweede druk werd op volle stoomkracht bijgedrukt. Het aantal verzoeken om optredens in boekhandels en literaire centra is niet bij te houden: soms treed ik tweemaal op één dag op. Een erg prettig interview had ik vrijdag in het plaatje Amen bij Assen, waar ik terecht kwam in een lieflijke zaal die De literaire hemel heet. Genoten heb ik ook van de radioprogramma’s, bij Opium heel persoonlijk met Annemieke Bosman, spannend in de Taalstaat, en opwindend bij OBA-live met Theodoor Holman, die oprecht geïnteresseerd is in de 19e eeuw, en zowat struikelde over zijn enthousiasme:

OBA-live Theodoor Holman

Op 27 januari was de publieke presentatie in de bomvolle Lutherse kerk. Louis van Lennep, betachterkleinzoon, trad met ongelooflijk veel schwung op als Van Lennep zelf. Ik interviewde hem, zoals ik jaren geleden in het boek De geest van de dichter op papier gedaan heb. Het voelde alsof ik met Van Lennep zelf sprak. Louis heeft dezelfde geestigheid en welbespraaktheid, dezelfde sprankelende ogen. Zie hier een stukje van het interview:

Louis van Lennep als Jacob van Lennep

Atte Jongstra sprak een buitelende karakterisering van de negentiende eeuw uit, Hans Renders schetste de mogelijkheden van een biografie, Dik van der Meulen nam mij de maat. Er waren ook liederen van Van Lennep, gezongen door de bariton Job Hubatka (ook een betachterachterkleinzoon) en begeleid door Joan Berkhemer:

Job Hubatka en Joan Berkhemer: De veerman aan de Lek

Mijn lieve dochter presenteerde het geheel, dat een groot feest was voor me, ook door het enthousiaste publiek.

Maar dat alles ligt nu achter mij. Ik heb de Van Lennep-boeken die over mijn bureau zwierven keurig teruggezet in de aparte kast voor hem, ik heb de papieren aantekeningen gesorteerd en in een verhuisdoos bij elkaar gestopt, ik heb bij het Stadsarchief nog wat digitaliseringen van zijn handschriften aangevraagd, mapjes gemaakt voor brieven en voor recensies, ik heb een nieuwe  snellere computer gekocht want eerder durfde ik dat niet, bang als ik was dat er iets verloren zou raken. Presentexemplaren zijn verstuurd naar diverse archieven waarvan ik materiaal gebruikt heb. Het laatste boeket bloemen staat er verwelkt bij. De haarlok blijft wel nog in een doosje op mijn bureau liggen.

En nu voort…

weliswaar zit de duivel me niet op de hielen maar ik wil nu dat nieuwe boek schrijven over wat literatuur betekende in de negentiende eeuw. Ik ga duidelijk maken dat literatuur niet elitair was maar houvast en troost bood aan iedereen.

Overweldigende ontvangst

Donderdag was de officiële aanbieding van de biografie. Ondanks de storm waren er toch zo’n kleine 200 mensen aanwezig bij de presentatie en de opening van de tentoonstelling in het Stadsarchief. Ik ben niet in staat u te vertellen hoe bijzonder deze bijeenkomst was. Bijna de helft van de bezoekers kwam uit de Van Lennep-familie, niet allemaal uit de rechte mannelijke lijn, maar toch, het Van Lennep-DNA zinderde door de zaal. Na toespraken door de directeur van het Stadsarchief en de directeur van het Prins Bernhard Cultuurfonds las ik een brief van mij aan Jacob van Lennep voor. Een deel daarvan heeft u al kunnen lezen in het vorige blog. Daarna hoorden we twee liederen van W. Brachthuizer op tekst van Jacob van Lennep, magnifiek gezongen door bariton Job Hubatka, een nazaat van Jacob van Lennep, en begeleid door Joan Berkhemer. (Mocht iemand een opname hebben gemaakt: zet hem op You tube). Aanstaande zaterdag worden de liederen opnieuw gezongen.

IMG_5509

Het eerste exemplaar van de biografie reikte ik uit aan Geert Mak. Louis van Lennep, voorzitter van de Stichting Van Lennep, en Henrick van Lennep, samensteller van de genealogie Van Lennep, kregen het tweede en derde exemplaar. Geert Mak hield vervolgens een joyeuze toespraak waarin hij onder andere refereerde aan de voetreis uit 1823 die hij in 2000 naliep, deels met mij.

HilkeKrohn18jan

Geert Mak aan het woord, tekening door stadstekenaar Hilke Krohn

De tentoonstelling is magnifiek vormgegeven en geeft in kort bestek een mooi overzicht van Van Lenneps vele werkzaamheden. Centraal in de hal staat zijn schrijfcassette en vanuit dit relikwie van zijn voornaamste werkzaamheid glijdt het oog vanzelf naar het schitterend uitgelichte portret door J. Kruseman.

Bij de uitgever, die huist in een prachtig breed pand met maar liefst vijf ramen die uitkijken op de Keizersgracht, was na de bijeenkomst een diner aan een grote tafel, gedekt met linnen, kaarsen, bloemen. Degenen die het boek mee hadden helpen realiseren waren uitgenodigd.

IMG_4223

Diner bij de uitgever

Radio- en televisieprogramma’s toonden meer en sneller belangstelling dan ik had durven hopen: VPRO-boeken, De taalstaat, Met het oog op morgen, Opium (komt nog). Interviews met Folia Civitatis.nl, De Volkskrant, Neerlandistiek.nl, Vaktaal, Het Parool. De verrassing was dat er meteen deze week al recensies waren: een om gloeiend trots op te zijn in NRC (Atte Jongstra, vijf ballen), een heel goed doordachte in Het Nieuwsblad van het Noorden. In Trouw werd de biografie wel het boek van de week genoemd, maar in de recensie van Jaap Goedegebuure rakelde hij de kwestie Multatuli weer eens op de oude manier op en hij gaf een pertinent onjuiste voorstelling van mijn omgang met Van Lenneps antisemitisme. Maar verder kan ik alleen maar ongelooflijk blij zijn met de waardering voor mijn vierjarige intensieve studie.

Aanstaande zaterdag 5 uur in de Lutherse Kerk, hoek Spui Singel, Amsterdam: een herhaling, met opnieuw liederen, met verschillende toespraken en… een interview met Jacob van Lennep zelf. Wel aanmelden! UITNODIGING27januari

 Neerlandistiek

De Volkskrant

Dagblad van het Noorden

Het Parool

NRC

recensieNRC

Folia Civitatis

Trouw

Vrij Nederland

Waarde meneer Van Lennep

Vandaag heb ik het boek in handen gekregen dat ik over u geschreven heb. Ik kan u verzekeren dat het er prachtig uitziet. Het is mooi gebonden, het heeft een leeslint en hoewel het 592 pagina’s telt, weegt het maar 941 gram. Dat schitterende portret dat Jan Kruseman van u gemaakt heeft staat op de buitenkant. U gluurt bij wijze van spreken vanuit het boek de wereld binnen. Ik heb meer dan 100 illustraties mogen plaatsen, en die staan er magnifiek in. Tekeningetjes die u gemaakt heeft, portretten van uw ouders, tantes, zus en kinderen, veel Amsterdamse plekjes en natuurlijk briefjes van u. Ik moest erg lachen om een briefje dat u aan uw uitgever Binger schreef toen u drukproeven niet op tijd kreeg: ‘Blad elf! blad 11!! XI!!!’. Zoiets zouden wij nu per email versturen. Ik kon ook een pagina van het handschrift van Multatuli’s Max Havelaar bemachtigen, waarop u met rode inkt correcties aangetekend heeft.

Ik ben er zeker van dat u heel tevreden zult zijn over het uiterlijk. Over de inhoud: tja, meneer Van Lennep, u zult toch wel beseffen dat ik een ander boek heb geschreven dan uw kleinzoon Max in 1909. Dat is echt geen slechte biografie, maar hij heeft wel wat dingen weggelaten die we in 2018, 150 jaar na uw sterfjaar, toch best mogen weten. Uw kleinzoon was ook wel erg geneigd om alles wat u gedaan heeft omhoog te steken. Ikzelf heb me wel gepermitteerd af en toe eens wat kritisch te kijken. Misschien heb ik dat wat te veel gedaan met de ogen van een een-en-twintigste-eeuwer, naar uw zin, maar ik heb toch oprecht geprobeerd me zoveel mogelijk te verplaatsen in de denkwereld van de negentiende-eeuwer. Ik bied u het resultaat aan, met verontschuldigingen als ik misschien wat verkeerde accenten gelegd heb en mogelijk hier en daar wat al te vrijmoedig van uw openhartige privé-brieven en intieme dagboek gebruik gemaakt heb. Ik ben ervan overtuigd dat hedendaagse lezers er u te meer om zullen gaan waarderen als een compleet mens en wellicht daardoor ook eens uw literair werk in handen zullen nemen. Ferdinand Huyck, de Nederlandsche legenden, Klaasje Zevenster, ze mogen toch eigenlijk niet vergeten worden. Maar ik zal al tevreden zijn als er lezers zijn die als ze de biografie uit hebben verzuchten: ‘wat een man! die had ik wel willen leren kennen in het echt. Ik wist niet dat hij zo complex en tegelijkertijd zo fideel in elkaar zat. Dat hij inderdaad een beetje een schavuit was, maar vooral een gedreven idealist. En wat leer je de negentiende eeuw kennen als je over zijn leven leest.’

Met de meeste hoogachting, Marita Mathijsen

P.S. U kijkt waarschijnlijk geen t.v., maar anders zou u a.s. zondag naar VPRO-Boeken kunnen kijken. Zaterdag vertel ik bij de Taalstaat ook over u.

Uitnodiging voor 27 januari

omslag2Uitgeverij Balans, Spui25 en het Prins Bernhard Cultuurfonds nodigen u van harte uit voor de publiekspresentatie van Een bezielde schavuit. Jacob van Lennep van Marita Mathijsen op 27 januari om 17.00 uur in de Lutherse Kerk aan het Spui in Amsterdam.

 Programma 

  • Interview Marita Mathijsen met Jacob van Lennep
  • Liederen op teksten van Jacob van Lennep, met Joan Berkhemer aan de piano, gezongen door bariton Job Hubatka
  • Schrijver Atte Jongstra over de negentiende eeuw
  • Hoogleraar Hans Renders over de biografie
  • Interview biograaf Dik van der Meulen met Marita Mathijsen

Presentatie: Alma Mathijsen.

Jacob van Lennep (1802-1868), gangmaker en spotter, vrouwenliefhebber en hulpvaardig vriend. Hij leidde een fascinerend leven, gespleten tussen de bedrukkende moraal en de turbulente moderniseringen van zijn tijd. Als telg uit een voorname Amsterdamse familie voelde hij de last daarvan op zich drukken. Hij werd niet herkozen als lid van de Tweede Kamer, omdat hij spotverzen over de vaderlandse geschiedenis schreef. Zijn daadkracht was enorm: Amsterdam dankt zijn waterleiding aan hem en Den Haag het behoud van de Ridderzaal. Hij was betrokken bij de plannen voor het Amstel Hotel, het Noordzeekanaal en het Rijksmuseum. Maar Jacob van Lennep was bovenal een getalenteerde, enorm productieve schrijver die de moed had zijn eigen weg te volgen in een door conventies bepaalde tijd.

Marita Mathijsen schreef met Jacob van Lennep een fascinerend levensverhaal, dat tegelijk een biografie is van een tijdperk. Want Jacob van Lennep ís die fenomenale eeuw, met al zijn tegenstrijdigheden.

U kunt zich aanmelden via deze link

[vanaf ongeveer 18 januari ligt het boek in de winkels. Op die dag is de officiële aanbieding voor genodigden. Dan wordt ook de tentoonstelling in het Stadsarchief geopend over Jacob van Lennep en Amsterdam]

Waar zijn de Hodges gebleven?

Waar zijn ze? Er zijn twee schilderijen van Hodges zoek, met portretten uit de Van Lennep-familie. Staan ze te verkommeren op een zolder? In de opslag van een museum? Of hangen ze trots aan de muur bij een verre nazaat van Van Lennep, die met kerstmis misschien een glas wijn heft op de betbetovergrootmoeder en betovergrootvader?

DJvLHodges,HollanderenRueter

David Jacob van Lennep. Links: Hodges, naar een oude foto. Midden: Hollander. Rechts: Rueter

Alleen een sneltekenaar voor een spiegel zou in de negentiende eeuw een selfie kunnen maken. Wie wil weten hoe een negentiende-eeuwse Nederlander van voor zo ongeveer 1840 eruit zag, is aangewezen op schilderijen en tekeningen, en die zijn er in het algemeen alleen van personen uit bekende families. Drie portretschilders waren veruit favoriet: Charles Hodges, Jan Adam Kruseman en Nicolaas Pieneman. Het koningshuis werd door deze drie geschilderd. Hodges, de oudste, schilderde zelfs Lodewijk Napoleon. Ook De familie Van Lennep liet zich ook door deze societyschilders portretteren.

Charles Howard Hodges was geboren in Engeland. Vanaf 1792 tot zijn dood in 1837 woonde hij in Nederland. Hij schilderde de vader van Jacob van Lennep en diens tweede vrouw. Ook zijn grootmoeder poseerde voor Hodges. Jacobs zus Antje en haar man werden ook door Hodges op het doek gezet.

Jacob zelf werd door J.A. Kruseman schitterend geportretteerd: met een blik die op de een of andere manier een scherpe denker verbeeldt en tegelijkertijd onmiskenbaar ironie én erotiek verraadt. Dat doek komt op het omslag van de biografie. Pieneman nam Van Lenneps vrouw voor zijn rekening, althans wat het uitschilderen betreft. Dat portret vond ik bij een nazaat in Zuid-Afrika en dat zal voor het eerst in kleur te zien zijn in het boek. Ik schreef in mijn laatste blog over het portret van de oude Van Lennep door J.A. Schwartze, dat ik met veel moeite op het nippertje nog in de biografie heb kunnen opnemen.

Het is een detectiveachtige zoektocht geweest naar diverse afbeeldingen die ik uiteindelijk vond. Maar er is iets merkwaardigs: drie van de bekende Hodges-portretten in de familie waren zoek.

Van het portret van David Jacob van Lennep, de hoogleraar, bestaan wel twee kopieën. Een ervan, door Georg Rueter in 1919 gemaakt, is in familiebezit. De tweede hangt ergens in een van de gebouwen van de Amsterdamse Universiteit. Ik heb nog niet kunnen achterhalen waar precies. Die is gemaakt door Hendrik Hollander. Maar de echte Hodges is zoek.

Ook van David Jacobs moeder, Cornelia Henriëtta van de Poll, is alleen maar een kopie door Rueter overgeleverd. De echte Hodges is zoek…

41. Cornelia Henriëtta van de Poll c02

Cornelia Henriëtta van de Poll. Kopie naar Ch. Hodges door G. Rueter

Dan komen we bij de tweede vrouw van David Jacob. Ook daarvan was lange tijd alleen maar de kopie door Rueter bekend. Enige tijd geleden kreeg ik een brief van een ver familielid die me uitnodigde bij haar thuis om eens te kijken wie er op het portret stond dat zij aan de muur had hangen. Een vrouw uit de familie. Onmiskenbaar: het was de echte Hodges van Anna Catharina van de Poll, stiefmoeder van Jacob. En daarvan kon ik een opname laten maken. Komt in het boek. De eigenares is inmiddels overleden. 

Maar nu zijn er nog twee echte Hodges zoek. Ergens in de grote familie zijn die misschien nog aanwezig – verkocht zullen ze toch niet zijn? In 2006 is de veiling van de kunstverzameling van Frits Philips geweest, inderdaad, de baas. Frits Philips was getrouwd met Sylvia van Lennep. Op die veiling kwamen bezittingen onder de hamer die Sylvia ingebracht had, onder andere de gouden snuifdoos die David Jacob van koning Lodewijk Napoleon had gekregen. Hij is aan een onbekende verkocht. Ook een portret van Christiaan van Lennep, een zoon van Jacob, werd afgehamerd. Maar Hodges’ waren daar niet bij.

Waar zijn ze dan? Op zolder, in opslag of trots aan die muur bij die verre voorzaat? Het is te laat om ze nog in de biografie te krijgen. Maar wie weet is er een tweede druk nodig en dan… Laat het me weten als u iets weet!

 

 

Hij bleef me aankijken

Gisteren, een sombere decemberdag. Ik ging naar Naarden. Daar, in een opslagloods op een industrieterrein, stond het levensgrote schilderij dat J.G. Schwartze in 1867, een jaar vóór Jacob van Lenneps dood, gemaakt had. Het was indertijd een cadeau van zijn uitgevers, omdat de roman Klaasje Zevenster zoveel winst gebracht had. Tot nog toe was er van dit portret alleen een zwart-wit foto bekend. Ik wilde voor de biografie een kleurenfoto. Het kostte me nogal wat moeite om het schilderij op te sporen. Nadat ik de eigenaar gevonden had, en via allerlei omwegen zijn telefoonnummer had weten te achterhalen, bleek dat hij wachtte op een nieuwe woning. Zijn schilderijen en meubels had hij ondergebracht in een opslag. Nu is het geen sinecure om een schilderij van anderhalve meter hoog dat zorgvuldig verpakt is uit een box halen en te ontdoen van de bescherming, dus het had wat voeten in de aarde voordat ik toestemming kreeg een professionele kleurenfoto te laten maken. Dat gebeurde dus gisteren. Ik kwam bij een immense loods op een industrieterrein, en in die immense ruimte stond op wat lagen karton en een pallet het schilderij opgesteld. Ik weet niet of u die schilderijen kent waarop iemand afgebeeld staat die je van alle hoeken van de kamer lijkt te volgen. In de kinderslaapkamer bij mijn ouders thuis, vroeger, hing zo’n prent van Jezus, die ons voortdurend in de gaten leek te houden. Een beetje verwijtend keek die, alsof hij van te voren al wist dat we wel iets stouts zouden gaan doen.

Schwartzeloods1

Vanaf het moment dat ik naderbij kwam, keek Van Lennep me aan. Onontkoombaar. Het was een vriendelijke blik, een beetje geamuseerd. Waar ik ook ging, hij verloor me niet uit het oog. Ik kreeg hoe langer hoe meer het gevoel dat hij me iets wilde zeggen, maar hoe dichtbij ik ook kwam, ik verstond hem niet. Terwijl de fotograaf lampen neerzette, de camera poseerde, het schilderij waterpas afstelde, schoof met de belichting, metingen verrichtte, een grijsplaatje bij het schilderij hield om de kleurstelling goed te krijgen, bleef ik gefascineerd kijken. Het zilvergrijze haar leek te bewegen in de lichte tocht die er door de loods ging. Van Lennep was bleek, de bleekheid van de winter lag over zijn huid. Zijn hand lag op boeken en papieren, die hij opzij had geschoven om te kijken naar wat er gaande was. Zijn donkerbruine ogen leken alles op te nemen, en ik geloof dat hij ons werkelijk een beetje uitlachte om zoveel gedoe om een kleurenprent.

Die ogen, ik zie ze nu nog. Het lijkt alsof ze met me meegegaan zijn naar Amsterdam, waar ik nu de tweede set drukproeven corrigeer. We zijn nog net op tijd om deze Van Lennep met zijn volgende ogen in het boek te krijgen.

schwartzekop

Brandstichting in Museum Staring

Het Staring Museum zou op 2 december geopend worden in Almen, onder de naam STAAL Museum. Het is geheel op particulier initiatief tot stand gekomen. Er zijn  weinig schrijversmuseums in Nederland, en het was een geweldig idee dat er een aan toegevoegd zou worden, dicht bij A.C.W. Starings woonplaats in Vorden in de Achterhoek. In 2014 heeft Pien Pon een oude bakkerij opgekocht, en die was nu zover opgeknapt dat de openstelling plaats zou vinden. Pien Pon is het brein en de motor achter deze indrukwekkende activiteit. Aan de bakkerij is een groot stuk nieuwbouw toegevoegd, waar de Staring-beleving zich zou afspelen. Er is een promotiefilmpje gemaakt met Mathijs van Nieuwkerk en Kees Hulst als A.C.W. Staring, gebaseerd op een van mijn interviews met negentiende-eeuwse schrijvers uit De geest van de dichter (3e druk), te zien op https://www.youtube.com/watch?v=QQNEBH4zbx8&t=13s

 

brandStaring

Maar in de nacht van 30 november op 1 december hebben vandalen brandend spul door een ingeslagen ruit gegooid. Wraak? Jaloezie? Onbenul? Gewoon lol van opgroeiende pubers? Of is het een ‘hoofdige boer’ geweest zoals in het gelijknamige gedicht van Staring? Dat gedicht speelt zich in Almen af. Er is een brug over een plas gebouwd die zozeer ‘de smaad droeg van zijn nieuwigheid’ dat boer Scholte Stuggink weigerde daaroverheen ter kerke te gaan, en door de modder bleef baggeren. Wat vroeger goed was, eeuw in eeuw uit, moet vast op goede grond rusten, sprak de hoofdige boer. Als onze ouders nooit een brug gebouwd hebben, dan hadden ze daar vast een goede reden voor, meent Scholte Stuggink. Verplaatst naar het heden: we hebben het sinds Starings dood in 1840 zonder museum voor hem kunnen stellen, waar zou dat nu dan voor nodig zijn?

Wie de daders waren die het museum vernield hebben is nog niet bekend. Maar het is om te huilen dat zo’n mooie droom zo tot een nachtmerrie verworden is.

staalmuseum