Archief op auteur | maritamathijsen

Een grote geest ging heen. Piet Buijnsters 1933-2022

Foto  Dick van Aalst

Op 20 april van dit jaar schreef ik Piet Buijnsters een brief. Ik was aan een nieuwe biografie van Betje Wolff begonnen, en vroeg me al maanden af of ik contact zou zoeken met de auteur van de laatste levensbeschrijving van Wolff en Deken. Ik kende hem eigenlijk alleen van neerlandistische wandelgangen en werk in een paar commissies. Er was best kans dat hij het helemaal niet prettig zou vinden als iemand zijn werk zou gaan overdoen. Want hoe dan ook is zijn biografie van Wolff en Deken uit 1984 een meesterwerk en nog niet verouderd, al wil ik de accenten wel anders gaan leggen. Mijn brief was nog geen dag gepost of hij belde me op. Dat hij dat een geweldig idee vond, dat hij me wilde helpen, en dat ik heel welkom was bij hem thuis. Negen dagen later ging ik bij hem op bezoek, op zijn verzoek nam ik appelbollen mee. Toen ik na uren wegging had ik het gevoel een vriend erbij gekregen te hebben.

Er volgden meer bezoeken, hij verheugde zich over de nieuwe aandacht voor Wolff en Deken. Het gezamenlijke zomer-interview met de zusjes Koelewijn in de NRC (30 juli) kwam tot stand. Drie weken geleden bezocht ik hem voor het laatst, nu in een verpleeghuis. Keurig in het pak, een heer ook daar. Ik had hem het eerste hoofdstuk van mijn Betje Wolff-biografie toegestuurd, en daarover spraken we. Hij leek er oprecht blij mee, stelde enkele verbeteringen voor en spoorde me aan vooral hard door te werken. Ik herhaalde wat ik hem al eerder gezegd had: dat ik het boek aan hem wil opdragen, en hij omhelsde me daarvoor.

Nu is deze grote en voorbeeldige geleerde overleden. Wat hij betekend heeft voor de studie van de achttiende eeuw is onmogelijk te overschatten. Hij brak nieuwe onderzoeksgebieden open: de jeugd- en kinderboeken, de spectatoriale geschriften, de bibliofiele wereld, het antiquariaat, de misdaadliteratuur. De achttiende eeuw was een grauw en verwaarloosd gebied voordat hij er zich mee bezig ging houden en andere onderzoekers in zijn spoor meetrok. Hij is een van de oprichters van de Werkgroep Achttiende Eeuw (al in 1968) en van het Documentatieblad dat daarbij hoort.

Toen ik hem vroeg welk van zijn vele werken hij het beste vond, dacht hij niet lang na: de Wolff & Deken-biografie. Dat verbaasde me enigszins, omdat dat een van zijn weinige boeken is die niet mooi is uitgegeven, terwijl hij juist zo’n liefhebber van mooie boeken was. Zoals bijvoorbeeld het magnifieke Lust en leering. Geschiedenis van het Nederlandse kinderboek in de negentiende eeuw, dat hij samen met zijn vrouw samengesteld heeft, een lust voor de geest én het oog. Een dergelijk spectaculair overzicht van het jeugdboek was niet eerder verschenen. Dat vernieuwende geldt ook voor zijn uitgebreide onderzoek naar het antiquariaat en de bibliofilie, waarvoor hij het laatste deel, over België, nog op tachtigjarige leeftijd verzorgde. Kennelijk oefenden de twee schrijvende vrouwen een speciale aantrekkingskracht op hem uit. Hij liet me een portretje van een jonge vrouw zien van wie hij dacht dat het Betje zou kunnen zijn: het hing prominent in een van de kamers, en hij keek er graag naar, vertelde hij, ook al wist hij niet zeker of zij het was. Zo stelde hij zich haar in elk geval voor.

Kenmerkend voor zijn werk is de heldere, vloeiende en volstrekt onpompeuze stijl, met vaak kleine ironische grappen erin verwerkt. Voor onderzoekers die van zijn werk gebruik maken is het een zegen dat hij altijd uiterst nauwkeurig al zijn bronnen vermeldt. Alles is nazoekbaar, inclusief verwijzingen naar wat hij niet gevonden heeft en waar hij gezocht heeft. Zijn omgang met een onderwerp zou voor onderzoekers een schoolvoorbeeld moeten zijn: niets is hem te min. Laat ik als voorbeeld zijn biografie van Betje Wolff en Aagje Deken nemen. Het werk eraan begon in 1970 met enkele publicaties in tijdschriften. Zijn oratie uit 1971 was al aan Sara Burgerhart gewijd. In 1979 gaf hij een bibliografie van hun werken uit, tot in detail verantwoord, inclusief vindplaatsen, signaturen van archiefstukken en studies over hun werk. In hetzelfde jaar kwam het Schrijversprentenboek uit, met daarin tal van onbekende illustraties en ook een korte chronologie van beider leven. Een royaal geannoteerde editie van Sara Burgerhart (1980) ging vooraf aan de biografie van 1984, en in 1987 volgde de tweedelige brievenuitgave — imponerend en niet te verbeteren. Ook andere achttiende-eeuwse auteurs over wie hij biografieën schreef, bezorgde hij naast die levensbeschrijving ook altijd een nieuwe, geannoteerde uitgave van hun voornaamste werk, of het nu om Hiëronymus van Alphen of Justus van Effen ging. Voor Van Alphen heeft hij in de Koninklijke Bibliotheek zelfs een getypte editie gedeponeerd van diens brieven — een editie die hij kennelijk niet uitgegeven kreeg. Zo gewetensvol ging hij te werk dat hij op deze manier toch zijn onderzoeksresultaten beschikbaar stelde.

Piet Buijnsters was zeer gehecht aan zijn vrouw Leontine, die hij ‘Lin’ noemde en die zelf ook een onderzoeker van formaat was. Samen brachten ze de verzameling kostbare boeken en prenten bij elkaar, samen schreven ze enkele boeken. Samen besloten ze de omvangrijke collectie historische kinderboeken te schenken aan de Tilburgse Universiteit, vanwege de leerstoel jeugdliteratuur daar. Haar overlijden, een jaar geleden, heeft hem zeer aangegrepen. Het ontroerde mij om te zien dat hij haar bed keurig opgemaakt naast het zijne in stand hield, alsof ze er zo weer in zou stappen. Hij was gelovig en hoopte haar terug te zien na zijn dood. Wat zou ik wensen dat hem dit gegund is.

Dominee Wolff en zijn boekenkast

Ik denk niet dat het ooit bij iemand opgekomen is een biografie van dominee Adrianus Wolff te schrijven. Na zijn dood heeft weduwe Betje een nette Levens-Beschryving opgesteld, die verscheen in de Boekzaal der geleerde waereld (1777). Daarna zien we zijn naam nog wel verschijnen in biografische woordenboeken, maar verder is hij toch vooral de man van (zoals zoveel vrouwen de vrouw van gebleven zijn).

Als we de diverse biografieën over Betje Wolff-Bekker mogen geloven, was hij vooral een verdraagzame en brave man, die het haar niet kwalijk nam dat ze op haar zeventiende een affaire had gehad, die de venijnige aanvallen van zijn vrouw op de ultra-orthodoxen duldde, die haar toestond het echtelijk bed niet meer met hem te delen, en die haar niet tegenwerkte in haar schrijverij. In een brief schreef zijzelf over hem dat ze ‘in der eeuwigheid geen man […] in de Knip’ zou hebben weten te krijgen die ‘zo veel geduld met haar’ zou hebben gehad. Of zij (volgens de overlevering) ooit gezegd heeft dat hij zaterdags onzichtbaar was om zondags onverstaanbaar te zijn, is onzeker, want in de Levens-Beschryving roemt zij juist zijn predikkunst. En of Betje, zoals Halbertsma in de 19e eeuw beweerde, hem af en toe in de kelder opsloot, is ook niet bewijsbaar. Verder schijnt hij af en toe zijn toevlucht tot de fles genomen te hebben. Zeker is dat, voordat Betje hem ‘myn braave Wolff’ ging noemen, het huwelijk af en toe dalen kende.[1]

Het gebouw rechts is de pastorie op de Middenweg in Middenbeemster. Vrij waarschijnlijk zijn de gestalten van Adriaan en Betje Wolff hier voor hun huis afgebeeld. Misschien is het hondje wel van Betje. Tekening door C.E. Tersmitten, 1777. Noord-Hollands archief.

Maar wat voor man was hij dan? ‘Toon mij uw boekenkast, en ik zal u zeggen wie u bent,’ hoorde je vroeger wel eens. De boekenkast van Adrianus Wolff kennen we, want die is na zijn dood in detail beschreven, plank voor plank. Zijn spullen moesten verdeeld worden tussen de weduwe en de dochter uit zijn eerdere huwelijk, en daarvoor had notaris Van der Jagt uit Oostzaan twee executeurs afgevaardigd om alles op te nemen.[2]

Laten we eerst maar eens een kijkje nemen in de studeerkamer van Adriaan. De executeurs zien rood zijden ‘bedbehangsel’, maar een bed staat er niet. Wel een schrijfcassette van notenboomhout. Daarop lagen zijn eigen publicaties. Wat hij aan boeken bezat stond in een gesloten kast. Een tafel, een lessenaartje en stoelen vormden het overige meubilair. Hij bespeelde kennelijk het clavecimbel dat ook in die kamer stond en misschien ook de gitaar. Er lagen wel vijf fluiten. De Engelse telescoop en twee kompassen getuigen van zijn brede belangstelling. Bronzen beeldjes stonden er ook, maar onbekend is wat die voorstelden.

Die boekenkast, daarover is tot op heden nog niets geschreven. Toch is die wel van belang, ook voor de biografie van Betje, want we mogen toch wel aannemen dat zij de boeken van haar man mocht lezen. En wilde ze dat? Ikzelf zou liever een jaar opgesloten worden met Betjes boekenkast dan met die van haar man. Want al weten we niet in detail wat zíj daaruit las, in elk geval is het duidelijk dat zíj de moderne literatuur van die tijd kende, van Hieronymus van Alphen tot Willem Bilderdijk, van Lucretia van Merken tot Christina de Neufville, van Alexander Pope tot Ossian. Die komen in Wolffs boekenkast niet voor.

In totaal telt de boekenkast van Adrianus Wolff zo ongeveer 600 boeken, en verder nog wat pakketjes die niet in detail zijn beschreven. Dat is veel voor een plattelandsdominee met een matig inkomen. Er lijkt geen systeem in de rangschikking ervan te zitten: de boeken staan niet op alfabetische volgorde, en ook lijkt er geen systematische indeling te zijn. Wel staan de folioformaten bij elkaar, gevolgd door de quarto’s.[3]

Het overgrote deel van de boeken is theologisch. Veel gedrukte preken zitten ertussen, die dominees misschien onderling uitwisselden. Als ik op de korte titelbeschrijvingen afga, las hij voornamelijk Latijnse en Nederlandse werken. Engels zie ik er niet tussenzitten, een enkel Frans werk, geen Duits. Hij had een abonnement op De Boekzaal der Geleerde Waereld, en dat was in die tijd het voornaamste blad met letterkundig nieuws. Dat maandschrift zullen Betje en Adriaan wel samen gespeld hebben.

Begin van de boedelbeschrijving van boeken, onder ‘eenige rommeling’ in het vatenhok, op de plaats, in de tuin en in de stal

Wat zijn nu, buiten de theologie, de opvallende boeken? Als ik probeer wat samenhang aan te brengen, dan kom ik op vijf soorten uit:

Kennisvermeerderende boeken

Wolff was nogal begaan met de polderwerken, en op dat gebied bezat hij verschillende boeken, bijvoorbeeld over zeedijken, overstromingen, en ‘aard- en waterschudding’. Hij schreef zelf een lang gedicht over De bedyking van de Beemster. Verder zie ik boeken over rekenkunde, over meetkunde, over algebra, over sterrenkunde, over hongersnoden. Hij heeft ook Bartjens’ cijferboek en flink wat dictionaires.

Ontspanning

Muziek moet echt wel bij het tijdverdrijf van Wolff gehoord hebben. Hij heeft boeken over orgels, over fluiten, ook De la musique van Rameau. Dan nog een boek over Dicht-, zang en speelkunst. Blijkbaar tuinierde Wolff ook, want hij had een Oefening op de moestuinen en de Nieuwe Nederlandsche hovenier klaarliggen. ‘Plezierwerkjes’ zoals sommige heren die wel in de kast hadden staan, zijn er niet, of ik zou een ‘Haagsch tekstboekje’ en een ‘Koffyhuispraatje’ als zodanig moeten beschouwen.

Literatuur

Wat er aan literaire werken bij Wolff in de kast staat is niet veel. Van de laat-zeventiende-eeuwse arts-dichter Govert Bidloo had hij de Mengel- en toneelpoëzy, ook uit die tijd stamt het lange heldendicht Willem III (acht delen)van Lukas Rotgans. Uit 1637 stamt de kostbare Batavische Arcadia van J. van Heemskerk. Ook zeventiende-eeuws is Antonides van der Goes’ IJstroom en werk van Jacob Cats. Als eenzaam middeleeuws werk staat de Historie van de vier heemskinderen in de kast. Literair werk uit de achttiende eeuw vinden we er nauwelijks, niets van Betje pronkte in zijn kast.

Geschiedenis

Behalve Hugo de Groots werk over de oudheid van de Republiek en enige oude regionale kronieken, zijn er nog wat boeken over de geschiedenis van Nederland.

Moderniteiten

Opvallend is de aanwezigheid van flink wat boeken van de al enigszins verlichte, Duitse filosoof-naamgenoot Christian Wolff. Die hoorde bij de moderne (en omstreden) filosofen die de Openbaring niet erkenden als bron van kennis. Ook vertalingen van Descartes had bij in zijn bezit.

Interesse vanwege Betje

Uit haar Vlissingse tijd kende Betje dominee Mattheus Gargon, oom van de jongen met wie ze er op haar zeventiende vandoor was gegaan. Er staan nogal wat boeken van Gargon bij dominee in de kast, en andere werken over Vlissingen. Had Betje ze meegenomen uit Vlissingen en had Adriaan ze in beslag genomen? Daar moeten we naar blijven raden.

Betje Wolff schreef in haar Levens-Beschryving dat haar man zich onderscheidde door ‘nuttige geleerdheid, ware welsprekendheid, redelijke wijsbegeerte, zuivere smaak, zucht tot kunsten en wetenschappen’.[4] Kan ik dat nu ook concluderen? Eigenlijk zie ik alleen dit: uit zijn boekenkast leer ik Adriaan Wolff niet kennen …

[1] P. Buijnsters, Briefwisseling van Betje Wolff en Aagje Deken. Utrecht 1987, dl. 1, 219.

[2] De beschrijving wordt bewaard in het Gemeentearchief Zaanstad OA 0025-4143.

[3] Vincent Falger is van plan een gedetailleerde studie van de boekenkast te maken en op basis van de korte aanduidingen van boeken juiste titelbeschrijvingen te vinden.

[4] [E. Wolff-Bekker], ‘Levens-Beschryving van den Wel-Eerwaarden Zeer geleerden Heer Adrianus Wolff’. In: Maandelyksche uittreksels of Boekzaal der geleerde waereld 1777, 679-682.


De jacht op een gouvernante

Al decennialang zoeken literatuuronderzoekers naar een juffrouw die in het voorjaar van 1788 met Betje Wolff en Aagje Deken naar Frankrijk vertrok. De dames gingen toen op de vlucht voor de toenemende intolerantie voor verlichte geesten in hun vaderland.

Zij vertrokken met een eigen koets vanaf hun toenmalige huis in Beverwijk, dat daarna verkocht zou worden.

Tot 1949 ging men ervan uit dat de vriendinnen met hun tweeën richting Trévoux gingen. Toen vond de bibliothecaris Hendrik Höweler een brief in het archief van de familie Six. Daarin schreef Nicolaas van Winter aan zijn zoon Pieter: ‘Juffr. Wolff en A. Deeken hebben een Fransche juffrouw aangenoomen, die ergens voor juff. van gezelschap of huishoudster is geweest, en zyn in ’t laatst van Maart of in April met een eigen reiskoets naar Vrankrijk vertrokken en nu te Trevoux by den broeder dier dame gelogeerd’.[1] Geen twee maar drie dames gingen dus samen in een koets op weg, niet naar Brussel of Parijs waar gevluchte patriotten zich verzamelden, maar naar het arcadische Bourgogne. Höweler vroeg zich verder niet af wie die Franse juffrouw was.

Het verhaal gaat verder. In 1954 kwam de geromantiseerde biografie van Hendrika Ghijsen op de markt, onder de titel Dapper vrouwenleven. Hendrika weet nu via Höweler van die Franse juffrouw. Zij herinnert zich een brief uit 1787 van Betje aan Coosje Busken. Die was al in 1904 door Joh. Dyserinck gepubliceerd.[2] Betje klaagt daarin over de vele brieven die ze krijgt van ongelukkige mensen die haar hulp inroepen. Daarbij was er een heel dramatische, van een gouvernante, Ravanel, geheten, die wil ze wel eens laten lezen aan Coosje, die dan zeker ook in tranen zal zijn. ‘Het is zeker niet gewaagd’ schrijft Ghijsen, ‘in Mlle Ravanel en de Franse dame (…) één en dezelfde persoon te zien.’[3] Nu dat was wél gewaagd, want verder zijn er nergens vermeldingen van Ravanel of een Franse juffrouw, niet in brieven, niet in de literaire werken van Wolff en Deken. Bestond ze wel?

Gezicht op Trévoux

Tot Piet Buijnsters aan het werk ging. Hij nam de trein (jazeker, de trein, dat vertelde hij me) naar Trévoux en doorzocht archieven. Tot zijn stomme verbazing vond hij een testament, in 1790 in Trévoux opgesteld, waarin Betje en Aagje elkaar tot erfgename benoemen. Maar als er iets met hen gebeurt, dan gaat alles naar Caroline Victoire Ravanel, weduwe van Charles Ferdinand Rinsby, overleden scheepskapitein in dienst van de Hollandse Republiek. Ravanel woonde op hetzelfde adres als de dames. Ravanel was dus niet zo maar een gezelschapsjuffrouw of iets dergelijks, maar iemand van groter belang voor Wolff en Deken dan hun vrienden of familie: een erfgename. Maar Buijnsters loopt toch vast na deze vondst: ‘een uitvoerig systematisch onderzoek in allerlei kerkelijke, burgerlijke en militaire archieven, zowel in Frankrijk als in Nederland’ heeft hem niets opgeleverd heeft over de achtergrond van de dame. [4]

Daar zit je dan als zelfbenoemde nieuwe biograaf. Dat mens Ravanel, dat de dames misschien wel overgehaald heeft naar Frankrijk te gaan, dat misschien wel schromelijk overdreven heeft hoe paradijselijk dat oord aan de Saône zou zijn, dat zich zo wist in te werken dat ze hun erfgename zou worden – wie is dat? Geen geboortejaar of sterfjaar is bekend, geen afkomst, alleen de naam die Frans klinkt en die broer in Trévoux. Buijnsters zocht die broer of andere familie maar vond niets. Buijnsters is een rasonderzoeker: wat hij onderzocht hoeft niet overgedaan te worden. Maar ik heb het voordeel dat er sinds 1984 allerlei archieven gedigitaliseerd zijn.

Dus tikte ik lukraak de naam Ravanel in bij allerlei stads- en provinciearchieven die een zoekfunctie hebben. Niets dat naar deze Caroline wees. Diverse genealogische sites leverden wel honderden Ravanels op, vooral via Myheritage: Ravanels in Frankrijk, in de Verenigde Staten, in Engeland, in Duitsland, maar geen Caroline Victoire Ravanel. Onverwachts kreeg ik hulp: via mijn blog diende zich iemand aan die plezier heeft in genealogisch onderzoek en daar razend knap in is, Henk Krigee. De detective die ik geworden was kreeg opeens een assistent. Henk ontdekte via de website ‘Wie was wie’ dat de naam voorkomt in de notariële archieven van het Regionaal Historisch Centrum in Eindhoven. Ravanel blijkt in 1786 in Heeze te wonen. Noord-Brabant: wie woonde daar nou in de achttiende eeuw, daar zoek je toch niet?

Kasteel Heeze

Dan maar eens naar de documenten. De Eindhovense archivaris bleek even behulpzaam als alle archivarissen die ik ken en stuurde me scans op van de akte. Ravanel blijkt recht te hebben op een erfdeel van tante Marianne Fisees-Ravanel. Fisees, zo staat de naam gespeld in de akte. Tante is overleden in Darmstadt. Caroline Ravanel geeft nu volmacht aan een zekere heer Bouchet de Preville uit ‘twee Brüggen’ om namens haar die erfenis af te handelen. Die man is een hele piet: hij is de Geheime raad van de Doorluchtige Hoogheid de Prins van twee Brüggen.

Wat was ik nu wijzer? Caroline heeft een tante van vaderszijde, ze heeft contact met een man uit ‘twee Brüggen’. Dat is het. Ik stuurde de Eindhovense scans door aan Henk en hij boog zich erover – ook hij kwam hier eerst niet verder mee. Na een slapeloze nacht keek hij nog maar eens op de uitgebreide Ravanel-lijsten van Myheritage. Er was kennelijk een Duitse kant ook aan Ravanel. En toen ging er een licht op bij hem. Twee Brüggen: lijkt dat niet erg op ‘Zweibrücken’, een Duitse stad in Rijnland-Palts? En Fisees, lijkt dat niet erg op Fiser als je het op z’n Frans uitspreekt met een lange -ee? En geheel uit het niets konden er opeens gegevens met elkaar verbonden worden.

Ravanel had een andere tweede naam dan ons bekend was: ze heet in de doopakte Caroline Frederique Ravanel, en ze is in januari 1751 geboren in Zweibrücken. Ze heeft nog een zus en twee broers. Tante Marianne is in 1760 getrouwd met Johan Caspar Fizer in Holzhausen en ze moet in Darmstadt overleden zijn vóór 1786.

Ravanel moet wel uit een belangrijke familie komen dat ze een Geheimrat kan inschakelen voor de afwikkeling van een testament. Zweibrücken was een zelfstandig staatje, dat een eigen prins erop na hield, met de lange naam Van Palts Birkenfield Zweibrücken.

Een van de prinsessen uit dat geslacht blijkt een Marie Antoinette Ravanel als gouvernante gehad te hebben, een andere trouwens dus dan onze Caroline. Erg deftig allemaal.

Maar we zijn er nog lang niet, want behalve dat we de geboortedatum, geboorteplaats, godsdienst (Evangelisch-Reformiert) en verblijfplaats weten, zijn we nog niet verder dan Buijnsters. Wat deed Ravanel in Heeze? Er is een oud kasteel in Heeze, tot heden ten dage in bezit van de familie Van Tuyll van Serooskerke. Zou Ravanel misschien in dienst zijn geweest als gouvernante bij die familie? Bij het Regionaal Centrum informeerde ik verder, maar daar waren geen nadere gegevens over waar ze woonde.

Gezicht op Zweibrücken, de geboorteplaats van Ravanel met het kasteel

Exit Ravanel? De zaak aan toevalsvondsten overlaten?

Stel je voor dat ze inderdaad in dienst was van de Van Tuyll van Serooskerken? Zijn er brieven van rond 1776-1795 in die familie? Belle van Zuylen is een geboren Van Tuyll van Serooskerke, en mogelijk heeft ze Ravanel gekend. Haar brieven zijn digitaal doorzoekbaar, maar daarin vond ik geen aanknopingspunten.  Op het kasteel moet nog een familielid wonen – zal ik eens proberen die te benaderen?

En dan is er nog het Duitse spoor. In het Hessisches Staats Archiv ligt volgens de digitale catalogus een map met Ravanel-documenten. Eens een brief schrijven en kijken of ze daar net zo behulpzaam zijn als in Nederland?

Maar wat ik eigenlijk zou willen vinden zal ik niet vinden. Die ene brief waarin Betje verklaart waarom Caroline zo zielig is, wie haar zo verdrietig gemaakt heeft dat ze steun bij de haar onbekende schrijfster zocht en vooral: waarom Betje en Aagje zo gesteld op haar raakten dat ze op haar voorstel naar Trévoux vertrokken en dat hun erfenis na beider dood bij haar zou komen. Caroline moet een bijzondere vrouw zijn geweest.


[1] H.A. Höweler, Archivalia betreffende Aagje Deken, Betje Wolff en personen uit haar kring. Amsterdam 1949, 66.

[2] Joh. Dyserinck, Brieven van Betje Wolff en Aagtje Deken. ’s-Gravenhage 1904, 285.

[3] Ha.C.M. Ghijsen, Dapper vrouwenleven. Karakter- en levensbeeld van Betje Wolff en Aagje Deken. Assen 1954, 324.

[4] P.J. Buijnsters, Wolff & Deken, een biografie. Leiden 1984, 247-248.

Hoe Betje spullen van de eerste vrouw van haar man aantrof in haar nieuwe woning

Die arme Betje was pas 21 toen ze aankwam in de pastorie van Beemster, met de man met wie ze enige dagen later zou trouwen. Ze kende hem nauwelijks, alleen van een paar brieven die ze met de 52-jarige dominee gewisseld had. Een verstandshuwelijk? Waarschijnlijk wel, Betje had een affaire achter de rug, in Vlissingen zou ze niemand kunnen vinden die haar nog wilde. Haar vader stemde maar al te graag toe toen Wolff hem om de hand van zijn dochter vroeg, ook al was Wolff in die tijd al een oude man. Nog in Vlissingen werd de ondertrouw gesloten, en Betje vertrok uit het ouderlijk huis. Toch een soort ‘moetje’ dus.

De pastorie waar ze aankwam, na een paar dagen reizen met zeeschip, trekschuit en koets, stond nog helemaal in het teken van de overleden vrouw van Adriaan Wolff. Van inbreng van eigen meubels, eigen linnengoed, eigen servies was geen sprake. Aan de muren hingen nog acht portretten van de familie van de overleden Maria Kaiser. In de kasten lagen servetten met de initialen van de eerste vrouw. Wolffs enige dochter, van Betjes leeftijd zo ongeveer, woonde ook nog in huis, maar die wist niet hoe snel ze weg moest komen: ze trouwde enige dagen nadat Wolff en Betje zich verbonden.

Het was naar verhouding een kleine woning, veel kleiner dan die waar Betje opgegroeid was.  Er waren zes vertrekken: een achterkamer, een binnenkamer, twee zijkamers, een studeerkamer van de dominee, en de keuken. Dan was er nog de zolder met daar het dienstbodenkamertje en de kelder. Het museum Betje Wolff dat nu in de pastorie gevestigd is, komt door verbouwingen niet helemaal overeen met de vroegere situatie.

De pastorie van Middenbeemster in de 20e eeuw. De erker was er in Betjes tijd niet.

Stampvol was het er: in de achterkamer (tuinkamer) stonden maar liefst twaalf stoelen, een rustbank, een eiken ladetafel, een kast en kleine tafeltjes. Op de kasten en de schoorstenen prullaria – althans zo zouden wij die nu noemen: chinese beeldjes, een japanse kandeelkom, porseleinen kopjes en schoteltjes.

In de binnenkamer sliep de dominee in een bed met peluwen, kussens, lendenkussentjes, dekens, beddenkleden enzovoorts. Het was natuurlijk de bedoeling dat Betje daarbij kwam. Dat er in die kamer maar liefst vier portretten hingen van de familie Kaiser zal het gezamenlijk slapen geen goed gedaan hebben. En dan waren er nog de kwispedoor (spuugbakje) en de ondersteek of nachtspiegel… 21 jaar en dan daarmee geconfronteerd worden zo dichtbij, dat voelt toch anders dan wat je van je vader aan intiems te zien kreeg. Op zolder stonden nog een wieg en een kinderstoel uit vroegere tijden. Dominee had niet de compassie gehad om zaken van zijn eerste vrouw op te ruimen.

Gezicht op Middenbeemster, achttiende eeuw (Rijksarchief Haarlem)

We weten uit Betjes brieven dat ze in elk geval in 1774 in haar eentje een eigen bed besliep en dat dominee daar geen probleem van maakte. Dat was dan wel vijftien jaar na hun huwelijk in 1759.

Hoe weet ik al die details van de inrichting? Er is na de dood van Adriaan Wolff in 1777 een complete boedelbeschrijving gemaakt voor notaris Gerrit van der Jagt, van de kleinste voorwerpen als lepeltjes en kandelaars tot de beddenlakens, zelfs de servetten die nog van de was moesten terugkomen kwamen in de lange lijst. Dat was omdat de dochter van Wolff haar kindsdeel moest krijgen. Eerdere biografen hebben de boedelbeschrijving niet gezien, waarschijnlijk omdat die van het ene archief naar het andere verhuisde. Toch schreef een anonymus in 1939 daar al over in De Schouwschuit, een streekblaadje voor de Beemster en omgeving. Hij zou de notariële stukken gevonden hebben in het Rijksarchief te Haarlem.[1] Maar daar zijn die nu niet meer te vinden. Een behulpzame chattende medewerker van het Noord-Hollands Archief wist mij te verwijzen naar het Oud Notarieel Archief Oostzaan in het gemeentearchief van Zaandam.[2] Bovendien stuurde hij me naar de mormonen, die niet alleen miljoenen persoonsgegevens gedigitaliseerd beschikbaar stellen, maar ook notariële archieven. En zo kon ik, zonder een kilometer te hoeven reizen, de boedelbeschrijving downloaden .

Pagina uit de boedelbeschrijving, Gemeentearchief Zaandam

Maar de vraag is natuurlijk: zou de boedel in 1777 nog dezelfde zijn als die van 1759? Juist vanwege de servetten en portretten van de overleden eerste mevrouw Wolff, denk ik dat er heel veel uit haar tijd is blijven staan. Bovendien werd die boedelbeschrijving gemaakt omdat de dochter niet alleen het kindsdeel van haar vader opeiste, ook de rechten op erfgoed van haar moeder, dat dus nog in huis was. Van Betjes spullen horen we verder weinig. Het tweede bed dat beschreven staat in de toch al overvolle achterkamer, zal zij wel beslapen hebben. Van het stuk zolder dat ze af had laten timmeren om zich terug te kunnen trekken in een eigen schrijfhok, staat er alleen dat er een tafel met een la was, twee tabouretjes, een leuningstoel en een lessenaar met een bijbel. Arme Betje.


[1] Bij het Betje Wolff Museum is een afschrift aanwezig van de boedelbeschrijving. De conservator, Alie Vis, maakte mij daarop attent. Het zou nog gemaakt zijn toen de stukken in Haarlem berustten.

[2] Ik zocht contact met het Noord-Hollands Archief omdat hier een (later) deel van de notariële acten van Gerrit van der Jagt berust.

Buijnsters en Mathijsen over Betje en Aagje

Vandaag, 30 juli 2022, staat er in de NRC een interview met Piet Buijnsters en mij over Betje Wolff en Aagje Deken. Buijnsters’ biografie van de dames verscheen in 1984 en is allang niet meer te krijgen. Die van mij zal niet voor 2024 verschijnen. Meer dan Piet wil ik de nadruk leggen op de positie van Betje als vrouw. Ik noem het een ‘emobiografie’. Wat we in NRC niet aangesneden hebben zijn de grote vragen: waarom doe je het eigenlijk? Wat wil je bereiken door jaren van je leven te wijden aan een dode schrijver? Zegt zo’n biografie niet meer over de biograaf dan over de gebiografeerde? Ik denk dat het allemaal gevechten zijn tegen het vergeten, tegen het onwaardige van de dood. Onwaardig omdat elk mens uniek is en verdient in de aandacht te blijven. Een biografie van Betje is dan tegelijk een biografie van al die vergeten vrouwen uit de achttiende eeuw. Enfin: dat interview komt nog wel eens. Klik nu maar hieronder op de internetversie (die wat uitgebreider is dan die in de krant) waarin Piet en ik elkaar vinden in bewondering.

‘Piet, wist jij dat het hondje van Betje Wolff is overreden?’ – NRC

Wishful thinking? Het portret van Adriaan Wolff…

Al sinds de negentiende eeuw wordt er gezocht naar een portret van dominee Adriaan Wolff, de echtgenoot van Betje Wolff. Het is tot nu toe nog niemand gelukt dat te vinden. Nu is het zeker dat er een portret geweest is: Adriaan heeft er een opgestuurd naar Betje toen hij met het jonge meisje in Vlissingen correspondeerde. Waarschijnlijk is dat zo’n zwart silhouetportret en profil geweest, zoals ze indertijd gemaakt werden. In de negentiende eeuw stuurden dominees een dergelijk portret op naar de gemeente waar ze zouden komen te werken. Wellicht was dat ook in de achttiende eeuw al het gebruik.

Hoe dan ook: Adriaan Wolff was zelf wel niet zo bekend als zijn vrouw, maar hij had toch wel enige naam als schrijver van theologische werken en gelegenheidsverzen. In Middenbeemster was hij 47 jaar lang predikant. Van Betje werden portretten gemaakt: is het dan niet logisch dat er ook van hem wel enige portretten moeten zijn? Maar waar zijn ze gebleven? Ze waren niet bij de tentoonstellingen die er vanaf 1884 over Wolff en Deken georganiseerd zijn, ze staan niet in de diverse biografieën, en ook de meesteronderzoekers Johan Dyserinck en Piet Buijnsters hebben er geen gevonden.

Nu was ik op zoek naar een almanak die volgens Buijnsters zoek is.[1] Daarin heeft Betje aangetekend hoe haar reis in 1788 uit Beverwijk naar Trévoux verliep. Zij was toen met Aagje op de vlucht gegaan uit Nederland vanwege haar patriottische sympathieën, die nadat de stadhouder de politieke macht terug had gekregen, niet gewaardeerd werden. Die almanak bleek inmiddels in bezit te zijn van de Universiteit van Amsterdam, en in de Pierson Afdeling kon ik hem bekijken. Leuk, die opsomming van namen van de plaatsen die de koets aandeed met daarin drie vrouwen (een Franse vriendin was ook mee) en hun bagage. Vanuit hun prachtige huis in Beverwijk via Amsterdam, Breda, Antwerpen, Brussel, Rheims, Dijon en zo nog wat plaatsen naar Trévoux. Ik zag ook nog wat cijfers over uitgaven voor olie, koffie, een zuster en het wassen van lijfgoed. Leuk, heel leuk voor een biografieschrijver.

Almanac génealogique pour l’Année 1788, aantekeningen van Betje Wolff (bovenaan) over de reis naar Trévoux.

Het is een hele mooie almanak, met prachtige gravures naar een Maastrichtse roman uit 1786: Camille, ou lettres de deux filles de ce siècle. Ik bekeek het boekje van alle kanten – en toen viel me opeens op dat op het omslag een portretje van een man geplakt was. Zo’n zwart-wit silhouet. Het zou toch niet….

Omslag (band) van de Almanac généalogique 1788 uit de UBA.

Zou Betje toch zoveel om haar overleden man gegeven hebben dat ze zijn afbeelding bijgeknipt had en op haar reisboekje geplakt? Zou dit dominee Wolff kunnen zijn? Maar de afgebeelde ziet er niet erg domineeachtig uit, met zijn pruik met staartje en strik, en een jabot. Of droegen dominees dat juist ook in die tijd? Ik zocht op internet naar achttiende-eeuwse dominees in silhouet, kwam vervolgens een boekhandelaar uit Harderwijk tegen met vergelijkbaar jabot en staartje – dus iemand uit vergelijkbare kringen. Toch misschien?

Er is maar één manier om mijn illusie onderuit te halen: een ander exemplaar van die almanak opsnorren en kijken of die hetzelfde omslag heeft, met hetzelfde opgeplakte plaatje. Ik zocht op Worldcat: alleen in Polen schijnen er exemplaren uit dezelfde tijd te zijn van de Almanac généalogique pour l’Année 1788. Avec l’Approbation de l’Académie Royale des Sciènces et belles Lettres à Berlin. Op Google vind ik wel enkele exemplaren uit andere jaren, maar geen uit 1788.

Titelpagina

            Wat nu? Ik heb een vriend die geregeld in Polen komt om hulp gevraagd. Maar eigenlijk denk ik: ergens in Middenbeemster moet er in de vele oude huizen, op zolder, in een bijbel of kerkboekje, toch wel het silhouetplaatje van dominee Wolff te vinden zijn? Ik denk dat ik de huidige predikant van Middenbeemster ga verzoeken of hij vanaf de preekstoel ernaar wil vragen, ik ga uitzoeken of er Midden-Beemster-buurtkrantjes zijn en zet daarin een oproep. De Wolff moet terug in Nederland!


[1] P.J. Buijnsters, Bibliografie der geschriften van en over Betje Wolff en Aagje Deken. Utrecht 1979, p. 209, nr. 676.

Betje was niet zestien jaar

Zestien jaar zou Betje Wolff zijn op het bekende portret van haar met een platte zomerhoed, tegen de achtergrond van gebladerte, in haar handen het Essay on man van Alexander Pope. En overal kom je het tegen: zo zag Betje Wolff er op 16-jarige leeftijd uit. Of het nu Wikipedia is, het Betje Wolff-Museum in Midden Beemster, de DBNL, het Taalunie-handboek: deze tekening stelt Betje in 1754 voor.

In 1895 was het origineel voor het eerst en meteen ook voor het laatst in het openbaar te zien. Dat was op een tentoonstelling over Wolff en Deken, samengesteld door de overijverige dominee Johannes Dyserinck, die over vrijwel alle bekende negentiende-eeuwse schrijvers wel iets geschreven heeft. In de catalogus van die tentoonstelling staat dat het gaat om een Oost-indische inkttekening, eigendom van P. Molenaar in Zwolle. Dyserinck schat haar ‘op ongeveer zestien jaar’.[1]  

Dyserinck was ook de eerste die het portret in een boek opnam, in 1904. Ook hier blijft hij bij de puberleeftijd van het meisje.[2] Het origineel lijkt daarna van de aardbodem verdwenen te zijn. De afbeelding van Dyserinck, waarbij het boek niet helemaal afgebeeld is, werd ieders bron. Johanna W.A. Naber is de eerstvolgende die haar afbeeldt. Zij laat bij de leeftijd nu het woord ‘ongeveer’ weg, Betje ís gewoon zestien.[3] Geen woord erover dat het toch wel vreemd is dat een zestienjarig Zeeuws meisje poseert met een Engelse uitgave van Alexander Pope’s  Essay on man. We weten niet eens welke school ze volgde en of ze daar Engels leerde. Ook H.C.M. Ghijsen vraagt zich bijna een halve eeuw later niet af hoe ze aan dat boek gekomen kan zijn in Vlissingen.[4] En zo blijft die datering rondcirkelen. Ook ikzelf heb hem onnadenkend nog onlangs als zodanig op mijn blog gezet! Maar dat moet nu maar eens afgelopen zijn: Betje was 28 toen ze geportretteerd werd. Hoe het kan dat ze er zo jong uitziet? Wel, weelderige vormen had ze niet: ze was mager en niet groter dan 1.45 (volgens paspoort: 4 pieds en 8 pouces).

Toen in de jaren zeventig van de vorige eeuw het tijdperk Buijnsters aanbrak en Betje en haar vriendin eindelijk wetenschappelijk bestudeerd werden, volgde er nog geen correctie. Buijnsters houdt het bij ‘ongeveer 16-jarige leeftijd’. Voordat hij de biografie en de brievenuitgave publiceerde, maakte hij eerst een bibliografie (in die tijd – 1979 –  werd dat genre nog gedrukt). Hij deed navraag bij nabestaanden van de Zwolse Molenaar, of die het portret nog hadden, maar nee, geen origineel. Net zo kwijt als het stenen borstbeeld van Dionys Nachenius uit 1776, toch heel wat omvangrijker dan het papieren portret van Molenaar. Net zo onvindbaar als een portretje van dominee Adriaan Wolff, de weduwnaar-op-leeftijd die de 21-jarige Betje naar de pastorie in de Beemster sleepte.

Maar inmiddels is het digitale tijdperk aangebroken. In 2002 ontdekt de kunsthistoricus R.J.A. te Rijdt dat het Fries Museum een tekening heeft van de achttiende-eeuwse schilder Tako Hajo Jelgersma, dat diende als omslagblad bij een verzameling landschapsprenten van Betje Wolff. De domineesvrouw had zich als een verzamelaarster ontpopt. Op dit blad staan allegorische figuren rond de titel gerangschikt: Atlas van de zeven verenigde Landschappen byeenvergadert door Elisabeth Wolff-Bekker in de Beemster 1766. Jelgersma woonde in die tijd in Haarlem, en moet door Wolff aangezocht zijn om dat titelblad te maken.

Nu is uit brieven van Betje bekend dat deze Jelgersma vóór 1772 diverse pogingen deed een portret van haar te maken. Zij maakte een gedicht over haar afkeer van portretteren[5]:

’t Mislukte maal op maal, aan ’t zacht en malsch penseel
Des netten Jelgersma; hoe hy ’t ook aan mogt leggen.
‘Hy tekent zuiver, wascht volmaakt, – pastel is eêl;
Maar ’t lykt U niet genoeg”, dit blyft het oude zeggen.

Toch viel dat van Jelgersma haar nog een beetje mee, vergeleken met de producten van andere kunstenaars. Te Rijdt meent nu dat het puberportret van Betje ‘vrijwel zeker’ van de hand van Jelgersma is. Hij kent de eigenaardigheden van hem en herkent die op deze tekening. Bovendien maakt hij duidelijk dat die tekening niet uit 1754 kan stammen: Jelgersma werkte toen in Friesland en zou echt niet naar Vlissingen afreizen. Hij meent een trouwring aan haar vinger te herkennen, en het tonen van Popes Engelse titel is toch ‘een wel heel voorlijk statement’.[6] Betje publiceerde pas in 1783 haar vertaling van Proeve over den mensch. Te Rijdt maakt waarschijnlijk dat het portret in de Beemster jaren, dus ná 1759, geschilderd is. Haar eerste vertaling uit het Engels dateert van 1764.

Laten we nu eens verder redeneren. Rond 1754 woonde Jelgersma in Harlingen. Het is niet goed voorstelbaar dat hij dan naar Vlissingen zou reizen om de onbekende Betje Bekker te portretteren. Haar familie hoorde niet tot de top van de Vlissingse elite. Ligt het niet veel meer voor de hand dat Jelgersma haar ontmoette in 1766, de tijd van het albumblad, toen hij in Haarlem woonde, en dat hij haar toen schilderde, de jonge vrouw van 28?[7]

Met deze redenering kunnen we nog een stap verder gaan. In 1880 publiceerde J. van Vloten een boekje over Betje Wolff waarin hij een litho opnam van wat hij een zelfportret van Betje noemt. Het is een zeer vaardig portret, waarbij een fraaie Betje omringd wordt door allegorische figuren, zoals fortuin, de dood, de tijd, Venusengeltjes.

Onderaan de litho staat in haar handschrift dit gedicht:

De sterfling die zijn hart de Deugd heeft toegewijdt,

Begeert geen’ schatten; vreest Fortuin, nog Dood, nog Tijd:

Geen Armoe, geen Gewelt, geen Min zal hem doen beven

Die ’t voorschrift volgt ons door de Reden voor geschreven

Geen stof, geen jaren zijn verstoken van ’t genot

Der ware Wysheid, dient m’ eerbiedig zynen God.

Beemster 14 maart 1766                  E.W.g.B.

Maar wie de tekeningen van Betje kent die in het Zeeuws Archief bewaard worden, beseft dat ze echt niet vaardig genoeg was om zoiets zelf te tekenen. Veel meer voor de hand ligt, dat een bekwame tekenaar haar portretteerde en dat ze zelf het gedichtje inschreef op het stuk papier dat speciaal daarvoor opengelaten was. Natuurlijk ligt het dan voor de hand aan Jelgersma te denken, temeer daar het gedicht op 14 maart 1766 gedateerd is. Maar wat nog meer pleit voor de hand van Jelgersma is de gelijkenis met het zogenaamde zestienjarige-portret. Ze draagt ongeveer hetzelfde als op die tekening: dezelfde strikjes op borst en mouwen, hetzelfde armbandje aan haar rechterarm, eenzelfde soort ‘halsband’, dezelfde haardracht.

Kortom: Betje was geen zestien maar 28 toen ze geportretteerd werd, en maar liefst tweemaal:  – er is geen sprake van een zelfportret en geen sprake van een zestienjarig meisje met Pope in haar handen. Nu nog een spoiler: van beide tekeningen is het origineel niet bewaard…


[1] De tentoonstelling was bij gelegenheid van de onthulling gedenksteen op de Haagse begraafplaats Ter navolging. Johs. Dyserinck, Tentoonstelling van handschriften, boeken, portretten enz. van Elizabeth Woff en Agatha Deken […]. ’s Gravenhage: Van Cleef, 1895, 48. Eerder was er in Vlissingen een tentoonstelling bij de onthulling van de Wolff-Deken-fontein, maar daar was het ‘jeugdportret’ niet. Zie Johs. Dyserinck, Hulde aan Betje Wolff en Aagje Deken. Middelburg: Altorffer, 1884.

[2] Joh. Dyserinck, Brieven van Betje Wolff en Aagtje Deken. ’s-Gravenhage: Gebroeders Van Cleef, 1904, XVII.

[3] Johanna W.A. Naber, Betje Wolff en Aagje Deken. Amsterdam: Meulenhoff, 1913, 17.

[4] Ha.C.M. Ghijsen, Dapper vrouwenleven. Karakter- en levensbeeld van Betje en Aagje Deken. Assen: Van Gorcum, 1954, t.o. titelpagina. In hetzelfde jaar verschijnt wel een weinig informatief artikel van A. van der Boom, ‘De portretten van Elisabeth Wolff en Aagje Deken’. In: Boeket voor Betje en Aagje. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1954, 53-64. Hij betwijfelt wel de vroege datering.

[5] E. Wolff-Bekker, ‘Ontschuldiging, aan myne vrienden’. In: Lier- Veld- en Mengelzangen. Hoorn: Tjallingius, 1772, [XVI].

[6] R.J.A. te Rijdt, ‘Tako Hajo Jelgersma (1702-1795) en Betje Wolff: het titelblad voor haar topografische atlas en een portret’. In: Delineavit et Sculpsis 25 (2002), 25-36.

[7] Lieke van Deinsen en Beatrijs Vanacker, ‘Found through Translation’. In: Early Modern Low Counstries 3 (2019), 60-80 wijzen ook op de latere datering, maar brengen die niet in verband met het albumblad van 1766. Zie ook: Lieke van Deinsen, ‘’’k Zeg basta met dat portretteeren”. Elizabeth Woff en de (on)mogelijkheden van haar auteursportret’. In: De achttiende eeuw 2019, 85-103. 

Van P.J. Buijnsters noem ik: Bibliografie der geschriften van en over Betje Wolff en Aagje Deken (Utrecht: Hes, 1979); Wolff & Deken. Een biografie (Leiden: Nijhoff, 1984); Briefwisseling van Betje Wolff en Aagje Deken (Utrecht: HES, 1987, 2 dln.).

Uit de kast: een ‘emobiografie’ van Betje Wolff

Tot nu toe heb ik het verborgen gehouden, maar ik moet nu toch werkelijk eens tevoorschijn komen uit de kast waarin mijn boeken van en over Betje Wolff en Aagje Deken staan: ik ben begonnen met het schrijven van een nieuwe biografie van Betje Wolff. Lang heb ik geaarzeld: die van Piet Buijnsters uit 1984 is voortreffelijk, er zijn onderzoekers die meer van de achttiende eeuw weten dan ik, er is al zo veel over de dames geschreven, iedereen heeft wel een mening over ze. Bovendien zijn er sinds Buijnsters’ biografie alleen nog maar een paar onbekende brieven opgediept (Roelof van Gelder vond ze in het Engelse admiraliteitsarchief), er zijn geen omverwerpende andere documenten boven tafel gekomen. Geen wonder, want het onderzoek is door Buijnsters ongekend grondig aangepakt. Maar de biografie is allang uitverkocht en het accent kan nu toch anders komen liggen – dus toch. Ik wil me op alleen Betje concentreren: tenslotte leefde Betje slechts 26 van haar 66 levensjaren met Aagje samen, en ging ze de eerste veertig jaar haar eigen weg. Maar natuurlijk zal Aagje in mijn relaas over die 26 late jaren meelopen – een diepere ‘Wahlverwantschaft’ dan die is er tussen Nederlandse schrijvers niet te vinden.

Betje op 16-jarige leeftijd met A. Pope, Essay on Man. Over de leeftijd volgt binnenkort nog een blog.

Aan mijn uitgever, Balans, heb ik mijn plan al enige tijd geleden verteld. Ik zei daar dat ik een ‘emobiografie’ wil schrijven: dus dat ik het accent wil leggen op de gevoelens die Betje onderging toen ze op 17-jarige leeftijd er met haar geliefde vandoor ging, teruggehaald werd en vervolgens uit de Vlissingse gemeenschap werd gestoten. Hoe ze op haar 21ste opgehaald werd door een dertig jaar oudere dominee die ze nog nooit gezien had. Een man van in de vijftig was in de achttiende eeuw oud, had misschien geen tanden meer, stonk waarschijnlijk. Hij had kinderen die ouder waren dan het bruidje. Hoe ze daar in de winter in de platte, dodelijk saaie Beemster terecht kwam, in een bekrompen pastorie haar plek moest vinden, hoe ze vluchtte in de schrijverij en een uitgever vond. Hoe ze er niet voor terugschrok vijanden te maken door fel uit te halen tegen bekrompen gedachtegoed. Hoe ze tot een kameraadschap met de dominee kwam. Hoe ze dweepte met jonge meisjes die het schrijverschap ambieerden. Hoe ze tot die diepe vriendschap met Aagje kwam en hoe de twee vrouwen op de vlucht sloegen naar Frankrijk, althans als we hun emigratie als een vlucht moeten opvatten. Hoe ze bedrogen werden door de man aan wie ze in Nederland hun kapitaal in bewaring gegeven hadden. Hoe ze moesten smeken om geld bij autoriteiten in Frankrijk en Nederland, zodat ze terug konden naar Nederland. Hoe ze toen zichzelf in leven bleven schrijven. Hoe ziek Betje werd, aan een kanker die organen in haar hele lijf aan elkaar liet kleven, hoe ze onder hevige pijnen stierf, hoe Aagje daarna niet meer sprak en tien dagen later ook overleed. Diagnose: een gebroken hart.

Maar even belangrijk zijn natuurlijk haar gedachtegoed en haar gedichten en romans. Ik zal proberen te achterhalen hoe ze vóór haar huwelijk aan boeken kwam, en hoe ze toen en later zo goed op de hoogte was van wat er aan belangrijks uitkwam. Veel van haar zeer omvangrijke werk moet ik nog lezen – bepaald geen straf.

Een ‘emobiografie’? Hoe zie ik die? Geen biografie waarop ik zou kunnen promoveren![1] Maar natuurlijk wel een wetenschappelijk onderbouwde biografie, met noten en literatuurverwijzingen. Waarin  wijkt hij af van een ‘wetenschappelijke biografie’? Ik ga veel ruimte geven aan interpretaties, die ik dan wel zo formuleer dat ze herkenbaar zijn als mijn eigen zienswijzen. 

Ik heb mijn plan voorgelegd aan Piet Buijnsters. In de bundel Onbreekbare Burgerharten had hij al zijn ‘Afscheid van Wolff en Deken’ geschreven. Hij verheugde zich op de nieuwe aandacht, en heeft me de documenten toevertrouwd die hij over het Franse verblijf van Betje en Aagje verzameld had. Dat hij ermee instemt, stelt me gerust, maar tegelijk legt het een zware claim op me. Mijn biografie hoeft niet beter te zijn, alleen anders – misschien zie ik dingen die alleen een vrouw ziet of beter: voelt.

Nog iets: blijf ik haar Betje noemen? Blijf ik haar Betje Wolff noemen? Is Elizabeth Bekker niet juister? Vanuit het heden gezien zeker! Er zijn recente publicaties over haar waarin ze consequent zo genoemd wordt. Maar zit daar niet iets bestraffends in, als ik haar die altijd de naam van haar man meenam bij haar publicaties, die nu ontneem? Ze noemde zich afwisselend Elisabeth of E. Wolff, geb. Bekker, en na de dood van haar man: E. Bekker, wed. A. Wolff , soms met ‘Ds.’ nog voor zijn naam (in de doopakte staat ze als Elisabeth, maar in publicaties van haar hand komen we ook Elizabeth tegen). En die voornaam Betje dan, is dat niet denigrerend of te gemoedelijk? Haar persoonlijke brieven ondertekent ze met ‘Betje’, zo noemde ze zich dus. Voor wie haar liefhad wilde ze zo heten. Moet ik dan in een genre als de persoonlijke biografie de betweter zijn en haar met haar deftigheidsnaam noemen – terwijl ze ‘Elizabeth’ reserveerde voor haar officiële contacten en haar publicaties?

Betje Wolff dus – ik zal geen bloemen meer op haar graf kunnen leggen zoals ik bij Van Lennep deed, ik zal geen nazaten ontmoeten die op haar lijken en die nog wat onbekende brieven hebben liggen, ik zal geen kraan opendraaien voor water dat dankzij Van Lennep in Amsterdam uit de kraan komt. Maar ik kan in de pastorie komen waar ze haar eigen plek op zolder creëerde, ik kan dwalen rond het landhuis in Trévoux waar ik haar tweede schrijfhutje ontdekte, ik kan naar de Haagse begraafplaats Ter Navolging gaan waar nog een plaquette is met haar naam (het graf zelf is geruimd). En ik kan lezen en herlezen: de eenvoudige Economische liedjes, de fenomenaal geschreven Sara Burgerhart, haar spotternijen op dolgedraaide gelovigen, haar ongekend levendige brieven. U hoort van mij.

Plaquette in Den Haag

[1] Zie daarvoor mijn artikel: ‘Dit is waar de wetenschappelijke biografie aan moet voldoen’. In: NRC 18 november 2017.

Het tweede schrijfhutje van Betje Wolff. Een ontdekking?

In Beverwijk staat een replica van het schrijfhutje dat Betje Wolff gebruikte in de tijd dat ze daar samen met Aagje Deken het fraaie landhuis Lommerlust bewoonde. Aagje had een eigen koepeltje, Betje trok zich voor het schrijven terug in wat ze het ‘kluisje’ noemde, of het ‘Geldersch huisje’. Er is een mooie gravure van ‘Het rieten kluisje’ gemaakt door Caspar Philips Jacobsz. Die dateert uit 1804, maar is nog tijdens het leven van de schrijfsters vervaardigd, na een bezoek van hem aan Lommerlust.

Het is een hutje zoals kinderen zich een hutje voorstellen: één verdieping, nietig, met een puntdak dat met riet afgedekt is. De klapdeur bestaat uit twee delen, en binnenin ziet men tegen alle muren dichte rijen boeken staan, verder is er een tafeltje met daarop een schrijfcassette en een ganzenveer, en dan nog een stoel en een voetenbankje. Twee portretten hangen voor de boeken, misschien van Jean-Jacques Rousseau en van Laurence Sterne.[1] Voor het huisje liggen damesschoenen: zo te zien deed Betje die aan als ze het huisje binnenging. Het voorwerp ernaast moet wel een schoenenschraper zijn, om schoenen te ontdoen van modder.   

Elisabeth Bekker, zoals we haar nu zouden noemen, naar haar meisjesnaam en niet met de toch wat familiaire voornaam Betje, creëerde al meteen in het begin van haar schrijfcarrière `a room of one’s own’. In de pastorie van de Beemster liet ze een stuk van de zolder voor zich afschermen, zodat ze zich daar kon terugtrekken. ‘Kipperust’ noemde ze haar domein. In De Rijp, waar ze met Aagje Deken kwam te wonen na het overlijden van dominee Wolff, had ze slechts een kleine woning, waarschijnlijk te klein om er een eigen plekje af te zonderen. Maar toen de dames dankzij een erfenis Lommerlust konden kopen, liet Elisabeth er dat schrijfhuisje bouwen, dat helemaal paste in de opkomende mode van Engelse tuinen. Een beetje Engelse tuin had een kluizenaarshut, al dan niet bewoond door een echte kluizenaar. Lommerlust verlieten Wolff en Deken in 1788 om politieke redenen – ze trokken naar Frankrijk en vonden een prachtig kasteelachtig landhuis in Trévoux. Château de Corcelles heet het, het staat op de monumentenlijst en het bestond in elk geval al in de zeventiende eeuw.

Chateau de Corcelles, foto MM

Zondag 10 april 2022. Met mijn vriend was ik in de buurt van Trévoux. Ik haalde hem over om eens te gaan kijken bij het Château de Corcelles. Hoog boven de Saône ligt het, verscholen tussen eeuwenoude bomen. Het bordje ‘propriété privé’ negeerden we, en ook drukten we niet op de bel om de bejaarde zusters Dominicanessen die daar een rusthuis hebben niet te storen. We dachten dat de nonnen op zondagochtend toch wel in huis zouden blijven en wilden alleen de sfeer opsnuiven. We liepen om het schitterende landhuis heen, bewonderden de ligging en de rust die ervan uitging. Wolff en Deken moeten er genoten hebben van de ruimte, het uitzicht, de vogels, de bomen en het monumentale huis. Aan de achterkant zagen we een huishoudster, en die vertelden we waarom we daar rondliepen. Ze haalde de abdis erbij, soeur Agnès Madeleine. Ja, Elisabeth en Agatha, daar had ze weet van, ze kende het gedenkbordje in het centrum van Trévoux en mijn hoogleraarstitel deed de rest. Vergenoegd troonde ze ons mee naar de pronkzaal en haalde er nog een zuster bij, Soeur Marie Bernade, die nog meer van de historie wist dan zij. De grote zaal was in de negentiende  eeuw beschilderd met jachttaferelen, maar was verder nog in dezelfde staat als vroeger.

Grote zaal Chateau de Corcelles. Foto MM

Soeur Marie Bernade werd steeds enthousiaster en nam ons mee naar alles wat nog onveranderd uit de achttiende eeuw stamde. De waterpompen, oude dubbele ramen, de plaats waar de koetsen aankwamen, enkele onveranderde schouwen, de spiegels waarin Betje en Aagje zichzelf bekeken moeten hebben. Ik keek naar mezelf in spiegels waarin ook zij naar zichzelf gekeken moeten hebben. Ik vroeg of er bomen waren die nog uit Betjes tijd konden stammen, en dat was zeker zo, volgens haar. Dus we gingen weer naar buiten. Bomen van onmetelijke hoogte, gezond, al flink in het lenteblad. Ze wees op de duiventoren die genoemd wordt in documenten uit de zeventiende eeuw.

‘Jullie moeten de cabane nog even bekijken,die is uit de achttiende eeuw’, zei ze en struinde naar de cabane verderop in het bos. Die was op dat moment omringd door tentjes met jonge verkenners die hun etenswaren in het huisje hadden ondergebracht. En toen ging er iets door me heen. Dit huisje kende ik toch al? Plotseling zag ik wat het was: Betje had op Corcelles een replica gecreëerd van haar schrijfhutje op Lommerlust.

Het tweede schrijfhuisje van Betje bij Château de Corcelles. Foto MM

Ben ik de eerste die dit kluisje zo beziet? Ik kwam er niets over tegen in andere stukken over het verblijf van Wolff en Deken in Trévoux of in Buijnsters’ biografie.[2]

Zo moet het gegaan zijn, verbeeld ik me. Betje moet op Corcelles ook behoefte hebben gehad zich af te zonderen in een eigen ruimte, midden in de natuur, tussen de vogels en het groen, om daar geconcentreerd te kunnen schrijven. Zij moet opdracht gegeven hebben om dat hutje te bouwen, en misschien een tekening gemaakt hebben als voorbeeld voor de aannemer: zo was mijn Geldersch huisje, mijn met riet bedekte huisje, zo wil ik het nu hebben. Riet was niet voorhanden in Trévoux, maar verder leek het huisje helemaal op dat wat we weten van het kluisje in Beverwijk.

Ga ik te ver in mijn veronderstellingen? Kom met bewijzen dat het niet zo is, en dan zal ik erkennen me te zeer te hebben laten meeslepen door Betjes voorkeur voor ‘a room of one’s own’.

Uitzicht op de Saône. Foto MM

[1] Deze twee namen noemt de dichter L. van Ollefen die in 1784 een ode aan het kluisje publiceerde onder de titel Het riete kluisje van mejuffrouw Elizabeth Wolff, Geb. Bekker, op Lommerlust, in de Beverwyk.

[2] P.J. Buijnsters, Wolff & Deken. Een biografie. Leiden 1984; Myriam Everard, ‘Twee “dames hollandoises” in Trévoux’. In: De Achttiende Eeuw 38 (2006), 147-167. In de roman van Kees ’t Hart, Ter navolging (Amsterdam 2004) heeft hij het over een prieel bij Corcelles maar hij verbindt daar geen consequentie aan. Of hij hetzelfde hutje gezien heeft als ik, weet ik niet.

Niet genoeg vinkjes om dominee te worden

Hoe noem je ook alweer iets wat nog best aardig van kwaliteit is maar toch onderdoet voor de top? B-kwaliteit? Die blijkt in de praktijk meestal enorm mee te vallen en het verschil heeft alleen maar te maken met grotere merknamen met meer reclamemogelijkheden. Hoe dan ook, ik zit met een ingewikkelder kwestie. Naast de negentiende-eeuwse domineedichter en de prozapastoor die toch al niet zo’n goede naam hebben, bestaan er in die tijd ook nog hulpdomineedichters die net zo productief waren als hun academische collega’s, maar niet telden als volwaardige dominees. Cees Houtman noemt ze in zijn net uitgekomen boek over deze auteurs ‘selfmade dominees’, of godsdienstonderwijzers, die er in de geschiedschrijving ‘bekaaid’ vanaf gekomen zijn.

In mijn jongste boek (L: de lezer van de 19de eeuw) houd ik een pleidooi voor een herwaardering van de domineedichters, die veelal aan de basis stonden van maatschappelijke veranderingen en via hun dichtkunst invloed uitoefenden op de bestrijding van misstanden. Waar ik me niet van bewust was, is dat er daarnaast een groep ongediplomeerde godsdienstonderwijzers bestond die ook de pen hanteerde, vaak met dezelfde maatschappelijke inzet. Misschien zijn er mensen die de biografie van Vincent van Gogh kennen en weten dat hij op een gegeven moment dominee wilde worden, maar de strijd om het Grieks en Latijn onder de knie te krijgen viel hem te zwaar, en toen ging hij een opleiding volgen waarmee hij hulpprediker kon worden. Dat werd hij in de Belgische Borinage. Het werd een mislukking. Op een gegeven moment wist hij die roeping achter zich te laten en koos hij voor het kunstenaarschap. Dat had hij deels te danken aan de domineedichter Eliza Laurillard, die in zijn preken kunstenaars als dienaars van God zag.

Maar nu over het boek van Cees Houtman, onder de titel De selfmade dominee als auteur. Van 26 van deze selfmade dominees geeft hij portretten, in chronologische volgorde. De oudste is geboren in 1778, de jongste in 1866. De titel ‘selfmade dominee’ is enigszins misleidend, want dominee mochten ze zich niet noemen. Selfmade waren ze wel: ze schoolden zichzelf in de godsdienstleer. Veel van deze hulppredikers hadden graag predikant willen worden, maar ze hadden van huis uit niet genoeg geld om naar de academie te gaan. Beurzen waren er weliswaar al vroeg voor studenten theologie, maar daar kwam iemand zonder Latijnse School toch niet voor in aanmerking. Een soort opleiding voor hulppredikanten was er wel ingesteld door de synode, maar de meesten spijkerden zich op eigen houtje bij. Er moeten er veel geweest zijn: Houtman telde in 1869 in Amsterdam naast 27 predikanten 24 godsdienstonderwijzers, onder wie ook enkele vrouwen. De mannen aan wie Houtman een portret wijdt, zijn opvallend door hun betrokkenheid bij de maatschappij en hun vaardigheid die op schrift te stellen. Er is er geen enkele onder die nog enigszins bekend is, en dat is jammer als je de schetsen leest die Houtman aan hen wijdt. Het zijn stuk voor stuk markante mannen, die zich los wisten te maken van hun milieu, hun gebrek aan opleiding in de jeugd wisten te overwinnen, en een prominente plek wisten te bevechten in hun gemeenschap.

Zo’n Jan Oostkamp uit Zwolle bijvoorbeeld, die meer dan vijftig boeken schreef, vooral kennisvermeerderende over geschiedenis en aardrijkskunde. Hij is een aanhanger van de fysicotheologie en combineerde dus godsdienst en natuurwetenschap in zijn onderwijs. De Haarlemmer Hendrik Polman, door zijn ouders bestemd om metselaar te worden, richtte onder auspiciën van het Nut een Inrigting tot Onderwijs in de Bijbelsche Geschiedenis aan de Jeugd op. In zijn lessen brak hij met de gewone methoden van godsdienstonderwijs waarbij boekjes met vragen en antwoorden gebruikt werden: hij bleek een geboren verhalenverteller te zijn, die op alle kinderen grote indruk maakte. Veel van de godsdiensthulpen waren actief in de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. De voormalige Leeuwarder bakker Klaas van Belkum concentreerde zijn zending op de verschoppelingen van zijn stad. Met name alcoholisten probeerde hij uit hun zelf-vernietigende cyclus te halen. Hij schreef over zijn ervaringen in de bundels Uit het leven: schetsen uit de achterbuurten en Schetsen uit het leven. Ook de Amsterdammer Josua Duisdeiker was een gedreven afschaffer en zat in het bestuur van de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Sterken Drank. Onder het pseudoniem Oom Hendrik publiceerde hij verhalen voor de jeugd met altijd maar weer verhalen over omhoogklimmers.

Heel triest is het leven van de gebochelde Hendrik Huisman, die eerst boekverkoper was en als godsdienstonderwijzer om onbekende redenen tegengewerkt werd door hogere predikanten. Daarover schreef hij een Adres aan den Eerwaarde Kerkeraad, maar dat zette hem nog verder van de kerk af. Hem werd aangeraden doodbidder te worden, maar vanwege zijn afschrikwekkende gestalte leek hem dat niet zo’n goed idee. Uiteindelijk nam hij afscheid van het chistendom en sloot zich aan bij de vrijdenkers. Het weeskind Hendrik Tillema zat in een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid, later kwam hij als godsdienstonderwijzer in dienst van een Leids weeshuis. Hij schreef verhalen over het leven op het Drentse platteland. Dan is er nog de gevangenispastor Egbert Tobi, die in Deventer zowel zieken als gevangenen stichtte, of de historische-novellenschrijver Peter Duijs die in Kampen vergeving en bekering predikte. Heel merkwaardig is ook het leven van de orthodoxe Johannes Schalekamp, vader van vijftien kinderen, huisschilder van beroep, die toch de akte voor godsdienstonderwijzer behaalde en in diverse plaatsen als hulpprediker optrad. Zijn tweede vrouw was een bekeerlinge, die van het roomse geloof overgestapt was naar het hervormde, terwijl zij op weg was kloosterzuster te worden. Over haar leven schreef Schalekamp twee boeken. Schalekamp zou pas in 1944 overlijden, en in 1935 betoogde hij dat de vliegtuigrampen die de KLM troffen een teken van God waren om de mensen van hun zelfverheffing af te doen zien en tot deemoedigheid te bewegen.

Veel van de door Houtman behandelde predikers waren volgelingen van Jan de Liefde, de hoog gewaardeerde en leidinggevende domineeschrijver van tientallen toegankelijke boekjes met een godsdienstige strekking voor jeugd en volwassenen. Hoewel De Liefde veel contacten had met orthodoxe protestanten uit de kring van het Réveil, was hij een man van het midden. Bij de predikers van Houtman zijn zowel orthodoxen als mannen die het godsdienstig modernisme aanhangen.

Cees Houtman geeft precies die informatie die nodig is om geïnteresseerd te raken in deze groep en verstrekt voldoende aanwijzingen om er eventueel verder onderzoek naar te doen. Zijn mannen zijn stuk voor stuk interessante figuren zonder de negentiende-eeuwse zeven vinkjes die de meeste domineedichters wél hadden, en met vaak een dramatische levensloop. Klimmen op de maatschappelijke ladder was niet zo makkelijk, de financiële beloning voor de hulppredikers was schraal, en echt geaccepteerd als volwaardig prediker werden ze nooit. Goed dat er iemand is die zoveel jaren na hun dood hen nog enig eerherstel verleent.

Cees Houtman, De selfmade dominee als auteur. Zesentwintig portretten uit de lange negentiende eeuw. Zutphen: Walburg Pers, 2022.