Archive by Author | maritamathijsen

De laatste zin is geschreven

De laatste zin is geschreven. Het boek is af maar nog niet klaar. Ik moet de noten bijwerken en uniformeren, bekijken of er woorden overbodig zijn in de 204.660 die ik nu geschreven heb, lelijke zinnen herschrijven, herhalingen eruit halen, informatie doseren. Archiefstukken en brieven die niet digitaal of fysiek in Amsterdam, Brussel, Antwerpen, Leiden, Leeuwarden, Utrecht of Amsterdam te vinden waren, moet ik nog elders gaan opzoeken en invoegen. Ik moet nog naar Parijs dus!

Is er wellicht iemand onder mijn volgers die me kan helpen hoe te zoeken naar archieven van uitgever Hachette, die weet waar de brieven van schrijver Alexandere Dumas bewaard worden, en of er een archief is van de criticus Xavier Marmier?

Dan nog bibliografie en register. En ik moet nog mijn poot stijfhouden bij de uitgever over de illustraties. De uitgever wil die in een kleurenkaterntje bij elkaar zetten. Ik heb daar een hekel aan. Vroeger was dat nodig, omdat kleur drukken alleen op speciaal papier kon, maar tegenwoordig kan er prachtig in kleur gedrukt worden door het hele boek heen. Zie de historische uitgaven van uitgeverij Vantilt. Ik wil gewoon kleurenillustraties door het hele boek, die verschijnen precies op de plek waar ze de tekst toelichten. En ik wil er veel.

Het boek zal, zoals ik al verklapte, 18 januari 2018 gepresenteerd worden, in het Stadsarchief van Amsterdam (De Bazel), waar dan ook een kleine tentoonstelling over Van Lennep te zien zal zijn, met allerlei uit het rijke familiearchief Van Lennep, dat bewaard wordt in het Stadsarchief. 2018: dan is Van Lennep 150 jaar dood. Van 18 januari kan ik niets moois ter herdenking maken. Dat op die dag in 1963 de twaalfde Elfstedentocht gereden werd, dat het de geboortedag van Montesquieu en Oliver Hardy (de dikke) is en de sterfdag van Margaretha van Parma, kan ik met de fantasierijkste wil ter wereld niet in verband met Van Lennep brengen. En dat hij 18 januari 1831 een brief kreeg uit Den Bosch van zijn zwager Hein Röell en in 1859 een brief aan zijn zoon Willem schreef, lijkt me toch ook niet een herdenking waard. Dus de datum is gewoon gekozen omdat het stadsarchief pas vanaf 18 januari ruimte had voor een tentoonstelling in de prachtige kelder van het gebouw, de schatkamer waar ooit de waardevolle spullen van de Nederlandsche Handelmaatschappij bewaard werden.

En nu nog wat trivialia:

  • op 12 juli 2013 heb ik de eerste gegevens in een speciaal voor de Van Lennep-biografie ontworpen database ingevoerd. Maar dat was nog slechts voorbereiding. Het echte archiefonderzoek begon 7 februari 2014.
  • vandaag, 17 april, staan er 2187 treffers in mijn database.
  • er staan 251 trefwoorden in, zoals ‘zelfkritiek’, ‘waterleiding’, ‘vrijmetselaars’, ‘Ferdinand Huyck’, ‘pornografie’, ‘Betje Tulle’.
  • omvangrijke correspondenties heb ik niet in de database verwerkt maar in word-bestanden. Daarin zijn citaten beter te verwerken dan in database.
  • via Ewoud Sanders, en Henrick en Maurits van Lennep jr. heb ik het dagboek van Maurits van Lennep op het net kunnen zetten: de grootst denkbare roddelkous van zijn tijd en dus een rijke bron voor elke negentiende-eeuw-onderzoeker.
  • in mei 2014 ben ik met dit blog begonnen. Inmiddels heb ik er 76 blogs op gezet. Ik heb 882 volgers. Mijn streven is 1000 – dus verspreiden maar: maritamathijsen.wordpress.com. Het meest bekeken blog was: ‘Wie helpt me aan de moeder van Betje Tulle?’(1223 kijkers; 55 reacties).
  • ik kan mijn Van Lennep-collectie niet meer kwijt in de boekenkast op mijn werkkamer. Voorgisteren nog een prachtige editie van De voornaamste geschiedenissen van Noord-Nederland verteld aan zijne kinderen gekocht, met ingekleurde prenten. Nu moet ik een speciale Van Lennep-boekenkast laten bouwen. Alleen in de logeerkamer is nog een muur vrij.IMG_2104

De verjaardag van Jacob van Lennep

Lennep,Rossemcover11NogmaalsLennepKopsKruseman

Ik ga vandaag een verjaardagsboeket op het graf in Oosterbeek leggen. Op deze prachtige lentedag zou Jacob van Lennep 215 jaar geworden zijn. Inmiddels kan ik u vertellen dat de biografie de voltooiing nadert! De titel staat al vast, de verschijningsdatum ook: 18 januari 2018, in het 150ste sterfjaar. Die dag heb ik in overleg met de uitgever en het stadsarchief van Amsterdam gekozen, want dan kan er tegelijk met de presentatie van het boek een kleine tentoonstelling over Jacob van Lennep in het Stadsarchief geopend worden. Een vriend van mij, Pim Kops, maakte alvast twee ontwerpen voor het omslag. Ikzelf zou graag de kleuren van het onderste portret (door Jan Kruseman) op het bovenste (door J.C. van Rossum) zien, als dat mogelijk is. Het onderste portret laat wat meer de ironische Van Lennep zien, het andere wat meer de gekwelde dichter uit de Romantiek. Vind ik. Wat vinden mijn 879 volgers?

Pim Kops heeft een nieuwe versie gemaakt van het portret door J.C. van Rossum, niet meer gespiegeld en dus met de orde aan de goede kant. Inmiddels heb ik al vele reacties, de meningen over de twee portretten zijn verdeeld. Van de uitgever heb ik nog geen reactie, die heeft natuurlijk het laatste woord (of het een na laatste).

 

Wie zou in vadsige onverschilligheid thuis blijven? Stemadvies van Jacob van Lennep

‘Wie zou in vadsige onverschilligheid thuis blijven’ als er gestemd moet worden, schreef Jacob van Lennep in oktober 1866 in een pamflet. In het najaar van 1866 ging het er hard aan toe in de politiek. Het conservatieve kabinet Van Zuylen van Nijevelt was per 1 juni aangetreden, met een minister Mijer voor koloniale zaken. Deze werd al drie maanden na zijn aantreden benoemd tot Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, een van de hoogste regeringsposten. Hierover brak de tyfus uit. De pers suggereerde dat Mijer zijn benoeming tot minister alleen maar had aangenomen om de lucratieve post van gouverneur-generaal te krijgen. De Tweede Kamer was hels. Dit was ‘politieke immoraliteit’. Ze nam een motie van afkeuring van het gedrag van het kabinet aan. Daarop zou koning Willem III de regering hebben moeten ontbinden, maar hij ontbond daarentegen de Kamer en schreef nieuwe verkiezingen uit. Daarna deed hij iets wat nog niet eerder vertoond was: hij richtte zich in een Proclamatie rechtstreeks tot het volk. Op rood-wit-blauwe aanplakbiljetten verdedigde hij zijn handelwijze. Kiezers kregen die ook in de bus. De Koning schreef dat hij gebruik had gemaakt van zijn grondwettig recht om de kamer te ontbinden. Kabinet en volksvertegenwoordiging lagen steeds met elkaar overhoop en daardoor kon de regering niet regeren zoals het behoorde. Hij riep zijn ‘geliefd volk’ op om te gaan stemmen. Er was geen stemadvies aan de Proclamatie verbonden, maar het was wel duidelijk dat hij de kibbelende liberalen uit de Kamer wilde.

Proclamatie1866

Van Lennep koos ervoor wel een stemadvies te geven aan Amsterdamse kiezers. Hij liet bij zijn vaste pamflettenuitgever J. de Ruyter een brochure uitkomen Aan zijne medekiezers. Hij wees erop dat de tijden hachelijk waren en de toekomst onzeker. Er was inderdaad oorlogsdreiging: Pruisen en Oostenrijk hadden een hoogoplopend conflict waar Nederland bij betrokken kon worden. Eenheid en eensgezindheid onder de bevolking was noodzakelijk om die gevaren af te wenden, en daarvoor was een krachtige regering nodig. Maar als het bestuur van het land steeds omvergeworpen werd, kon er geen beleid gevoed worden. Inderdaad vielen de kabinetten in die tijd als rijpe pruimen uit de bomen. Van Lennep riep zijn landgenoten op te gaan stemmen, naar aanleiding van de proclamatie van de koning: ‘Wie zou in vadsige onverschilligheid thuis blijven, als Oranje hem oproept?’ Van Lennep ried aan om te kiezen voor mannen die wars van partijschap waren, voor mannen die er niet op uit waren spaken in het wiel van de regering te steken. ‘Komt trouw ter stembus, en brengt daar uw stem uit op hen, van wie gij vertrouwt, dat zij, op ’t voorbeeld des Konings, Zijn Ministerie zullen handhaven’. Zijn stemadvies was: kies J.J. Rochussen, M.J. Pijnappel en H.A. Insinger. Rochussen was een gepokt en gemazeld conservatief politicus, diverse malen minister geweest; Pijnappel was een opkomend man van het midden en een ondernemende handelsman; Insinger een conservatief gemeenteraadslid met vele functies in Amsterdam. Alledrie werden ze gekozen.

Wat voor les kunnen wij uit de verkiezingen van 30 oktober 1866 trekken? Deze:

GA STEMMEN!

Erotica. Offeranden op het altaar van Amor en Venus

erotica

Schreef Jacob van Lennep porno? Jaren geleden sprak een bejaarde hoofdbibliothecaris van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek me aan. Hij vertrouwde me toe dat Jacob van Lennep een bundeltje erotische gedichten had geschreven, waarvan slechts één exemplaar bewaard was, in de British Library. Van Lennep zou het pseudoniem Ko Cassandra daarvoor gebruikt hebben. De bibliothecaris wist dit van zijn voorganger, en wellicht had die het ook weer van een voorganger. De eerstvolgende keer dat ik in Londen moest zijn, vroeg ik het boekje op, dat in een verzamelband met andere Hollandse erotica zat. Het bleek 64 pagina’s ondeugende versjes te bevatten en uitgegeven te zijn in 1859 door de Amsterdamse uitgever Mulder II, specialist in pornografie en schendblaadjes. Ko Cassandra, dat was de naam waaronder het schandaalblad Asmodee altijd Van Lennep zwart maakte. Het blad noemde hem Cassandra omdat Van Lennep zichzelf in de Tweede Kamer in Den Haag met de voorspellende tovenares Cassandra had vergeleken, die door niemand geloofd werd maar toch gelijk kreeg. De lezers van dit bundeltje kregen versjes van dit soort toebedeeld:

Raadsel. Vraag:

Waarmede staat de flinkste en dapperste officier,

Gelijk aan eene maagd, teêr als een anjelier?…

Antwoord:

Dat beiden heet zijn van gedachten,

En er met grooten lust naar smachten,

Wanneer zij ’t maandlijksche verwachten.

Niet onaardig is een vers over de naaikunst:

Het naaijen is een wetenschap,

Waarin alleen de hoogste trap,

Behaald wordt door de vrouwen;

Hoezeer de man ’t te leeren poog’

En ’t werk heel ferm beginnen moog’

Hij eindigt met zijn’ kop te krouwen.

En zo gaat het nog een tijdje door: vooral in het ‘overnaaijen’ zijn vrouwen veel beter, terwijl mannen na het eerste werk verder ‘tot steken ongenegen’ zijn.

Hoe groot is nu de kans dat dit bundeltje inderdaad aan Van Lennep moet worden toegeschreven? Zou het denkbaar zijn dat Van Lennep naar een uitgever met zo’n slechte naam zou zijn gestapt en onder een herkenbaar pseudoniem zijn vrolijke versjes uitgegeven zou hebben? Dat Van Lennep erotische verzen schreef, is zeker. Maar als Van Lennep voor mannenvrienden werkelijk zoiets had willen laten drukken, is het ondenkbaar dat hij naar de uitgever zou zijn gegaan die ook Asmodee uitgaf. Daarin werd hij zo vaak gevild dat hij nooit met de uitgever daarvan een overeenkomst gesloten zou hebben. Wat het niet onmogelijk maakt dat er wel gedichten van Van Lennep in de Offeranden op het altaar van Amor en Venus staan. Hij schreef nog wel eens voor zijn vrienden snel een versje, en natuurlijk waren er daar erotische bij. Een afschrift daarvan kan in handen van Mulder II gekomen zijn. Het kwam geregeld voor dat uitgevers zoals deze een bundeling maakten van erotische gedichten uit diverse bronnen, en die dan aan één auteur toeschreven. Pieter Boddaert, die in het begin van de eeuw erotiek schreef, werd daar vaak voor gebruikt.

Wat dachten de lezers indertijd hiervan? De lezers van het Algemeen Handelsblad en het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad zagen opvallende advertenties over dit ‘allerjoligst boekje tot verkoeling in de hitte’. In een schendblaadje, De opmerker, werd het direct aan Jacob van Lennep toegeschreven. Maar daarop plaatste Mulder II een advertentie in het Algemeen Handelsblad, waarin hij aangaf het tot zijn plicht te rekenen dit tegen te spreken. In het andere blad zette hij echter een paar dagen later een advertentie waarin hij anders suggereerde: maar weinig dichters is het gegeven een echt galante toon aan te slaan in erotiek zonder plat, gemeen of liederlijk te worden. ‘Onze Ko Cassandra echter heeft met de hem eigene tact en talent deze klippen weten te vermijden’. Het staat er niet, maar iedereen zal daarbij toch aan ‘onze Ko van Lennep’ gedacht hebben. Bovendien stond er boven deze advertentie eentje voor de Galante dichtluimen van Willem Bilderdijk, ook een erotische dichtbundel van een bekende dichter bij Mulder II.

Reacties van Van Lennep zelf op deze streek zijn niet overgeleverd. Maar ik kan me voorstellen hoe hij gereageerd zou hebben. Zo reageerde hij eerder op een pamflet tegen hem: “had de schrijver de bundel maar naar me toegestuurd, dan had ik hem nog een paar suggesties voor verbetering aan de hand kunnen doen”.

erotica3

De Schoolmeester postuum boos

schoolmeester1edr
Gerrit van de Linde schreef onder het pseudoniem ‘De Schoolmeester’ verzen voor Jacob van Lenneps almanak Holland. Gerrit stuurde die verzen naar Van Lennep vergezeld van razend knap gestileerde brieven. Na Gerrits vroege dood stelde Jacob in 1859 de bundel De gedichten van de Schoolmeester samen, met een prachtige voorrede. De eerste die De Schoolmeester vermeldde in een literatuurgeschiedenis was Jan ten Brink (1882). Hij noemde Gerrits gedichten ‘koddig’, ‘echt nationaal’ en ‘voortzettingen van de zeventiende-eeuwse kluchtentraditie’. Ook vond hij dat ze zo inpalmden dat Van Lennep ze wel zelf geschreven zou kunnen hebben. Van de Linde zou daar razend om geworden zijn. Ik stel me voor dat hij daarover een brief aan Jacob van Lennep had geschreven die er dan als volgt zou hebben uitgezien (ik gebruik hiervoor zinnen die rechtstreeks uit Gerrits brieven aan Jacob komen):
Waarde Vriend, Wat nu de Hollandsche letterkunde betreft en mijn schamel aandeel daarin, zoo moet ik u rondweg bekennen dat niets mij ooit meer verdroten of berouwd heeft dan door Jan ten Brink in het veld der letterkunde ingelijfd te zijn. Hoe komt het op in het hoofd van deze vraatzuchtige ekster, die in drie goudgerande folianten uitlegt wat er blinkt en schittert in de hedendaagse letterkunde zonder het verschil tussen goud en koper te kennen, om mij, onschuldige verzenmaker, op het pronkaltaar van de Hollandse letterkunde uit te stallen! Ik hoef geen inlijving in een goud-op-snee foliant waar geen ontsnappen uit mogelijk is. Geen aasgier heeft het recht mij als een lijk te beschouwen en in mij te pikken als ware ik een kreng dat opgeruimd moet worden voordat de verrotting toeslaat! Waar haalt de man het vandaan als hij schrijft dat ik hem wil inpalmen? Hij laat me zo koud als een maagd van tachtig jaar en ik zou nog liever koningin Victoria willen veroveren of inpalmen dan deze opgeblazen pad. Ten Brink moet vast een heel hoog geleerde in Holland zijn, maar in Engeland zou hij nagewezen zou worden door de straatjeugd, omdat hij zo pedant als een dominee en zo smakeloos als een Hollandse hutspot over mijn gedichten oordeelt, die, ik geef het toe, wellicht niet een plaats verdienen naast die van Bilderdijk, maar die ik me schamen zou ter neder geschreven te hebben als ze navolgingen zouden zijn van de kluchtige trant van het oude blijspel der zeventiende eeuw. Geen leuterkundige heeft ooit een groter belediging gedaan dan deze Ten Brink aan mijn verzen over Leeuw, Olifant en Kalf, die hij zo ‘koddig’ noemt dat ze wel door U, lieve vriend, zouden geschreven moeten zijn. Waarde Van Lennep, ik waardeer uw schrijfkunst ten volle, maar hoe zou u het vinden om koddig genoemd te worden? Het is alsof men de koning der dieren eens kietelt onder zijn muil en de slagtanden der olifant melkkiesjes noemt. En zo iemand wordt in Nederland een letterkundige genoemd? Ik hoor dat hij tegenwoordig hoogleraar is in Leiden. Wel dat doet me plezier, dat de traditie van brekebenen, holle vaten en stofdoeken onder de hoogleraren daar tenminste voortgezet wordt. Vindt hij mijn verzen zouteloos, dan kan ik hem een keulse pot vol pekel toesturen, die hij naar believen over mijne verzen kan uitstrooien. Maar wellicht kan hij beter zichzelf in die pot stoppen om, nadat hij zo in het zout gezet is, althans nog enige jaren zijn opgeblazen waanwijsheid te kunnen conserveren, die daarzonder zeker morgen al bedorven zou zijn. Ik heb volstrekt geen ambitie of lust om tot de Hollandsche letterkunde te behoren, maar als ik daar dan, tegen mijn wil en tegen mijn wens ingetrokken wordt, dan is toch het minste dat ik verlangen mag dat er mij geen bastaardonzin toegeschreven wordt die ik nooit en te nimmer neergeschreven zou hebben. Doch wat beduidt het als ik den echt nationalen toon zou weten te treffen? De heer Ten Brink zou er goed aan doen om, in plaats van een nationaal pijpje te roken en een nationaal kopje thee te drinken, zich eens goed nationaal te bezinnen op een werkelijk nationale literatuurgeschiedenis en zich intussen in een nationaal boetekleed te kleden en zijn hoofd door een nationale schandpaal te steken zodat de Leidse studenten hem eens waarlijk buitengewoon talentvol kunnen bekogelen met nationale eieren. Lieve vriend, ik omhels u en hoop binnenkort te vernemen dat gij de nationale literatuurgeschiedenis van den heer Ten Brink opgekocht heb om die eens flink te kuisen, zoals gij met den Havelaar ook zo succesvol gedaan hebt.
uw Gerrit van de Linde

Een beestachtig ding: spotschrift over de affaire Ko en Doortje III

[Lees eerst de twee voorgaande afleveringen]

Na de mislukte ontsnapping uit het burgermansbestaan verspreidde het verhaal zich als een olievlek. In de Amsterdamse Kalverstraat werden karikaturen opgehangen in de etalages van prentenwinkels. Bekende Nederlanders schreven elkaar erover: ‘Gij weet toch dat de dichter der Genade door zijn vader achterhaald is op zijne reis naar Engeland waar hij zich met zijn buurmeisje heen wilde begeven?’, klikte de Leidse hoogleraar Van Assen aan de politicus Groen van Prinsterer. In Rotterdam was men ook op de hoogte. ‘Na de zondvloed geloof ik dat er niets gebeurd is, dat zooveel geruchts heeft gemaakt, dan uwe beroerde historie,’ schreef vriend Aart Veder aan Van Lennep. Zelfs in Londen kreeg Gerrit van de Linde het verhaal te horen van een reiziger. De karikaturen heb ik nooit ontdekt. Maar geheel toevallig kwam ik een drukwerkje tegen met de titel:

 Saffo en Freule Rinkkink, op hare Eds. terugreize van Rotterdam

De link was meteen duidelijk: Saffo was een opera die Jacob van Lennep in 1834 schreef, Rinkkink leek wel erg op Ringeling en Rotterdam, dat was de plek waar Ko en Doortje door papa Van Lennep betrapt werden.

Het pamflet geeft een gesprek tussen Saffo en Freule Rinkkink weer. Saffo en Rinkkink zitten innig bij elkaar, en heffen een glas Maaswater. ‘’k Zou denken aan uw’ taal dat gij reeds waart beschonken,’ zegt de freule. Ze is bang dat ze betrapt worden. Saffo meent dat professor N. inderdaad al in de buurt is. Dan wordt Rinkkink boos: Saffo heeft haar met zijn vleitaal bedrogen. Had ze maar een zoon, dan was ze niet langer alleen in de wereld. Dat laat Saffo zich niet tweemaal zeggen:

Saffo: Droog uwe tranen af; ik wil hem u bezorgen.
Rinkkink: Ja, maar wat schielijk dan; want ik wacht niet tot morgen.

Dan rollen ze in elkaars armen, terwijl ze toespelingen maken op Pleegzonen, Idyllen en Legenden, op werk van Van Lennep dus. Maar ‘praten vult geen gaten’ verzucht Rinkkink als het te lang duurt. Ze heeft van hem nog ‘geen vreugd’ gekregen en vraagt hem voort te maken: ‘Ach, dierbare! rijm nog eens…, en dan vooral… vatje ’t niet?’ Op dat moment komt professor N. binnen, en onderbreekt het liefdesspel. Saffo belooft: ‘Ik zal het nooit weer doen, Pa!’ en deze wrijft zich in de handen: ‘Wij zullen die zaak wel dempen’.

Voor dempen was het echter te laat. De kwestie Ringeling zou Van Lennep nog geregeld aangewreven worden. Hij miste er in 1839 een hoogleraarsbenoeming door en toen hij in de Tweede Kamer zat werd de affaire ook weer opgerakeld.

Schrijver van het spotschrift was de beruchte pamflettist Jean Baptiste Didier Wibmer. Van Lennep heeft het zelf ook in handen gekregen en noemde het ‘een beestachtig ding’. Hijzelf trok er zich niet veel van aan, zijn vrouw leed er wel onder.

Het arme Doortje zal er echter het meest onder geleden hebben. Doortje bleef ongehuwd, misschien omdat ze haar hele leven nog aan Van Lennep verknocht bleef. Maar waarschijnlijk vooral omdat geen man zich aan de minnares van de schrijver wilde binden. Ze overleed in 1856. Haar graf valt nu nog te bezoeken op de Lage Vuursche. Maar wie zal er op haar graf nog een traan storten of een bloem neerleggen?

grafdoortje

ringelingwibmer1
*Sinds kort is het pamflet, waarvan maar één exemplaar bestaat, ook via Google Books te lezen: https://books.google.nl/books?id=yRlpAAAAcAAJ&printsec=frontcover&dq=saffo+en+freule&hl=nl&sa=X&redir_esc=y#v=onepage&q&f=false

Ra ra hoe weet ik dit? Aflevering II

gerritaanjvl1834

Onleesbaar gemaakte brief van Gerrit van de Linde aan Jacob van Lennep, 21 juni 1834
Hoe weten we van Doortje en Ko alles zo in detail? Het verhaal van de vlucht en de achtervolging door papa komt van Jan Dedel, bestuurder en vriend van papa professor. Die vertelde het door aan de politicus Anton Reinhart Falck. Deze tekende het in zijn dagboek op. De neerlandicus Rody Chamuleau is de eerste die deze passage in het dagboek ontdekte (1981). Bevestiging en allerlei andere details komen uit briefwisselingen en uit … dat leest u morgen!
Johanna Dorothea Ringeling was de dochter van een overleden suikerraffinadeur en geboren in 1804. Dus was ze twee jaar jonger dan Van Lennep en liep al tegen de dertig toen er mooie dingen met Ko begonnen. Toch niet meer helemaal de leeftijd van de onschuld. Ze moet met haar moeder in de buurt van het Manpad en Woestduin gewoond hebben, dus bij de buitenhuizen van de familie Van Lennep. Misschien hebben ze elkaar in de kerk van Heemstede getroffen, want Van Lennep schrijft op een gegeven moment dat hij niet meer naar de kerk gaat: ‘daar krijgt men maar zondige gedachten’. Heel mooi was ze niet eens, volgens haar minnaar, maar ze had wel prachtige blauwe ogen. Juni 1833 stoeide Ko (zo werd Jacob in familiekring genoemd) al met het meisje op Woestduin. Hij had daarover ruzie gekregen met zijn vrouw. De affaire liep zo hoog op dat Van Lenneps vrouw de huur van Woestduin wilde opzeggen.
Jacob en zijn vrienden Aart en Willem Veder schreven openhartig in hun onderlinge brieven over wat er zich afspeelde. Die brieven zijn bewaard gebleven, maar juist de leuke stukken zijn onleesbaar gemaakt. Een grote passage in een brief van Willem Veder is echter ontcijferbaar: ‘Hoe is het mogelijk dat de lippen eener Vrouw (en voornamelijk van deze wie gij mij nog al een ruim en verheven gevoel toeschreeft) eenen Echtgenoot en Vader dorsten aansporen om uwe Vrouw te verlaten die hem in lief en leed (ja Co! leed ook, dat weet ik) eene trouwe gezellinne was, die hem [onleesbaar] kinderen baarde [rest onleesbaar]’. Van Lennep schreef hem daarop terug dat Doortje minder schuld had dan hij: zij was oprecht geweest, hij daarentegen had hartstocht geveinsd waar alleen maar begeerte was. Willem liet zich niet bedotten: zolang Van Lennep op Woestduin kwam zou daar altijd een duivel met een ‘ringeling belletje’ rondlopen.
In de winter van 1833-1834 was het rustig in huize Van Lennep. De affaire leek achter de rug te zijn. Woestduin werd inderdaad voor een jaar opgegeven. Jacob stond min of meer onder toezicht van zijn vrouw, want aan Willem Veder, die hem uitnodigde voor een bezoek, schreef hij dat zijn vrouw daarover besliste: ‘De koning mag niets doen zonder consent van de Staten Generaal’. Vóór de zomer begon reisde Jacob van Lennep naar Engeland. In Londen bezocht hij zijn vriend Gerrit van de Linde, die later als De Schoolmeester een bekende dichter zou worden. Deze Leidse student was begin 1834 naar Engeland gevlucht omdat hij een meisje én de vrouw van een hoogleraar zwanger gemaakt had. Eenzaam, verlaten en arm als een kerkrat liep hij daar met zijn ziel onder de armen. Van Lennep nam Gerrit, die zelf zo gestraft was voor zijn vrouwenpassie, in vertrouwen. Zijn gevoel voor Doortje was nog ongeblust. Dat wordt duidelijk uit een brief die Gerrit aan Jacob stuurde toen die weer terug in Nederland was. Ook deze brief is onleesbaar gemaakt, maar met veel moeite toch voor een groot deel te ontcijferen. Van de Linde waarschuwde op een indringende en tegelijk meelevende wijze zijn vriend voor de gevolgen:

Ik heb vroeger altijd gedacht, dat hoeveel strijd en zelfverloochening u het overwinnen van deze hartstocht mogt kosten, de gedachte echter nimmer in uw was opgekomen, om u gansche bestaan [onleesbaar] ervoor te vernietigen en door u zelve mede te laten slepen in dezen afgrond uw huisgezin en uwe familie met u in het verderf en in de schande te storten, maar dat in tegendeel de banden die u aan uwe vrouw, maar vooral aan uwe kinderen verbinden te sterk waren dan dat men bij eenige mogelijk een dergelijken stap van u had kunnen onderstellen. Gij hebt mij intusschen van echtscheiding, van expatriëren en zelfs van de mogelijkheid om de finantieele bezwaren uit den weg te ruimen op eene wijze gesproken die mij mocht doen onderstellen, dat dit noodlottig denkbeeld u niet meer zoo geheel vreemd is, als ik zeker ben dat het u voor 8 of 9 maanden was en ik beef op de gedachte, dat Doortje welligt eene langzame maar zekere zegepraal zal behalen.

De reis naar Engeland was dus niet alleen bedoeld om zijn oude vriend te bezoeken, Van Lennep had hem ook gebruikt om zich te oriënteren op een nieuw bestaan. De hele zomer en herfst moet er wel veel contact tussen de twee geliefden zijn geweest en ze moeten hun plan om samen verder te gaan uitvoerig besproken hebben. Hierover zijn geen documenten bewaard, en het lijkt erop dat de vlucht als een donderslag bij heldere hemel aankwam bij familie en kennissen van het geheime liefdeskoppel. Een avontuurtje zou nog te vergeven zijn geweest, maar je gezin in de steek laten, waar nog een baby in de wieg lag, je gerespecteerde bestaan opgeven, en dat allemaal voor een volstrekt onzekere toekomst, dat was een liederlijk schandaal! Bovendien ging het om een meisje uit dezelfde kringen en dat lag toch weer anders dan een liefdesnacht met een dienstmeisje. Geen wonder dat 21 november 1834 Van Lennep zijn hele leven bijbleef. Ook omdat…
Wordt vervolgd

Één nacht was hem gegund I

keizersgracht
Keizersgracht 560, waar Van Lennep sinds 1836 woonde. Er is geen bordestrap, die heeft hij zelf laten slopen om een grotere en lichtere voorkamer te hebben.

Het verhaal dat hieronder volgt heb ik al vele malen verteld en ook gepubliceerd, maar ik zet het toch op mijn blog omdat ik het nodig heb als inleiding bij een nieuw opzienbarend document dat ik gevonden heb. Morgen en overmorgen leest u het vervolg.

Op vrijdag 21 november 1834 zat professor David Jacob van Lennep op het Manpad in Heemstede uit te rusten na een jachtpartij toen er keihard aan de schel getrokken werd. Binnen kwam jonkheer Roëll, een van de zwagers van zoon Jacob, met het bericht dat deze sedert ettelijke uren uit Amsterdam vermist werd. Toen zijn vrouw namelijk omstreeks etenstijd naar hem vroeg, was de dienstbode stomverbaasd. Ze kon zich niet voorstellen dat Mevrouw van Lennep niet wist dat meneer zelf zijn koffers gepakt had voor een buitenlandse reis en in de voormiddag vertrokken was. Mevrouw van Lennep liet dadelijk haar broer halen, en deze vond de zaak heel verdacht, want hij was op de hoogte van een roddel die al een tijdje rondging.

In de zomer van 1833 had Van Lennep op zijn buitenhuis Woestduin een buurvrouw met een aantrekkelijke dochter gekregen. Deze Doortje Ringeling was een liefhebster van literatuur en bewonderde de verzen van Van Lennep zeer. Was het vreemd dat de bewondering van het maaksel op de maker overgedragen werd? Kortom, er ontstond een verhouding en heel wat mensen waren daarvan op de hoogte.

Mevrouw van Lennep en haar broer inspecteerden de linnenkast en kwamen tot de ontdekking dat de dichter inderdaad genoeg had meegenomen voor een lange reis. Tevens vonden zij een financiële volmacht voor mevrouw. De conclusie was niet moeilijk te trekken. De broer van Mevrouw Van Lennep spoedde zich zo snel mogelijk naar het Manpad, een kleine veertig kilometer verder. Op de Haarlemse weg kwam hij een rijtuig tegen waarvan hij de koetsier kende en die wel vaker voor Van Lennep reed. Hij sprak de man aan, en deze koets had inderdaad de twee gelieven naar Hillegom gebracht, waar ze van koets gewisseld hadden. De koetsier vertelde dat Van Lennep stiekem uit het raam van zijn woning aan de Herengracht in de koets gekropen was en van Amsterdam naar Halfweg gereden. Doortje Ringeling had heimelijk het huis van haar moeder in Haarlem verlaten en een rijtuig naar Halfweg genomen en daar hadden ze elkaar ontmoet. Doortje was bij Van Lennep ingestapt, de bagage werd bij elkaar gevoegd en daar gingen de gelieven samen verder. Toen Roëll dit allemaal aan David Jacob van Lennep had meegedeeld, was deze wanhopig, maar besefte toch dat snel handelen geboden was. In het begin van de nacht vertrok hij met Henk van Lennep, zijn schoonzoon, naar Rotterdam, steeds de reis onderbrekend om navraag te doen over de route van het liefdespaar. ’s Ochtends om vijf uur kwamen ze aan bij Hotel des Pays Bas in Rotterdam en wachtten bij de haard tot ‘Meneer en Mevrouw’ zoals het hotelpersoneel zei, opgestaan waren. En toen gebeurde er iets wat heel typerend is voor de vader en voor de moraal van de negentiende eeuw, en eigenlijk ook heel ontroerend. Eén nacht gunde David Jacob zijn zoon en zijn geliefde. Eén nacht om in elkaars armen te verzinken, volledig op te kunnen gaan in een grenzenloos bestaan. Na de coïtus, wanneer immers iedereen een beetje triest pleegt te zijn, zou hij hem aanspreken. Toen de dichter zonder laarzen uit zijn slaapkamer kwam, schoot papa hem aan, bracht hem alles onder ogen wat een vader onder zulke omstandigheden doet. Zo overtuigend waren de vaderlijke vermaningen, dat de zoon berouwvol zonder laarzen in de koets stapte en gewillig met zijn vader terug naar Amsterdam ging. ’s Middags zat hij weer thuis met zijn vrouw en vier kinderen aan tafel alsof er niets gebeurd was. De arme juffrouw Ringeling vond, toen ze klaar was met haar toilet en uit de kamer kwam, niet haar amant, maar een grimmige zwager van de overspelige echtgenoot. De gezamenlijke bagage werd van de stoomboot gehaald en Henk van Lennep bracht het bedroefde meisje naar haar zuster. Zo fijngevoelig was hij nog wel dat hij haar niet bij haar moeder op de stoep afzette.

Wordt vervolgd

Analyse van wat Rutte werkelijk zegt:

Excuus aan mijn volgers: ik ben zo boos over de vooronderstellingen die verborgen zitten in de advertentie die Rutte vandaag in de kranten plaatste dat ik een keer naar deze tijd uitwijk. Als je tot de kern van zijn tekst doordringt staat er dit:

Aan alle mensen met een Nederlands paspoort

We hebben veel geld in Nederland. Toch gedragen mensen zich alsof er armoede is.* Die mensen hebben veel invloed. Terwijl wij mensen met veel geld hard gewerkt hebben voor dat rijke Nederland, zijn die anderen bezig de boel te verstoren. De meesten van ons vinden het prima zoals het is. Maar we hebben zorgen. Iedereen doet niet meer normaal.* Dat heeft u ook wel gemerkt. De mensen gedragen zich asociaal. Ze nemen altijd voorrang in het verkeer. Ze spugen naar conducteurs. Ze gooien afval op straat. Ze maken groepjes. En die treiteren of bedreigen andere mensen. Mishandelen doen ze ook.

 Wij mensen met veel geld die hard werken vinden het wel heel erg dat hier mensen van buiten komen die de boel willen verklooien. Vreemdelingen die zich niet aanpassen.* Die homo’s lastigvallen of meisjes in korte rokjes. Ook maken ze ons uit voor racisten als we daar iets over zeggen. Nou, dan moeten die mensen maar weggaan. Of normaal doen, dat is voorrang geven, niet spugen naar conducteurs, geen afval op straat gooien en geen groepjes maken. Want als je dat niet doet kunnen wij dat niet normaal vinden. Nu begrijp ik wel dat jullie niet allemaal hetzelfde zijn en dat we jullie niet zo maar het land uit kunnen zetten. Dus: pas je nou maar aan en dan kun je blijven.

Want we willen ons eigen land zo houden als het was. Iedereen werkt voor zijn geld en haalt het beste uit zijn leven. Ik zou nergens anders willen wonen dan in Nederland. U wil dat ook, maar dat recht heeft u alleen als u normaal bent.

Vertaling: Marita Mathijsen

  • synoniemen van armzalig: armoedig, ellendig, belabberd
  • Rutte heeft het echt eerst over ‘de meerderheid’ en ‘niemand die meer normaal doet’, alsof ‘niemand’ niet uitsluit dat er nog een andere meerderheid kan bestaan.
  • Rutte gebruikt het woord ‘vreemdeling’ niet, maar omdat hij het heeft over mensen die naar ons land zijn gekomen en omdat hij het heeft over ‘weggaan’, en omdat hij zich richt tot alle Nederlanders, houdt dat in dat hij over vluchtelingen/vreemdelingen praat.

Wat ik in 2016 had willen doen

De foto’s inplakken van toen er nog geen digitale camera was. Fotoalbums samenstellen van sinds er wel digitale camera’s zijn en die naar de fotoservice van de HEMA sturen. Broeken passen en wat niet meer past naar de kledingbak van het Leger des Heils brengen. Die lezing over de eerste vrouwelijke gepromoveerden uitwerken en publiceren. Een nieuwe boekenkast laten bouwen en daar de boeken in zetten die nu op stapeltjes in de woonkamer en studeerkamer liggen. De rododendron snoeien. Naar Wight gaan waar Van Lennep geregeld zijn vakantie doorbracht. Het Literatuurmuseum zo ver krijgen dat ze naar Amsterdam verhuizen. Oude e-mails van lieve vrienden uitprinten en in mappen stoppen. Het boek over Van Lennep afmaken. Iemand laten kijken naar de wijnflessen in de kelder en er de flessen uit laten halen die in 2017 leeg moeten. Een nieuwe deurmat kopen. In de zomer naar de opera in Verona gaan. Heel toegankelijke artikelen schrijven over historische romans, de Romantiek, nationalisme, de canon, artikelen die elke student voor zijn plezier zou lezen. De zeven versies van mijn boeken en artikels die ik in de computer opgeslagen heb wissen tot ik de beste overhoud. Het boek over Van Lennep afmaken. Een brief aan Jan Fontijn schrijven dat ik zoveel van hem geleerd heb. Schoenen met hoge hakken die ik toch nooit meer zal dragen wegdoen. Twee olijfboompjes in bakken op het terras voor mijn huis zetten. Zeven gedichten van buiten leren. Goed zoeken naar dat gouden kettinkje van mijn dochter dat kwijt is. Het boek over Van Lennep afmaken. Opiniestuk opsturen naar NRC over de kwijnende Neerlandistiek aan de Nederlandse universiteiten. Een telefoon met apps leren gebruiken. Het boek over Van Lennep afmaken. Een nieuw broodrooster kopen. De vlekken van het hondje op het tapijt in de slaapkamer behandelen. Het boek over Van Lennep afmaken. Een haakwerkje dat mijn moeder een paar maanden voor haar dood begonnen is afhaken. Zorgen dat er altijd champagne in de koelkast ligt. Het boek over Van Lennep afmaken. Het boek over Van Lennep afmaken, afmaken…

Ik had gehoopt aan het eind van 2016 het bouwwerk klaar te hebben, zodat ik in 2017 kon gaan stucken, vloerbedekking leggen, schilderijen ophangen. Noten schrijven dus, samenhang controleren, illustraties uitzoeken. Nee het is niet gelukt. Vier verdiepingen zijn klaar met twintig kamers, de vijfde staat in de steigers en voor de zesde ligt het bouwmateriaal klaar. Ik kan niet beloven dat ik over veertien dagen klaar ben. Maar het komt eraan. Wat ik in 2017 ga doen? Het boek over Van Lennep afmaken.