Archief op auteur | maritamathijsen

Dagboek van een lezer 2 (juli 1806)

Iedereen vertelt heden over Mietje Hulshoff. De schrijfster is de dochter van de overleden dominee van de doopsgezinde kerk. Ze heeft een vreemde neiging tot opstand. Al twee jaar geleden kwam ze in aanraking met de politie vanwege een opruiend geschrift, maar ze werd vrijgesproken. Nu heeft ze in april door het hele land pamfletten verspreid tegen de Fransen, met de opruiende titel; Oproeping, van het Bataafsche volk, om deszelfs denkwijze en wil openlijk aan den dag te leggen, tegen de overheersching door eenen vreemdeling waarmede het Vaderland bedreigd wordt. Ze heeft het notabene voor eigen rekening laten drukken, en ze is zelf in een koets door het land getrokken om overal bij boekhandelaren en koffiehuizen het boekje te slijten. Ze gaat te keer tegen keizer Napoleon die zijn broer koning van Holland schijnt te willen maken. Dat is natuurlijk infaam, om onze Republiek zo te vernietigen, maar evengoed is het niet verstandig om zo naar buiten te treden. Als het mijn dochter was, zou ik haar wel tegengehouden hebben. Dit schrijft ze:

Over ons wil men een vreemd Vorst, met eigendunkelijke magt, de Schepter laten voeren; deze Republiek van eene vrije en onäfhankelijke Bondgenoote, gelijk zij behoort te zijn, in een wingewest veranderen, ons voor altoos tot slaven maken!! … Binnen weinige weken zal deze rampzaligste staat de onze zijn, ten zij gij U op een waardige wijze tegen zulk een ontwerp verzet.

Haar moeder was desperaat en heeft geprobeerd haar te verstoppen, maar het wicht zoekt zelf de aandacht. Ze heeft aan de politie laten weten waar ze te vinden was. Maar toen de agenten kwamen aanzetten met een arrestatiebevel, was Mietje verdwenen. Onbekende heren in een rijtuig met vier paarden hadden haar meegenomen, terwijl ze hevig tegenstribbelde. Dat vertelden ooggetuigen. Wie hebben Mietje ontvoerd? In de stad zeggen ze dat het haar moeder was, die haar wilde vrijwaren van politiegeweld. Maar misschien waren het ook oude patriotten die haar tegen zichzelf willen beschermen. Of handlangers van de justitie, die zit niet te wachten op een proces tegen een vrouw, daar komt altijd heibel van. Er wordt zelfs gezegd dat het representanten van de regering waren die bang waren voor oproer. Want alle echte vaderlanders zijn op haar hand. Hoe dan ook: Mietje is ontsnapt, teruggegaan naar Amsterdam, regelrecht naar de politie gestapt en ze eiste arrestatie. De politie aarzelde en toen dreigde ze een brief aan het stadsbestuur te schrijven over achteloosheid. Ze wilde zichzelf gewoon opofferen voor de goede zaak. De politie kon niet anders dan haar opsluiten, en ze kreeg een proces. De eis was driejarige opsluiting en eeuwige verbanning uit Holland, op grond van haar lasterlijk geschrijf tegen de overheid, van belediging van hooggeplaatste personen en het aanzetten tot oproerige beweging. Willem Bilderdijk werd een van haar advocaten. In zijn pleitrede stelde hij haar voor als kwetsbaar en geëxalteerd. Eigenlijk bepleitte hij vrijspraak op basis van haar vrouwelijke gevoeligheid. Mietje wilde daar echter niets van weten. Dat soort slappigheid hoort niet bij haar. Wat Bilderdijk ook probeerde als excuus voor haar actie: de vroege dood van haar vader, haar jeugdige leeftijd of haar vrouwelijk geslacht, het mocht van haar allemaal niet meetellen in de bepaling van de straf. Voor de wet moet iedereen gelijk zijn. Ze besloot zichzelf te verdedigen. Maar toen ze op 18 juli voor de rechter kwam, kon ze geen woord uitbrengen. Dus die vrouwelijke gevoeligheid, daar had Bilderdijk wel gelijk in. Het vonnis is nu geveld: twee jaar opsluiting.

Afbeelding van burgervrouwen, moeder en dochter, rond 1806

Dit is een stuk uit het lezersdagboek dat ik verwerk in mijn eerstvolgende boek over het lezen in de negentiende eeuw. Ik zette er al een op mijn blog op 1 januari 2021.

De metaforen van de natuur

De natuur was niet mild in de negentiende eeuw. Als het regende kwam er geen motregen, maar stortregen. De rivieren overstroomden, dijken braken door. Duizenden mensen verloren bij overstromingen het leven. Als het vroor, vroor het hard. Er was dan geen scheepvaart meer mogelijk, en Amsterdam kreeg het drinkwater uit de Lek niet meer aangevoerd. Bij storm stortten huizen in en vergingen schepen. De natuur was slechts voor een deel getemd, zij was onberekenbaar en kon toeslaan als een moordenaar.

Deze natuur doordrenkt dan ook de kunst van de eerste helft van de negentiende eeuw. Het geweld van de natuur werd gezien als een metafoor voor de woelige tijden van ná de Franse Revolutie. Het meest geschilderde tafereel van die tijd is de schipbreuk. Keer op keer werd de  mens afgebeeld die probeert kost wat kost te overleven in de woedende zee. In heel Europa raakte het schilderij van Théodore Géricault, Het vlot van de Medusa uit 1818 bekend. Daarop beeldde Géricault de laatste levenden op een vlot van 149 schipbreukelingen af, die in de verte een schip zien naderen. Hoop en wanhoop strijden om beurten in het contrastrijke schilderij. Om het er zo realistisch mogelijk uit te laten zien, bezocht Géricault lijkenhuizen en hospitalen. Géricaults schilderij laat aan de horizon licht gloren. Onheilspellend of hoopgevend?

Dat is weer anders bij Schipbreuk op een rotsachtige kust van de Nederlandse romantische schilder Wijnand Nuyen uit 1837. Het onweer heeft een driemaster op de kust geworpen. Overal liggen doden en gewonden. Omwonenden proberen nog wat slachtoffers te redden. De zon breekt door de wolken heen, maar zijn licht benadrukt slechts de macabere ramp. Het beschijnt een zeildoek dat als een lijkwade op het strand ligt. Geen mens is bestand tegen natuurgeweld. Beide schilderijen hebben een politieke lading: de mens is het slachtoffer van hogere machten. Maar het is niet de bedoeling van de kunstenaars dat de toeschouwers hierdoor ontmoedigd worden. Zie de lichtval bij Nuyen, zie de horizon in de verte bij Géricault. De boodschap is: hou vol, kom in opstand, er gloort redding.

Hetzelfde gebeurde in de literatuur. Scheepsrampen, overwinteringen op Nova Zembla, overstromingen en stormen: dat zijn de grote thema’s van de literatuur in de eerste decennia van de eeuw. En altijd brachten de lezers en de schrijvers ze in verband met de politieke situatie. Op een andere manier kon men nog niet denken over de Revolutie: die was een vorm van natuurgeweld geweest, dat niet te beheersen viel. Maar verandering was wel degelijk mogelijk – dat beseften de kunstenaars.

Dit is wat een lezer daarover schrijft:

Op de sociëteit schoof mijn buurman mij een vers toe dat geschreven is door Jan Frederik Helmers. Die dappere dichter roept ons op tot geweld om de Fransen te verdrijven:

Barst los in woedende onweêrsbuijen!

Valt aan van ’t noorden en van ’t zuiên!

Stort neêr, verplet het vloekgedrocht!

Maakt, maakt een einde aan onze ellenden,

Trapt, trapt het monster op de lenden,

 […]

Zijn Broederschap is moorderije,

Zijn Vrijheid, de ergste slavernije,

Gelijkheid niets dan roof en moord.[1]

Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, die mooie woorden van de Franse Revolutie, hebben slechts slavernij gebracht over heel Europa, zegt Helmers. Hij heeft potjandorisch gelijk en ik bespeur hier overal dat degenen die meegewerkt hebben aan de omwenteling van 1795 nu teleurgesteld zijn. De Fransen lijken ons steeds verder te willen knechten. Helmers zag dit al twee jaar geleden, toen hij in zijn `Aan mijne landgenooten’ ons waarschuwde voor de Franse roversbende:

Zal dan een rooverbende, o schand’!

Een naakte horde van afzigtelijke slaven,

Als englen des verderfs, met toortsen in de hand

Het eertijds bloeijend Nederland,

Door een’ afschuwelijken brand,

Bij ’t zinloos vreugdgeschal, in puin en asch begraven?[2]

Het is verbluffend wat zo’n dichter voorziet! Iedereen geloofde indertijd dat de Fransen ons kwamen verlossen van die zelfzuchtige veelvraat van een stadhouder, en dat ze ons zouden helpen bij het herstel van de oude Republiek. Hadden we maar beter geluisterd naar Helmers. Wat eerst een fraaie zonsopgang leek, is omgeslagen in noodweer, barbaren nemen ons land in. De Revolutie heeft de samenleving niet menselijker gemaakt en de Franse strijders hebben de omwenteling slechts gebruikt om de heerschappij over Europa te krijgen.

Maar niet alle hoop was vervlogen. Wat overbleef was de erfenis van de Verlichting. De verlichte denkbeelden zouden het houvast blijken te zijn voor de komende tijd. Het moest anders, maar tegelijk hoefde het niet zo rigoureus als de Franse Revolutionairen gewild hadden. Dat er een menswaardiger samenleving moest komen, en dat de overheid daaraan kon bijdragen, daarover was men het eens.

Bovenstaand fragment is een stuk uit het eerste hoofdstuk van de biografie van de negentiende-eeuwse lezer. De eerste complete versie daarvan heb ik voor kerst voltooid. In 2021 gaat die verschijnen. Ik begin gewoon in 1800 (of beter: op oudjaar 1799, maar dat doet er nu niet toe), en ik eindig op 31 december 1899.

Het zal een geschiedenis van het lezen worden. Wat las de lezer van de negentiende eeuw en waarom en hoe? Wat stond in de belangstelling, wat drong niet door tot de gemiddelde liefhebber? Ik ga niet uit van de canon, maar probeer te achterhalen waar de aandacht naar uitging. Niet naar Jacques Perk en Marcellus Emants, maar naar Justus van Maurik en Johanna van Woude. Zelfs de dichter die belachelijk gemaakt werd door de Tachtigers, Fiore della Neve, haalde een duizendmaal hogere oplage dan zijn vilaine spotvogels, Albert Verwey en Willem Kloos.

De titel van de lezersgeschiedenis onthul ik nog niet… Maar ik ga u in de komende maanden wel wat voorproefjes geven. Ik permitteer me in dit boek in het hoofd van die lezer te kruipen en hem in de ik-persoon verslag te laten geven van wat hij (of zij) las of hoorde en wat hij daarvan vond.

Het hele boek zal een ode aan het lezen worden.


[1] Jan Fredrik Helmers, ‘Ode’. In: Gedichten. 3e dr.  Rotterdam: J. Immerzeel, 1822,  dl. 2, 204-207. Het gedicht verscheen voor het eerst in de verzamelbundel Dichterlijke gedachten-beelden. Amsterdam: Dóll, 1801.

[2] Jan Fredrik Helmers, ‘Aan mijne landgenoten’. In: Gedichten. 3e dr. Rotterdam: J. Immerzeel, 1822, dl. 1, 117-121.

Zeven hindernissen in het leven, en wat daartegen te lezen

Je pakt een kookboek als je verwende gasten te eten krijgt, je pakt een klussenboek als je wil weten hoe je een schilderij stevig ophangt, een tuinboek als je in plaats van woekerende klimop een bloeiende clematis wilt planten, een medisch handboek als je wilt weten wat je tegen steenpuisten kunt doen en een reisboek als je naar een plek zonder internet af wilt reizen. Hoe zou het zijn als een mens ook naar boeken zou grijpen in netelige situaties die met de geest te maken hebben? Hoe zou het zijn als er literatuur was die dan bijna vanzelfsprekend uit de kast gehaald zou worden, zoals er nu in verband met corona zoveel mensen De pest van Albert Camus tevoorschijn gehaald hebben? Hoe zou literatuur uit het verleden meer impact kunnen krijgen in het dagelijks leven?

     Laten we ons eens voorstellen bij wat voor soort situaties literatuur zou kunnen helpen. En dan bedoel ik geen snelle ehbo-hulp, maar hulp in de zin van begrip, berusting, herkenning en overdenking. Welke hindernissen in het dagelijks leven zouden aanvaardbaarder gemaakt kunnen worden, of verzacht, als de lijder een boek zou lezen? Ik ga er dan vanuit dat een roman of toneelstuk met verandering van personages, tijd en plaats toepasselijk zou kunnen zijn op wat de lezer het leven bemoeilijkt, en daardoor heling zou kunnen bieden. Omdat de lezer ziet dat hij of zij niet alleen staat, dat er door de eeuwen heen vergelijkbare situaties zijn geweest, die wellicht ook niet opgelost konden worden, en zo de lezer verlichting geven.

     Wat zijn de meest voorkomende hindernissen waar een mens mee geconfronteerd wordt? Wat zou een vrouw, werkzaam op de universiteit, bijvoorbeeld tegenkomen? Ik heb het dan niet over het grote kwaad, niet over moord, niet over geweld, maar over  ergernissen die elke dag kunnen optreden, over hoe je bejegend wordt door anderen, over hele concrete gevallen die je misschien naar een abstracter niveau kunt trekken. Lege plastic waterflesjes in het park: milieuvervuiling. Papieren van de parkeerdienst: bureaucratie. Een marktkoopman die je 500 gram kersen laat betalen terwijl de weegschaal 450 gram aangeeft: hebzucht. En zo komen we bij de zeven hoofdzonden terecht: hoogmoed, hebzucht, wellust, jaloezie, onmatigheid, woede en traagheid. Die kunnen tot groot kwaad leiden, maar ze liggen ook ten grondslag aan kleine, dagelijkse ergernissen. Heb je ermee te maken op het werk, in huis, ben je zelf wellicht de prooi van een van deze kwaden? En bestaat er dan literatuur die je kan helpen om te contempleren over de ergernissen en ze naar een hoger plan te trekken?

     Laten we eens beginnen met hoogmoed. Hoeveel collega’s op het werk zijn er niet die zichzelf te hoog inschatten, die denken dat ze hemelbestormende artikelen schrijven en die het werk van jou nooit eens ter sprake brengen in een college? Zijn er mooie boeken over hoogmoed die ten val komt?  Zullen we archibald strohalm, de eerste roman van Harry Mulisch daarvoor inzetten? Het verhaal van een man die denkt dat hij een kunstwerk kan scheppen over het ‘hiervoormaals’ en dat hij daarmee de wereld naar zijn hand kan zetten. Dat eindigt in een vernederend fiasco en de dood van de hoofdpersoon.  

     En dan die hebzuchtige buurman, die zelf geen auto heeft, maar die van jou telkens te leen vraagt als hij eens naar Ikea moet omdat daar net een kortingsactie is, en die de benzine daarna niet eens vergoedt. En je durft hem niet te kapittelen omdat jouw gasten hun auto vaak bij hem voor de deur zetten. Kijk, dan kun je goed terecht bij Warenar van P.C. Hooft, waar de hebzuchtige hoofdpersoon de kous op de kop krijgt. Weliswaar kun je dan nog geen begrip opbrengen voor de oorzaak van hebzucht. Als je daar verder mee wilt, kun je misschien nog De avonden van Gerard Reve uit oude dozen met boeken van jaren her opduiken, waarin de oorlog aangedragen wordt als excuus voor de zuinigheid van Frits’ ouders. Neem dan vooral ook nog bij het lezen een glaasje bessen-appel-vruchtenwijn.

     Stel je hebt last van collega’s die gluren naar je vormen alsof het nog de  jaren zestig zijn toen dat gewoon en zelfs leuk gevonden werd. Of je bent in een café en er worden verkeerde grappen gemaakt als je als vrouw gretig in het schuim van een glas bier hapt. Wellust dus: daar gaat de halve wereldliteratuur over. Maar mooie geilheid, lust waar je begrip voor op kunt brengen, erotiek die je doet blijven geloven in de schoonheid van het lichamelijke, en je doet beseffen dat er een verschil is tussen vuige wellust en begeerte, lees dan Kort Amerikaans van Jan Wolkers nog eens. En om goed te voelen hoe wellust is die over de grens gaat, zou je de Sara Burgerhart van de leukste dames uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis in handen kunnen nemen.

     Je schoonzus die zegt dat zijzelf altijd truitjes bij H&M koopt als jij net een beeldschone peperdure angoratrui van Versace gekocht hebt. Jaloezie, en die is vaak zo geniepig aanwezig, dat je niet eens beseft dat een opmerking die je steekt eigenlijk getuigt van afgunst. De mooiste tekst over jaloezie is wel Vondels Lucifer. Lucifer, de engel, is afgunstig geworden op de mens, die door God boven de engelen gesteld wordt, hij verzamelt een leger medestanders en trekt ten strijde tegen de engelen die God welgevallig blijven, delft het onderspit en eindigt als duivel.

     De zak chips die leeg moet, het vierde glas prosecco, nog een paar schoenen, nog een boek. Nog een relatie erbij op LinkedIn en nog een foto op Instagram. Op je publicatielijst ook de kleinste bijdrage aan neerlandistiek.nl plaatsen. Postzegels verzamelen. Onmatigheid, of dat nu in eten, drank, seks of bezit is, we kennen het allemaal, van jezelf en anderen, en we ergeren ons er allemaal aan, of het nu bij jezelf of bij de ander is. Voor dat soort boeken moet je naar Adri van der Heijden gaan – in zijn Advocaat van de hanen is de onmatigheid gestold in de mateloze drankzucht van de advocaat.

       De deur wordt met een smak dichtgeslagen, de echtgenote brult nog: zoek het maar uit, en laat je achter met een volle kattenbak en een omgestoten koffiekan en de taak om je broer uit te leggen dat jullie niet naar de verjaardag kunnen komen omdat je te laat van de vergadering kwam om de auto bij de garage op te halen voor zes uur. Woede. Bordewijk misschien, met de meedogenloze Dreverhaven in Karakter? Of is die woede te berekenend en moeten we meer zoeken naar de uitbarsting, de vulkanische woede zoals die optreedt bij vaders en zonen in Knielen op een bed violen van Jan Siebelink, waarin drie generaties hun frustaties uiten in ontembare vernielzucht?

Je bent redacteur van een tijdschrift, je hebt de recensierubriek onder je hoede, je verdeelt boeken en dan moeten de aanmaningsmails de deur uit. Goed, er zijn altijd een stuk of drie medewerkers die net voor de deadline inleveren, maar die anderen… Het boek ligt inmiddels al bij De Slegte, en nog is de recensie er niet. Traagheid, ach wie lijdt er niet aan? Belastingaangiften gaan te laat de deur uit, een beterschapswens blijft liggen, mails wachten op antwoord. Maar hebben we behalve Oblomov een andere romanfiguur die tot niets komt? Je hebt natuurlijk de trage ambtenaar Slijmering in Max Havelaar. Maar is er ook een boek waarin de onontkoombaarheid van het uitstellen van handelingen zo beschreven wordt dat je begrijpt waar het vandaan komt? Of moeten we nu denken aan de schrijver zelf die boeken niet voltooit die hij beloofd heeft: Het boek van violet en de dood, van Gerard Reve?

 Kortom: mens erger je niet, neem een boek – ook de Nederlandse literatuur heeft ze.

Deze bijdrage werd geschreven voor de bundel Voltreffer! Populariteit en popularisering van de historische Nederlandse letterkundedie werd samengesteld ter gelegenheid van het emeritaat van prof. dr. Lia van Gemert, hoogleraar Historische Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

Een boek voor Rutte

Vorige week hebben Lotte Jensen en Marc van Oostendorp het initiatief genomen elke week een boek uit de Nederlandse literatuur toe te zenden aan Premier Rutte. Aanleiding is een artikel van de anglist Peter Liebregts over het gebrek aan gebruik van literaire citaten bij Nederlandse politici, waarop ik in mijn vorige blog reageerde, en dat, net als een reactie van Lotte Jensen, op neerlandistiek.nl verscheen. Bedoeling is: meer waardering voor de schrijvers, meer erkenning voor de waarde van hun woorden. Dit is de brief die ik aan Rutte stuur:

Waarde heer Rutte,

Neemt u me niet kwalijk dat ik medelijden met u heb. Natuurlijk, u heeft er zelf voor gekozen om premier van Nederland te zijn. Maar toen u daarvoor koos, wist u niet wat er allemaal op uw bord zou komen. U wist niet van corona, u verwachtte niet dat u collega’s zou krijgen bij wie de leugens van de baron van Münchhausen in het niet vallen, u wist niet dat de mooie azuren Middellandse zee zou verkleuren tot een lijkenput voor vluchtelingen.

De inwoners van Nederland verwachten dat u met oplossingen komt, en het beroerde is dat iedereen zijn eigen paard van Troje bedenkt. Ik ook: toen u besloot de bibliotheken dicht te gooien, heb ik een kastje buitengezet, en daarin stalde ik boeken waarvan ik dacht dat mensen daar wel iets aan zouden hebben. Ik koos niet de winkeldochters, maar titels die ik zelf graag zou herlezen. Titels die nu nodig zijn: om hoop te houden, om mededogen te kunnen voelen, om disrespect te weren. Ik koos De diamant van Mulisch, een pure schelmenroman met een diamant als brutale hoofdpersoon, een soort ontsnappingskunstenaar die uiteindelijk toch ten onder gaat. De donkere kamer van Damokles van Hermans – twijfel over wat echt is en onecht hoort ook bij deze tijd. Door mijn straat lopen behalve scholieren ook bejaarden. Voor hen legde ik de Leekedichtjens van De Génestet klaar, met zijn geweldige puntige wijsheden die, ook al zijn ze honderdvijftig jaar oud, nog aankomen als injectienaalden. Deze bijvoorbeeld, die u wel eens kunt citeren als u een van die breedsprakige parlementariërs wilt prikken: ‘Verlos ons van den preêktoon, Heer!/ Geef ons natuur en waarheid weêr!’. Of deze, voor als u het nog over het effect van mondkapjes durft te hebben: ‘Doe ik mijn oogen toe,/ Dan wil ik ’t wel gelooven;/ Doch als ik ze open doe/ Komt weêr de Twijfel boven.’

Nu had ik de hoop dat u misschien wel eens langs mijn boekenkastje zou willen lopen, en ik leg er voor u speciaal iets in wat u moet opbeuren als u zich als Jozef in de put voelt. Ik ken geen betere balsem voor een schrijnend gemoed dan de poëzie van Judith Herzberg. Al haar gedichten paren het gemak van gewone taal aan diepgang die zich vanzelfsprekend openbaart. Ik wil u het bundeltje Het vrolijkt geven. U kijkt hier even van op: ja, het Nederlands kan dat gewoon, van een bijwoord een werkwoord maken. Bedrieglijk eenvoudig lijkt het gedicht waarmee de bundel opent, maar het is een geraffineerde manier om je aan het denken te zetten:

Mij vrolijkt het

als bij de boerderij

waar deze trein

voorbij rijdt, vijf

blauwe overalls

te drogen hangen

aan een lijn.

Mij vrolijkt ook

de gans die in een wei

lijkt te staan peinzen.

Het lijkt een pleidooi voor kleine tevredenheid – maar niet heus, want er zitten adders onder het gras. Als domme ganzen nadenken en er gewerkt en gewassen wordt, dan moet een premier toch ook ‘vrolijken’? De diepte zit bij Herzberg in de oppervlakte. Stiekem wordt u in de maling genomen: ‘De regenboogforel besloot/ dat klein te zijn/ meer kansen bood dan groot. Nu de brutaalste toehappers zijn opgesnapt, […] duiken de kleineren, de meer onooglijken/ de diepte in die voor hen/ open blijft’. Hou dat in de gaten als u naar Brussel afreist. En lees dan ook eens het gedicht over de koe die een museum bezoekt en daar jaloers wordt op de koeien van oude schilderijen. Geef dat maar door aan Carola Schouten, met de boodschap: ‘Voor wat ik je/ vertellen wil is fluisteren/ nog te luid’. En als u iets wil doordrijven, citeer dan: ‘Leer van de brandweer/ Vuur!/ Blussen!’. Hartverscheurend eenvoudig en toch complex. Dus, meneer Rutte, ik vraag u of u Het vrolijkt wilt accepteren. Dan hoeft u niet naar een bibliotheek want daar zien ze u liever gaan dan komen.

Met een hoogachtende groet,

Marita Mathijsen

Literaire citaten voor de Nederlandse politiek

In Nederlandse politieke toespraken is de literatuur niet een bron waaruit vaak geput wordt. In de Volkskrant van 30 november wees de hoogleraar Engelse letterkunde Peter Liebregts daarop. Hij vergeleek de martiale uitdrukkingen van Rutte en De Jong bij de coronacrisis met toespraken van Ierse politici, die wél de literatuur gebruiken om de coronamaatregelen te verzachten. Ook Franse politici zijn er meesters in. Macron verwees in zijn toespraak bij de herdenking van de vermoorde leraar Samuel Paty naar de ‘Lettre aux instituteurs et institutrices’ van Jean Jaurès, uit 1888, over de vastberadenheid en tederheid die goede leraren kenmerkt. Maar welke politicus in Nederland kent zijn klassieken zo dat hij zou kunnen verwijzen naar bijvoorbeeld Kees de jongen van Theo Thijssen, als het om leraren gaat, of naar De kleine Johannes, als het om het milieu gaat?

Of zou het misschien aan de Nederlandse literatuur liggen dat er geen citeerbare citaten zijn die aangewend kunnen worden door politici? Het zou wellicht een goede investering zijn voor een uitgever om een bundel samen te stellen met kant en klare citaten voor bij verschillende gelegenheden, maar dan zouden er weer Arjan Lubachs opstaan die meteen door zouden hebben dat de tekstschrijver van de premier zijn eruditie uit Het kant-en-klare-citatenboek-voor-toespraken gehaald had.

Toch wil ik wel een pleidooi houden voor meer literatuur in troonredes, in toespraken in de Tweede Kamer en in persconferenties. Er zijn Nederlandse dichters en prozaschrijvers die eigenlijk altijd wel een regel te bieden hebben die makkelijk uit de context te halen is en toch overeind blijft. Van Harry Mulisch, dit jaar tien jaar overleden, is net een aforismenbundel verschenen met sprankelende uitspraken die in allerlei situaties toepasselijk zijn. Bijvoorbeeld deze uit Voer voor psychologen: ‘Iedere mening sleept onmiddellijk haar tegendeel met zich mee’. Of deze: ‘Wie over de dood wil spreken, moet niets zeggen: dan spreekt hij de waarheid’ (Anekdoten rondom de dood). Gerrit Achterberg, J.C. Bloem, Martinus Nijhoff, Peter de Génestet zijn oudere dichters die onuitputtelijk zijn, maar ook bij levende schrijvers, zoals Judith Herzberg, Ellen Deckwitz of Ilja Leonard Pfeiffer zijn prachtige verwoordingen te vinden.

Laten we eens uitgaan van de vier hete hangijzers van dit moment, en daar toepasbare, troost- of hoopgevende citaten van Nederlandse schrijvers bij zoeken. De coronacrisis is natuurlijk het meest schrijnend op dit moment en daarbij zouden mooie troostgevende woorden wel gewenst zijn. Prachtig om mee te beginnen als er weer nieuwe beperkingen aangekondigd worden is een citaat uit het gedicht ‘November’ van J.C. Bloem, hoewel het niet troostend, maar berustend is: ‘Verloren zijn de prille wegen/ Om te ontkomen aan den tijd;/ Altijd november, altijd regen,/ Altijd dit lege hart, altijd.’ Meer vertroosting geeft deze regel uit ‘Het einde van ’t jaar’: ‘Al wat men leed/ kan men niet weder lijden’. En misschien is het heel rustgevend als Rutte dit in het vooruitzicht stelt: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’, alweer van Bloem, uit zijn gedicht ‘Herinnering’ (Verzamelde gedichten).

Kan de dichter ook te hulp schieten bij klimaatproblemen en de verlangens naar comfort enerzijds en anderzijds schone lucht, die vrijwel onverenigbaar zijn? De minister die het niet ziet zitten met nieuwe snelheidsbeperkingen en antistikstofmaatregelen kan de onmisbare Elsschot citeren met: ‘tussen droom en daad/ staan wetten in de weg en praktische bezwaren’ en voor zichzelf dat aangrijpende, zelden geciteerde vervolg prevelen ‘en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,/ en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat’ (Gedichten). Diezelfde minister zal De kleine Johannes niet durven citeren, en het stuk overslaan waarin Windekind tekeer gaat tegen de mensen die ‘vernielen al wat mooi en heerlijk is. Zij hakken boomen om en zetten er plompe, vierkante huizen voor in plaats. Zij vertrappen de bloemen moedwillig en dooden voor vermaak elk dier, dat onder hun bereik komt. In hun steden, waar zij opeen kruipen, is alles vuil en zwart en de lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn geheel vervreemd van de natuur en hun  medeschepselen.’ Dat is misschien meer iets voor Jesse Klaver.

Een derde punt: het gebrekkig functioneren van de overheid, of het nu gaat om de afwezigheid van snelle teststraten of om ten onrechte als frauduleus bestempelde toeslagen voor kindjes in dagverblijven. Compassie met de slachtoffers kan blijken als de verantwoordelijken Hanny Michaelis citeren: ‘Alle eindjes/ aan elkaar geknoopt/ tot een patroon dat zich/ laat leven. Dagenlang/ gaat het goed. En dan/ is het er weer, het gat/ waar alles in verdwijnt’ (Verzamelde gedichten). Maar de overheid zal wel weer excuses zoeken voor haar gebrek aan slagvaardigheid en met Ellen Deckwitz verzuchten: ‘Laat me asjeblieft/door. Laat me nooit/ de waarheid zeggen,/ als ik dat doe komt er een vos in me op/ en je weet hoe vossen zijn die maken meer kapot/ dan ze op kunnen’ (Hogere natuurkunde). Of de boemerang van Peter de Génestet hanteren: ‘Gij, die in alle dingen/ Slechts zonde vindt en schuld…/ Van leelijke gedachten/ Is vast uw ziel vervuld’ (Gedichten).

Voor de koning en zijn Griekse miskleunen kan men terecht bij Gerard Reve: ‘Gij, die Koning zijt, dit en dat, wat niet al,/ ja ja, kom er eens om,/ Gij weet waarom het is, ik niet./ Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’ (Verzamelde gedichten).

Er is ook nog de angst voor terroristische aanslagen. Niemand weet wie de eerste verwoorder was van de regels: ‘Een mens lijdt dikwijls ’t meest/ Door ’t lijden dat hij vreest’. Ferd Grapperhaus zou hiermee de angst kunnen temperen die iedereen voelt die het nieuws nauwgezet volgt. Judith Herzberg varieert daarop: ‘Zo zijn het vaak onze meest eigene gedachten/ de meest nabije, de meest schrijnende,/ die wij door moeten strepen,/ uit moeten krassen.’ (Doen en laten).

Negentiende-eeuwse dichters zijn altijd goed voor opbeuring. Een vooruitziende blik schijnt Nicolaas Beets te hebben in zijn gedicht ‘Opvoeding’: ‘Een dwaas houdt, als besmettingen regeeren,/ Zijn deur en vensters dicht om ze af te weren,/ En (wanende dat hij zijn kroost behoedt)/ Vergiftigt, door vervuilde lucht, hun ’t bloed./ De wijze zorgt voor lucht, geregeld leven,/ Goed voedsel, en een onbezwaard gemoed – / De rest blijft biddende in Gods hand gegeven.’ (Dichtwerken) Toegegeven: met die hand van God zal Rutte alleen de gelovigen in Barneveld en omstreken een plezier doen. Peter de Génestets dichtregels uit Leekedichtjens zijn op alle hedendaagse situaties toepasbaar: ‘Veel is bewezen dat toch in den grond niet waar is,/ En veel is eeuwig waar, ofschoon ’t bewijs niet daar is.’

En dan tenslotte, buiten alle misère om, nog eens Judith Herzberg  met het meest opbeurende gedicht dat ik ken: ‘Mij vrolijkt het/ als bij de boerderij/ waar deze trein/ voorbij rijdt, vijf/ blauwe overalls/ te drogen hangen/ aan een lijn./ Mij vrolijkt ook/ de gans die in een wei/ lijkt te staan peinzen.’ (Het vrolijkt).

Dit stuk verscheen in de Volkskrant op 6 november, en op neerlandistiek.nl op 7 november.

Een elitaire camping

The Fanghetto Reporter

De ouders van Alma Mathijsen belandden dertig jaar geleden via Fanghetto in Bussare. In haar jongste roman, Bewaar de zomer, speelt de streek een hoofdrol. Een voorpublicatie.

‘Er zijn hier best veel Nederlanders.’
De jongen tikte net de twee meter aan, had hoogblond haar en was eerder die dag een berg op gereden op zijn zelf meegebrachte wielrenfiets.
‘Vind je dat niet raar?’
Hij was de gloednieuwe vriend van een van mijn beste vriendinnen, en ik wilde nu al de pasta van zijn bord slaan. Ik werd altijd defensief als mensen over het aantal Nederlanders in de regio begonnen, ik deed mijn uiterste best mezelf in te houden.
‘Nee, mijn ouders kwamen dertig jaar geleden mee met een vriend en sindsdien zijn ze altijd teruggekomen, ze brachten mijn oom mee en die bleef ook. Net als de beste vriend van mijn ouders, en die nam ook weer vrienden…

View original post 551 woorden meer

Het kwaad in de literatuur

Man verdenkt vrouw van overspel, en vermoordt haar – zoals in Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants of in Twee vrouwen van Harry Mulisch, in een iets andere setting, waarbij bedrog de hoofdrol speelt. Of: het individu bindt de strijd aan tegen de macht van het kapitaal, zoals in Thomas Rosenbooms Publieke werken. Of: vrouw bevecht zelfstandigheid en delft het onderspit, zoals in Majoor Frans van Geertruida Bosboom-Toussaint.  In de meeste romans en toneelstukken staat een conflict centraal, waarbij negatieve en positieve krachten botsen. Daaraan ontlenen literaire werken hun fascinatie. Belangrijk is niet dat de minnaar de beminde wel of niet krijgt, maar wat de algemene obstructies zijn die het menselijk geluk in de weg staan, en die in de literatuur zo beschreven worden dat de lezer ze herkent en ziet dat ze hemzelf aangaan. Wat zijn dan die negatieve krachten in een roman of toneelstuk die tot ondergang leiden of die soms overwonnen worden? Fascinerend is dat in de literatuur de negatieve krachten wisselen met de eeuwen, en dus afhankelijk zijn van het denken van de mensen in een bepaalde periode. 

Aanstaande woensdag (21 oktober) begint bij de Illustere School van de Universiteit van Amsterdam een collegereeks over Het kwaad in de Nederlandse literatuur.

Over het kwaad bestaat een uitgebreide filosofische literatuur – van Safranski tot Kant, van Leibniz tot Rousseau: vele filosofen probeerden te beredeneren hoe het kwaad in de condition humaine zit, of niet. De filosofen bestrijden elkaar: volgens Kant heeft de mens een diepgewortelde hang naar het kwade, Nietzsche ziet goed en kwaad slechts als menselijke interpretaties. Hoe zit dat bij de literatoren? Het kwade, het negatieve is de as waarom de literatuur draait, het is dat wat literatuur zo fascinerend maakt – er bestaat immers geen literatuur waarin alleen maar over voorspoed en geluk en tevredenheid een rol speelt. Behalve dan het satirische boek van Voltaire: Candide où l’optimisme, waarin Voltaire de optimistische filosoof Leibniz bespot met zijn opvatting over ‘de best mogelijke wereld’ waarin we zouden leven.

De duivel verleidt Adam en Eva, Rembrandt

In de Lucifer van Joost van den Vondel is het kwade belichaamd in de jaloezie die Lucifer op de mens heeft, die machtiger zou worden dan de engelen. Bij Mariken van Nimweghen is het kwaad letterlijk belichaamd in de duivel Moenen, die haar begeerte naar kennis zo weet te bespelen dat zij zwicht voor zijn verleiding. In Hanna Bervoets Alles wat er was is het kwaad aanwezig als een grote onbekende milieuramp in de buitenwereld, waardoor een kleine groep mensen gedwongen wordt mogelijkheden tot overleven te zoeken. Lichtzinnigheid, machtswellust, begeerzucht, experimenteerzucht, verslaving, dat alles kan teruggevonden worden in literaire teksten. Hangen die samen met de christelijke zeven hoofdzonden? Of moet het kwaad begrepen worden als het blinde noodlot uit de klassieke Griekse literatuur? Door de tijden heen is er misschien wel een fascinatie voor één soort kwaad per tijd aanwijsbaar. Geloofstwijfel komen we tegen in boeken uit de tijd van de Verlichting, in middeleeuwse teksten heeft de duivel macht, in de negentiende -eeuwse romans redt de medische wetenschap de personages niet van besmettelijke ziekten, oorlogszucht overheerst in boeken uit de twintigste eeuw.

Val van de opstandige engelen door C. Lebrun

De colleges worden gegeven door achtereenvolgens Yra van Dijk, Jeroen Jansen, Herman Pleij, Bert Paasman, Marita Mathijsen, Klaus Beekman en Jaap Goedebuure, wekelijks op woensdagmiddag. Het zijn zoomcolleges met mogelijkheid tot het stellen van vragen. Intekening is nog mogelijk via https://www.uva.nl/programmas/open-programmas-is/het-kwaad-in-de-literatuur/het-kwaad-in-de-nederlandse-literatuur-door-de-eeuwen-heen.html

1 x Max Havelaar overschrijven

De Multatulihoogleraar aan de VU, Jacqueline Bel, kwam op het idee om Max Havelaar over te laten schrijven door prominente en andere Nederlanders, om zo een uniek exemplaar te krijgen, dat verder geen pretenties heeft, maar interessant is vanwege de commentaren die erbij gevoegd zijn, en natuurlijk ook omdat elke overschrijver zo zijn eigen wijze had om dit te doen. Vandaag, 24 september, staat er een stukje over op de achterpagina van NRC. Ik werd ook gevraagd een passage over te schrijven, en liet de organisatoren weten dat ik het liefst het stuk op me wilde nemen waarin zoon Frits balsturig wordt ten opzichte van vader Droogstoppel en dominee Wawelaar, en tegendraadse vragen over de Bijbel stelt. Maar toen bleek, dat voor het overschrijven de laatste druk bij  leven van Multatuli gekozen was, de vijfde druk. Het handschrift met de oorspronkelijke tekst kwam niet in aanmerking. En die balorige vragen van Frits zijn nu juist verwijderd uit de eerste druk en latere uitgaven, terwijl ze wel in het handschrift staan.

Ik heb vervolgens voor het officiële project de passage overgeschreven waarin Frits én zijn zus Marie opstandig worden, maar daar wél de passage uit het handschrift aan toegevoegd met de verdwenen vragen van Frits. De officiële passage begint ermee dat Marie niet verder wilde lezen in de bijbel bij de geschiedenis van Lot.

Waarom wilde Marie daar niet verder lezen? Genesis 19, met de lotgevallen van de stad Sodom, gaat over Lot, de enige rechtvaardige man in de verdorven stad. Er komen twee engelen, in de gedaante van schone jongelingen, bij hem op bezoek om hem te waarschuwen voor de ondergang van Sodom. De mannelijke inwoners van Sodom willen dat Lot hun die jongelingen overlevert, om er seks mee te hebben (‘breng hen uit tot ons, opdat wij ze bekennen’). Dat weigert Lot, hij biedt de mannen wel zijn dochters aan die nog maagd zijn (‘geen man bekend hebben’). De mannen hebben echter hun zin gezet op de jongelingen en willen Lots huis binnendringen, maar dan worden ze door de engelen met blindheid geslagen. Lot vlucht met zijn dochters en zijn vrouw, onder het verbod om te kijken als de stad verwoest wordt. Zijn vrouw verandert in een zoutzuil als ze toch omkijkt. Lot vestigt zich vervolgens met zijn dochters in een spelonk. De meisjes willen nageslacht, en om dat te krijgen voeren ze Lot dronken en ze plegen incest met hem zonder dat hij het merkt. Homoseksualiteit en incest: is het vreemd dat een meisje uit een ‘fatsoenlijk’ gezin waar gelet wordt op zedelijkheid dat niet wil voorlezen? Waarom staat papa Droogstoppel wel toe dat dochter zoiets hoort? Heel eenvoudig: omdat het in de Bijbel staat en de Bijbel is per definitie fatsoenlijk en zedelijk.

Die pagina’s heb ik overgeschreven met een stalen pen in de bruinachtige kleur inkt die Multatuli ervoor gebruikte. De ganzenveer was toen al afgeschaft, alleen enkele oude schrijvers zoals Jacob van Lennep, gebruikten die nog in 1859. Ik bestelde speciaal vergeeld papier. Als voorbeeld gebruikte ik naast de vijfde druk de facsimile-uitgave van het handschrift. Het lukte me niet de regellengte aan te houden, Multatuli’s schrijfwijze neemt minder ruimte in dan die van mij. Ik heb met rode pen de veranderingen die Jacob van Lennep in het handschrift aanbracht, weergegeven. In deze passage was dat alleen maar één komma.

De verdwenen passage heb ik daarna overgeschreven uit de facsimile van het handschrift. De uitgever zette daarin met potlood vierkante haken om de passage die overgeslagen moest worden. Van Lennep schrapte drie vragen door er rode inkthaakjes om heen te zetten.[1] De potloodstrepen en de rode haakjes heb ik in kleur overgenomen. Het is zo jammer dat in alle officiële uitgaven van Max Havelaar die geestige vragen van Frits niet staan, zoals:

Droeg Jezus kousen, en had hij een’ tulband op? – Hoe hoog is hij opgevaren voor hij aan den rand kwam van onze atmospheer? -Is er een proces geweest over de waarde van die varkens die in het water werden gejaagd? – Waartoe dienden die varkens in een land waar zwijnevleesch verboden is? – Hoe kwam Noach aan een paar ijsbeeren voor de ark?

Tja – met wetenschap heeft dit overschrijven allemaal niets te maken. En bij de gebroeders Winter in kantoorartikelen moesten ze flink zoeken voor ze een pot bruine inkt vonden. Rode inkt was wel voorhanden. Of ik die pot en die pen nog eens zal gebruiken? Misschien moet ik me voornemen voortaan als ik een boek signeer dat met bruine inkt en een stalen pen te doen. 


[1] Dit brengt me tot de conclusie dat Van Lennep eerst drie vragen schrapte en dat de uitgever vervolgens aangaf dat álle vragen van Frits weg moesten.

Las George Eliot J.J. Cremer?

In acht afleveringen publiceerde George Eliot tussen 1871 en 1872 haar roman Middlemarch. Die maakte furore in Engeland en werd al heel snel in diverse talen vertaald. In Nederland verscheen de vertaling in 1873. Eliots eerdere roman, Adam Bede, had heel veel succes in Nederland, en werd wel zeven maal herdrukt in de negentiende eeuw. Middlemarch bleef steken bij de eerste druk. Het was een omvangrijk boek in vier delen, meer dan 1000 pagina’s en die omvang schrok de recensenten af. Weliswaar tuimelden ze over elkaar heen om deze ‘degelijke lectuur’ te prijzen die wel een ‘romantische vorm’ had, maar ‘zonder tafereelen die de zenuwen doen trillen, zonder hartontroerende gebeurtenissen, ingewikkelde intriges, onnatuurlijke of verrassende ontknoopingen’. Maar vier delen vonden ze gewoon te veel van het goede.

Een van de hoofdfiguren van Middlemarch  is de idealistische jonge dokter Tertius Lydgate. Die komt naar het denkbeeldige Middlemarch in de Midlands, omdat hij via een weldoener de kans krijgt een nieuw ziekenhuis te beginnen. Hij minacht de andere geneesheren van het stadje, die er vooral op uit zijn hun patiënten dure ‘versterkende middelen’ aan te smeren en nauwelijks op de hoogte zijn van nieuwe ontwikkelingen in het vak. Hij is bezig met onderzoek, onder andere naar de cholera, en verwacht dat hij tot nieuwe ontdekkingen zal komen. Een plaatselijke schoonheid, de burgemeestersdochter Rosamond Vincy, ziet in de dokter een aantrekkelijke partij, die omhoog zal komen in de maatschappij. Rosamond is een verwend poppetje dat van huis uit gewend is altijd haar zin te krijgen. Lydgate valt als een blok voor haar. Hoewel hij eigenlijk pas wil trouwen als hij zich een positie heeft verworven, weet zij snel een huwelijk af te dwingen. En dan begint de ellende. Lydgate is verslaafd aan haar sensuele schoonheid, en weerstaat haar vele verzoeken om aanschaf van luxe meubelen, van nieuwe kleren, van zilveren bestek en dergelijke niet. Ook huurt hij een huis ver boven wat hij kan betalen, en dus moet hij schulden maken die hij niet kan aflossen. Hij is een man die door Freud ‘sexuell hörig’ genoemd zou zijn: zo verslingerd aan de lichamelijke bekoring van zijn vrouw dat hij alle rationele overwegingen opzij schuift om haar maar haar zin te geven. Het betekent uiteindelijk de ondergang van Lydgate: hij maakt zijn ambities niet waar, moet Middlemarch verlaten, wordt een society arts en overlijdt vrij jong. Tegenover dit op seksualiteit gebaseerde huwelijk staat het huwelijk van de andere hoofdpersoon, de negentienjarige Dorothea Brooke. Zij trouwt met een veel oudere man, de godgeleerde Casaubon, niet uit liefde, niet omdat hij een aantrekkelijke uitstraling heeft, maar puur omdat ze tegen zijn geleerdheid opziet en in hem het middel ziet om aan de holle society-wereld waarin ze opgroeit te ontsnappen. Bovendien denkt ze dat zij zíjn ambitie om een boek te voltooien dat ‘De sleutel tot alle mythologieën’ moet gaan heten, kan helpen verwezenlijken. Dat wordt een dor huwelijk zonder seks, met een nerveuze en egocentrische man die elke lichamelijke toenadering van Dorothea en haar aanbod van hulp bij zijn onderzoek verzenuwd afwijst.   

Rosamond en dokter Lydgate

Twee jaar vóórdat Eliot Middlemarch publiceerde, begon in Het Vaderland  een romanfeuilleton van de geliefde schrijver Jacob Jan Cremer, met de titel Dokter Helmond en zijn vrouw. In 1870 kwam de roman in boekvorm uit, en er verschenen nog drie extra drukken voor het eind van de eeuw. Hoofdpersoon is ook hier een jonge idealistische dokter met moderne kennis van zaken. In het – ook denkbeeldige – dorp Romphuizen waar hij terecht komt, raakt hij verliefd op het mooiste meisje van de omgeving – die denkt zich omhoog te trouwen met een rijke dokter die wel carrière zal maken. Eva dwingt haar dokter ertoe een veel te duur huis te kopen, en is voortdurend bezig zich via luxe aankopen de hoogste klassen binnen te dringen. Helmond steekt zich diep in de schulden om tegemoet te komen aan de wensen van zijn echtgenote, en die hebben altijd te maken met juwelen, kleren, zilveren tafelgerei, elegante meubels, dure tapijten en dergelijke. Of met spectaculaire feesten waarbij de beau monde opkijkt van de overdaad. De patiënten van Helmond lijden daaronder. Het komt zelfs voor dat zij zoveel aandacht opeist dat Helmond niet onmiddellijk naar noodgevallen toe gaat, zodat er doden vallen. Maar telkens als hij probeert Eva te temmen, weet zij met tranen en tournures van haar mooie lichaam en liefkozingen toch weer haar zin door te drijven. Ze verwijt hem dat ze schriel afsteekt bij vrouwen uit de hogere klassen, en Helmond kan zich alleen maar verder en verder in de schulden steken om haar tevreden te stellen.

Dokter Helmond en Eva, uit Eigen Haard 1876

Hij begint patiënten kwijt te raken, en zijn schuldeisers dulden geen uitstel meer. Helmond vervalt dan in waanzin, beeldt zich in dat hij zijn rijke stiefvader vermoord heeft en slaat op de vlucht. In zijn delirium komt hij in een volgend dorp terecht, waar hij zijn broer ontmoet, met wie hij eerder gebroken heeft. Deze neemt hem op in huis. Daar sterft dokter Helmond, na een laatste omhelzing met zijn zwangere vrouw. Haar naam, Eva, had hem kunnen waarschuwen: ze was de oervrouw, die van de verboden vrucht at en haar man overhaalde mee te doen.


Ook bij Cremer is er dus sprake van een sexuell hörige man, die zich laat verleiden door de lichamelijke aantrekkingskracht van de vrouw, die daar in haar zucht tot de hoogste klassen door te dringen gebruik van maakt. Zowel Rosamond als Eva zijn fatale vrouwen, die hun man naar de ondergang voeren. Ze hoeven geen heksentoeren uit te halen, met het eenvoudige middel van hem al dan niet seksueel af te wijzen of toe te laten, krijgen ze hun zin.

Beide boeken werden omstreeks 1870 geschreven. Het naturalisme, met boeken over verveelde vrouwen van het type Eline Vere, was nog niet aangebroken. Toch is het voor beide boeken ondenkbaar dat ze rond 1840 geschreven zouden zijn, toen de vrouwen in romans óf deugdzame maagden óf toverkollen waren, of natuurlijk brave moeders.[1] Hoe komt het dat eenzelfde thema voor een roman bedacht werd in dezelfde tijd, in twee landen met een zee ertussen en met een weinig vergelijkbare literaire ‘omwereld’, door een schrijver en een schrijfster die elkaar onmogelijk gekend kunnen hebben? Freud was nog een puber, dus daar kan het niet vandaan komen. Maar dat het iets met de veranderende positie van de vrouw te maken heeft, moet wel. In beide boeken ligt de nadruk niet meer op de afhankelijkheid van de vrouw van de man, maar op de mannelijke afhankelijkheid van de vrouw. Dat dat niet als een positieve ommekeer gezien werd, maar juist de ondergang van de man veroorzaakte, zegt wel voldoende over de twijfels waarin het genderframe terecht was gekomen.


[1] Met als uitzondering Ottelijne in Toussaints Het Huis Lauernesse, een fiere vrouw die eigen keuzes maakte.

Waar vind ik de ‘beestachtige’ roman: Loon naar werken van Hirschmann?

Met diepe verontwaardiging wierp de recensent het boek Loon naar werken opzij toen hij eraan begon. In het ‘Voorspel’ van deze roman wordt iets beschreven dat zo schandalig is, zo afschuwelijk, zo ingemeen, zo lager dan dierlijk, zo indruisend tegen alles wat menselijk heet, dat iedere lezer toen hetzelfde zou doen als de recensent van De Vaderlandsche Letteroefeningen uit 1874, volgens deze recensent, de predikant Johannes Hoek. Het tweedelige boek is geschreven door een zekere Hirschmann, en in 1873 uitgekomen bij de Gorinchemse uitgever Horneer. De recensent is geschokt over wat hij in het boek leest, iets wat zo exceptioneel schijnt te zijn dat hij er in zijn zestigjarige leven nog nooit van gehoord had en zelfs nooit gedacht had dat er zoiets bestond. Hij heeft wel kennis van beestachtigheden bij natuurvolken en bij door drank en oorlog verhitte soldaten, maar wat hij nu te lezen kreeg ging over elke grens heen. Hirschmann beweert in het ‘Voorspel’ dat de schanddaad waarover hij schrijft werkelijk gebeurd is – en die is zo afschuwelijk dat de recensent er verder geen woorden aan wil vuil maken. Maar mocht de gebeurtenis verzonnen zijn, dan is de verbeelding van de bedenker wel bijzonder smerig. Dit soort boeken hoort gewoon niet uitgegeven te worden en Johannes Hoek raadt alle directeuren van leesbibliotheken dringend af het boek aan te schaffen.

Het verhaal van de roman, na het beestachtige begintafereel, moet volgens Hoek verder vrij voorspelbaar zijn. De hoofdpersoon is het product van het ‘Voorspel’ en ontpopt zich als een typische romanschurk. Hij is een Italiaan die al op jeugdige leeftijd van school bij de Jezuïten weggelopen is, daarna vagebond wordt, vervolgens roverkapitein, en dan weer schildersknecht. Daar krijgt hij de smaak van kleuren te pakken en wordt kunstschilder, met succes. Maar daarnaast is hij ook de hoofdman van een bende valsemunters. Uiteindelijk neemt hij op een duivelse manier wraak op zijn verwekker. Kortom, een figuur die in Breaking bad niet zou misstaan.

De recensent is zo geschokt van de inhoud dat ik het boek wel eens zou willen bekijken om te weten wat er nu zo over alle grenzen van de negentiende eeuw heengaat. Maar het lijkt nergens bewaard te zijn, in de hele wereld niet. Het komt niet voor in de WorldCat of in Picarta. Een andere recensie dan die van Hoek heb ik ook niet gevonden. Toch zat het boek in elk geval in een leesbibliotheek in Groningen, en het werd nota bene nog tot 1889 verkocht in de boekwinkel Van Dorp in Batavia, die er reclame voor maakte.

Advertentie 6 november 1889 in de Java-bode

Het komt wel meer voor dat boeken uit vroegere eeuwen niet meer te vinden zijn. Vaak gaat het dan om goedkope boeken, bijvoorbeeld schoolboeken. Maar Loon naar werken was bepaald niet goedkoop: f 5,25, zo ongeveer 50 euro dus nu. Andere boeken die verloren zijn geraakt, komen vaak uit het geheime circuit van pornografische boeken. Maar uitgever Horneer is een keurige drukker van historische locale werkjes en gemeentedrukwerk, en als Loon naar werken werkelijk een pornografische roman was geweest, zou die niet besproken zijn in een net tijdschrift en ook niet zichtbaar in de catalogus van een leesbibliotheek opgenomen zijn. Sommige leesbibliotheken hadden geheime catalogussen van ‘realistische romans’, en die kregen alleen mannelijke klanten die ernaar vroegen in handen. Toch heeft de recensie van Hoek er blijkbaar wel toe geleid dat het boek niet gedeponeerd is bij de Koninklijke Bibliotheek, waar toch eigenlijk alle in Nederland gedrukte boeken terecht moesten komen. Bovendien is het door zo weinig leesbibliotheken aangeschaft, dat er geen exemplaar van bewaard is gebleven. Of zou het boek zo vaak uitgeleend zijn dat het stukgelezen bij oud papier terecht kwam?

Maar mocht u het boek toch ergens aantreffen, in Djakarta, in Gorinchem, in een boekenkast van overgrootvader – zou u me dan even willen tippen?

Zie voor uitgebreid onderzoek naar de vermoedelijke auteur: https://www.nikhef.nl/~louk/HIRSCH/generation1.html