Welkom

Image

IK STA OP 1570 VOLGERS. De biografie over Jacob van Lennep is klaar. De derde druk is verschenen. De vierde komt eraan. Het dagboek van Van Lenneps voetreis uit 1823 is in een fraaie herziene editie opnieuw uitgekomen bij Atlas-Contact. Binnenkort verschijnt een nieuwe editie van De lotgevallen van Ferdinand Huyck met een inleiding van mij in de klassiekenreeks van uitgever Veen.

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
Ik ben begonnen aan een literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. Minder saai dan die van de Taalunie, persoonlijker, vast ook minder wetenschappelijk. Eigenlijk wordt het meer een lezersgeschiedenis. Wat las de gretige lezer van de negentiende eeuw? Wat wist hij (zij) van het literaire leven, welke boeken kocht hij, om welke pamfletten kon zij niet heen, welke recensies las hij, welke vertalingen, stak hij een kaarsje op bij het portret van Bilderdijk toen hij hoorde dat deze overleden was? Opnieuw zal ik in dit blog verslag doen van schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, ziektes en natuurlijk prachtige literatuur.

Advertenties

49 eerstejaars Neerlandistiek aan de VU: geen aprilgrap

Op 1 april heb ik bij de HOVO aan de VU de cursus Nederlandse literatuur (over de Tachtigers) afgesloten. 49 studenten hadden zich ervoor ingeschreven, en dit is geen aprilgrap. Ik heb niet naar hun leeftijd gevraagd, maar zo te zien was er niemand bij die jonger dan 60 was. Het waren geweldige studenten, die zich verdiepten in de stof, die de werken lazen die ik aanbeval en die goede vragen stelden waar ik vaak geen kant-en-klaar antwoord op kon geven. Ja, ouderen kunnen dus wél Nederlands studeren aan de VU, voor de jongeren is dat niet meer weggelegd.

Zelf mag ik geen cursussen meer geven aan gewone studenten. Dat voorrecht werd me afgenomen toen ik de 65 bereikte. Een gastcollege af en toe is nog toegestaan, maar toen ik verleden jaar een tutorial van een research-master-student begeleidde, moest een jongere collega het cijfer en het aantal studiepunten dat ik gaf invullen, ondertekenen en inleveren. Wat hij blind en zonder controle deed.

Hoe kan het nu dat er wel enthousiasme is onder senioren, en de jongelui het af laten weten bij de inschrijvingen? Natuurlijk is er verschil: de ouderen hoeven geen tentamens te doen, geen papers in te leveren, ik controleer niet of ze aanwezig zijn, ik controleer niet of ze de boeken gelezen hebben die ik aan de orde wil stellen. Ze krijgen ook geen doodsaaie artikelen voorgeschoteld met theoretische modellen. En voor mij is het leuke dat ik gewoon kan zeggen wat ik mooi vind – en ik onderbouw dat losjes door op de techniek van het vertellen of de taal te wijzen.  Natuurlijk wijs ik ook op begrippen als ‘framing’ en ‘literaire positionering’, maar in het algemeen hou ik me aan de klassieke literatuurgeschiedenis.

Zijn er lessen te trekken uit de belangstelling van ouderen voor neerlandistiek, in dit geval dus specifiek de aandacht voor Nederlandse literatuur? Lessen die voor aanwas van reguliere studenten zouden kunnen zorgen? Niet veel denk ik. De senioren komen naar de literatuurcolleges omdat ze vroeger goed literatuuronderwijs gekregen hebben. Ze willen de kennis uit het verleden die nog met brokstukken in hun geheugen zit restaureren, en aanvullen met de kennis die ze  tientallen jaren lang opdeden. Dat zijn jaren  waarin ze los en vast literatuur lazen, meestal naar aanleiding van stukken in NRC of De Groene, of omdat ze een aanbeveling hoorden zaterdagochtend op NPO 1 of zondagochtend bij VPRO Boeken. Ze zoeken naar verbanden tussen dat wat hun geheugen van de middelbare school behouden heeft en dat wat er allemaal bijgekomen is.

Dat is niet de motivatie van de weinige eindexamenkandidaten die wel voor Nederlands gekozen hebben. Zij hebben gedeformeerde literatuurlessen gekregen en legden een mechanisch in te vullen eindexamen af. Alleen als zij een bevlogen leraar hadden, of misschien een grootmoeder die colleges bij de HOVO volgde, kiezen zij nog voor neerlandistiek. Eén les slechts kan ik de huidige Neerlandistiek meegeven vanuit mijn ervaring bij de HOVO:  geneer je niet om te laten merken dat je door  literatuur bewogen kunt raken. Want dat is waar we toch eigenlijk allemaal naar zoeken.

 

Marita Mathijsen

Waar is de klok van het Paleis voor Volksvlijt???

Op 25 augustus 1875 om 7 uur in de avond precies sloeg op het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam voor het eerst de nieuwe klok zevenmaal. De wijzerplaat  was aangebracht aan de Utrechtsestraatzijde van het Paleis, en het geheel was bekostigd door een ‘belangstellend ingezetene’. De zware bronzen klok zelf hing binnenin het Paleis.

Paleisvolksvlijtmetklok2Waarom precies op 25 augustus en waarom om 7 uur? Het was de sterfdag en het was het sterfuur van Jacob van Lennep. Die was al zeven jaar eerder overleden, maar in de herinnering was blijven hangen dat hij bij herhaling geprotesteerd had tegen het verdwijnen van uurwerken op de stadpoorten, toen die afgebroken werden. Als je bij avond door de stad liep waren er geen verlichte torenklokken en overdag was het ook al niet makkelijk de klok op de torenhoge Westerkerk af te lezen. En de Nieuwe Kerk had niet eens een toren, laat staan een klok. In de Amsterdamsche Courant van 25 januari 1862 vertelt Van Lennep (anoniem overigens maar iedereen wist wel dat hij het was) over een nachtwaker die aan hem vroeg hoe laat het was. De verbaasde Van Lennep antwoordde hem dat de nachtwaker toch was aangesteld om de uren om te roepen, waarop de man zei: ‘wij zijn geen lui, die arlozies er op nahouden’. Nu het Leidse poorthuis afgebroken is ‘moet ik mij wel bij anderen invermeeren na ’t uur’. Van Lennep houdt er wel een horloge op na en loopt met de man naar een straatlantaarn en kijkt dan op zijn zakhorloge hoe laat het is – hoewel hij zijn horloge niet gelijk heeft kunnen zetten met een stadsklok. Hij vraagt zich vervolgens af of hij wel in ‘het bevolkte en magtige Amsterdam’ is, of misschien bij toeval terecht is gekomen in Schilda of Krähwinkel. Dat zijn twee fiktieve plaatsen waar uiterst domme of bekrompen burgers wonen. In Schilda, een stadje dat in een schelmenroman uit 1597 voorkomt, hebben de burgers besloten om een kostbare raadhuisklok te beschermen voor de vijand door hem in het nabijgelegen meer te laten zinken. Op de plek waar de klok verzonken wordt, kerven ze in de houten boot een forse streep, om die plek later terug te kunnen vinden. Als ze de klok weer op willen halen, blijkt de gekerfde boot natuurlijk geen soelaas te bieden. Krähwinkels domme burgers komen voor in werken van Kotzebue en Heinrich Heine. Van Lennep heeft het gevoel in de veertiende eeuw teruggeplaatst te zijn.

Van Lenneps verhaal over de nachtwaker die de tijd niet wist, maakte blijkbaar zo’n indruk dat de klok op het Paleis voor Volksvlijt aan hem opgedragen werd. Op de avond van de eerste klokslag was er feest met een concert en een voordracht van Schillers ‘Het lied van de klok’ in de vertaling van Jacob van Lennep (uit 1830). Het begint zo:

Vast in ’s aardrijks schoot besloten,

Staat de vorm, van leem gebrand:

Heden wordt de klok gegoten.

Paleisvolksvlijt25augustusfeestIk was tot vandaag nog op zoek naar de naam van de belangstellende Amsterdammer die de klok schonk. Een vriendin gaf me net een bericht uit de NRC van 1 juni 1929 door met de naam van de filantroop: een zekere Koch, deelgenoot in de bankiersfirma Stadnitsky en Van Heukelom.

Bij de brand van april 1929 ging het Paleis ten onder. Maar de klok werd onbeschadigd teruggevonden. In het Algemeen Handelsblad van 4 februari 1930 staat dat hij door de N.V. IJzerhandel “Hollandia” aan het gemeentebestuur is  geschonken voor een van de musea.  Waar hij toen heen ging is onbekend. In december 1945 is die in bruikleen  gegeven aan de Krijtberg, de katholieke kerk aan het Singel tegenover de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Maar hierna is het spoor kwijt. In de Krijtberg is hij niet meer.

KA 12926 Algemeen Handelsblad 19300204

Professor Gabri van Tussenbroek, bouwhistoricus bij de stad en hoogleraar stedelijke identiteit en monumenten voor Amsterdamse geschiedenis, schrijft een boek over de bouwgeschiedenis van het Paleis. Hij is op zoek naar de klok. Wie o wie kan hem helpen?

Waarom juist de VU zich diep moet schamen

Toen de VU op 23 december 1880 de allereerste collegereeks opende, zaten er vijf studenten in de Schotse Zendingskerk, een eigen gebouw was er nog niet. Vijf studenten voor de hele nieuwe universiteit, evenveel als er nu studenten zijn voor de bachelor Nederlands. De protestantse natie was trots op die vijf studenten: er was een particuliere universiteit gerealiseerd, met vooralsnog drie faculteiten: rechten, letteren en godgeleerdheid. Voor de oprichting was een kapitaal nodig geweest van een ton guldens – dat werd voor een deel bijeengebracht door de ‘kleine luyden’ van inspirator Abraham Kuyper. Voor de financiële voortzetting bleef de VU tot 1970 afhankelijk van bijdragen uit eigen kring: in protestantse gezinnen stond het groene spaarbusje klaar, ook het kleine werd gewaardeerd.
collectebusVU

Toen Abraham Kuyper in 1880 zijn befaamde inwijdingsrede hield, Souvereiniteit in eigen kring, wees hij Bilderdijk, Da Costa en Groen van Prinsterer aan als degenen die een ‘geest van genade, gebed en geloof’ teruggebracht hadden in eigen kring, na de rampzalige Franse Revolutie. Het Réveil, een in de literatuur gewortelde beweging, had de aanbidding van aardse machten neergehaald en daarmee werkelijke vrijheid gebracht. Zie hier de oorsprong van en de motivatie voor de Neerlandistiek aan de VU. De eerste hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde, die aangesteld werd in 1925, was Jacobus Wille, vooral gericht op de historische literatuur en een Bilderdijkbewonderaar. Hij zou zich ook gaan ontfermen over de bibliotheek, die hij uitbouwde met prachtige historische boeken en documenten.

Vijf bachelorstudenten zijn de reden van de VU om in 2019 te stoppen met de bachelor Nederlands, die overigens eigenlijk al niet meer bestond. Er is alleen een uitgeklede variant met de naam: ‘Literatuur en samenleving: Nederlands’. Met zo’n benaming voor een studierichting ben je al bijna kansloos op de middelbare school. Wie durft aan zijn klasgenoten te bekennen dat hij ‘literatuur en samenleving’ gaat studeren? Mislukking en somberheid is ingebouwd. De benaming verdoezelt dat bij Nederlands studeren ook taalkunde en taalbeheersing hoort, en dat je grammaticalessen moet kunnen geven als je leraar Nederlands wil worden. Degenen die het vak Nederlands aan de VU teruggebracht hebben tot ‘literatuur en samenleving’ moeten in verregaande onnozelheid gedacht hebben dat daarmee meer studenten aangetrokken zouden worden. Terwijl juist de diversiteit van het vak, met historische en moderne literatuur, met historische en moderne taalkunde, met taalbeheersing, het vak zo mooi maakt en tegelijk zo plooibaar en toepasbaar in de maatschappij.  Met die reducering is de afgang van Neerlandistiek aan de VU dus ingezet. En nog eens onderstreept door de opheffing van het Museum van Willem Bilderdijk twee jaar geleden, die ooit een boegbeeld van de VU was.

Het is onverdraaglijk en onvergeeflijk dat een erkende, gesubsidieerde brede universiteit in Nederland zijn eigen moedertaal niet meer bestudeert. Zou er één ander ontwikkeld land ter wereld zijn waar dat mogelijk is? En moet de economie de motivatie zijn om iets op te heffen? Studeren kost de staat geld, hoewel op vijf studenten Nederlands minder toegelegd wordt dan op vijf studenten medicijnen. Is er dan geen enkel vertrouwen in de mogelijkheden tot groei? Aan de Universiteiten van Leiden en Nijmegen is het aantal eerstejaars Nederlands dit jaar wél toegenomen.

De geschiedenis van de Neerlandistiek aan de VU was er tot nu toe een om trots op te zijn, met gerenommeerde hoogleraren en hoogwaardige proefschriften in de loop der jaren. Het Nederlands, de taal van de Bijbel, van Bilderdijk, van Maarten ’t Hart en Jan Siebelink, die zou juist aan de VU bestudeerd moeten worden vanwege de rechtstreekse band met het verleden. De vaders die de VU oprichtten, met hun geloof in educatie voor de kleine luiden, die daarvoor het kapitaal vergaarden onder die kleine luiden, geloofden dat taal, godsdienstigheid, maatschappelijke betrokkenheid samenhangend waren te bestuderen. De VU zou zich diep moeten schamen dat ze de afgod Mammon is gaan vereren.

Mammon

Taalspeeltje: het lipogram

Van mijn vriend Coen S. kreeg ik zomaar een stapeltje kleine boekjes met allemaal lipogrammen. Een lipogram is een tekst waarin één bepaalde letter niet gebruikt wordt, of juist alleen maar één klinker toegepast is, of een tekst waarin elk woord begint met dezelfde letter. Zomaar een taalspelletje dus voor fanatiekelingen. Hugo Brandt Corstius was er dol op, Gerrit Komrij beoefende het (‘U-tumult’), je zou je kunnen voorstellen dat Drs. P er lol in gehad zou kunnen hebben maar ik geloof niet dat er een hedendaags dichter is die er zich mee bezighoudt. De meest fanatieke beoefenaar was wellicht de Engelse schrijver Ernest Vincent Wright, die de roman Gadsby in 1939 schreef zonder e en daarvoor deze letter uit zijn typemachine brak. De meest bekende is Georges Perec die in 1969 een boek zonder e schreef (La disparition), een crimi over de verdwijning van de e, en in 1972 een boek met alléen maar de klinker e: Les revenentes.

Het genre is al eeuwenoud, de Grieken beoefenden het al in de zesde eeuw voor Christus (kijk voor de gegevens even op de Engelse Wikipedia). Casanova schijnt voor een geliefde actrice een toneelstuk zo herschreven te hebben dat er geen r, die ze lelijk uitsprak, in voorkwam. Dat is pas liefde!

Hoe zit het met de lipogrammie in Nederland? Het oudste boekje dat ik van Coen kreeg stamt uit 1784: Proeve van vyf klinkdichten, in welke naer rang zyn uitgelaten de vyf vocaelen of klinkletters. A.F. is de schrijver, en het is in Delft gedrukt. Achter deze A.F. gaat Albertus Frese schuil, een achttiende-eeuwse Haagse schilder-toneelschrijver. De man is waarschijnlijk lid van een dichtgenootschap geweest en daar heeft hij vast zijn vijf verzen voorgelezen, de eerste zonder a, en vervolgens verzen zonder e, i, o, u, en hij oogstte er zeker evenveel applaus mee als de derderangs dichters in Jacob van Lenneps Ferdinand Huyck in hun dichtclubje elkaar toezwaaiden. Van de vijf versjes is dat zonder ‘o’ nog wel tamelijk aardig:
klinkdichtzonderoAF

Coen had ook een boekje uit 1795 dat indertijd 11 stuivers kostte: Eene kers-preek zonder letter r. Het was een vertaling door de Rotterdamse predikant J. Scharp van een Duitse preek door Joachim Müllner. Die dominee zou net als de actrice van Casanova de r niet goed hebben kunnen uitspreken, en toen hij een proefpreek moest houden om ergens een post als dominee te krijgen, stelde hij een preek op zonder die letter. Het verhaal vermeldt niet of hij de post vervolgens kreeg. In preken worden altijd Bijbelteksten geciteerd en die kan Scharp niet letterlijk uit de Statenvertaling halen. Hij begint met dit deel uit het Hooglied van Salomon: ‘Uw naam is eene uitgegootene olie’. In de Statenbijbel staat: ‘Uw naam is een olie, die uitgestort wordt’. Dat is een makkie, het wordt moeilijker als Scharp Jesaia 61 citeert: ‘De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen’. Dat wordt: “de geest van Jehova is op my, om dat hy my gezalfd heeft, hy heeft my gezalfd, om eene blyde boodschap aan te zeggen den zachtmoedigen’. Als de bijbel daarna zegt dat de treurigen ‘sieraad voor as’ zullen krijgen, en ‘vreugdeolie voor treurigheid’ maakt de r-mijder daarvan ‘tulband in plaats van assche’ en ‘blijdschaps-olie in plaats van benaauwdheid’.

Willem Bilderdijk, een echte taalvirtuoos, schreef in 1780 in Galante dichtluimen. Hierin het gedicht: ‘Klinkdicht zonder de letter R’:

klinkdichtBilderdijk 

Op 13 september 2014 blogde ik al over De E-legende die Jacob van Lennep in 1840 schreef (kijk maar even Jeceb van Lennep). In hetzelfde jaar maakte hoogleraar Johannes Bosscha met Paaschmaandag. A-Saga en de student Abraham des Amorie van der Hoeven gaf een jaar later Colhoms roos. O-sprook uit. De drie stukken zijn in 1879 samen uitgegeven door P.N. van Kampen, toen alle drie auteurs al overleden waren. Nog in hetzelfde jaar was een tweede druk nodig. En zo zijn er nog veel meer experimenten. B.H. van Breemen publiceerde in 1880 I-dicht IJ-rijm en eenige andere rijmen. Uit 1945 stamt het Speels alfabet voor grote kinderen van F. Kerdijk, met illustraties. Bij de klinkers zet Kerdijk een stukje proza of poëzie met gebruik van alleen één klinker, bij de medeklinkers volgt een opsomming van woorden met steeds dezelfde beginletter, bijvoorbeeld: HooghaarhoofdjekerdijkBattus (Hugo Brandt Corstius) wijdde in zijn Opperlandse taal- & letterkunde (1981) een heel hoofdstuk aan de lipogrammie. Hij citeerde uit veel van wat ik al meldde, en hij voegde er zelf allerlei experimenten aan toe.

Tsja, wat moet een Neerlandicus hiermee? Wat doen andere kunstenaars? Is er een componist die een stuk zonder de d-noot geschreven heeft? Een kunstenaar die een schilderij expres zonder rood maakt, een volgend zonder blauw et cetera? In elk geval leent taal zich voor dit soort spelletjes. Of moet ik het zien als etudes die tot hogere doelen leiden?

Van Lennep zendt u een glimlach

Bekijk deze animatie door Pim Kops, betachterachterkleinzoon van Jacob.

lennepkopsfilm

Laatste uren van het Van Lennep-jaar: een overzicht

Juist nog vandaag verscheen er in de Gooi- en Eemlander een prachtig stuk over de geheime geliefde van Jacob van Lennep, Doortje Ringeling, met wie hij in 1834 een nieuw leven in Engeland wilde beginnen. Ik besloot het hoofdstuk in mijn biografie over Jacobs gepassioneerde verhouding met deze Doortje, die haar eer en goede naam opofferde voor haar grote liefde met de zin: ‘wie zal er op haar graf nog een traan storten of een bloem neerleggen?’ Sinds het verschijnen van de biografie liggen er geregeld bloemen op Doortjes graf in Lage Vuursche …

KeesRingelingLageVuursche

Betachterachterneef Kees Ringeling legt bloemen op Doortjes graf

In 2018 was het 150 jaar geleden dat Van Lennep overleed. Op 18 januari verscheen zijn biografie. Daarvan was nog voor de zomer een tweede en derde druk nodig. Ik had daardoor de kans een paar kleine correcties aan te brengen waarvan de meeste zijn aangedragen door lezers. Ik voeg een bestand met correcties [Correcties derde druk3] bij, speciaal voor de kopers van de eerste en tweede druk, om geprint in het boek te leggen. Een vierde druk ligt in het verschiet.

Het boek stond al op 26 januari, nog geen week nadat het verschenen was, op de vijfde plaats van de NRC-boekentoptien. Daar bleef het staan tot en met 9 maart. Bij de algemene top 60 van de CPNB kwam het in de vierde week van 2018 binnen, steeg naar de 30e plaats en bleef vier weken lang bij de best verkochte boeken staan. VPRO-boeken wijdde er een uitzending aan met Jeroen van Kam. Bij De wereld draait door was het een van de vier Boeken van de Maand. Er verscheen de een na de andere juichende recensie, alleen een enkele criticus had moeite met mijn genuanceerde weergave van Van Lenneps bemoeienis met Multatuli en de Max Havelaar. De biografie kwam vervolgens op de longlist van de Libris Literatuurprijs en op de shortlist van de Nederlandse biografieprijs. Verder kwam het bij de beste 25 boeken van 2018 van NRC-lezers. In de Volkskrant, Trouw, het Fries dagblad, NRC en zo nog wat bladen werd het vermeld in de lijstjes van recensenten die hun beste boek 2018 aanwezen. Maarten ’t Hart zette een loftuiting op het literaire weblog Tzum, er waren vele mooie interviews in kranten, tijdschriften, voor radio (inhoudelijk heel goed vond ik vooral Arjan Peters in De Volkskrant en Theodor Holman voor OBA Live).

Ik gaf in totaal dit jaar 47 lezingen over Jacob van Lennep, door het hele land, soms zelfs twee op één dag. Daar waren heel gedenkwaardige bij. In Oosterbeek was ik gepland in een zijzaal van de Vredeskerk, maar er was zoveel belangstelling dat het publiek naar de grote kerk gedirigeerd werd. In Edam was het café afgeladen vol, evenals in Heemstede. Maar in Groningen waren in een boekhandel slechts 15 mensen op Van Lennep afgekomen – voor mij geen probleem omdat je dan een kringgesprek kunt voeren. Toen ik naar Lelystad moest, liet de NS me in de steek, ik kwam een kwartier te laat aan, maar toen ik het publiek uitlegde dat het paard van de trekschuit door zijn poten gegaan was, kon de avond niet meer stuk. In België heb ik maar één optreden gehad, in Izegem. Daar werd ik wel als een diva onthaald, met luxe hotel en vervoer. Bij een aantal van deze optredens was ook de bariton Job Hubatka aanwezig, de betachterachterkleinzoon van Jacob, die negentiende-eeuwse liederen op tekst van Jacob van Lennep zong. U kunt hem beluisteren op De veerman aan de Lek.

Voor Ons Amsterdam zette ik een Jacob-van-Lennep-wandeling uit, die een paar keer onder begeleiding gelopen werd, maar die iedereen ook zelf kan wandelen [wandelingOnsAmsterdam]. Voor het Multatuli-jaarboek schreef ik nog een uitgebreide versie van de kwestie Van Lennep-Multatuli, waarin ik de valse mythes die er over Van Lennep in omloop zijn probeer te slopen. [Multatuli2018 04 Mathijsenkwaadssprekersnapraters] Ook maakte ik voor Ons Amsterdam een stuk over de anonieme politieke hetze in 1859 tegen Van Lennep.

Heel prettig is dat er nu twee en binnenkort drie werken van hem in de boekhandel te krijgen zijn. In juni kwam er een vernieuwde herdruk uit van De zomer van 1823, zijn verslag van de voetreis samen met Dirk van Hogendorp. In december gaf uitgever Lalito een door Gera de Bruijn hertaalde en ingekorte versie van De lotgevallen van Klaasje Zevenster uit, een must voor degenen die de complete versie van vijf delen wat al te omvangrijk vinden, en toch een van Van Lenneps beste romans willen lezen. In maart verschijnt bij LJ Veen Klassiek De lotgevallen van Ferdinand Huyck.LalitoKlaasje2

Op zijn sterfdag 25 augustus was er een klein gezelschap familie, literatoren en belangstellenden naar Oosterbeek gekomen om hem eer te bewijzen bij zijn graf. Het regende pijpenstelen, maar gelukkig konden we terecht in een naburig woonhuis, waar ik een korte lezing gaf en Job Hubatka weer zong. De volgende dag was er in Oosterbeek de jaarlijkse Kneppelhoutwandeling, waarbij ook het graf bezocht werd en ik gedichten op Oosterbeek van Jan ter Gouw en Jacob voordroeg.

Een prachtig gedenkjaar dus – en ik beloof u dat er in 2019 nog wel wat navonkeling zal zijn.

Kerstverhaal

Het kerstverhaal is een negentiende-eeuwse uitvinding, en het is, weinig verrassend, opgekomen na het eerste onvergetelijke A Christman Carol van Charles Dickens uit 1843. Het genre is populair gebleven tot op heden, elke krant dist rond deze tijd wel een kerstverhaal op. Een paar weken geleden gaf uitgever Balans Kom vanavond met verhalen uit, met ‘waargebeurde’ verhalen over kerst door onder anderen Adriaan van Dis, Mano Bouzamour en Marcia Luyten, en het boek was binnen de kortst mogelijke tijd uitverkocht.

Charles_Dickens-A_Christmas_Carol-Title_page-First_edition_1843

Eerste druk 1843

A Christmas Carol was indertijd ook binnen een paar dagen uitverkocht. Daarna schreef Dickens nog vier uitgebreide kerstverhalen, die echter minder populair werden dan het hemeltergende verhaal van Ebenezer Scrooge. Ikzelf hou behalve van het oorspronkelijk verhaal, dat ik rond kerstmis graag herlees,  ook van de bewerkingen voor film, zoals die Robert Zenecki in 2009, met spookverschijningen die de film ongeschikt maken voor jeugdige kijkers en voor slechte slapers. Het verhaal heeft ook tekenaars ertoe gezet het beste van zichzelf te laten zien. Twee  jaar geleden is er nog een heel mooie nieuwe vertaling uitgekomen met tekeningen van René Hazebroek maar de oorspronkelijke van John Leech zijn ook geweldig.

DickensChristman

Tekening René Hazebroek

In 1844 kwamen er in Nederland meteen twee vertalingen uit: een van de vrij onbekende Amsterdamse uitgever Stemler, en een bij de bekende H. Frijlink, die al eerder verhalen van Dickens in zijn tijdschrift Het Leeskabinet had opgenomen. Stemler hanteerde als titel Kersgeschenk, eene geestverschijning, terwijl Frijlink het wat vriendelijker hield met Een kerstsprookje.

Wanneer werden andere schrijvers nu geïnspireerd om ook kerstverhalen te schrijven? In elk geval is het duidelijk dat vóór Dickens er geen fictieve kerstvertellingen verschenen, toen waren er alleen kerstpreken en kerstgezangen. Hij beïnvloedde vooral kinderboekenschrijvers: tegen het eind van de eeuw zijn er tientallen uitgaven voor kinderen, met titels als Kerstmis in de cel (1895), Nijdige Grietje, eene kerstvertelling (1887) en Levi’s eerste kerstfeest (4e druk 1895). Veel van die boekjes zijn speciaal voor zondagsscholen, voor het tractaatgenootschap of voor de Nederlandse Protestantenbond gemaakt. Van Dickens hebben de schrijvers niet veel geleerd, alleen het genre, maar niet hoe je een verhaal met een brave afloop toch meeslepend kunt vertellen.

De vroegste Nederlandse kerstvertellingen voor volwassenen die ik gevonden heb dateren van de jaren zestig. De bekende domineeschrijver Jan de Liefde gaf in 1862 De vrijbuiter, een kerstverhaal voor jong en oud uit, een verhaal waar de christelijke moraal vanaf druipt. B. Korfker schreef in die jaren Drie kinderen in een groot huisgezin opgenomen, eerlijk gezegd evenmin te pruimen. Ook andere titels die ik doorlas bedierven de kerststemming, die dit jaar toch al op een laag pitje staat omdat ik vanwege een knieoperatie aan huis gekluisterd ben. En ik kan ook niet bij mijn eigen uitgaven van Dickens’ kerstverhaal, om daar nog eens doorheen te gaan en de prachtige illustraties te bekijken. Dickens staat bij mij hoog in de boekenkast en ik kan geen ladder beklimmen.

25 beste boeken 2018: De bezielde schavuit

Ja, hij staat bij de 25 beste boeken van het jaar: Jacob van Lennep, een bezielde schavuit. Als u genoten heeft van het boek, dierbare volger, ga dan naar NRC-beste boeken en stem! Kijk nog maar even naar reacties en naar de speciale feestdageneditie. Ik ben iemand die blij is met nominaties en prijzen (hoewel ik maar één literaire prijs gehad heb in mijn leven, lang geleden, de Multatuliprijs).

Maar ik heb ook veel begrip voor de kritiek op literaire prijzen. Vorige week donderdag was ik bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren aan Judith Herzberg. Ze had bedongen dat er geen foto’s van de uitreiking ervan gemaakt mochten worden, en dus maakte de éne toegestane fotograaf alleen maar foto’s van de koning, en van wat gasten, maar niet van haar of van het moment suprême. Zelfs de mobieltjes mochten niet klikken. Met het gevolg dat er de volgende dag in de kranten niets verscheen over de uitreiking van deze voornaamste literaire prijs van het Nederlands taalgebied. Over de nieuwe grote Poëzieprijs zijn de laatste tijd heel veel kritische stukken geschreven. De dichters die mee willen dingen moeten € 75 storten of laten storten. Benno Bernard schreef een stuk in NRC over het beschamend circus om deze prijs en weigert eraan mee te doen. Vooral hekelt hij de uitreikingsavonden van literaire prijzen waarin verliezers en winnaar tegelijkertijd moeten optreden en tv inzoomt op teleurgestelde gezichten. Hij heeft groot gelijk. Eigenlijk is dat soort avonden vernederend voor iedereen, winnaar, verliezer, aanhang en jury inclusief.

De wedstrijd van NRC is heel anders ingericht. Hier is de prijs een pakket met álle 25 genomineerde boeken. Dus ook de prachtige Thorbecke-biografie, het schrijnende De eeuw van Gisèle, de indrukwekkende Bredero-biografie. En de prijs gaat niet naar de schrijver, maar naar de lezer. Stemmen dus!

Historieverneukerij

De driedimensionale Maria Callas zweefde over het podium van theater Carré in Amsterdam op maandag 26 november 2018 – ze stierf in 1977. Ik had me er enorm op verheugd en al heel vroeg kaartjes gekocht, voor 95 euro per plaats en 9,50 servicekosten.

We zagen een pop die sterk op Maria Callas leek, maar een karikatuur van de echte zangeres was. Ze drapeerde telkens opnieuw haar dunne sjaal, strekte haar hand poeslief uit naar de dirigent, bedankte quasi ontroerd met lichte buigingen het applaudisserend publiek. Haar stem was van blik geworden, zonder foutjes, zonder ademmomenten. Ze zong een ratjetoe aan aria’s die ze in werkelijkheid nooit bij elkaar in een concert gezongen zou hebben en van de befaamde aria Casta diva uit de opera Norma zong ze alleen het eerste deel en niet de cabaletta. Daarvoor zou ze zich zwaar gegeneerd hebben in het echt.

Ik voelde me opgelicht. Enige weken daarvoor had ik de documentaire Maria by Callas van Tom Volf gezien. Die kun je niet zien zonder gebiologeerd te raken door de diva. Je hoeft niet van haar te houden maar het is onmogelijk om onder haar uit te komen. Er is iets adembenemends in haar stem, houding, reacties. Toch liet Volf slechts krakkemikkige stukjes film zien, zwart-wit foto’s, haar onopgepoetste stem horen. Alles kwam over als werkelijke historie.

Die ervaring kreeg ik totaal niet bij de driedimensionale projectie. Het was een pop van pixels zonder de suggestie van leven die ik zag. De pop ademde niet, aarzelde niet, straalde geen nerveusheid uit, geen opluchting als de aria afgelopen was, reageerde niet op muziek of zaal.

callas3

Hologram van Maria Callas

Nu is zo’n teleurstelling natuurlijk maar een anekdote, en de verspilde euro’s beschouw ik als boete die ik betalen moest om te zeer gehoopt te hebben op het onmogelijke. Maar er is voor mij meer aan de hand dan alleen een mislukking. Het gaat hier om de mogelijkheid of onmogelijkheid om historie te herbeleven of niet. Om historische sensatie of historische sensatiezucht.

Ik had me voorgesteld dat bijvoorbeeld het Literatuurmuseum in de nabije toekomst stromen van bezoekers zou kunnen aantrekken door een driedimensionale Vondel op het podium te vertonen, die vervolgens geïnterviewd werd door Adriaan van Dis en voorgeprogrammeerde antwoorden gaf. Ik stelde me voor dat de techniek nog verder kon gaan: bezoekers konden vragen stellen en Vondel zou die kunnen beantwoorden, als het zou gaan om eenvoudige dingen als ‘hoe lang hoopte Gysbrecht nog de stad Amsterdam te kunnen redden?’. Ik zag Annie M. G. Schmidt al voor me, sigarettenpaffend op een stoel, en maar grappen maken met scholieren. Ik zag Harry Mulisch ijsberend geprojecteerd in zijn werkkamer, die tot in detail werkelijk nog bestaat (en op verzoek bezocht kan worden).

Ik had voor literatuur mijn hoop gevestigd op de techniek. In het Goethehuis in Weimar zag ik enige jaren geleden iets wonderlijks waar ik nogal van onder de indruk was. Er is daar een installatie waar schoolkinderen met woorden uit gedichten van Goethe die in een ruimte zwevend geprojecteerd worden. Door die woorden te vangen kunnen die kinderen zelf nieuwe gedichten maken. Prachtig, dacht ik, dit is de redding van literatuurmuseums die eindelijk verlost werden van nog weer eens een manuscript of eerste druk in een platte vitrine leggen. Driedimensionale dode dichters en zwevende gedichten: mooi toch?

Maar ik ben door de levenloze Callas ernstig aan het twijfelen gegaan. Het op deze manier opleuken van geschiedenis is wat men in Amsterdam en elders zo vaak doet met oude huizen: de gevels laten staan en er splinternieuwe appartementen achter plakken. Kitsch, humbug, charlatanerie, lariekoek. Ik moet me er maar bij neerleggen dat de tijdmachine niet bestaat, dat we hooguit een schaduw kunnen opvangen van het verleden. Nepgeschiedenis is niet wat we moeten willen. Dus toch maar gewoon Vondel laten spelen door Pierre Bokma en hem zo in die rol laten groeien dat hij Adriaan van Dis én scholieren antwoorden kan geven die van Vondel zouden kunnen zijn? Ook nep – maar toch een ander, eerlijker soort. Denk ik.

Marnixkade1

Historieverneukerij: gevels aan de Marnixstraat in Amsterdam waarachter het Nieuwe de la Mar theater gebouwd is

 

 

 

De eeuwwisseling van 1800 en de klok van de Bavo

Op oudejaarsavond 1799 was er in de Haarlemse gehoorzaal van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen een bonte avond. Vrouwen waren ook welkom, om gezamenlijk de nieuwe eeuw in te gaan. De bekende uitgever-dichter Adriaan Loosjes zou spreken. Loosjes had zijn zakhorloge gelijk gezet met de kerkklok van de Bavo. Enige tijd voor middernacht kwam hij op het podium. Hij overdacht de eeuw die nu bijna afgelopen was en de vrolijke stemming die er eerst was geweest veranderde in somberte. De achttiende eeuw was een gruwelijke eeuw geweest, die nu naar zijn einde liep. Hele rijken waren verwrikt en overhoop gehaald, allerlei volken van staat gewisseld. Oorlog had gebieden misvormd. Het mensdom was ten prooi gevallen aan de eerzucht van machtswellustelingen. Hoe vaak leek de vrede dichtbij, en toch werd die weer verjaagd. Ook ons vaderland werd niet gespaard voor oorlog of heerszucht. Interne twisten verdeelden het land, ijzingwekkende tonelen van geweld en woede speelden zich op onze grond af. Bijna sloeg de klok twaalf toen Loosjes bij het sterven van de achttiende eeuw en de toekomst aankwam:

En Toekomst? Welk een lot is voor dit volk bereid?

Dat laat deez’ stervende Eeuw den wijsten zuchtend raden. –

Hoe ’t zij, o Vriendenkring! nog weinig schreden maar,

En de Achttiende Eeuw verdwijnt; is als een rook vervlogen;

Net voor de eerste klokkeslag van de Bavo om 12 uur was hij bij de woorden:

Hoe ’t zij, o Vriendenkring! nog weinig schreden maar,

En de Achttiende Eeuw verdwijnt; is als een rook vervlogen;

Een enkle schrede nog; –

Daar stopte hij en wachtte tot de klok twaalf keer geslagen had en ging door:

 

de Negentiende is dáár;

Daarop begonnen de mensen te juichen, maar Loosjes maande de massa tot stilte, want:

 

Zij treedt haar loopbaan in, met duisternis omtogen.

De negentiende eeuw begon maar haar toekomst was duister. Toch eindigde Loosjes hoopvol: laten we ons niet storen daaraan. In deze nieuwe eeuw zijn er mensen met hart voor het goede, die ware mensenvreugd weten te verspreiden. Juist de Maatschappij tot Nut voor ’t Algemeen kweekt nieuwe burgers, die bereid zijn offers te brengen voor het algemeen heil. Wellicht dat er nog nieuwe rampen komen als eigenbaat de voorrang krijgt, maar als er een burgerij is die onzelfzuchtig naar verbetering voor iedereen streeft, zal het een goede eeuw voor iedereen worden.

Loosjes’ gedicht is symptomatisch voor het algemeen gevoel. Er werd niet vreugdevol teruggekeken op de voorbije achttiende eeuw, integendeel. Als er begin november 1799 een orkaan over Noord-Nederland raast die diverse slachtoffers maakt, bomen velt en dijkdoorbraken veroorzaakt, maakt de dichter M.C. van Hall de vergelijking met wat er in zijn tijd op politiek gebied gebeurd is, en hij vervloekt de achttiende eeuw:

Zink in het niet terug, rampzaligste der Eeuwen,

Ga onder, in een zee van tranen en van bloed!

De menschheid leed te lang door ’s menschen euvelmoed;

Men hoorde haar alöm, tot God, om redding schreeuwen.

’t Scheen dat haar bange kreet, door ’t krijgsrumoer gesmoord,

Niet tot den Hemel steeg, door God niet werd gehoord.

De volken zagen haar in bloedig stof gezonken;

Maar ’t schouwspel ’t geen, weleer, Barbaren had verzacht,

’t Gevoel weêr in het hart van ’t wreedste monster bragt,

Scheen nu der volken drift in heeter gloed te ontvonken […].

Niet alleen de orkaan van november, ook de watersnood die de eeuwwende had begeleid en die tot grote schade had geleid, werd gezien als een bevestiging van hogerhand dat het tijdvak niet deugde. De winter van 1799-1800 was uitzonderlijk streng, en bij het losgaan van de rivieren was het water en het ijs met een vernielend geweld gaan woeden. Zelfs de stevigste dijken bezweken, het ijs verpletterde eeuwenoude gebouwen, hele huisgezinnen werden begraven onder de puinhopen van hun woningen.

Nijmegen1800ZillesenOverstroming

C. Zillesen, Beschryving van den Watersnood 1800

Dit is wat algemeen overheerst bij de gedichten die geschreven werden om de eeuwwisseling te gedenken: de natuurrampen die het land troffen zijn symbolen voor de algemene ontreddering, de achttiende eeuw heeft weinig goeds gebracht, de helden van weleer hebben een verbasterd Nederland achtergelaten, de toekomst is ongelooflijk onzeker.

De dichter Cornelis Loots heeft het in zijn ‘Eeuwzang bij het begin der negentiende eeuw’over een afschuwelijk ondier, erger dan een duivel kan bedenken, dat macht heeft gekregen over Europa:

In naam der vrijheid moordt en woedt,

En zwelt zich zat aan menschenbloed,

’t Afschuwlijkst ondier, nooit te voren

In ’t brein van duivels zelfs gedacht. […]

Heel de aarde is thans een schrikverblijf,

Vol jammer en vol wanbedrijf.

De hele achttiende eeuw is er volgens hem een van tranen en bloed geweest, met bovendien `een fel vergiftigde staart’. Dat klopte voor Nederland ook, waar na de verdrijving van de stadhouder de twisten tussen Oranjegezinden, gematigde patriotten en felle revolutionairen zouden aanhouden, tot de overheersing door Napoleon de partijen in elkaars armen dreef. Het zou nog tot eind 1813 duren voor het ‘afschuwlijkst ondier’ aan zijn eind kwam, nog even nakwispelend in zijn honderd dagen.

Lejeune_-_Bataille_de_Marengo1800

L.F. Lejeune, Slag bij Marengo 1800 (Franse troepen onder Napoleon tegen Oostenrijkse troepen in Noord-Italië)