Welkom

Image

IK STA OP MEER DAN 1600 VOLGERS. De biografie over Jacob van Lennep is klaar. De vierde druk is 24 mei 2019 hals over kop verschenen, ik kreeg niet de gelegenheid nog wat late correcties in te voegen. Het dagboek van Van Lenneps voetreis uit 1823 is in een fraaie herziene editie opnieuw uitgekomen bij Atlas-Contact. Bovendien is er nu een route ontwikkeld om Van Lenneps voetreis per fiets na te bootsen, met heel veel mooie tips. Zie Jacob van Lennep route. Verschenen is ook een nieuwe editie van De lotgevallen van Ferdinand Huyck met een inleiding van mij in de klassiekenreeks van uitgever Veen.

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
Ik vorder met een literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. Minder saai dan die van de Taalunie, persoonlijker, vast ook minder wetenschappelijk. Eigenlijk wordt het meer een lezersgeschiedenis. Wat las de gretige lezer van de negentiende eeuw? Wat wist hij (zij) van het literaire leven, welke boeken kocht hij, om welke pamfletten kon zij niet heen, welke recensies las hij, welke vertalingen, stak hij een kaarsje op bij het portret van Bilderdijk toen hij hoorde dat deze overleden was? Opnieuw zal ik in dit blog verslag doen van schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, ziektes en natuurlijk prachtige literatuur. De eerste versie is klaar, ik hoop dat het boek in het najaar kan verschijnen. In de literatuurgeschiedenis verwerk ik dagboekaantekeningen van een fictieve lezer over wat hij leest, hoe hij daarover denkt, en ook zijn commentaar op literaire gebeurtenissen. Delen van dit dagboek krijgt u vanaf nu, tot de verschijning van het boek, te lezen.

Dagboek van een lezer 5

Schiedam: Roelants [1851]

Omdat ik bij het leesgezelschap nog niet aan de beurt was voor Coquetterie van een schrijfster die zich Henriette Maria L*** noemt, en dat een echt heerlijk boek voor ons vrouwen moet zijn, ging ik naar de leesbibliotheek en daar ried meneer Van der Hoek mij aan om dan maar eens een vertaald boekje te lezen dat ook erg leuk voor vrouwen zou zijn: De pantoffel-regering of de kunst om de mannen onder het juk te brengen en te beheerschen, Een onmisbaar handboekje voor elke vrouw. Van der Hoek lachte me een beetje ondeugend toe toen ik het meenam, het vloog weg zei hij, zelfs de vrouw van de burgemeester had het al geleend. Nu heb ik besloten er met onze dameskrans over te praten. Het is echt zo amusant wat de schrijfster, een zekere Emilia Alfken, ons allemaal toevertrouwt. Ze meent dat wij vrouwen eigenlijk altijd onze mannen onder de pantoffel hebben, en als dat nog niet zo is, moeten we zorgen dat dat gebeurt. Ze vergelijkt ons met pantoffels: we zijn zacht, buigzaam, knellen niet. Alleen moeten we zorgen dat het ons niet vergaat als pantoffels die snel uitgewipt kunnen worden. We moeten zorgen dat het huwelijk de mannen aan ons bindt. Die mannen overtreffen vrouwen alleen maar in kracht. Maar wat zou dat, als je beseft dat mannen daarin weer ondergeschikt zijn aan olifanten, beren en paarden. Wíj zijn eigenlijk de heren der schepping, want wij hebben toverkrachten. Onze schoonheid, onze vertederende stem, onze scherpzinnigheid maken ons onverslaanbaar. Daar moeten we handig mee omgaan. Schoonheid is een dood kapitaal als we er niet mee woekeren, maar tegelijk moet die bij beetjes toegediend worden. Verzadiging van de mannelijke begeerte zou onze ondergang zijn. Dus laat ze meer begeren dan genieten. Dan blijft de begeerte ook bestaan als we wat ouder worden.

Dat is een heel wat ander boekje dan wat mijn moeder me gaf toen ik trouwde: Pligt en roeping der vrouw van de Engelse schrijfster Mrs. Ellis. Daarin wordt de invloed van de vrouw gezien in haar vermogen om huiselijke en openbare deugden te verenigen. Ze moet geen huissloof zijn, maar zich inspannen voor het tijdelijk en eeuwig welzijn van allen om haar heen. Zo heeft de vrouw invloed op de hele maatschappij. Ik geloof dat ik mijn dochters beide boekjes geef als ze trouwen, het een om zich te amuseren, het ander om er een voorbeeld aan te nemen.

Nu kreeg ik deze week toch al Coquetterie. Het is een brievenroman, net wat minder goed als die van Betje Wolff en Aagje Deken, die hadden dat genre toch helemaal onder de knie. Evengoed loopt het verhaal wel prettig. Het grappige van dit boek is dat het hier niet een man is die vrouwen verleidt, maar dat vrouwen hier hun verleidingskunsten op mannen loslaten. Dat lazen we bij de dames uit de vorige eeuw nog niet, dat vrouwen ook ‘lichtmissen’ kunnen zijn. Het verhaal gaat over een moeder en dochter die koket door het leven gaan. Bij de dochter loopt dat helemaal fout. Ze krijgt niet de man op wie ze eigenlijk verliefd was. Die doorziet haar valse spelletjes en ziet van haar af. Haar moeder is uit hetzelfde hout gesneden. Ze had vroeger een minnaar aan wie ze ontrouw was geworden. Ik weet eigenlijk niet of je ontrouw aan een minnaar kunt zijn, het is toch al overspel, hoe kun je nog eens ontrouw zijn als je al ontrouw bent? Hoe dan ook, ze zag die minnaar een hele tijd niet, hij zat in Oost-Indië. Verbitterd kwam hij daaruit terug en hij zocht zijn vroegere minnares op onder hevige verwijten. Hij eiste als genoegdoening een huwelijk met haar tweede dochter, een onbedorven, lief en mooi meisje. Omdat de moeder bang was dat haar minnaar haar echtgenoot zou inlichten over haar vroegere gedrag, stemde ze daarin toe. Het arme kind stierf op de dag van haar huwelijk. Kortom, een roman om achter mekaar uit te lezen, omdat er veel spanning in zit, en omdat de schrijfster zo duidelijk met voorbeelden waarschuwt tegen verkeerd gedrag van vrouwen. Dat spelletjes spelen met mannen, dat zie ik echt wel toenemen in deze tijd. In de Pantoffelregering wordt daar luchthartig over gedaan, maar de Hollandsche schrijfster van Coquetterie houdt ons heel goed voor waartoe dat kan leiden. Zodat het dan lijden wordt!

PS: nu hoorde ik van een schrijver, genaamd Atte Jongstra, met wie ik af en toe in verbinding sta, dat er ook een brochure verschenen is tegen De pantoffel-regering of de kunst om de mannen onder het juk te brengen. Wie dat geschreven heeft weet ik niet, wellicht deze Atte Jongstra die er aardigheid in heeft met pseudoniemen en anoniemen te goochelen. Het heet in elk geval: Geen Pantoffel regering! of de Man is de Baas. Eene onmisbare handleiding voor ieder Man. De derde druk zou al van 1848 zijn. Maar nu het vreemde: het is nergens te krijgen. Ik informeerde overal waar ik maar kon, maar nergens kon ik het inzien of bestellen. En toch staat er een advertentie voor in de Oprechte Haarlemsche Courant van 28 april. Wie helpt mij dit raadsel op te lossen?

[noot van MM: noch in Google Books, noch in Picarta, noch in WorldCat, vond ik een verwijzing naar dit boekje. Het is dus niet overgeleverd? Of kent iemand het? Ik vond wel een ander boekje: De man is de baas, gedrukt in Schiedam bij Roelants, uit 1851, met achterin de 10 geboden voor vrouwen!]

Dagboek van een lezer 4

Woord vooraf van MM: Mijn dochter wil dat ik de titel van Harriet Beecher Stowe’s bekendste boek, De negerhut van Oom Tom, niet gebruik. Maar ik kan de juiste titel uit 1853 toch niet veranderen, ook al staat het n -woord niet in de oorspronkelijke titel? De kinderversies van het boek hebben een neutralere titel (De hut van Oom Tom en Een kijkje in de hut van Oom Tom). Nu pretendeer ik de gedachten van een lezer uit 1853 weer te geven. Die gebruikte het n-woord zonder enige gêne, en evenmin omzwachtelde hij het woord ‘slaaf’. Rond 1840 was in Nederland de abolitiebeweging op gang gekomen, na bezoeken van leden van de British and Foreign Anti-Slavery Society. De Maatschappij ter bevordering van de afschaffing van de slavernij werd in 1842 opgericht. Zowel van orthodox-protestantse als liberale zijde kreeg koning Willem II petities om de slavernij in de Nederlandse koloniën af te schaffen. Maar de koning en zijn ministers zagen hier geen heil in: economisch niet, en ook vreesden ze een opstand van tot slaaf gemaakten in de koloniën, als deze lucht kregen van acties in Nederland. De beweging kwam pas goed op gang na de verschijning van het boek van Harriet Beecher Stowe, Uncle Tom’s Cabin, dat in 1852 in Amerika als boek verschenen was, nadat het eerst als feuilleton opzien gebaard had. Er kwam al begin 1853 een vertaling uit onder de titel De negerhut, een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika, en binnen datzelfde jaar waren er al vier drukken nodig, en het volgende jaar nog twee. De eerste druk kostte nog f 7,90, een gigantisch bedrag indertijd, maar de vierde druk was een volksuitgave die voor 90 cent op de markt kwam. De lezeres die ik aan het woord laat, spreekt vanuit een filantropisch verlicht gemoed, met mededogen, zonder zich bewust te zijn van de vooroordelen en aannames die ze hanteert.

Voor kinderen

Met mijn vriendin had ik het over nieuwe boeken voor onze leeskring. Ik had al  gehoord dat De negerhut van Oom Tom zo mooi zou zijn, dus ik stelde voor om die titel te bestellen. Toen zei Olga dat het echt een boek was om zelf aan te schaffen, want ik zou het boek zeker willen herlezen als ik het eenmaal had. Dus heb ik mijn echtgenoot gevraagd of hij eens naar Muller wilde lopen. Ik meen dat hij net een voordeeltje heeft gehad met zijn coupons, dus dat kon er wel af. Enfin, ik ben er een paar dagen geleden in begonnen en ik kon het niet wegleggen en ik heb geschreid alsof ik zelf Elize was die zo achtervolgd werd. Ik was me er eigenlijk niet van bewust dat slaven zo’n erbarmelijk leven hebben en nu weet ik wel dat ik dominee ga steunen die lid is van de Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij. Hij heeft daar in de kerk ook al over gepreekt en hij meent dat slavernij niet met het Christelijk geloof te verenigen is. Hij preekte dat zelfs Isaac da Costa, die vroeger vond dat slavernij door God ingesteld was, nu daartegen is en overtuigd is dat God niet wil dat een mens eigendom is van een ander. Ik kan me alleen niet voorstellen dat op de Nederlandse plantages in Oost- en West-Indië ook zo met slaven omgegaan wordt als in Amerika.

Eerste druk

Nu is het bijzondere van De negerhut dat de schrijfster niet alleen slechte plantage-eigenaren beschrijft, maar ook goede, die hun slaven behandelen zoals ze gewone bedienden behandelen. Het is dus echt geen zwart-wit verhaal met alleen maar goede mensen aan de ene kant en schurken aan de andere. Het verhaal gaat om de slaven Eliza, haar man George en hun zoontje Harry, en oom Tom. George werkt bij een kwaadaardige eigenaar; Oom Tom, Eliza en Harry zitten bij een goedaardige heer. Maar die man heeft schulden en tegen zijn zin verkoopt hij Oom Tom en het kind. Dat kind is zo’n leuk zwart mannetje dat alles kan wat die mensen zo goed kunnen, zoals dansen en grimassen trekken. Eliza vlucht met het jongetje en uiteindelijk komen ze samen bij George, die ook van zijn plantage gevlucht is, en na verschrikkelijke achtervolgingen komen ze in Canada goed terecht. Daar komen steeds meer gevluchte slaven aan en dan ontmoet Eliza voor het eerst van haar leven haar moeder. De hele familie reist nu naar Liberia, de republiek in Afrika die opgericht is door uit Amerika gevluchte slaven.

Tom vergaat het veel slechter. Eerst valt het nog mee, als hij wordt gekocht door een rechtvaardige planter. Maar als deze sterft, verkoopt zijn vrouw alle slaven via een veiling aan de wreedst denkbare plantagehouder. Tom weigert andere slaven te verraden die gevlucht zijn, en dan laat de plantagehouder hem verschrikkelijk martelen. Op zijn sterfbed komt de zoon van zijn eerste eigenaar langs, omdat hij een brief heeft ontvangen over Toms verschrikkelijke lot. De zoon is zo geschokt dat hij besluit alle slaven van zijn plantage de vrijheid te geven.

Ik vond het prettig om eens een boek te lezen dat echt over deze tijd gaat. Al die historische romans gaan op den duur toch vervelen. Wat ik ook zo prettig vond is dat het niet zo helemaal alleen over Nederland gaat, want andere boeken over nu, zoals de Camera Obscura of De oudejaarsavond zijn alleen leuk voor Nederlandse lezers, terwijl ik nu een boek gelezen heb dat wel honderdduizend mensen in de hele wereld kennen.

Dagboek van een lezer 3 (24 maart 1848)

Het was al de hele maand maart onrustig in Amsterdam. Op de 24ste liep ik in de vroege middag naar de sociëteit waar ik tot mijn verwondering de deur gesloten vond. Ik belde en vroeg de meid wat er aan de hand was. ‘Weet u het niet?’ antwoordde zij ‘er is oproer, zij plunderen de winkels. O – foei! daar komen zij aan,’ en tegelijk sloot zij de deur. En toen ik doorliep naar de Dam zag ik inderdaad een tierende hoop volk uit de stegen komen en zich verzamelen. Ik sprak een vriend van me aan die ook naar de club had willen gaan, en die vertelde dat een paar oproerkraaiers het gepeupel opgeroepen hadden om voor het paleis samen te komen. Het schijnt dat de schrijver van Verborgenheden van Amsterdam, Johannes de Vries, erachter zit. Die geeft ook de Hydra uit, waar ik veel akeligs over hoor omdat de koning en de ministers erin aangevallen worden, en ook de heren. Ik lees die niet en ze hebben er op de club ook geen abonnement op. Die De Vries werkt nu samen met de socialisten die hier vanuit Duitsland binnengekomen zijn en die willen dat werklui meer te zeggen krijgen. De samenscholing op de Dam was bedoeld om de regering en het stadsbestuur op te roepen iets te doen tegen de werkloosheid. Er waren wel duizenden mannen, ik zag ook vrouwen en vooral veel straatjongens.

Een deel van de menigte trok de Kalverstraat in om winkels te plunderen. Anderen renden achter de Nieuwe Kerk om naar de grachten en begonnen bij de heren de ruiten in te gooien. Huis aan huis werden de glazen van de onderkamers en van de belétages verbrijzeld. Ik was bang dat het razende volk ook mijn huis op de Utrechtsestraat zou bereiken en zette het op een draf daarheen. Ik bleef aan de kant van de gracht waar de meute niet was. Op de hoogte van de Leidsegracht zag ik Mijnheer Van Lennep lopen. Hij was heel bedaard en keek alsof hij elke dag zulk oproer gewend was. Hij leek zich zelfs te amuseren, zeker toen er dragonders op de menigte afkwamen en de boel begonnen schoon te vegen. Vanaf de overkant van de gracht bleef hij toekijken, en toen durfde ik ook mijn pas te vertragen. Hier speelde zich voor Van Lenneps ogen af wat hij zo vaak in zijn boeken had beschreven, als hij zich  volksoproertjes in de middeleeuwen voorstelde. Misschien hoopte hij dat er zich een historische gebeurtenis voltrok die hij voor een volgende roman kon gebruiken. De dragonders sloegen zo hard toe, dat er enkele oproerkraaiers in de gracht belandden, waar ze door hun makkers met veel moeite uitgehaald werden. Met natuurlijk het gevolg dat de meute uit elkaar viel. Het bleef nog wel een hele tijd onrustig, her en der vlogen er nog stenen door de ruiten, maar het was geen grote bende meer, slechts wat overgebleven kwajongens die er gewoon zin hadden om te keer te gaan.[1]


[1] Deels ontleend aan het dagboek van Maurits Jacob van Lennep, te raadplegen via Dagboeken | Stichting van Lennep.

Dagboek van een lezer 2 (juli 1806)

Iedereen vertelt heden over Mietje Hulshoff. De schrijfster is de dochter van de overleden dominee van de doopsgezinde kerk. Ze heeft een vreemde neiging tot opstand. Al twee jaar geleden kwam ze in aanraking met de politie vanwege een opruiend geschrift, maar ze werd vrijgesproken. Nu heeft ze in april door het hele land pamfletten verspreid tegen de Fransen, met de opruiende titel; Oproeping, van het Bataafsche volk, om deszelfs denkwijze en wil openlijk aan den dag te leggen, tegen de overheersching door eenen vreemdeling waarmede het Vaderland bedreigd wordt. Ze heeft het notabene voor eigen rekening laten drukken, en ze is zelf in een koets door het land getrokken om overal bij boekhandelaren en koffiehuizen het boekje te slijten. Ze gaat te keer tegen keizer Napoleon die zijn broer koning van Holland schijnt te willen maken. Dat is natuurlijk infaam, om onze Republiek zo te vernietigen, maar evengoed is het niet verstandig om zo naar buiten te treden. Als het mijn dochter was, zou ik haar wel tegengehouden hebben. Dit schrijft ze:

Over ons wil men een vreemd Vorst, met eigendunkelijke magt, de Schepter laten voeren; deze Republiek van eene vrije en onäfhankelijke Bondgenoote, gelijk zij behoort te zijn, in een wingewest veranderen, ons voor altoos tot slaven maken!! … Binnen weinige weken zal deze rampzaligste staat de onze zijn, ten zij gij U op een waardige wijze tegen zulk een ontwerp verzet.

Haar moeder was desperaat en heeft geprobeerd haar te verstoppen, maar het wicht zoekt zelf de aandacht. Ze heeft aan de politie laten weten waar ze te vinden was. Maar toen de agenten kwamen aanzetten met een arrestatiebevel, was Mietje verdwenen. Onbekende heren in een rijtuig met vier paarden hadden haar meegenomen, terwijl ze hevig tegenstribbelde. Dat vertelden ooggetuigen. Wie hebben Mietje ontvoerd? In de stad zeggen ze dat het haar moeder was, die haar wilde vrijwaren van politiegeweld. Maar misschien waren het ook oude patriotten die haar tegen zichzelf willen beschermen. Of handlangers van de justitie, die zit niet te wachten op een proces tegen een vrouw, daar komt altijd heibel van. Er wordt zelfs gezegd dat het representanten van de regering waren die bang waren voor oproer. Want alle echte vaderlanders zijn op haar hand. Hoe dan ook: Mietje is ontsnapt, teruggegaan naar Amsterdam, regelrecht naar de politie gestapt en ze eiste arrestatie. De politie aarzelde en toen dreigde ze een brief aan het stadsbestuur te schrijven over achteloosheid. Ze wilde zichzelf gewoon opofferen voor de goede zaak. De politie kon niet anders dan haar opsluiten, en ze kreeg een proces. De eis was driejarige opsluiting en eeuwige verbanning uit Holland, op grond van haar lasterlijk geschrijf tegen de overheid, van belediging van hooggeplaatste personen en het aanzetten tot oproerige beweging. Willem Bilderdijk werd een van haar advocaten. In zijn pleitrede stelde hij haar voor als kwetsbaar en geëxalteerd. Eigenlijk bepleitte hij vrijspraak op basis van haar vrouwelijke gevoeligheid. Mietje wilde daar echter niets van weten. Dat soort slappigheid hoort niet bij haar. Wat Bilderdijk ook probeerde als excuus voor haar actie: de vroege dood van haar vader, haar jeugdige leeftijd of haar vrouwelijk geslacht, het mocht van haar allemaal niet meetellen in de bepaling van de straf. Voor de wet moet iedereen gelijk zijn. Ze besloot zichzelf te verdedigen. Maar toen ze op 18 juli voor de rechter kwam, kon ze geen woord uitbrengen. Dus die vrouwelijke gevoeligheid, daar had Bilderdijk wel gelijk in. Het vonnis is nu geveld: twee jaar opsluiting.

Afbeelding van burgervrouwen, moeder en dochter, rond 1806

Dit is een stuk uit het lezersdagboek dat ik verwerk in mijn eerstvolgende boek over het lezen in de negentiende eeuw. Ik zette er al een op mijn blog op 1 januari 2021.

De metaforen van de natuur: dagboek van een lezer 1

De natuur was niet mild in de negentiende eeuw. Als het regende kwam er geen motregen, maar stortregen. De rivieren overstroomden, dijken braken door. Duizenden mensen verloren bij overstromingen het leven. Als het vroor, vroor het hard. Er was dan geen scheepvaart meer mogelijk, en Amsterdam kreeg het drinkwater uit de Lek niet meer aangevoerd. Bij storm stortten huizen in en vergingen schepen. De natuur was slechts voor een deel getemd, zij was onberekenbaar en kon toeslaan als een moordenaar.

Deze natuur doordrenkt dan ook de kunst van de eerste helft van de negentiende eeuw. Het geweld van de natuur werd gezien als een metafoor voor de woelige tijden van ná de Franse Revolutie. Het meest geschilderde tafereel van die tijd is de schipbreuk. Keer op keer werd de  mens afgebeeld die probeert kost wat kost te overleven in de woedende zee. In heel Europa raakte het schilderij van Théodore Géricault, Het vlot van de Medusa uit 1818 bekend. Daarop beeldde Géricault de laatste levenden op een vlot van 149 schipbreukelingen af, die in de verte een schip zien naderen. Hoop en wanhoop strijden om beurten in het contrastrijke schilderij. Om het er zo realistisch mogelijk uit te laten zien, bezocht Géricault lijkenhuizen en hospitalen. Géricaults schilderij laat aan de horizon licht gloren. Onheilspellend of hoopgevend?

Dat is weer anders bij Schipbreuk op een rotsachtige kust van de Nederlandse romantische schilder Wijnand Nuyen uit 1837. Het onweer heeft een driemaster op de kust geworpen. Overal liggen doden en gewonden. Omwonenden proberen nog wat slachtoffers te redden. De zon breekt door de wolken heen, maar zijn licht benadrukt slechts de macabere ramp. Het beschijnt een zeildoek dat als een lijkwade op het strand ligt. Geen mens is bestand tegen natuurgeweld. Beide schilderijen hebben een politieke lading: de mens is het slachtoffer van hogere machten. Maar het is niet de bedoeling van de kunstenaars dat de toeschouwers hierdoor ontmoedigd worden. Zie de lichtval bij Nuyen, zie de horizon in de verte bij Géricault. De boodschap is: hou vol, kom in opstand, er gloort redding.

Hetzelfde gebeurde in de literatuur. Scheepsrampen, overwinteringen op Nova Zembla, overstromingen en stormen: dat zijn de grote thema’s van de literatuur in de eerste decennia van de eeuw. En altijd brachten de lezers en de schrijvers ze in verband met de politieke situatie. Op een andere manier kon men nog niet denken over de Revolutie: die was een vorm van natuurgeweld geweest, dat niet te beheersen viel. Maar verandering was wel degelijk mogelijk – dat beseften de kunstenaars.

Dit is wat een lezer daarover schrijft:

Op de sociëteit schoof mijn buurman mij een vers toe dat geschreven is door Jan Frederik Helmers. Die dappere dichter roept ons op tot geweld om de Fransen te verdrijven:

Barst los in woedende onweêrsbuijen!

Valt aan van ’t noorden en van ’t zuiên!

Stort neêr, verplet het vloekgedrocht!

Maakt, maakt een einde aan onze ellenden,

Trapt, trapt het monster op de lenden,

 […]

Zijn Broederschap is moorderije,

Zijn Vrijheid, de ergste slavernije,

Gelijkheid niets dan roof en moord.[1]

Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, die mooie woorden van de Franse Revolutie, hebben slechts slavernij gebracht over heel Europa, zegt Helmers. Hij heeft potjandorisch gelijk en ik bespeur hier overal dat degenen die meegewerkt hebben aan de omwenteling van 1795 nu teleurgesteld zijn. De Fransen lijken ons steeds verder te willen knechten. Helmers zag dit al twee jaar geleden, toen hij in zijn `Aan mijne landgenooten’ ons waarschuwde voor de Franse roversbende:

Zal dan een rooverbende, o schand’!

Een naakte horde van afzigtelijke slaven,

Als englen des verderfs, met toortsen in de hand

Het eertijds bloeijend Nederland,

Door een’ afschuwelijken brand,

Bij ’t zinloos vreugdgeschal, in puin en asch begraven?[2]

Het is verbluffend wat zo’n dichter voorziet! Iedereen geloofde indertijd dat de Fransen ons kwamen verlossen van die zelfzuchtige veelvraat van een stadhouder, en dat ze ons zouden helpen bij het herstel van de oude Republiek. Hadden we maar beter geluisterd naar Helmers. Wat eerst een fraaie zonsopgang leek, is omgeslagen in noodweer, barbaren nemen ons land in. De Revolutie heeft de samenleving niet menselijker gemaakt en de Franse strijders hebben de omwenteling slechts gebruikt om de heerschappij over Europa te krijgen.

Maar niet alle hoop was vervlogen. Wat overbleef was de erfenis van de Verlichting. De verlichte denkbeelden zouden het houvast blijken te zijn voor de komende tijd. Het moest anders, maar tegelijk hoefde het niet zo rigoureus als de Franse Revolutionairen gewild hadden. Dat er een menswaardiger samenleving moest komen, en dat de overheid daaraan kon bijdragen, daarover was men het eens.

Bovenstaand fragment is een stuk uit het eerste hoofdstuk van de biografie van de negentiende-eeuwse lezer. De eerste complete versie daarvan heb ik voor kerst voltooid. In 2021 gaat die verschijnen. Ik begin gewoon in 1800 (of beter: op oudjaar 1799, maar dat doet er nu niet toe), en ik eindig op 31 december 1899.

Het zal een geschiedenis van het lezen worden. Wat las de lezer van de negentiende eeuw en waarom en hoe? Wat stond in de belangstelling, wat drong niet door tot de gemiddelde liefhebber? Ik ga niet uit van de canon, maar probeer te achterhalen waar de aandacht naar uitging. Niet naar Jacques Perk en Marcellus Emants, maar naar Justus van Maurik en Johanna van Woude. Zelfs de dichter die belachelijk gemaakt werd door de Tachtigers, Fiore della Neve, haalde een duizendmaal hogere oplage dan zijn vilaine spotvogels, Albert Verwey en Willem Kloos.

De titel van de lezersgeschiedenis onthul ik nog niet… Maar ik ga u in de komende maanden wel wat voorproefjes geven. Ik permitteer me in dit boek in het hoofd van die lezer te kruipen en hem in de ik-persoon verslag te laten geven van wat hij (of zij) las of hoorde en wat hij daarvan vond.

Het hele boek zal een ode aan het lezen worden.


[1] Jan Fredrik Helmers, ‘Ode’. In: Gedichten. 3e dr.  Rotterdam: J. Immerzeel, 1822,  dl. 2, 204-207. Het gedicht verscheen voor het eerst in de verzamelbundel Dichterlijke gedachten-beelden. Amsterdam: Dóll, 1801.

[2] Jan Fredrik Helmers, ‘Aan mijne landgenoten’. In: Gedichten. 3e dr. Rotterdam: J. Immerzeel, 1822, dl. 1, 117-121.

Zeven hindernissen in het leven, en wat daartegen te lezen

Je pakt een kookboek als je verwende gasten te eten krijgt, je pakt een klussenboek als je wil weten hoe je een schilderij stevig ophangt, een tuinboek als je in plaats van woekerende klimop een bloeiende clematis wilt planten, een medisch handboek als je wilt weten wat je tegen steenpuisten kunt doen en een reisboek als je naar een plek zonder internet af wilt reizen. Hoe zou het zijn als een mens ook naar boeken zou grijpen in netelige situaties die met de geest te maken hebben? Hoe zou het zijn als er literatuur was die dan bijna vanzelfsprekend uit de kast gehaald zou worden, zoals er nu in verband met corona zoveel mensen De pest van Albert Camus tevoorschijn gehaald hebben? Hoe zou literatuur uit het verleden meer impact kunnen krijgen in het dagelijks leven?

     Laten we ons eens voorstellen bij wat voor soort situaties literatuur zou kunnen helpen. En dan bedoel ik geen snelle ehbo-hulp, maar hulp in de zin van begrip, berusting, herkenning en overdenking. Welke hindernissen in het dagelijks leven zouden aanvaardbaarder gemaakt kunnen worden, of verzacht, als de lijder een boek zou lezen? Ik ga er dan vanuit dat een roman of toneelstuk met verandering van personages, tijd en plaats toepasselijk zou kunnen zijn op wat de lezer het leven bemoeilijkt, en daardoor heling zou kunnen bieden. Omdat de lezer ziet dat hij of zij niet alleen staat, dat er door de eeuwen heen vergelijkbare situaties zijn geweest, die wellicht ook niet opgelost konden worden, en zo de lezer verlichting geven.

     Wat zijn de meest voorkomende hindernissen waar een mens mee geconfronteerd wordt? Wat zou een vrouw, werkzaam op de universiteit, bijvoorbeeld tegenkomen? Ik heb het dan niet over het grote kwaad, niet over moord, niet over geweld, maar over  ergernissen die elke dag kunnen optreden, over hoe je bejegend wordt door anderen, over hele concrete gevallen die je misschien naar een abstracter niveau kunt trekken. Lege plastic waterflesjes in het park: milieuvervuiling. Papieren van de parkeerdienst: bureaucratie. Een marktkoopman die je 500 gram kersen laat betalen terwijl de weegschaal 450 gram aangeeft: hebzucht. En zo komen we bij de zeven hoofdzonden terecht: hoogmoed, hebzucht, wellust, jaloezie, onmatigheid, woede en traagheid. Die kunnen tot groot kwaad leiden, maar ze liggen ook ten grondslag aan kleine, dagelijkse ergernissen. Heb je ermee te maken op het werk, in huis, ben je zelf wellicht de prooi van een van deze kwaden? En bestaat er dan literatuur die je kan helpen om te contempleren over de ergernissen en ze naar een hoger plan te trekken?

     Laten we eens beginnen met hoogmoed. Hoeveel collega’s op het werk zijn er niet die zichzelf te hoog inschatten, die denken dat ze hemelbestormende artikelen schrijven en die het werk van jou nooit eens ter sprake brengen in een college? Zijn er mooie boeken over hoogmoed die ten val komt?  Zullen we archibald strohalm, de eerste roman van Harry Mulisch daarvoor inzetten? Het verhaal van een man die denkt dat hij een kunstwerk kan scheppen over het ‘hiervoormaals’ en dat hij daarmee de wereld naar zijn hand kan zetten. Dat eindigt in een vernederend fiasco en de dood van de hoofdpersoon.  

     En dan die hebzuchtige buurman, die zelf geen auto heeft, maar die van jou telkens te leen vraagt als hij eens naar Ikea moet omdat daar net een kortingsactie is, en die de benzine daarna niet eens vergoedt. En je durft hem niet te kapittelen omdat jouw gasten hun auto vaak bij hem voor de deur zetten. Kijk, dan kun je goed terecht bij Warenar van P.C. Hooft, waar de hebzuchtige hoofdpersoon de kous op de kop krijgt. Weliswaar kun je dan nog geen begrip opbrengen voor de oorzaak van hebzucht. Als je daar verder mee wilt, kun je misschien nog De avonden van Gerard Reve uit oude dozen met boeken van jaren her opduiken, waarin de oorlog aangedragen wordt als excuus voor de zuinigheid van Frits’ ouders. Neem dan vooral ook nog bij het lezen een glaasje bessen-appel-vruchtenwijn.

     Stel je hebt last van collega’s die gluren naar je vormen alsof het nog de  jaren zestig zijn toen dat gewoon en zelfs leuk gevonden werd. Of je bent in een café en er worden verkeerde grappen gemaakt als je als vrouw gretig in het schuim van een glas bier hapt. Wellust dus: daar gaat de halve wereldliteratuur over. Maar mooie geilheid, lust waar je begrip voor op kunt brengen, erotiek die je doet blijven geloven in de schoonheid van het lichamelijke, en je doet beseffen dat er een verschil is tussen vuige wellust en begeerte, lees dan Kort Amerikaans van Jan Wolkers nog eens. En om goed te voelen hoe wellust is die over de grens gaat, zou je de Sara Burgerhart van de leukste dames uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis in handen kunnen nemen.

     Je schoonzus die zegt dat zijzelf altijd truitjes bij H&M koopt als jij net een beeldschone peperdure angoratrui van Versace gekocht hebt. Jaloezie, en die is vaak zo geniepig aanwezig, dat je niet eens beseft dat een opmerking die je steekt eigenlijk getuigt van afgunst. De mooiste tekst over jaloezie is wel Vondels Lucifer. Lucifer, de engel, is afgunstig geworden op de mens, die door God boven de engelen gesteld wordt, hij verzamelt een leger medestanders en trekt ten strijde tegen de engelen die God welgevallig blijven, delft het onderspit en eindigt als duivel.

     De zak chips die leeg moet, het vierde glas prosecco, nog een paar schoenen, nog een boek. Nog een relatie erbij op LinkedIn en nog een foto op Instagram. Op je publicatielijst ook de kleinste bijdrage aan neerlandistiek.nl plaatsen. Postzegels verzamelen. Onmatigheid, of dat nu in eten, drank, seks of bezit is, we kennen het allemaal, van jezelf en anderen, en we ergeren ons er allemaal aan, of het nu bij jezelf of bij de ander is. Voor dat soort boeken moet je naar Adri van der Heijden gaan – in zijn Advocaat van de hanen is de onmatigheid gestold in de mateloze drankzucht van de advocaat.

       De deur wordt met een smak dichtgeslagen, de echtgenote brult nog: zoek het maar uit, en laat je achter met een volle kattenbak en een omgestoten koffiekan en de taak om je broer uit te leggen dat jullie niet naar de verjaardag kunnen komen omdat je te laat van de vergadering kwam om de auto bij de garage op te halen voor zes uur. Woede. Bordewijk misschien, met de meedogenloze Dreverhaven in Karakter? Of is die woede te berekenend en moeten we meer zoeken naar de uitbarsting, de vulkanische woede zoals die optreedt bij vaders en zonen in Knielen op een bed violen van Jan Siebelink, waarin drie generaties hun frustaties uiten in ontembare vernielzucht?

Je bent redacteur van een tijdschrift, je hebt de recensierubriek onder je hoede, je verdeelt boeken en dan moeten de aanmaningsmails de deur uit. Goed, er zijn altijd een stuk of drie medewerkers die net voor de deadline inleveren, maar die anderen… Het boek ligt inmiddels al bij De Slegte, en nog is de recensie er niet. Traagheid, ach wie lijdt er niet aan? Belastingaangiften gaan te laat de deur uit, een beterschapswens blijft liggen, mails wachten op antwoord. Maar hebben we behalve Oblomov een andere romanfiguur die tot niets komt? Je hebt natuurlijk de trage ambtenaar Slijmering in Max Havelaar. Maar is er ook een boek waarin de onontkoombaarheid van het uitstellen van handelingen zo beschreven wordt dat je begrijpt waar het vandaan komt? Of moeten we nu denken aan de schrijver zelf die boeken niet voltooit die hij beloofd heeft: Het boek van violet en de dood, van Gerard Reve?

 Kortom: mens erger je niet, neem een boek – ook de Nederlandse literatuur heeft ze.

Deze bijdrage werd geschreven voor de bundel Voltreffer! Populariteit en popularisering van de historische Nederlandse letterkundedie werd samengesteld ter gelegenheid van het emeritaat van prof. dr. Lia van Gemert, hoogleraar Historische Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam.

Een boek voor Rutte

Vorige week hebben Lotte Jensen en Marc van Oostendorp het initiatief genomen elke week een boek uit de Nederlandse literatuur toe te zenden aan Premier Rutte. Aanleiding is een artikel van de anglist Peter Liebregts over het gebrek aan gebruik van literaire citaten bij Nederlandse politici, waarop ik in mijn vorige blog reageerde, en dat, net als een reactie van Lotte Jensen, op neerlandistiek.nl verscheen. Bedoeling is: meer waardering voor de schrijvers, meer erkenning voor de waarde van hun woorden. Dit is de brief die ik aan Rutte stuur:

Waarde heer Rutte,

Neemt u me niet kwalijk dat ik medelijden met u heb. Natuurlijk, u heeft er zelf voor gekozen om premier van Nederland te zijn. Maar toen u daarvoor koos, wist u niet wat er allemaal op uw bord zou komen. U wist niet van corona, u verwachtte niet dat u collega’s zou krijgen bij wie de leugens van de baron van Münchhausen in het niet vallen, u wist niet dat de mooie azuren Middellandse zee zou verkleuren tot een lijkenput voor vluchtelingen.

De inwoners van Nederland verwachten dat u met oplossingen komt, en het beroerde is dat iedereen zijn eigen paard van Troje bedenkt. Ik ook: toen u besloot de bibliotheken dicht te gooien, heb ik een kastje buitengezet, en daarin stalde ik boeken waarvan ik dacht dat mensen daar wel iets aan zouden hebben. Ik koos niet de winkeldochters, maar titels die ik zelf graag zou herlezen. Titels die nu nodig zijn: om hoop te houden, om mededogen te kunnen voelen, om disrespect te weren. Ik koos De diamant van Mulisch, een pure schelmenroman met een diamant als brutale hoofdpersoon, een soort ontsnappingskunstenaar die uiteindelijk toch ten onder gaat. De donkere kamer van Damokles van Hermans – twijfel over wat echt is en onecht hoort ook bij deze tijd. Door mijn straat lopen behalve scholieren ook bejaarden. Voor hen legde ik de Leekedichtjens van De Génestet klaar, met zijn geweldige puntige wijsheden die, ook al zijn ze honderdvijftig jaar oud, nog aankomen als injectienaalden. Deze bijvoorbeeld, die u wel eens kunt citeren als u een van die breedsprakige parlementariërs wilt prikken: ‘Verlos ons van den preêktoon, Heer!/ Geef ons natuur en waarheid weêr!’. Of deze, voor als u het nog over het effect van mondkapjes durft te hebben: ‘Doe ik mijn oogen toe,/ Dan wil ik ’t wel gelooven;/ Doch als ik ze open doe/ Komt weêr de Twijfel boven.’

Nu had ik de hoop dat u misschien wel eens langs mijn boekenkastje zou willen lopen, en ik leg er voor u speciaal iets in wat u moet opbeuren als u zich als Jozef in de put voelt. Ik ken geen betere balsem voor een schrijnend gemoed dan de poëzie van Judith Herzberg. Al haar gedichten paren het gemak van gewone taal aan diepgang die zich vanzelfsprekend openbaart. Ik wil u het bundeltje Het vrolijkt geven. U kijkt hier even van op: ja, het Nederlands kan dat gewoon, van een bijwoord een werkwoord maken. Bedrieglijk eenvoudig lijkt het gedicht waarmee de bundel opent, maar het is een geraffineerde manier om je aan het denken te zetten:

Mij vrolijkt het

als bij de boerderij

waar deze trein

voorbij rijdt, vijf

blauwe overalls

te drogen hangen

aan een lijn.

Mij vrolijkt ook

de gans die in een wei

lijkt te staan peinzen.

Het lijkt een pleidooi voor kleine tevredenheid – maar niet heus, want er zitten adders onder het gras. Als domme ganzen nadenken en er gewerkt en gewassen wordt, dan moet een premier toch ook ‘vrolijken’? De diepte zit bij Herzberg in de oppervlakte. Stiekem wordt u in de maling genomen: ‘De regenboogforel besloot/ dat klein te zijn/ meer kansen bood dan groot. Nu de brutaalste toehappers zijn opgesnapt, […] duiken de kleineren, de meer onooglijken/ de diepte in die voor hen/ open blijft’. Hou dat in de gaten als u naar Brussel afreist. En lees dan ook eens het gedicht over de koe die een museum bezoekt en daar jaloers wordt op de koeien van oude schilderijen. Geef dat maar door aan Carola Schouten, met de boodschap: ‘Voor wat ik je/ vertellen wil is fluisteren/ nog te luid’. En als u iets wil doordrijven, citeer dan: ‘Leer van de brandweer/ Vuur!/ Blussen!’. Hartverscheurend eenvoudig en toch complex. Dus, meneer Rutte, ik vraag u of u Het vrolijkt wilt accepteren. Dan hoeft u niet naar een bibliotheek want daar zien ze u liever gaan dan komen.

Met een hoogachtende groet,

Marita Mathijsen

Literaire citaten voor de Nederlandse politiek

In Nederlandse politieke toespraken is de literatuur niet een bron waaruit vaak geput wordt. In de Volkskrant van 30 november wees de hoogleraar Engelse letterkunde Peter Liebregts daarop. Hij vergeleek de martiale uitdrukkingen van Rutte en De Jong bij de coronacrisis met toespraken van Ierse politici, die wél de literatuur gebruiken om de coronamaatregelen te verzachten. Ook Franse politici zijn er meesters in. Macron verwees in zijn toespraak bij de herdenking van de vermoorde leraar Samuel Paty naar de ‘Lettre aux instituteurs et institutrices’ van Jean Jaurès, uit 1888, over de vastberadenheid en tederheid die goede leraren kenmerkt. Maar welke politicus in Nederland kent zijn klassieken zo dat hij zou kunnen verwijzen naar bijvoorbeeld Kees de jongen van Theo Thijssen, als het om leraren gaat, of naar De kleine Johannes, als het om het milieu gaat?

Of zou het misschien aan de Nederlandse literatuur liggen dat er geen citeerbare citaten zijn die aangewend kunnen worden door politici? Het zou wellicht een goede investering zijn voor een uitgever om een bundel samen te stellen met kant en klare citaten voor bij verschillende gelegenheden, maar dan zouden er weer Arjan Lubachs opstaan die meteen door zouden hebben dat de tekstschrijver van de premier zijn eruditie uit Het kant-en-klare-citatenboek-voor-toespraken gehaald had.

Toch wil ik wel een pleidooi houden voor meer literatuur in troonredes, in toespraken in de Tweede Kamer en in persconferenties. Er zijn Nederlandse dichters en prozaschrijvers die eigenlijk altijd wel een regel te bieden hebben die makkelijk uit de context te halen is en toch overeind blijft. Van Harry Mulisch, dit jaar tien jaar overleden, is net een aforismenbundel verschenen met sprankelende uitspraken die in allerlei situaties toepasselijk zijn. Bijvoorbeeld deze uit Voer voor psychologen: ‘Iedere mening sleept onmiddellijk haar tegendeel met zich mee’. Of deze: ‘Wie over de dood wil spreken, moet niets zeggen: dan spreekt hij de waarheid’ (Anekdoten rondom de dood). Gerrit Achterberg, J.C. Bloem, Martinus Nijhoff, Peter de Génestet zijn oudere dichters die onuitputtelijk zijn, maar ook bij levende schrijvers, zoals Judith Herzberg, Ellen Deckwitz of Ilja Leonard Pfeiffer zijn prachtige verwoordingen te vinden.

Laten we eens uitgaan van de vier hete hangijzers van dit moment, en daar toepasbare, troost- of hoopgevende citaten van Nederlandse schrijvers bij zoeken. De coronacrisis is natuurlijk het meest schrijnend op dit moment en daarbij zouden mooie troostgevende woorden wel gewenst zijn. Prachtig om mee te beginnen als er weer nieuwe beperkingen aangekondigd worden is een citaat uit het gedicht ‘November’ van J.C. Bloem, hoewel het niet troostend, maar berustend is: ‘Verloren zijn de prille wegen/ Om te ontkomen aan den tijd;/ Altijd november, altijd regen,/ Altijd dit lege hart, altijd.’ Meer vertroosting geeft deze regel uit ‘Het einde van ’t jaar’: ‘Al wat men leed/ kan men niet weder lijden’. En misschien is het heel rustgevend als Rutte dit in het vooruitzicht stelt: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’, alweer van Bloem, uit zijn gedicht ‘Herinnering’ (Verzamelde gedichten).

Kan de dichter ook te hulp schieten bij klimaatproblemen en de verlangens naar comfort enerzijds en anderzijds schone lucht, die vrijwel onverenigbaar zijn? De minister die het niet ziet zitten met nieuwe snelheidsbeperkingen en antistikstofmaatregelen kan de onmisbare Elsschot citeren met: ‘tussen droom en daad/ staan wetten in de weg en praktische bezwaren’ en voor zichzelf dat aangrijpende, zelden geciteerde vervolg prevelen ‘en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,/ en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat’ (Gedichten). Diezelfde minister zal De kleine Johannes niet durven citeren, en het stuk overslaan waarin Windekind tekeer gaat tegen de mensen die ‘vernielen al wat mooi en heerlijk is. Zij hakken boomen om en zetten er plompe, vierkante huizen voor in plaats. Zij vertrappen de bloemen moedwillig en dooden voor vermaak elk dier, dat onder hun bereik komt. In hun steden, waar zij opeen kruipen, is alles vuil en zwart en de lucht bedompt en vergiftigd door stank en rook. Zij zijn geheel vervreemd van de natuur en hun  medeschepselen.’ Dat is misschien meer iets voor Jesse Klaver.

Een derde punt: het gebrekkig functioneren van de overheid, of het nu gaat om de afwezigheid van snelle teststraten of om ten onrechte als frauduleus bestempelde toeslagen voor kindjes in dagverblijven. Compassie met de slachtoffers kan blijken als de verantwoordelijken Hanny Michaelis citeren: ‘Alle eindjes/ aan elkaar geknoopt/ tot een patroon dat zich/ laat leven. Dagenlang/ gaat het goed. En dan/ is het er weer, het gat/ waar alles in verdwijnt’ (Verzamelde gedichten). Maar de overheid zal wel weer excuses zoeken voor haar gebrek aan slagvaardigheid en met Ellen Deckwitz verzuchten: ‘Laat me asjeblieft/door. Laat me nooit/ de waarheid zeggen,/ als ik dat doe komt er een vos in me op/ en je weet hoe vossen zijn die maken meer kapot/ dan ze op kunnen’ (Hogere natuurkunde). Of de boemerang van Peter de Génestet hanteren: ‘Gij, die in alle dingen/ Slechts zonde vindt en schuld…/ Van leelijke gedachten/ Is vast uw ziel vervuld’ (Gedichten).

Voor de koning en zijn Griekse miskleunen kan men terecht bij Gerard Reve: ‘Gij, die Koning zijt, dit en dat, wat niet al,/ ja ja, kom er eens om,/ Gij weet waarom het is, ik niet./ Dat Koninkrijk van U, weet U wel, wordt dat nog wat?’ (Verzamelde gedichten).

Er is ook nog de angst voor terroristische aanslagen. Niemand weet wie de eerste verwoorder was van de regels: ‘Een mens lijdt dikwijls ’t meest/ Door ’t lijden dat hij vreest’. Ferd Grapperhaus zou hiermee de angst kunnen temperen die iedereen voelt die het nieuws nauwgezet volgt. Judith Herzberg varieert daarop: ‘Zo zijn het vaak onze meest eigene gedachten/ de meest nabije, de meest schrijnende,/ die wij door moeten strepen,/ uit moeten krassen.’ (Doen en laten).

Negentiende-eeuwse dichters zijn altijd goed voor opbeuring. Een vooruitziende blik schijnt Nicolaas Beets te hebben in zijn gedicht ‘Opvoeding’: ‘Een dwaas houdt, als besmettingen regeeren,/ Zijn deur en vensters dicht om ze af te weren,/ En (wanende dat hij zijn kroost behoedt)/ Vergiftigt, door vervuilde lucht, hun ’t bloed./ De wijze zorgt voor lucht, geregeld leven,/ Goed voedsel, en een onbezwaard gemoed – / De rest blijft biddende in Gods hand gegeven.’ (Dichtwerken) Toegegeven: met die hand van God zal Rutte alleen de gelovigen in Barneveld en omstreken een plezier doen. Peter de Génestets dichtregels uit Leekedichtjens zijn op alle hedendaagse situaties toepasbaar: ‘Veel is bewezen dat toch in den grond niet waar is,/ En veel is eeuwig waar, ofschoon ’t bewijs niet daar is.’

En dan tenslotte, buiten alle misère om, nog eens Judith Herzberg  met het meest opbeurende gedicht dat ik ken: ‘Mij vrolijkt het/ als bij de boerderij/ waar deze trein/ voorbij rijdt, vijf/ blauwe overalls/ te drogen hangen/ aan een lijn./ Mij vrolijkt ook/ de gans die in een wei/ lijkt te staan peinzen.’ (Het vrolijkt).

Dit stuk verscheen in de Volkskrant op 6 november, en op neerlandistiek.nl op 7 november.

Een elitaire camping

The Fanghetto Reporter

De ouders van Alma Mathijsen belandden dertig jaar geleden via Fanghetto in Bussare. In haar jongste roman, Bewaar de zomer, speelt de streek een hoofdrol. Een voorpublicatie.

‘Er zijn hier best veel Nederlanders.’
De jongen tikte net de twee meter aan, had hoogblond haar en was eerder die dag een berg op gereden op zijn zelf meegebrachte wielrenfiets.
‘Vind je dat niet raar?’
Hij was de gloednieuwe vriend van een van mijn beste vriendinnen, en ik wilde nu al de pasta van zijn bord slaan. Ik werd altijd defensief als mensen over het aantal Nederlanders in de regio begonnen, ik deed mijn uiterste best mezelf in te houden.
‘Nee, mijn ouders kwamen dertig jaar geleden mee met een vriend en sindsdien zijn ze altijd teruggekomen, ze brachten mijn oom mee en die bleef ook. Net als de beste vriend van mijn ouders, en die nam ook weer vrienden…

View original post 551 woorden meer

Het kwaad in de literatuur

Man verdenkt vrouw van overspel, en vermoordt haar – zoals in Een nagelaten bekentenis van Marcellus Emants of in Twee vrouwen van Harry Mulisch, in een iets andere setting, waarbij bedrog de hoofdrol speelt. Of: het individu bindt de strijd aan tegen de macht van het kapitaal, zoals in Thomas Rosenbooms Publieke werken. Of: vrouw bevecht zelfstandigheid en delft het onderspit, zoals in Majoor Frans van Geertruida Bosboom-Toussaint.  In de meeste romans en toneelstukken staat een conflict centraal, waarbij negatieve en positieve krachten botsen. Daaraan ontlenen literaire werken hun fascinatie. Belangrijk is niet dat de minnaar de beminde wel of niet krijgt, maar wat de algemene obstructies zijn die het menselijk geluk in de weg staan, en die in de literatuur zo beschreven worden dat de lezer ze herkent en ziet dat ze hemzelf aangaan. Wat zijn dan die negatieve krachten in een roman of toneelstuk die tot ondergang leiden of die soms overwonnen worden? Fascinerend is dat in de literatuur de negatieve krachten wisselen met de eeuwen, en dus afhankelijk zijn van het denken van de mensen in een bepaalde periode. 

Aanstaande woensdag (21 oktober) begint bij de Illustere School van de Universiteit van Amsterdam een collegereeks over Het kwaad in de Nederlandse literatuur.

Over het kwaad bestaat een uitgebreide filosofische literatuur – van Safranski tot Kant, van Leibniz tot Rousseau: vele filosofen probeerden te beredeneren hoe het kwaad in de condition humaine zit, of niet. De filosofen bestrijden elkaar: volgens Kant heeft de mens een diepgewortelde hang naar het kwade, Nietzsche ziet goed en kwaad slechts als menselijke interpretaties. Hoe zit dat bij de literatoren? Het kwade, het negatieve is de as waarom de literatuur draait, het is dat wat literatuur zo fascinerend maakt – er bestaat immers geen literatuur waarin alleen maar over voorspoed en geluk en tevredenheid een rol speelt. Behalve dan het satirische boek van Voltaire: Candide où l’optimisme, waarin Voltaire de optimistische filosoof Leibniz bespot met zijn opvatting over ‘de best mogelijke wereld’ waarin we zouden leven.

De duivel verleidt Adam en Eva, Rembrandt

In de Lucifer van Joost van den Vondel is het kwade belichaamd in de jaloezie die Lucifer op de mens heeft, die machtiger zou worden dan de engelen. Bij Mariken van Nimweghen is het kwaad letterlijk belichaamd in de duivel Moenen, die haar begeerte naar kennis zo weet te bespelen dat zij zwicht voor zijn verleiding. In Hanna Bervoets Alles wat er was is het kwaad aanwezig als een grote onbekende milieuramp in de buitenwereld, waardoor een kleine groep mensen gedwongen wordt mogelijkheden tot overleven te zoeken. Lichtzinnigheid, machtswellust, begeerzucht, experimenteerzucht, verslaving, dat alles kan teruggevonden worden in literaire teksten. Hangen die samen met de christelijke zeven hoofdzonden? Of moet het kwaad begrepen worden als het blinde noodlot uit de klassieke Griekse literatuur? Door de tijden heen is er misschien wel een fascinatie voor één soort kwaad per tijd aanwijsbaar. Geloofstwijfel komen we tegen in boeken uit de tijd van de Verlichting, in middeleeuwse teksten heeft de duivel macht, in de negentiende -eeuwse romans redt de medische wetenschap de personages niet van besmettelijke ziekten, oorlogszucht overheerst in boeken uit de twintigste eeuw.

Val van de opstandige engelen door C. Lebrun

De colleges worden gegeven door achtereenvolgens Yra van Dijk, Jeroen Jansen, Herman Pleij, Bert Paasman, Marita Mathijsen, Klaus Beekman en Jaap Goedebuure, wekelijks op woensdagmiddag. Het zijn zoomcolleges met mogelijkheid tot het stellen van vragen. Intekening is nog mogelijk via https://www.uva.nl/programmas/open-programmas-is/het-kwaad-in-de-literatuur/het-kwaad-in-de-nederlandse-literatuur-door-de-eeuwen-heen.html