Welkom

Image

IK STA OP MEER DAN 1600 VOLGERS. De biografie over Jacob van Lennep is klaar. De vierde druk is 24 mei 2019 hals over kop verschenen, ik kreeg niet de gelegenheid nog wat late correcties in te voegen. Het dagboek van Van Lenneps voetreis uit 1823 is in een fraaie herziene editie opnieuw uitgekomen bij Atlas-Contact. Bovendien is er nu een route ontwikkeld om Van Lenneps voetreis per fiets na te bootsen, met heel veel mooie tips. Zie Jacob van Lennep route. Verschenen is ook een nieuwe editie van De lotgevallen van Ferdinand Huyck met een inleiding van mij in de klassiekenreeks van uitgever Veen.

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
Ik vorder met een literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. Minder saai dan die van de Taalunie, persoonlijker, vast ook minder wetenschappelijk. Eigenlijk wordt het meer een lezersgeschiedenis. Wat las de gretige lezer van de negentiende eeuw? Wat wist hij (zij) van het literaire leven, welke boeken kocht hij, om welke pamfletten kon zij niet heen, welke recensies las hij, welke vertalingen, stak hij een kaarsje op bij het portret van Bilderdijk toen hij hoorde dat deze overleden was? Opnieuw zal ik in dit blog verslag doen van schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, ziektes en natuurlijk prachtige literatuur.

Relevante literatuur nu

Nu er zoveel aandacht is voor boeken als De pest van Albert Camus en De stad der blinden van José Saramago, is het tijd om ook eens het boek van Hanna Bervoets, Alles wat er was opnieuw in handen te nemen. Zeven jaar geleden verscheen het, en het is beangstigend om te merken dat Bervoets een voorspellende gave had. Want wat in dit boek gebeurt, loopt parallel met wat er zich nu afspeelt. Natuurlijk vergroot Bervoets de situatie en dat is het recht en de plicht van schrijvers, maar de overeenkomsten zijn beklemmend.

Bervoets zet een groep van acht mensen bij elkaar die geconfronteerd wordt met een ramp buitenshuis, zonder dat die ramp verder aangeduid wordt dan met ‘de knal’. Dat kan dus ook een virusuitbraak zijn. Niemand mag meer het gebouw uit waar ze nu toevallig bij elkaar zitten, een school. Er is nauwelijks etensvoorraad, ze weten niet wat er buiten gebeurd is en langzaam maar zeker vallen allerlei voorzieningen uit. Het internet waarop de overheid waarschuwde om binnen te blijven viel al snel weg. Eerst is er nog elektriciteit, maar na een paar dagen begint die te haperen en breekt tenslotte helemaal af. Dan stopt ook het water. Op dag 145 eindigt het boek en daarmee ook het leven van de opgeslotenen. Wat er daarvoor gebeurde, is een gruwelijke dystopie. Een van de vrouwen heeft een dagboek bijgehouden, dat in Alles wat er was in wisselende volgorde langskomt.

Wat het boek zo huiveringwekkend maakt, is de kenschetsing van menselijke reacties. Die zijn vergelijkbaar met wat we nu ook zien. Er zijn vier basisgegevens. Het eerste: iets totaal onbekends overkomt een groep mensen, iets wat niet eerder is voorgekomen. Het tweede: een groep is opgesloten, moet met elkaar zien om te gaan ook al zijn het geen vrienden. Het derde: de voorzieningen waarop je normaal gesproken kunt rekenen, vallen weg. Het vierde: er is gebrek aan eten, verband, medicijnen.

Hier komen dan de reacties overheen: angst, nachtmerries, onberekenbaar gedrag, onverantwoord gedrag, agressie, leugens, bietsgedrag, seks zonder liefde. Maar ook: improvisatievermogen, fantasie, organiseertalenten, altruïstisch afstand doen van eten voor anderen. Er zijn mensen bij die zo doordraaien dat ze toch de deur van de school uitgaan – en van hen wordt niets meer gehoord. Anderzijds is er ook iemand die een muis weet te vangen, schoon te maken en te stoven.

Soms lijken de gesprekken volledig overeen te komen met de woorden die nu in gezinnen overal hetzelfde klinken. Zoals:

Dan opperde Kaspar dat we ons mentaal en praktisch moesten voorbereiden op een periode van weken of zelfs maanden, zei ik dat we eerst maar moesten afwachten, riep Barry dat hij gek werd van onzekerheid en zei Leo dat Barry dat maar niet moest doen, gek worden, omdat dat de situatie er niet minder onzeker op zou maken, alleen een stuk onaangenamer.

De eerste dagen is de taal van het dagboek nog coherent, hoe verder in de tijd hoe meer die verbrokkelt. Het besef van tijd verdwijnt ook, zoals ook nu mensen gaan vergeten of het woensdag of donderdag is.

Er is ook het verlies aan decorum: men bekommert zich steeds minder om het uiterlijk, deels uit gebrek aan mogelijkheden om te douchen of te wassen, maar ook omdat het er niet meer toe lijkt te doen.

Het lijkt misschien vreemd als ik zeg dat dit boek hoe aangrijpend ook toch troost biedt. Natuurlijk heel eenvoudig omdat het een verdraaid knap boek is. Maar ook omdat het je terugwerpt op jezelf in onze barre tijd en je de vraag doet stellen: hoe zou ik het gedaan hebben en vooral: hoe doe ik het nu?

Uitgeverij Pluim

[Dit bericht verscheen ook op Tzum]

De boterham en de goudzoeker

Op de 218ste geboortedag van Jacob van Lennep draag ik het ironische gedicht voor van zijn goede vriend Gerrit van de Linde (De Schoolmeester) over hebberigheid en economische belangen. Beluister het hier: https://anchor.fm/hetverblijf/episodes/Dag-5—Marita-Mathijsen-leest-De-Schoolmeester-ebqr78

Voor wie wil is er ook nog de tekst:

http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/schoolmeester/boterham.html

Dit schreef ik erover op Literatuurgeschiedenis.nl:

Nog geen eeuw geleden leerde men op Nederlandse scholen de gedichten van De Schoolmeester van buiten. Bijna iedereen kende wel een paar regels van hem, bijvoorbeeld `Een leeuw is eigenlijk iemand, die bang is voor niemand’of `Een hond is vermaard om zijn gezelligen aard’. Vooral aan het eind van de negentiende eeuw was de oplage van zijn enige gedichtenbundel met de eenvoudige titel Gedichten van den Schoolmeester ongekend hoog. In het begin van de twintigste eeuw werd de bundel zelfs cadeau gedaan bij repen chocolade.

De Schoolmeester is uniek in de Nederlandse negentiende eeuw door zijn openhartigheid, door zijn geestig en virtuoos taalgebruik, door zijn losse omgang met regels en door de grappige manier waarop hij autoriteiten belachelijk maakt.

Hij lapt alle dichtregels van zijn tijd aan zijn laars en jongleert zo met de taal dat er geheel nieuwe beelden en associaties ontstaan. Zijn technisch vermogen is groot: hij draait zijn hand niet om voor lange rijmreeksen of kunstige dubbel- of binnenrijmen. Het grote verschil met andere toenmalige dichters, zowel Nederlandse als buitenlandse, zit hem in de afwezigheid van een metrum. Terwijl metrische poëzie de standaard was, schreef De Schoolmeester zijn zogenaamde knittelverzen zonder een vast patroon in beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen en met een bonte opeenvolging van korte en langere versregels. Een typografische broddel is het gevolg: sommige versregels zijn zo lang dat ze over de regel heenlopen, andere bevatten maar enkele syllaben. Toch lijken de regels bij voordracht even lang: door alliteraties en assonanties weet hij te bewerkstelligen dat ze naar behoefte ingekrompen of uitgezet worden. Het metrum, dat een hulpmiddel was bij het van buiten leren van verzen, blijkt bij hem niet nodig. Er is een verrassende muzikaliteit in het ritme, en men onthoudt de gedichten bijna vanzelf na ze een aantal keren gehoord te hebben.

Behalve de knittelverzen is er meer typerend voor De Schoolmeester. Malle beeldspraak, dolle personificaties, samenvoegen van dingen die niet bij elkaar horen, opzettelijke begripsverwarring en geestige overbodigheden treft men bij hem aan. En dan ook nog in een uitbundige opeenstapeling, die puur uit het plezier om wat er allemaal met taal mogelijk is, lijkt voort te komen. Gezegden en spreekwoorden vermengt hij zo dat letterlijke en figuurlijke betekenissen door elkaar gaan lopen. Eigenaardig zijn ook de bizarre vergelijkingen, die niet zoals gewoonlijk van klein naar groot gaan, maar andersom: de oceaan wordt vergeleken met een geschuurde schuimspaan, en de zon geeft zoveel licht dat hij wel op een kaars lijkt. Een meester is De Schoolmeester in het verzinnen van onmogelijkheden.

Zoals De Schoolmeester in de vorm van zijn poëzie weigert kunstregels te erkennen, zo schopt hij ook inhoudelijk aan tegen de autoriteiten die overal en altijd een erekwestie van maken en eeuwig te laat op de proppen komen. Tegelijk hekelt hij de negentiende-eeuwse maatschappij met haar voorkeur voor gezellige toneeltjes en haar biedermeierachtige karakter. De grootse thema’s waar de romantiek een voorkeur voor had, werden verkleind tot huiselijke tafereeltjes: de woeste schipbreuk wordt een plaatje op de wand, en had daarmee haar bedreigende karakter verloren. De burgerman van de negentiende eeuw verkleint de proporties van de wereld zó, dat hij haar lijkt te kunnen beheersen, en juist die mentaliteit hekelt De Schoolmeester.

https://www.literatuurgeschiedenis.nl/19de/tekst/lg19047.html

De corona van de negentiende eeuw: cholera

Wie zijt ge, die heel de aard’ met siddering vervult?

Gij, die, in duisternis en nevelen gehuld,

Niets dan verderving aâmt? Een vloekharpij, de kolken

Des afgronds uitgebraakt, om land op land te ontvolken?

Uit J.J. Goeverneurs gedicht ‘De cholera’ uit 1832, de tijd van de eerste cholera-epidemie in Nederland, blijkt hoe bang men was voor de onbekende en onverklaarbare ziekte. Een arts uit Utrecht beschreef wat hem overkwam in 1832. Hij werd bij een vijfjarig meisje geroepen, dat duidelijk de tekenen vertoonde die in de kranten beschreven waren voor cholera. Ze lag in een kruiwagen in een koud achterhuisje. Talloze buren waren uitgelopen omde vreemde ziekte te bekijken. Op aandrang van de dokter trokken de toeschouwers zich terug, want hij wist van het besmettingsgevaar. Een man van zestig was niet te bewegen weg te gaan en bleef hoofdschuddend naar het kindje kijken. De dokter haalde de moeder over om het kind naar het nieuw ingerichte cholerahospitaal te brengen. Het lijdertje huilde luidkeels met de eigenaardige hese cholerastem en smeekte om bij haar moeder te mogen blijven. De oude man raakte hierdoor nog meer van streek. Het kind was nog niet weggevoerd, of de dokter zag dat de meelevende toeschouwer de ziekte ook had. Binnen een uur veranderde hij totaal van uiterlijk. Tien uur later was hij dood. Het kindje overleed ook.

De cholera sprak tot de verbeeldingskracht van dichters. Ze werden gefascineerd door het huiveringwekkende raadsel van de ziekte, die zich leek te onttrekken aan eerdere ervaringen met epidemieën. Wie ben jij, schreef ook Hasebroek bij de tweede epidemie in 1848:

Wie zijt ge, o onbekende

En ongewenste gast,

Die, waar ik de ogen wende,

Mij overal verrast?

Richt ik naar ’t veld mijn schreden,

Ik zie u dreigend staan,

En wil ik stadwaarts treden,

Uw aanzicht grijnst mij aan.

Die personificatie van de cholera is er ook in de Brief in dichtmaat aan de cholera morbus van de libellenschrijver Jean Baptiste Wibmer, waarin hij de cholera toeschrijft dat die geniet van de angst als hij met zijn opengesperde kaak klaar staat om het mensdom te verslinden. Veel dichters van bekommernispoëzie hebben erover geschreven, ook Nicolaas Beets, Bernard ter Haar en Adriaan van der Hoop. De schrijvers voelden de angsten van de mensen aan. Ze schreven romans waarin de cholerabedreiging een rol speelt, ze schreven gedichten die voor de gezinnen van slachtoffers verkocht werden, ze schreven historische romans over de pest en iedereen verving het woord ‘pest’ natuurlijk door ‘cholera’. In 1835 verscheen er een vertaling van de Italiaanse roman De verloofden van Alessandro Manzoni, waarin de pest een angstaanjagend thema is, en dat boek had meteen succes. In de roman Elize, in 1839 uitgegeven door Elisabeth Hasebroek, spelen liefdesgeschiedenissen zich af tegen het decor van de uitbraak van de cholera. De Franse veelschrijver Eugène Sue stelt in Le juif errant van 1844-1845 de cholera voor als een reiziger ‘geheimzinnig als de dood, langzaam als de eeuwigheid, onverzoenbaar als het noodlot’.

Besmet drinkwater verspreidde de cholera

Adriaan van der Hoop gaf het gedicht De cholera: graf- en boeteklanken (1832) uit waarin hij de cholera als een straf van God voorstelde.  Da Costa sloot zich later in zijn gedicht Vijf en twintig jaren (1840) aan bij deze visie van Van der Hoop. Andere schrijvers zochten de oorzaak niet bij God maar bij zijn gewijde dienaren, zoals in een uit het Duits vertaald pamflet met de titel: Hoogst belangrijke bewijsgronden, dat de cholera morbus door de Jezuïten in Europa gebracht is, door hen geleid, en tot hunne oogmerken aangewend wordt.

De cholera was een nieuwe ziekte, die tot dan toe nog niet in West-Europa voorgekomen was. Men kende haar verschijnselen niet, wist niet hoe zij overgebracht werd, meende dat zij onberekenbaar was omdat zij een ander verspreidingspatroon vertoonde dan de pest. Ze leek op verschillende plaatsen tegelijkertijd te kunnen uitbreken en bracht daardoor een groeiend gevoel van onveiligheid onder de mensen. De beschrijvingen van haar optreden gingen de verbeeldingskracht te boven. De patiënten veranderden binnen het uur van uiterlijk. Helse krampen en een ondraaglijke dorst wisselden diarree en braakerupties af. Het gezicht viel in, de ogen begonnen uit te puilen, de stem werd hees en de huid verkleurde zwartblauw. De lijders voelden ijskoud aan. Ze waren zo koud, dat men sommige patiënten voor dood hield, die nog enige uren te lijden hadden. Er gingen verhalen rond van lijken, die terwijl ze in de extra diepe kuilen zakten die voor de choleradoden gegraven werden, op het laatst nog tegen de doodskist tikten.

Zo veranderden choleraslachtoffer in korte tijd

De cholera is uit India naar Europa gereisd. In het moerasgebied van Bengalen heerste zij al vele jaren. In 1817 brak zij door de grenzen van India heen en baande zich langzaam een weg naar Rusland, waar zij in 1830 de zuidgrens overschreed. Moskou werd in dat jaar getroffen. Russische legers namen haar mee naar Polen, waar militaire acties plaatsvonden tegen opstandige Polen. Pruisen legde langs de grens met Polen een scherpe bewaking in, maar tevergeefs, want ook Berlijn raakte besmet. Rijke mensen die in koetsen Berlijn wilden ontvluchten, werden tegengehouden door de menigte, die niet accepteerde dat de welgestelden zich konden onttrekken aan het lot. Engeland sloot zijn havens tegen schepen uit de Oostzee. Tevergeefs. Na Engeland was Frankrijk aan de beurt. Begin 1832 kon men in de Nederlandse kranten lezen dat de cholera Parijs had bereikt, waar beduidend meer slachtoffers vielen dan in Londen. In Parijs werd het volk hysterisch. Wie zich ophield in de buurt van waterputten, werd ervan verdacht het water te vergiftigen. Wie een vreemd flesje bij zich droeg, zou de smetstof willen verspreiden. Kasteleins zouden de wijn vergiftigen en zelf antistof ingenomen hebben. Onschuldigen werden door het volk aangevallen en gelyncht. Het gerucht verspreidde zich dat artsen beloningen kregen voor elke arme die aan de cholera stierf. De apothekers verdriedubbelden de prijzen van geneesmiddelen, die overigens niet hielpen. En ook hier was er een complotttheorie: de Jezuïeten verspreidden de ziekte. Waarom ze dat zouden doen was de vraag niet.

            Vluchtelingen uit Parijs brachten de ziekte over naar België, waar men even angstig reageerde als in Frankrijk. Het volk geloofde dat kwaadwillenden besmet snoepgoed aanboden aan kinderen.

            Nederland was voorbereid op het uitbreken van de cholera. In 1831 had de regering drie bekwame artsen naar Duitsland gestuurd om de ziekte te bestuderen en deze hadden een rapport opgesteld met aanbevelingen. In elke grote gemeente moest een choleracommissie ingesteld worden, bestaande uit een notabel, een arts en een politiedirecteur. De steden werden verdeeld in wijken waarin de wijkcommissie verantwoordelijk was voor de gang van zaken. Gemeenten kregen het advies een speciaal cholerahospitaal in te richten. Huizen waarin cholera heerste, kregen een bordje aan de deur. Als de zieken of doden uit huis waren, werd de woning ontsmet met de toenmalige middelen: luchten, azijn sprenkelen en chloorgas verspreiden. Choleradoden moesten direct de kist in zonder ze af te leggen, en ze moesten zo snel mogelijk in een dubbeldiep graf begraven worden. Jacob van Lennep was een van de notabelen in Amsterdam die verantwoordelijk werd voor een grachtenwijk.

            De adviezen van de commissie waren voor die tijd vooruitstrevend. Matigheid en reinheid werden als voorname middelen gezien om de cholera beheersbaar te houden. De voorbereidingen werden overal vrij stilletjes getroffen, omdat het burgergilde wilde voorkomen dat paniek en dus opstand zou uitbreken. Wel had de pers zich meester gemaakt van het onderwerp, en verscheen de een na de andere brochure met aanbevelingen hoe zich de ziekte van het lijf te houden. De Vaderlandsche Letteroefeningen publiceerden in elk nummer wel een verhandeling erover. De religieuze leiders gebruikten de angst om de mensen aan te sporen zich tot God te wenden, voor hij het grote kwaad naar Nederland zou sturen.

            De regering verwachtte dat de cholera, zoals alle kwaad, uit Frankrijk zou komen, en dus had men aan de Belgische grens verscherpte controle ingevoerd. Dat was des te makkelijker omdat er in verband met de Belgische opstand nog veel militaire troepen in Zuid-Nederland gestationeerd waren. Men had echter niet voldoende op de zee gelet. De cholera kwam Nederland binnen via een Scheveningse vissersschuit met botersmokkelaars. Tussen 25 juni, het binnenlopen van de visserspink, en 3 juli waren er al 46 lijders waargenomen. Vier daarvan waren binnen enkele dagen overleden. Direct trad het apparaat in werking. Vis uit Scheveningen mocht niet meer vervoerd worden. Jaarmarkten en kermissen werden verboden. Geneeskundige hulp aan armen werd gratis beschikbaar gesteld. Desondanks bereikte de ziekte in juli Den Haag, Katwijk en Rotterdam. In augustus waren Utrecht en Amsterdam aan de beurt. In totaal stierven bij de eerste cholera-epidemie 10.108 mensen. De tweede uitbraak van 1848-1849 was heviger en viel samen met een periode van hongersnood door aardappelziektes en hoge voedselprijzen. 22.460 mensen werden toen het slachtoffer. De laatste hevige uitbraak is van 1866-1867, en ook toen vielen nog 21.286 doden.

Van de verschillende besmettelijke ziekten in de negentiende eeuw heeft de cholera het meest onmatig toegeslagen. De pokken en de tyfus halen nog niet de helft van het totale dodenaantal van de cholera. Bovendien maakte de cholera de mensen radeloos, omdat ze zowel miasmatisch als contagieus leek te zijn, dus zowel een gevolg van vervuilde dampen als van smetstof. De snelheid waarmee een gezond mens in weinige tijd kon vervallen tot een onherkenbaar wrak, was angstaanjagend. De machteloosheid van medici, en de onverklaarbare resistentie van sommige mensen, vergrootten het raadsel van de helse harpij.

            Pas in 1883 ontmaskerde Robert Koch de boosdoener. Hij publiceerde de ontdekking van de cholerabacterie en wekte daarmee enthousiasme in medische kringen. Door de toegenomen hygiëne en de aanleg van waterleidingen waren de grote epidemieën echter al bedwongen. Zijn ontdekking bevestigde wel, dat hygiëne de belangrijkste vijand van de cholera was.

En: kunnen wij nog iets leren van de negentiende-eeuwse omgang met de cholera? Ik vrees van niet, maar ik ben wel benieuwd of er ook verzen of romans over de corona geschreven gaan worden. De parallellen zijn duidelijk: enorme media-aandacht, de onbekendheid, de snelheid. De overheidsmaatregelen van toen waren in elk geval ingrijpender dan die van nu: speciale hospitalen, meteen begraven, wijkcommittees voor toezicht en het aankruisen van huizen waar de ziekte heerste. En natuurlijk liepen de kerken toen vol – dezelfde die nu juist gesloten zijn. In 1848 kwam er een nationale bededag. Die hielp dus niet. Toch heb ik voor de zekerheid maar wat kaarsjes aangestoken toen ik in Limburg in ‘het kapelke van Geloeë’ kwam.

Veel van wat hierboven staat is ontleend aan mijn De gemaskerde eeuw, en komt ook voor in het boek dat ik nu aan het schrijven ben. De cijfers over de choleraslachtoffers komen uit P.D. ’t Hart, Utrecht en de cholera. Zutphen 1990.

Homeruslezing 28 maart afgelast

Op zaterdag 28 maart zou ik in het Museum van Oudheden in Leiden de Homeruslezing geven onder de titel: Krimp in het Latijn of hoe het Latijn verdween uit de geleerde wereld in Nederland. Maar het Museum gaat dicht. Het boekje met de lezing komt wel uit bij Athenaeum, en zal eind maart voor de spotprijs van € 2,50 te krijgen zijn.

15 MAART AFGELAST

De lezing die ik op 15 maart in Tilburg zou geven is afgelast. Nu komen jullie nog niet te weten of we Mulisch nu als een rebel kunnen beschouwen of niet. Misschien over enige tijd herkansing.

Oude wijn in oude zakken

U weet het wel van mij: ik was een scherpslijper op editiegebied: niks herspellen, niks hertalen van teksten uit het verleden, gewoon veel eisen van de lezer. Ik ben een aantal jaren geleden omgezwaaid omdat ik merkte dat het leesgedrag veranderde. Dan maar tegemoetkomen aan de luie lezer, schreef ik, wel herspellen en hertalen, desnoods inkorten. Ik voelde me gesterkt toen ik hoorde dat de Max Havelaar weer op de literatuurlijst van het Vossius Gymnasium was gekomen na de hertaling van Gijsbert van Es.

Nu dacht ik modern te zijn in die omslag. Bij de hertaling van Couperus’ Van oude mensen de dingen die voorbijgaan (2019) door Michelle van Dijk bleek immers dat er nog steeds heel veel kritiek is op dat soort aanpassingen. Er lijken nog heel wat heilige huisjes omvergetrokken te moeten worden om klassieke teksten meer naar onze tijd te trekken. Maar hoe schrok ik toen ik mijn eigen argumenten aantrof bij de doodsaaie negentiende-eeuwse eerste hoogleraar Nederlandse Taal- en Letterkunde, Matthijs Siegenbeek.

In de jaren veertig van de negentiende eeuw was de uitgever A. ter Gunne uit Deventer op Siegenbeek afgestapt. Hij wilde de dichtwerken van Jacob Cats uitgeven. Daar waren al heel wat verzamelde uitgaven van op de markt geweest, deels nog bij diens leven uitgekomen. In de achttiende eeuw was er een degelijke uitgave gemaakt door Rhijnvis Feith, in maar liefst 19 delen (1790-1799), die nog een herdruk kreeg in 1834. Ter Gunne wilde echter geen geleerde uitgave, maar een ‘naar de behoeften van den tegenwoordigen tijd ingerigt’, zoals de ondertitel luidt. Die moest ‘uitlokkend en gemakkelijk’ worden, in ‘eene nette, maar tevens van onnutten zwier ontbloote uitvoering’ en vooral niet te duur. De professor zag wel wat in die editie, maar had geen zin in het werk en liet daar een ‘jeugdig geleerde’ voor opdraaien, zonder diens naam te noemen. Hij gaf zijn fiat aan de bewerking.

Siegenbeek schreef wel het voorwoord. En daaruit blijkt dat ik niks modern ben, gewoon deels hetzelfde handel als die saaie Siegenbeek.

 Hij schrijft dat hij eerst bedenkingen ertegen had om vader Cats in een moderne jurk te steken. Maar toen begreep hij dat de oorspronkelijke spelling zo ver afweek van de gangbare, dat veel lezers afgeschrikt zouden worden als de oude vorm gehandhaafd bleef. Hij haalde er deskundigen bij om zijn ommezwaai te legitimeren: de nieuwe Statenbijbel van 1834 was immers ook herspeld door twee geleerden van onbesproken gedrag: de predikant Hendrik Cats en de hoogleraar Wessel Albertus van Hengel. Als de bijbel aangepast mag worden, dan toch zeker ook Cats.

 Nu ging de uitgave van Siegenbeek minder ver dan ik nu zou gaan als ik behoefte zou hebben Cats te editeren. Ik zou ook hertalen. Siegenbeek (of zijn assistent) vertaalt onbekende woorden onderaan de pagina in noten: het zou veel handiger zijn geweest de eigentijdse woorden gewoon in de tekst op te nemen.

 In een opzicht gaat Siegenbeek wel verder dan ik ooit zou doen. Enkele gedichten ‘wier inhoud tegen de thans heerschende begrippen van welvoegelijkheid streed’, liet hij achterwege. Dat klopt dan wel met de ondertitel van de Dichtwerken: ‘naar de behoeften van den tegenwoordigen tijd ingerigt’. Onwelvoeglijke teksten in de negentiende eeuw, die verschenen alleen maar ondergronds. Ik zal eens zoeken naar een assistent die voor mij gaat uitzoeken welke gedichten uit de acht vuistdikke delen weggelaten zijn…

Dichtwerken van Jacob Cats naar de behoeften van den tegenwoordigen tijd ingericht. Deventer 1843, dl. 1
Jakob Cats, Alle de werken. Uitgegeven door Mr. R. Feith. Amsterdam 1796, dl. 13

Rebellen en dwarsdenkers

BIJEENKOMST IN TILBURG OP 15 MAART AFGELAST!

Stel dat we een lijstje moesten maken van de meest rebelse schrijvers uit de Nederlandse literatuur, door de eeuwen heen, bij wie zouden we dan uitkomen? Het is dit jaar het thema van de Boekenweek: rebellen en dwarsdenkers. Ik pretendeer geen betrouwbaarheid, maar dezen vallen me meteen in:

+ De schrijver van Van den Vos Reinaarde (13e eeuw): hij of zij is niet bekend, maar het moet een geboren satiricus zijn om zo de maatschappij onderuit te kunnen halen

+ Anna Bijns (16e eeuw): als vrouw zo fel tegen de reformatie dat men haar zag als een halve heks, als een furie met haar op de tanden

+ Gerbrand Bredero (17e eeuw): altijd tegendraads in zijn werk, hield zich niet aan de literaire voorschriften van zijn tijd

+ Willem Godschalck van Focquenbroch (17e eeuw): losbandige arts wiens dertigjarige leven in Ghana eindigde, spotter, schreef met een ‘platheid en een vuilheid die in onze literatuur zelden geëvenaard zijn’; hij ‘wentelt zich behagelijk in zinnelijkheid en vuilheid als het zwijn in de modder”(citaat uit de literatuurgeschiedenis van G. Kalff)

+ Jacob Campo Weyerman (18e eeuw): nachtbraker, pierewaaier, schuinsmarcheerder, spotter, die de laatste tien jaar van zijn leven in de gevangenis doorbracht.

+ Gerrit van de Linde (De Schoolmeester, 19e eeuw): lapte de moraal aan zijn laars in zijn studententijd en daarna de dichtregels: zijn scherpe spotverzen op de maatschappij houden zich aan geen metrum, rijm of regellengte.

+ Multatuli (19e eeuw): verzette zich tegen het establishment, bespotte handelsgeest en maakte vrouwen attent op hun ondergeschikte positie.

Juist rebellen maken de literatuur zo sprankelend, ook die van het verleden. Dat is waarom ik de negentiende eeuw zo spannend vind, er is die beregelde maatschappij, tegelijk wordt de wereld op zijn kop gezet door de nieuwe technische en wetenschappelijke ontwikkelingen, en de schrijvers doorboren de regels en brengen daardoor de nieuwe wereld en de oude in beter evenwicht. En wie zijn dan de rebellen en dwarsdenkers in de twintigste en eenentwintigste eeuw? Er zijn er veel: Paul van Ostaijen, Jan Slauerhoff, Jef Last, Annie M.G. Schmidt, Anja Meulenbelt, Jan Wolkers, Drs. P, en bij de 21ste-eeuwers Mano Bouzamour, Maartje Wortel en mijn dochter Alma.

Toen Books 4 Life me vroeg of ik bij de Boekenweek iets wilde vertellen over rebellen, stelde ik de organisatoren voor de keuze: Multatuli, Willem Kloos of Harry Mulisch (zie voor het programma http://books4lifetilburg.nl/nieuwslog/). Ze zijn daar zelf dwarsdenkers: het inkomen van hun antiquariaat gaat voor 90% naar goede doelen en ze werken met alleen vrijwilligers. En ze kozen voor Mulisch. Nu moet ik waarmaken dat hij een dwarsdenker is. Ik kan alvast beweren dat een van de leukste schelmenromans uit de Nederlandse literatuur door hem is geschreven, De diamant, en de hoofdpersoon is een diamant, wiens bestaan je in een opeenstapeling van avonturen volgt van zijn geboorte tot zijn ondergang. Kunnen we de goedgeklede genieter van luxe die Harry Mulisch was, de man die zich graag liet zien in de buurt van nog grotere beroemdheden, die bevriend was met Ruud Lubbers en Rudy Fuchs en gesteld was op Prins Bernhard, wel een rebel noemen? Ik ben ervan overtuigd dat ik dat waar kan maken. Maar pas op 15 maart, in Tilburg.

Promoveren in je moerstaal

Eelco Verwijs is de eerste neerlandicus die in zijn moerstaal promoveerde, aan de Leidse universiteit. Promoveren in het Latijn was toen nog gebruikelijk. Hij was 27 jaar toen hij zijn briljante uitgave van Jacob van Maerlants Wapene Martijn maakte, de eerste kritische editie van dit werk in Nederland, in 1857 uitgegeven. Later werd Verwijs bekend als samensteller van woordenboeken.

Toch zijn er al veel eerder proefschriften over Nederlandstalige literatuur en Nederlandse geschiedenis verschenen, maar altijd in het Latijn. De oudste dissertatie over Nederlandse letterkunde dateert van 1834. C.R. Hermans promoveerde toen in Leiden op een Brabants middeleeuws handschrift. Dat geldt ook voor de uitgave van de kroniek van Lodewijk van Velthem, die W.J.A. Jonckbloet in 1840 als Leidse dissertatie indiende. De editie is in het Nederlands, de voorwoorden en annotaties volledig in het Latijn. Jonckbloet zou later hoogleraar worden aan achtereenvolgens de universiteiten van Deventer, Groningen en Leiden en hield drie oraties, alle drie in het Nederlands.

Er zijn al vóór Verwijs proefschriften in het Nederlands verschenen. Welk het eerste was, zal ik openbaren in de Homeruslezing die ik op 28 maart in het Oudheidkundig Museum te Leiden zal geven. Die zal gaan over ‘Krimp in het Latijn of hoe het Latijn verdween uit de geleerde wereld in Nederland’.

Laten we de dissertatie van Eelco Verwijs, de eerste dus over het Nederlands in de landstaal, maar eens ter hand nemen, om te zien of de schrijver zich bewust is van zijn primeur. De promotie vond plaats op 23 april 1857 om twee uur ’s middags. Promotor was Willem Jonckbloet.

Wat de opbouw betreft blijken er zeer oude gebruiken te zijn. Zoals de opdracht aan familie. Verwijs draagt zijn dissertatie op aan `mijne lieve moeder’ en aan `mijnen hooggeschatten oom I.T. ter Bruggen Hugenholtz, lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal’. Eelco Verwijs mag een modern geleerde zijn geweest, hij maakt wel verschil tussen een lieve moeder en een hooggeschatte oom. Die wordt met functie aangeduid, terwijl we van Eelco’s moeder niet eens de naam te weten komen.

In de voorrede bedankt hij zijn promotor, en ook dat is een gebruik dat nog steeds gangbaar is, maar een dergelijk bloemrijk dankwoord als Jonckbloet krijgt, is mij althans nog nooit ten deel gevallen:

‘Nog staat mij het uur levendig voor den geest, toen gij uwe betrekking aan het Deventer Athenaeum plechtig aanvaardet, en met gloeiende kleuren de verwaarloozing afmaaldet, aan de studie onzer schone moedertaal ten deel gevallen.’

 Verwijs sluit zijn proefschrift af met stellingen. Het aantal is wel bevreemdend: na achtentwintig Nederlandse volgen er nog tweeëntwintig in het Latijn. De Nederlandse zijn nogal oubollig, en sluiten dus aan bij wat nog steeds gebruikelijk is, als er tegenwoordig überhaupt nog stellingen zijn. De Latijnse bevatten vooral correcties op lezingen van Griekse en Romeinse schrijvers. Weliswaar blijkt ‘trots op Nederland’ uit de dissertatie, maar nergens pocht de schrijver op zijn primeur of wijst hij die als uitzonderlijk aan.

Tot wanneer bleven er proefschriften in het Latijn verschijnen? Ik durf er geen vergif op in te nemen dat er na de Tweede Wereldoorlog geen enkele meer volledig in het Latijn zou zijn verschenen. In elk geval is er in 1940 nog een Latijnse dissertatie over een Latijns troostgedicht aan de VU uitgekomen, en in hetzelfde jaar ook nog een in Nijmegen. Of de verdediging van die proefschriften ook in het Latijn plaatsvond en of alle commissieleden hun vragen in het Latijn stelden, daar weet ik geen antwoord op. Ik weet wel dat er recent nog aan de Universiteit van Utrecht een hoogleraar opponeerde in het Latijn.

Ik heb niet geteld hoeveel dissertaties er heden ten dage nog in het Nederlands geschreven worden, tegenover die in het Engels. Zelfs bij afdelingen Nederlands aan de universiteiten is promoveren in het Engels geen taboe.

Herstelde eer: de negentiende-eeuwse schilderkunst

Op het verlanglijstje van negentiende-eeuwliefhebbers staat al jaren een overzichtsstudie van de Nederlandse schilderkunst in die tijd. Weliswaar zijn er schitterende tentoonstellingen geweest, zoals Meesters van de romantiek in de Rotterdamse Kunsthal (2005), maar voor een naslagwerk moest men terug naar De Hollandsche schilderkunst in de negentiende eeuw van Grada Marius uit 1904 of Een eeuw Nederlandsche schilderkunst van Jan Knoef uit 1948. En nu komt plotseling als uit de hemel gevallen Spiegel van de werkelijkheid van Jenny Reynaerts, hoofdconservator van de 18e en 19e-eeuwse schilderkunst aan het Rijksmuseum. Het eerste wat ik dacht toen ik het boek in handen kreeg was: wat een traditionele titel! We waren toch van de spiegelmetafoor af? Maar de wat kritische houding waarmee ik begon, smolt weg als sneeuw voor de zon toen ik het boek opende.

Meteen was ik omvergeslagen door het eerste plaatje, een detail uit een schilderij van Pierre Dubourcq, waarin op de voorgrond twee landarbeiders bezig zijn met de graanoogst in dat mysterieuze licht waar de Hollandse schilders patent op hebben. Ze zijn bijna letterlijk geaard in de werkelijkheid. Direct daarachter zie je de verwijzing naar verleden en dood, met een vervallen kerkhof bekroond door een onheilszwangere lucht. Ik kende het schilderij niet en vroeg me af hoe het kon dat ik het niet kende. Ik ging verder en keer op keer werd ik uit het lood geslagen door de hoeveelheid schilderijen die ik nooit gezien had en die van een verbluffende schoonheid zijn. Natuurlijk trof ik ook bekenden aan, zoals Wijnand Nuyen met het schilderij dat ik als de Nachtwacht van de negentiende eeuw beschouw: Schipbreuk op een rotsachtige kust. Reinaerts verbindt hem met een andere favoriet van mij, Johannes Bosboom, van wie ze totaal onbekende meesterstukken toont. Die hele merkwaardige omslageeuw komt aan de orde, beginnend met de contemplatieve romantische schilderijen met hun bijzondere lichtval en verwijzingen naar dood, historie en eeuwigheid, je ziet de groei naar het realisme, en tegen het eind van de eeuw komt er die explosie van het impressionisme met weer dat merkwaardige licht, alleen dan totaal anders dan in de Romantiek.

De inhoud is een avontuur op zichzelf. Reynaerts heeft de kijkgeschiedenis centraal gesteld. Via kunstkritieken en persoonlijke geschriften probeert ze zich in te leven in eigentijdse kijkervaringen. Dat betekent dat ze afziet van latere waardeoordelen, al veroorlooft ze zich gelukkig ook haar eigen waardeoordeel, en dat is juist weer verfrissend. Haar lyrische beschrijvingen van sommige schilderijen zijn werkelijk prachtige kleine essays op zichzelf. Ze heeft ook oog voor internationale invloeden, vanuit Nederland naar het buitenland en vanuit buitenlanders in Nederland. Schilders die er bekaaid vanaf komen in andere overzichtswerken, omdat ze vooral in het buitenland werkten, krijgen bij haar een prominente plaats, zoals de Zuid-Nederlander François-Joseph Navez.

Als sokkel gebruikt ze de chronologie – maar terecht gaat ze niet uit van politieke omslagpunten. Ze gebruikt voor de ordening breuken die van belang zijn voor de kunstgeschiedenis: de kunstroof van Napoleon, de eerste openbare verkooptentoonstelling van eigentijdse kunsten, de uitvinding van de fotografie, de verschijning van het tijdschrift De Banier. Als een grote verandering van de negentiende eeuw noemt ze dat de kunstkoper en kunstkijker niet meer bekend zijn aan de schilder. De verkooptentoonstellingen zijn een nieuw verschijnsel en anonimiseren koper en vervaardiger. Ook de komst van de trein introduceert ze als belangrijk voor veranderingen in het landschap, minstens zo ingrijpend als indertijd de polderaanleg.

Reynaerts geeft schitterende omschrijvingen, soms net zo beeldend als de schilderijen zelf, bijvoorbeeld over de ‘karige schoonheid’ van Gabriël, over het ‘schitterlicht’ van Knip, over de schilder Wüst, ‘gesneuveld onder het Haags geweld’ waarmee de Haagse school bedoeld is, of deze over een slapende man op een schilderij van Hendriks: ‘deze slapende man valt bijna het schilderij uit’. Al die omschrijvingen worden vrijwel steeds ter plekke getoond in de ontelbare reproducties die het boek rijk is, ontleend aan collecties over de hele wereld. Het geheel is prachtig vormgegeven door Irma Boom.

Jenny Reynaerts heeft natuurlijk enorm geboft met de toegenomen belangstelling voor de negentiende eeuw. Misschien kan de tentoonstelling Het vaderlands gevoel uit 1978 wel als omslagpunt voor het onderzoek naar de schilderkunst van de negentiende eeuw beschouwd worden, evenals het tijdschrift De negentiende eeuw (opgericht 1977) waarin jonge kunsthistorici, literatuurhistorici en historici samenwerkten om onderzoek naar die voorheen vermaledijde en verwaarloosde eeuw te starten. Daardoor kon Reynaerts gebruikmaken van onderzoek naar tentoonstellingen, musea, kunstkritiek, genootschappen, kunsthandelaren, al die aspecten die vroeger niet bij het kunsthistorisch onderzoek hoorden.Het laatste plaatje van haar boek is even treffend en adembenemend als het eerste. De schilder (Breitner) doet hier geen enkele poging om de lelijkheid van de samenleving te verbergen. Dit alles is te zien in dit majestueuze boek, een aanwinst voor elke liefhebber van de negentiende eeuw. Als ik geen tegenstander van het systeem van sterren of ballen was voor boeken, zou ik zeggen: vijf ballen.

Jenny Reynaerts, Spiegel van de werkelijkheid. 19de-eeuwse schilderkunst in Nederland. Amsterdam: Rijksmuseum en Mercatorfonds, 2019.

Welke erotische boeken las Hortense?

Kort na 1810 is er ergens in Nederland een tekening gemaakt van Hortense de Beauharnais, de “geweze koningin van Holland” zoals op het blaadje aan de muur staat. Hortense was van 1802 tot 1810 getrouwd met Lodewijk Napoleon, de eerste koning van Nederland. Zij had een slechte naam: voor, tijdens en na haar huwelijk zou zij diverse minnaars gehad hebben. Misschien ook Napoleon, die in elk geval erg van de schone dame onder de indruk was, al was hij getrouwd met haar moeder. In de biografie van Thera Coppens komt een ander beeld naar voren: Hortense bleef in haar hart een gehoorzaam kostschoolmeisje. Napoleon arrangeerde het huwelijk van Hortense met zijn broer, tegen haar zin, om nageslacht te krijgen met dna van Bonaparte en Beauharnais, want met zijn Joséphine lukte dat niet. Door de dood van haar oudste zoontje was ze in Holland diep ongelukkig. Van minnaars was volgens Coppens geen sprake. Pas na haar scheiding tussen tafel en bed van Lodewijk in 1811 gaf ze zich over aan haar enige grote liefde: Charles de Flahaut en kreeg een zoon van hem. Hofroddels hebben koningin Hortense zwart gemaakt, meestal op politieke gronden. De afbeelding geeft weer hoe er ook in Holland over haar gedacht werd: een geile tante die erotische boeken leest en daarbij masturbeert. Haar blote achterkant wordt bespiedt door Napoleon, aan haar voeten ligt een kroelende krolse kat. Het haardvuur staat symbolisch voor de hete gevoelens die de lectuur opwekt.

Tekening in pen en penseel, anoniem, Rijksmuseum 1810-1820

Van de tekening is geen prent voor de verkoop gemaakt. Daar zouden problemen van gekomen zijn, waarschijnlijk. Zo kwam de bekende erotica-uitgever Moolenijzer in 1813 in de gevangenis, omdat hij op een veiling ‘voluptueuse liefhebberij-plaatjes en bijschriften’ opgekocht had en doorverkocht. Ook de koper moest het gevang in. Wat mij intrigeert op de tekening zijn de titels van de boeken.

In haar vrije hand heeft ze Therese Philosophe. Dit boek werd in 1748 geschreven. De hele titel luidt: Thérèse philosophe, ou mémoires pour servir à l’histoire du Père Dirrag et de Mademoiselle Éradice. Dat was een heel populaire roman over een meisje en haar vriendin Éradice, die opgroeien in een klooster waar ze kennismaken met de verlichte filosofie en daarna bij een Jezuïet seksuele educatie krijgen. Thérese krijgt vervolgens een relatie met een prostituée. Als een graaf haar als maîtresse wil, weigert ze seks met hem, bang als ze is voor zwangerschap. De graaf sluit een weddenschap af: als hij haar veertien dagen mag opsluiten in een kamer met erotische boeken en plaatjes, en ze dan niet masturbeert, dan accepteert hij haar als maîtresse zonder seks. Thérèse verliest. De tekening van Hortense is duidelijk geïnspireerd op dit boek.

Wat ligt er verder nog? Op de grond een Nederlandse titel: Het Cabinet der Dames. Die titel heb ik niet in een catalogus terug kunnen vinden. Mogelijk is bedoeld Le cabinet morale et satirique des dames, een boek dat rond 1750 uitgekomen is, en waarvan volgens de WorldCat maar één exemplaar overgeleverd is in een bibliotheek. Een Nederlandse vertaling lijkt er niet te zijn. Maar het kan ook dat het dameskabinet, zoals veel pornografische edities, verdwenen is in haardvuren.

Op tafel ligt La pucelle d’Orléans, een lang gedicht van Voltaire uit 1753, in 1761 gedrukt in Nederland, een heldinnengedicht over Jeanne d’Arc vol pittige erotiek en blasfemie, en dan ook verboden en op de index geplaatst. Het boek kreeg flink wat drukken en werd in het Nederlands vertaald als De maagd van Orleans, boertig heldendicht in Nederduitsche verzen (1789).

Hortense leest dus pornografische geschriften van verlichte filosofen. De drie titels moeten dus zo rond 1810 op de leeslijst van dames met geheimen hebben gestaan. Meestal komen we weinig te weten over het leesvoer van vrouwen, en we weten in dit geval ook niet in hoeverre de tekenaar (of tekenaresse?) inzicht had in leesgewoontes met geheime boeken. Sommige titels van rond 1840 geven wel een beetje inzicht in wat heren die lichtzinnige boeken lazen in hun bezit hadden. Bij Klikspaan in Studenten-typen is dat de lichte erotiek of gewoon licht leesvoer van schrijvers als Paul de Kock, Charles de Bernard, George Sand en Alphonse Karr. Pittiger zijn de boeken die W. Jonckbloet noemt in zijn Physiologie van Den Haag uit 1843. En wat treffen we daar aan bij een advocaat van de Hoge Raad? Behalve Les mémoires du diable, Les mystères de Paris en Parent du châtelet de la prostitution dans la ville de Paris ook het handboek van Hortense: Thérèse philosophe. Een Haagse advocaat en een gewezen koningin lezen hetzelfde: bien étonnés de se trouver ensemble.

Zie: Thera Coppens, Hortense, de vergeten koningin van Holland. Amsterdam 2006.