Welkom

MMfolder

IK STA OP MEER DAN 1000 VOLGERS. De biografie over Jacob van Lennep is klaar. De vierde druk is verschenen. Nu is ook mijn lezersgeschiedenis met de éénletter titel L klaar. Ik heb een bloemlezing van gedichten van Hans Faverey uitgegeven (Verborgen in het zichtbare) en er is bij Home Academy een hoorcollegereeks (podcast) over de Tachtigers uitgekomen

Het dagboek van Van Lenneps voetreis uit 1823 is in een fraaie herziene editie opnieuw uitgekomen bij Atlas-Contact. Bovendien is er nu een route ontwikkeld om Van Lenneps voetreis per fiets na te bootsen, met heel veel mooie tips. Zie Jacob van Lennep route. Verschenen is ook een nieuwe editie van De lotgevallen van Ferdinand Huyck met een inleiding van mij, in de klassiekenreeks van uitgever Veen.

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
De leesgeschiedenis van de negentiende eeuw is klaar. ‘Een formidabeld boek’,  mailde mijn redacteur. Het is eind september uitgekomen, en heeft geweldige reacties gekregen. Een interview in NRC, jubelende recensies in Trouw en De Volkskrant, radio-optredens en tv: Brommer op zee. Alleen de oude izengrim Carel Peeters op de website van Vrij Nederland vond het maar niks dat ‘ik’ de Tachtigers niet waardeerde, maar vergat dat ik niet de mening van mezelf maar die van de doorsnee lezer weergeef. Want daar gaat het me om: wat las de gretige lezer van de negentiende eeuw? Wat wist hij (zij) van het literaire leven, welke boeken kocht hij, om welke pamfletten kon zij niet heen, welke recensies las hij, welke vertalingen, stak hij een kaarsje op bij het portret van Bilderdijk toen hij hoorde dat deze overleden was? In deze lezersgeschiedenis verwerk ik dagboekaantekeningen van een fictieve lezer over wat hij leest, hoe hij daarover denkt, en ook zijn commentaar op literaire gebeurtenissen. 

Sinterklaasavond met Peter de Génestet

Begin januari 1850 droeg de twintigjarige Peter de Génestet in Den Haag voor het genootschap Oefening kweekt kennis voor het eerst zijn lange gedicht De Sint-Nikolaas-avond voor. De schilder Bosboom schreef over de voordracht: ‘Dat was geen verhandeling, geen lezing, geen voordracht van een gedicht- dat was een springende fontein van verzen, dat was een jong, opgewonden, bezield, schitterend improvisator, dat was iets eenigs’. Die ‘springende fontein van verzen’ is nu opnieuw uitgegeven, met een inleiding van Arjan Peters.[1]

Het hele gedicht is een bespotting van lintjesregens en van mannen die zitten te vlassen op een lintje en andere mannen beoordelen op lintjes die ze al dan niet gekregen hebben. Het Sinterklaasfeest en een liefdesaffaire zijn de draperieën om de satire heen. Of De Génestet een aanleiding had om juist in 1850 de lintjesmanie te bespotten? Peters wijst erop dat Willem III net aangetreden was en er dus een nieuwe lintjesregenbui uitgebroken was. Het Sinterklaasfeest (dat eigenlijk als naamsdag van bisschop Nicolaas op 6 december valt en niet op 5 december) viel samen met de verjaardag van de in 1849 overleden koning Willem II, en die was ook een gulle strooier.

Tekening bij De Sint-Nikolaasavond, door F.C. Sierig, 1878

Opvallend is dat de Sinterklaas die in het gedicht optreedt geen knecht bij zich heeft, en ook geen strafpreken houdt, alleen maar gul cadeaus uitdeelt. Sinterklaas blijkt trouwens de verklede minnaar van de jonge dochter des huizes te zijn, die als Sinterklaascadeau een lintje voor de vader heeft, en daarmee voor elkaar krijgt dat papa toestemt in een huwelijk tussen de minnaar en de dochter. Dit komt allemaal tot stand door slim optreden van de moeder, die een ideale nederige en toch alles bestierende kracht is:

Zóó geniaal weet zij met Manlief om te springen,
Dat zij nooit kibblen, nooit! en toch – de meeste dingen
Ten slotte naar heur wil geschieden.

Waarom had de vader des huizes een hekel aan de minnaar van zijn dochter? De jongen had een gedicht voorgedragen over een dronken koning die met zijn rijkskanselier het land ingetrokken was met een zak lintjes om uit te reiken aan zijn vriendjes, maar de zak had een gat en dus waren alle lintjes terechtgekomen bij toevallige passanten, en sommigen die er een vonden verkochten ze:

Dié had het bekoorlijk, verlokkend sieraad
Gekocht van een jood of een beedlaar op straat,
En dié vond het op weg
In een goot of een heg;
Dié liep er met drie, dié met zes, dié met negen;
Een vierde weêr had het door vrouwlief gekregen.

Die spot was papa niet bevallen, en dus was de minnaar taboe. Maar het lintje breekt de weerstand en terwijl hij glundert van de voldoening ziet hij niet hoe zijn kinderen vechten om snoepgoed en zo het kapitalisme demonstreren:

Dat zit elkander in den weg en in het hair,
Dat kribt, dat joelt en woelt, dat kwanselt met elkaêr,
Als menschen van het vak! ‘t Is hebzucht, woeker, handel,
Drift, ijver, jaloezie om kraakling en amandel,
Als in de maatschappij om aanzien, geld of eer…
De kleintjes krijgen iets – de sterken halen meer,
De slimmen pakken ’t in en – ’t gaat zoo hier beneden! –
Die eindlijk ’t meest bezit, is nog het minst tevreden.

Kortom: een maatschappijkritisch gedicht, in humor verpakt.

Leuk, zo’n heruitgave juist nu Sinterklaas weer komt. Wie een bezigheid zoekt nu de lock down weer aanstaande is, zou de eerste publicatie van dit gedicht (1860) kunnen vergelijken met de heruitgave van 2021. Geen ‘wetenschappelijke editie’, zegt Peters, in zijn prettig informatieve inleiding, maar dat hoeft toch niet te betekenen dat zetfouten niet verbeterd worden?

Peter de Génestet, De Sint-Nikolaas-avond. Een Amsterdamsche vertelling. Met een inleiding van Arjan Peters. Van Maaskant Haun, 2021.


[1] De boekenbijlage van De Volkskrant is er overigens niet op vooruit gegaan sinds Peters daar vertrokken is. Maar is nog altijd beter dan die van NRC. Meen ik.

De aanbieding van L op 29 september

Er is een video-opname gemaakt van de presentatie in de Singelkerk te Amsterdam, met de introductie door de uitgever Plien van Albada, daarna de uitleg van mij en dan de overhandiging van eerste exemplaren aan drie parels van de hedendaagse literatuur: Alma Mathijsen, Mensje van Keulen, Nelleke Noordervliet. Alma blijft daarna op het podium om een stuk voor te lezen. Dan volgt de discussie over de overlevingskansen van de hedendaagse literatuur, onder leiding van Mieke van der Weij met Jörgen Apperloo, Gerda Aukes en Xandra Schutte. Atte Jongstra draagt op zijn onnavolgbare manier een gesproken column voor. En dan is er plaats voor twee negentiende-eeuwse auteurs: Nicolaas Beets voorgesteld door Carel Alphenaar, en Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk in de persoon van Nelleke Noordervliet. U kunt het nazien hier:

https://spui25.nl/programma/l-de-lezer-van-de-negentiende-eeuw

Interview met Nicolaas Beets, 13 september 1900

[Bij de presentatie van het boek L hield ik een interview met Nicolaas Beets, vertolkt door Carel Alphenaar. Het kan binnenkort op de site van Spui25 bekeken worden. Voor nu alvast de tekst van het interview dat ik met Beets hield.]

Professor Beets, we staan nu aan het begin van de twintigste eeuw – U bent vandaag 86 jaar geworden. Maar u bent nog behoorlijk fit en, als ik het zo mag zeggen, u telt nog steeds mee in de literatuur. Dat moet u toch wel genoegen doen?

Verbazen, bedoelt u dat? Wel, ik kan u vertellen dat ik net een dichtbundel, Dennenaalden, heb samengesteld en dat ik twee jaar geleden nog, toen Hare Majesteit op de troon kwam, zeven gedichten voor haar geschreven heb, die uitgevoerd werden bij haar kroning. Ik heb zelfs een nieuw Wilhelmus geschreven: [hij begint te zingen]

Wilhelma van Nassauwe

Tot Koningin gekroond!

U blijft het Volk getrouwe,

Dat U zijn liefde toont.

Dank u wel, meneer Beets, u zingt nog perfect. Maar ik wil het niet over het koningshuis hebben, Laten we over de literatuur spreken. In De Nederlandsche Spectator heeft een enquete gestaan onder lezers, over welk boek zij nou als het beste boek van de negentiende eeuw zien. Het beste van de Nederlandse literatuur dus. Daar kwam uit dat de Camera Obscura door de lezers het meest gewaardeerd werd van alle boeken van Nederlandse schrijvers uit de vorige eeuw. Hoe vindt u dat?

Wel mevrouw, ik weet dat dat boek nog steeds hoog gewaardeerd wordt. Het is merkwaardig, in 1839 kwam de eerste druk uit, en nu ben ik de twintigste druk aan het corrigeren. De twintigste, jawel! Er bestaan luxe-uitgaven, volksuitgaven, schooluitgaven, de mensen kunnen er maar niet genoeg van krijgen.

Waar ligt dat aan, denkt u?

Wel, het past een oude man past niet om zelfingenomen te zijn, maar toch, ik denk dat ik de werkelijke Hollandse geest in dit boek begrepen heb, en die heb ik met wat humor beschreven. Daar houden lezers van. Dus ik spiegel hun niet alleen de goede dingen van de Hollanders voor, maar ook hun slechte eigenschappen, en dan niet in zwart-wit kleuren, en ook niet in grijs, maar in alle tinten van de regenboog.

Maar het boek is meer dan zestig jaar oud, de Nederlanders moeten inmiddels toch wel veranderd zijn?

Wel, ja ja, de maatschappij is veranderd, we hebben stoomschepen en treinen, onze steden zijn niet meer ommuurd, de fotografie is uitgevonden en ze kunnen tegenwoordig een boek in een paar dagen herdrukken op zo’n moderne pers. Maar de Hollanders zelf zijn toch niet veranderd. Die zijn nog steeds even zuinig zoals de familie Stastok, er zijn nog steeds arme sloebers zoals Keesje het Diakenhuismannetje en er zijn nog steeds van die dames die denken dat ze aan cultuur doen als ze af en toe een boek lezen, en er zijn nog steeds mensen die plotseling rijk geworden zijn en hun weelde protserig en opzichtig ten toon stellen, zoals vader Kegge.

Dat is wel zo, maar de literatuur, die is toch zeker wel veranderd. De mensen willen nu toch andere boeken dan in de tijd dat u jong was?

Ach heremijntijd, die literatuur van tegenwoordig. Ik weet niet wat u ervan vindt, maar ik kan het er niet mee vinden. De Tachtigers, zo’n bende van over het paard getilde jongelui die vinden dat poëzie niet hoeft te rijmen en geen metrum hoeft te hebben. Ze stoppen alles wat maar smerig en platvloers is in boeken, waarom moet dat? Ik heb het zelf ook over akelige dingen gehad, die Suzette heb ik in de Camera opgevoerd, het meisje dat… eh… aangerand wordt, maar dan ga ik toch niet zover om te beschrijven wat er werkelijk gebeurt? Ik leid mijn lezers toch niet een bordeel in, en ik geef ze ook geen vergrootglas om eens goed te kijken naar… nu ja, u weet wel wat ik bedoel.

Over welke schrijvers heeft u het dan precies?

Ja, die bengels die schrijven voor De Nieuwe Gids, die speciaal. Lodewijk van Deyssel, ik hoop niet dat u Een liefde gelezen heeft. Dat zou verboden moeten worden in een christelijk land.

Er gebeurt toch niet veel meer in dat boek dan dat een vrouw dezelfde lichamelijke gevoelens heeft als een man?

En heeft u dan gelezen hoe die dame, een moeder nota bene, in de tuin zit – en daar haar rokken opschort en … laat ik erover ophouden. Haar man gaat naar de prostituees, dat komt ervan als je met zo’n vrouw getrouwd bent.

O, het ligt aan de vrouw dus als een man prostituees bezoekt?

Mevrouw, dit onderwerp past ons niet.

Ik wil toch nog even verder over de jonge schrijvers. Zo’n roman als die van Louis Couperus, Eline Vere, wat vindt u daar dan van?

Louis Couperus? Die komt toch nog maar net kijken? Nee, nee, ik lees die jongeren niet allemaal. Ik heb ook die Fransen, die naturalisten zoals ze zich noemen, de gebroeders Zola, o nee, ik bedoel de gebroeders De Goncourt, niet gelezen. Maar ik heb wel over Eline Vere gehoord, het boek schijnt in Den Haag nogal opgang te maken. Het zou gaan over een meisje uit hogere kringen dat zich verveelt en hopeloos verliefd raakt op een operazanger en dan zichzelf van kant maakt. Ach, ik begrijp niet waar die verveling vandaan komt, die zoveel romanfiguren nu uitstralen. Is het zo moeilijk om een zinvol bestaan te zoeken? Ik ben oud, ik zie niet goed, ik loop moeizaam, alles gaat trager, maar ik verveel me geen seconde. Wie zich tot God wendt, vindt altijd wel een mogelijkheid om de dag in te vullen en iets te betekenen voor zijn omgeving.

Mag ik verder vragen over de Camera? U heeft maar één prozaboek geschreven, en daarna alleen maar verzen. Dat succes van de Camera Obscura, had u er geen behoefte aan om dat te herhalen? Een roman schrijven, heeft u dat nooit overwogen? Proza trekt nu eenmaal meer lezers dan poëzie.

O, dat is uw mening! Toen ik begon met schrijven, in de jaren dertig, als student, schreef iedereen poëzie en die werd gretig gelezen. Ik was toen trouwens in de ban van de romantiek, ik heb een stuk of vijf lange dichtverhalen geschreven, ze werden indertijd wel aardig gevonden, heel wild en vurig, vol akelige en afgrijselijke tonelen, maar ik geloof niet dat ze nu nog gelezen worden. Romantiek is afgelopen, het wordt nu iets van dwepers gevonden. Maar om op uw vraag terug te komen: ik heb nooit de behoefte gevoeld om in proza mijn weg te vinden. Een verhaal in proza, dat is toch eigenlijk alleen maar onderhoud, amusement. Waar ik veel meer in zie, is in gedichten die lezers kunnen opslaan in hun geheugen en dan toepassen op het leven. Juist gewone gedichten over het dagelijks leven, over beslissingen die je moet nemen, over rampen die je overkomen, of feestelijke dingen, die maken het bestaan zo draaglijk. Ik probeer de mensen gedichten aan te reiken die hun dagen kunnen versieren, maar ook gedichten die troost bieden in geval van tegenspoed.

Wij verwachten in de toekomst periodes van tegenspoed, besmettelijke ziektes, onbekwame  regeringen, gebrek aan huizen, oorlogen over de hele wereld. Heeft u daar ook gedichten van troost voor?

Ach, wat vraagt u nu van een oude dichter? Mag ik u het gedicht dat ik geschreven heb voor mijn verjaardag voorlezen:

Wat door hart en leven ging,
Of door ’t hoofd kwam spelen,
Lokte allicht een toontjen uit
Een der snaren van mijn luit,
Zocht zich meê te deelen.
  
‘In mijn dichten is mijn hart,’
Heeft mijn pen geschreven;
Ja, in vreugd en droefenis,
Zooals ’t was, en werd, en is,
Heel mijn hart en leven.
  
Ooren zijn er steeds geweest,
Die mij hooren wilden,
Trouwe harten, nimmer koel
Waar mijn snaren van ’t gevoel,
Dat mij aangreep, trilden.
  
Dank mijn Vrienden, dank mijn Volk!
 Houdt uw ooren open
 Voor wat schoon is, goed, en waar!
 Van uw ouden harpenaar
 Valt, na zes en tachtig jaar,
 Wel niet meer te hopen.

Professor, mag ik u hartelijk danken voor dit gesprek en dit gedicht.

Portret door Thérèse Schwartze

Atte Jongstra’s gesproken column op 29 september

Geachte aanwezigen…

Marita Mathijsens monumentale boek L. is een zogeheten intellectuele biografie, de hoofdpersoon L. opent zijn lezersogen op 1 januari 1800, en slaakt op oudejaarsavond 1899 klokke 12 zijn laatste zucht. Wie was de mens L.? Deze vraag houdt me bezig sinds ik L uit heb, overdag, maar ook s’ nachts. Was het een man, een vrouw? Meteen na het lezen van Marita’s biografie droomde ik met hem… L. was dus een man, maar dat zal hem aan mij liggen.

Ik droomde met hem samen de laatste oudejaarsavond van de voorvorige eeuw te vieren. We droegen beiden een hoed en zagen tot onze verbazing eenzelfde kostuum te hebben aangetrokken.

‘Here,’ zei L. zelfs ‘U lijkt mij wel.’

‘Dat weet ik niet hoor,’ zei ik. ‘Ik herken veel van mij in u,  maar als ik uw biografie mag geloven ben ik toch echt van een andere tijd. Laten we het liever over uw eeuw hebben. Hoe zou u die eigenlijk typeren?

‘Nou, op de valreep dan, bijna achteraf…’ zei L. ‘Is misschien best een goed moment.’ Hij haalde diep adem, daar ging hij:

Onze eeuw van machines…

Onze eeuw van woelen, werken, jagen en streven…

Onze eeuw van strenge kritiek…

Onze eeuw van gothische gebouwen, met zalen en meubelen à la renaissance…

Onze eeuw van overgang…

Onze eeuw van veelvuldige ondernemingen, waarin alles beproefd en niets gespaard wordt…

Onze eeuw van de fabrieksschoorsteen als teken van beschaving, in plaats van kerktorens

Onze eeuw van koolwaterstofgas en Bunsen-elementen, en…

‘Hoeveel komt er nog?’ vroeg ik.

‘Laat me nou,’ zei hij. ‘U vroeg er zelf naar. En mijn tijd is bijna om.’

Ik keek op de klok. Tien voor twaalf, hij had gelijk. Daar ging hij alweer:

Onze eeuw van opgeblazenheid…

Onze eeuw van weifeling…

Onze eeuw van terugdeinzen…

Onze eeuw van maatschappijen en genootschappen…

Onze eeuw van ongedwongen concurrentie…

Onze eeuw van schandelijke eerzucht…

Onze eeuw van deficiet…

Onze eeuw van verblindende helderheid…

Onze eeuw van publiciteit en drukpers…

Onze eeuw van duodecimo’s en luchtige literatuur…

Onze eeuw van luchtledige toestellen…

Onze eeuw van werkelijke of ingebeelde geloofsijver…

Onze eeuw van speculatie…

Onze eeuw van vervalsing…

Onze eeuw, waarin de godsdienstzin van miljoenen katholieken zo schitterend blijkt, en veelzijdig schijnt…

Onze hooggeprezen eeuw, waarin nog dezelfde dwaasheden heersen als voor duizend jaar…

‘Het was me de eeuw wel, die honderd jaar van U,’ zei ik.

‘Zeker,’ zei  L. ‘Om dat allemaal te verstouwen − je moet er maar de persoonlijkheid voor hebben.’

Gelukkig heeft L. zich in zo’n persoonlijkheid mogen verheugen, aldus zijn biografe. Standvastigheid en koppigheid maakten er geen deel vanuit. Hij was een lettervreter en at wat hem werd voorgezet. ‘Een lezende allemansvriend’, welbeschouwd. Heb je eigenlijk niks aan, als biograaf. Je wilt als levensbeschrijver immers liever een karakter met haken en ogen. L. wil alles lezen, mits het populair is. Van hoog tot laag, van bevlogen tot achterklap, alles tussen verstand en sentiment, alles tussen droom en daad. Poëzie, proza, beschouwelijk werk… Genre is hem onverschillig, het lezersoog van L. staat niets in de weg. Van een persoonlijke smaak kunnen we hem dus niet beschuldigen. Misschien werd hij daarom wel honderd, al  was het zijn persoonlijk gastrisch stelsel dat zijn literaire eetlust mogelijk maakte.

Terug naar mijn droom. Het was intussen twee voor twaalf, op die gedenkwaardige eenendertigste december 1899. Ik zat aan L’s sterfbed en vroeg hem wat hij had gemist in al zijn levensdagen. Zijn stem was al aan het breken, maar deze woorden klonken helder: ‘Ik had zo graag meer lijstjes gezien. Toptiens, nee tophonderds. En dan voor elk jaar één. Het zou me houvast hebben gegeven. Richting. Doel. Nu moest ik steeds maar stuurloos stomen, door de oceaan der letteren.’

‘Een beetje schipper kijkt anders waar de wind vandaan komt…’ zei ik.

Hier schoot de stervende overeind uit de kussens.

‘Zo is het, en precies dat heb ik gedaan. Maar de wind, die draaide steeds.’

Er leek iets over zijn gezicht te strijken, ik meende er een glimlach in te zien. Was hij gelukkig? Of was het reeds de dood die intrad?

‘Ho, wacht even,’ riep ik. ‘Voor U ervantussen gaat, kan ik uit uw mond nog een laatste woord noteren?’

Eenmaal nog sloeg hij zijn ogen op. Ik legde mijn oor aan zijn lippen, dit was wat hij zei: ‘Voor ik naar de vaantjes ga, ik was zelf zo’n vaantje. Met alle winden mee, ik zag alle hoeken. Zo rijk in overzicht te kunnen sterven, daar kunnen U en alle… ‘

Daar begon de staande klok. Slag nummer twaalf en L. was weg.

Honderd en een en een twintig jaar, dames en heren, 121 jaar moest het duren voor we eindelijk kennis kunnen nemen van het rijke overzicht van L.  Maar nu kunnen we dan ook. L. is dood, Leve L.

Dank u wel.

Deze tekst sprak Atte Jongsta op 29 september uit tijdens de presentatie van het boek L. De lezer van de 19de eeuw. Met zijn toestemming is die hier afgedrukt. De typeringen van de eeuw ontleende hij aan Delpher.

Wie heeft er een foto van Atte op het katheder? Dan plaats ik die! Hier is Nicolaas Beets aan het woord.

L bestaat

Gisteren heb ik ik het boek in handen gekregen. Het ziet er prachtig uit. Betere vormgeving had ik me niet kunnen wensen. Het ligt prettig in de hand, ondanks de 464 pagina’s kun je het lekker in bed lezen. Daar lenen sommige stukken zich echt wel toe. De plaatjes zijn mooi afgedrukt, bij de tekst, en niet in van die vervelende kleurenkaterns. En verder moet het boek zichzelf nu waarmaken…

Dagboek van een lezer 9

Bijna is het zover: 30 september kunt u L in handen krijgen. Ik ben bezig met de correctie van de drukproeven. Maar eerst nog een voorproefje uit de dagboeken.

Eind negentiende eeuw laaide het antisemitisme op. Er zijn twee affaires in deze tijd die dat bevorderden. Over de schoolstrijd schreef de opperrabijn van Amsterdam een stuk: de openbare scholen waren volgens hem in handen van socialisten gekomen zodat joodse kinderen verkeerde denkbeelden kregen. Daarom sloten de orthodoxe joden zich aan bij de schoolstrijd van de protestanten en katholieken. In heel Europa was aandacht voor de Dreyfus-affaire. Een Frans-joodse officier werd er in 1894 van beschuldigd spion te zijn voor Duitsland. De beschuldiging was gebaseerd op valse verklaringen en er volgde een geheim proces. De schrijver Émile Zola vermoedde terecht antisemitische achtergronden, zocht de affaire uit en publiceerde in 1898 een krantenstuk met in knallende hoofdletters: J’ACCUSE. Hij beschuldigde de staat, de rechtbanken en de legermachthebbers ervan dat zij op antisemitische gronden Dreyfus veroordeeld hadden. Zola kreeg daarop een jaar gevangenisstraf wegens laster, maar vluchtte naar Engeland. Deze twee affaires maakten bij de jonge joodse schrijver Herman Heijermans zo veel los dat hij een toneelstuk scheef, Ghetto (1898), over antisemitisme en hoe dat bevorderd werd door de oppositie tussen orthodoxe en vrijzinnige joden. Het stuk trok ongelooflijk veel belangstelling, er waren binnen een paar maanden meer dan honderd voorstellingen en in de pers werd het stuk zowel vernietigend als enthousiast besproken. Heijermans liet in het stuk een orthodoxe lepe lompenhandelaar botsen met zijn progressieve zoon. Sommige critici meenden dat Heijermans met die sjacheraar joodse stereotyperingen, zoals die in Shakespeare’s Shylock, versterkte en dus bijdroeg aan het antisemitisme.

L

Mijn vrouw drong erop aan, we moesten toch echt naar de Hollandsche Schouwburg waar een nieuw stuk van een jonge joodse schrijver speelt. Dit zou pas zijn tweede of derde toneelstuk zijn, maar iedereen spreekt er al over. In de schouwburg schijnt het extra druk en ook extra levendig te zijn, omdat er in de parterre veel mensen uit de joodse buurt bijeenkomen die luidkeels commentaar leveren. Ik zei mijn vrouw nog dat ik daar niet van gediend was, maar zij vond dat we zulke stukken ook moesten zien ‘om erbij te horen’. Nou, dat heb ik geweten, wat heb ik erbij gehoord!

Je moet het je zo voorstellen. In het eerste bedrijf zie je een schamel uitdragerijtje, aan tafel zit de lompenbaas Sachel, er komt een zielige klant binnen die kleding komt belenen. De blinde Sachel snauwt de man en zijn spullen af, ‘Geen cent waard. Helemaal niks. Prullen.’ Meteen was er in de parterre geroezemoes, ik kon niet horen of ze daar nu vonden dat het wel erg voorspelbaar was, zo’n lompenjood, of dat ze gewoon meeleefden met die arme klant die geld nodig had voor z’n zieke vrouw. Op het toneel staat ook een dienstmeisje dat voor de klant partij trekt, maar zodra die man weg is, scheldt Sachel haar verrot. Als ze een jodenmeid was geweest zou ze ‘leper’ zijn geweest, meent hij.

Enfin, op een gegeven moment komt een vriend op bezoek, die samen met Sachel een huwelijk bekokstooft tussen diens zoon Rafaël en de dochter van de vriend. Het dienstmeisje luistert dat gesprek af en zonder dat de twee joden het zien, barst ze in tranen uit. Waarom weten we dan nog niet. Die twee bakkeleien over het geld dat ze voor het bruidspaar op tafel moeten leggen. Nou ja, daar hoef je toch niet zo de nadruk op te leggen, meen ik, dat joden geldbelust zijn. En ondertussen eten ze boterkoek en snoeven ze over hoe goed hun vrouwen in de keuken zijn. Dan komt Rafaël thuis, die zijn vader verwijt dat die z’n klanten oplicht. Sachel maakt zich daar vanaf door te zeggen dat iedereen dat doet – waarop Rafaël hem toebijt: ‘Ons héle volk is ontaard.’ Toen had je de parterre moeten horen: gefluit, gesis, iemand riep keihard dat de politie deze zin verboden had.

In het tweede bedrijf kom je erachter dat Rafaël en het christelijke dienstmeisje Rose een verhouding hebben, ze is zelfs zwanger. Rose brieft aan Rafaël door wat zij gehoord heeft over het geplande huwelijk, en verwijt hem dat hij haar maar als een sjabbesmeid ziet en dat een jood nooit met haar zal trouwen. Rafaël bezweert dat het jodendom voor hem passé is. Dat leidt tot een harde discussie tussen Rafaël, zijn vader en een rebbe. De rebbe verwijt Rafaël dat hij de joden met zijn denkbeelden over integratie verraadt, Rafaël werpt hem voor de voeten dat de joden het getto in stand houden en er zelf schuldig aan zijn dat ze buiten de maatschappij staan: ‘Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de getto’s gelaten – we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld – nee, schud je hoofd niet – stràks heb je ’t zelf gezeid. – We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we…. hebben we betááld, – de onze getroùwd!’ Ja en toen barstte het publiek los. Applaus van de hogere rangen, rumoer in de parterre. Alweer een barse stem: de politie heeft die zin over betaalde vrouwen verboden!

In de pauze was er een enorm kabaal tussen jonge joden en oude joden. Niet te geloven hoe dat gaat als je dat volk hoort rebben, vrouwen en mannen, allemaal door elkaar heen. Heijermans kent dat gekwek goed, dat was op toneel ook wel duidelijk wanneer Sachel en zijn vrouw elkaar uitschelden. Na de pauze proberen Sachel en zijn vriend nog om Rose af te kopen, en Sachel liegt haar voor dat Rafaël niets meer met haar te maken wil hebben. Dan springt Rose in de gracht. Eigenlijk zou het stuk dan het best afgelopen kunnen zijn, maar Rafaël komt nog op, beseft dat zijn vader Rose de gracht ingejaagd heeft en vertrekt dan terwijl hij uitroept dat hij een missie heeft om de wereld te verbeteren.

Ik vond het slot maar niks, en het publiek was aan het eind ook terneergeslagen, het applaus was na afloop veel minder dan bij de pauze. Mijn vrouw vond het toch goed dat we gegaan waren: zo zie je maar dat het in de jodenbuurt toch ook echt aan het veranderen is, zei ze.[1]


[1] Later heeft Heijermans het eind veranderd. In de Toneelwerken (Heijermans 1965, dl. 1, 175-241) staat een versie waarin Rose geen zelfmoord pleegt, maar met Rafaël een nieuw leven begint. De versie hier is gebaseerd op de 2e druk (Heijermans 1899).

Het is zover

Het is zover. Het boek over het lezen in de negentiende eeuw is klaar. Ik heb het de anticonventionele titel L gegeven, een titel bestaand uit één letter dus, en als ondertitel: Het lezen van de negentiende eeuw. Expres dubbelzinnig: het lezen zoals het was in de negentiende eeuw, maar ook: hoe wij de negentiende eeuw lezen. L staat voor de lezer of lezeres in die tijd.

Op 30 september hoop ik het te kunnen presenteren in de Lutherse Kerk van Amsterdam, onder auspiciën van Spui25. Toegankelijk voor iedereen. Daar zal ik toelichten wat ik gedaan heb, het eerste exemplaar uitreiken aan ??? en daar zullen drie lezers optreden die de dagboeken van lezers die in L voorkomen voorlezen.

L is een geschiedenis van het lezen van proza en poëzie, maar niet gebaseerd op de traditionele literatuurgeschiedenissen of op de canon. Dat wat in de gewone literatuurgeschiedenissen centraal staat, komt soms helemaal niet voor in L. De Tachtigers speelden maar een ondergeschikte rol indertijd, Jacob Geels Gesprek op den Drachenfels dat elke student Nederlands moet lezen, kende de doorsnee lezer niet. Potgieter stond in de marge, Multatuli’s toneelstuk Vorstenschool werd vaker herdrukt dan de Max Havelaar. Maar dat stuk werd dan ook gezien als vuilmakerij van koning Willem III.

Ik heb geprobeerd de toptien van de decennia te achterhalen. Een lastige opgave, want oplagecijfers zijn zelden bekend, aantallen herdrukken zijn niet voor alle boeken te achterhalen, er zijn nauwelijks cijfers van leesbibliotheken en er waren nog geen openbare bibliotheken tot 1899. Moeilijk te becijferen zijn ook de publicaties van delen van romans in kranten of tijdschriften. Eline Vere dat vier drukken haalde in de negentiende eeuw, verscheen eerst in Het Vaderland als feuilleton – maar die Haagse krant had slechts 2500 abonnees. Daartegenover verscheen er van Hendrik Consciences roman Een goed hart maar één druk, maar het verhaal had wel in De Katholieke Illustratie gestaan, met 50.000 abonnees. Veel profijt heb ik gehad van de geweldige romandatabase van Toos Streng, waaraan ik het aantal bekende herdrukken van in Nederland uitgegeven romans kon ontlenen.

Verder heb ik natuurlijk veel gebruik gemaakt van recensies (alle jaargangen van Vaderlandsche Letteroefeningen doorgenomen) en geprobeerd te achterhalen waarover veel gesproken werd, door in verzamelingen pamfletten en brochures te kijken of er reacties waren op bepaalde boeken. Op Da Costa’s Bezwaren tegen de geest der eeuw bijvoorbeeld kwamen tientallen pamfletten uit.

Ik heb het verhaal van het lezen, gebaseerd op vlijtig onderzoek, onderbroken met verzonnen dagboekstukken van een lezer of lezeres, waarin die zijn of haar gevoelens over een roman of dichtbundel die hij/zij net gelezen heeft neerschrijft. Dat is net zo onconventioneel als de eenletterige titel. U heeft er hiervoor al een achttal kunnen lezen. Wat ik de L laat uitspreken komt uit mijn duim, maar die duim is rechtstreeks verbonden met wat ik weet over de lezers van de eeuw. Al op mijn achtste ben ik begonnen met Dickens te lezen…

Lees hieronder wat mijn uitgever denkt over L.

Dagboek van een lezer 8

Ik had een woordenwisseling met mijn vrouw. Gisteravond las ik voor uit de Belangrijke tafereelen uit de geschiedenis der lijfstraffelijke regtspleging. Ook Anna en Johan waren erbij, de jongere kinderen waren al naar bed. Iedereen heeft het over dat boek, het bijzondere is dat de schrijver oude rechtbankverslagen opgediept heeft en daar mooie verhalen van maakt. Van sommige moorden blijkt pas na jaren wie de eigenlijke dader was, terwijl al die tijd een onschuldige in het gevang zat. Of men vindt een lijk en kan niet achterhalen wie het is, tot een toeval de zaak oplost.

Zo vertelt de schrijver over een paard dat op hol geslagen was en het woud in vluchtte. De knechten gingen er achteraan, en toen ze het beest aantroffen, stond het stil naast het lijk van een jonge man in vreemde kledij. Het gerecht probeerde alles om te achterhalen wie de dode was en wie de dader, maar uiteindelijk nam men maar aan dat het om een Turk ging, al stond er op zijn arm een tatoeage met gewone letters, niet van die speciale oosterse tekens. Elf jaar later was er kermis in die streek, men vertelde elkaar verhalen over recente moorden, en een man vertelde over de onbekende Turk en de tatoeage. Daarop werd een toehoorder lijkbleek. Het bleek de vader van de vermoorde te zijn, die al jaren op zoek was naar zijn zoon. De jongen was zo vreemd gekleed gegaan omdat hij optrad als koorddanser in zijn vaders circus. De knaap was met een collega naar een kermis gereisd, en toen die man alleen terugkwam, zei hij dat de zoon weggelopen was en zich als huursoldaat aangemeld had. Nu bleek wie de moordenaar was. Die werd opgepakt, maar nog voordat hij berecht kon worden, hing hij zichzelf op.

Mijn vrouw vond dit verhaal nog wel geschikt voor de kinderen, omdat de daad uiteindelijk gewroken werd, maar zij ergerde zich over het verhaal van een ongehuwd dienstmeisje, dat bij haar minnaar een kind had gekregen. Dat had zij met een steen om de hals in de gracht gegooid. Deze moord was uitgekomen omdat er vier zilveren lepels vermist waren. Haar baas veronderstelde dat het dienstmeisje die per ongeluk met het spoelwater in de gracht gegooid had. Maar toen er een baggerman naar de lepels ging zoeken, kwam het lijkje van de ongelukkige zuigeling naar boven.

Toen de kinderen naar bed waren hebben we daarover gesproken. Mijn vrouw vond die misdaad te gruwelijk voor de kinderen. Ook meende zij dat die niet hoefden te weten dat ongetrouwde vrouwen een kind kunnen krijgen. Zij zouden dan wellicht vragen stellen die we niet willen beantwoorden. Nu heb ik haar uitgelegd dat je kinderen toch ook moet leren wat er aan verderfelijks in de maatschappij is. De schrijver laat steeds zien dat door tussenkomst van God toch de ware misdadigers gestraft worden. Zij meende echter dat het verhaal over de kindermoord te aangrijpend was. Inderdaad kwam Anna de volgende dag bleek en met kringen onder haar ogen uit haar slaapkamer: ze had geen oog dichtgedaan. Ik heb nu mijn vrouw beloofd dat ik eerst alle verhalen lees en dan besluit of er bij zijn die te gruwzaam zijn om voor te lezen in de familiekring.

Het misdaadverhaal gebaseerd op ware gebeurtenissen is nieuw in de tijd dat onze lezer het voorlas aan zijn gezin. De auteur, een ambtenaar bij de provincie Utrecht, Jan Bastiaan Christemeijer, was zijn tijd vooruit met de Belangrijke tafereelen uit de geschiedenis der lijfstraffelijke regtspleging (1819) en Nieuwe tafereelen uit de geschiedenis der lijfstraffelijke regtspleging (1828), beide ettelijke malen herdrukt en zeer hoog gewaardeerd bij het publiek. Bij Christemeijer worden de misdaden vaak bij toeval opgelost, maar er zijn bij hem ook ‘detectives’, slimme politie-inspecteurs die blijven volhouden tot een diefstal of moord opgelost is. De echte ‘detective’ zal pas aan het eind van de negentiende eeuw geschreven worden. De Engelse schrijver Wilkie Collins zou de eerste schrijver daarvan zijn met The woman in White (1860) en The moonstone (1868). Maar Edgar Allan Poe was hem nog voor met drie verhalen over de scherpzinnige detective C. Auguste Dupin, voor het eerst in The murders in the Rue Morgue (1841). Terwijl nu vooral detectiveseries op tv (Netflix) met autistische, alcoholverslaafde en vereenzaamde misdaadonderzoekers populair zijn, waren de eerste detectives in een hoofdrol vooral slimme redeneerders.

Dagboek van een lezer 7

We hebben zo gelachen gisteren bij onze literaire club, Oefening kweekt kennis. Ik had gehoord dat er een jonge dichter zou optreden, die eigenlijk nog drukkersgezel is maar die opgang maakt met een verhaal over een zekere Pieter Spa. Zo kondigde hij zijn optreden aan: Pieter Spa’s reize naar Londen, ter gelegenheid van het krooningsfeest van koningin Victoria. Die kroning was twee jaar geleden, in 1837 dus. Nu, zoals die man voorlas, zo heb ik het nog nooit meegemaakt. Meestal toch zijn schrijvers die komen voorlezen deftige heren die de tijd nemen om hun toehoorders te doordringen van de diepzinnige inhoud van hun bespiegelingen. Deze jongeman, Van Zeggelen heet hij, kwam op met een innemende glimlach en een olijke blik, en hij liet het koddige en luimige bij de voordracht heel geestig uitkomen. De toehoorders gierden al na enige minuten van pret, toen hij begon met het tafereeltje waarbij de rentenier Pieter Spa aankondigt naar Londen te willen, en zijn kousenstoppende vrouw hem erop wijst dat hij nog nooit verder dan van Den Haag naar Amsterdam gereisd heeft en geen taal dan Hollands spreekt. Ze begrijpt er niets van: hij is altijd zo gierig en nu wil hij met de dure stoomboot.

Met koffer, valies, paraplu, overjas en hoedendoos stapt hij in Rotterdam op de boot, waar hij zeeziek wordt en zich beroerd en wel op het dek te slapen legt, onder zijn overjas. Als hij wakker wordt en meent in Londen te zijn, blijkt hij op de verkeerde boot te zijn gestapt en is hij in Duinkerken beland. Of hij misschien een processie wil bekijken, vragen ze hem. Nou, en toen deed Van Zeggelen dat Vlaamse taaltje na, zo van ‘parbleu, jou passe niet is koete’. Wat wil zeggen: verdorie, je paspoort deugt niet. Nu heeft de koning België dit jaar wel eindelijk erkend, maar het blijft toch een mal en achterlijk land met die Vlamingen die geen Nederlands en die Walen die geen Frans kunnen spreken.

Maar goed, Spa kon tegen grof geld met een smokkelaarsschuit vol varkens mee naar Londen. Na allerlei tegenslag komt hij nog net op tijd in Londen aan. Voor een Hollandse gouden munt krijgt hij een staanplaats op een propvolle tribune. Als het volkslied aangeheven wordt, wil hij zoals het hoort zijn hoed afnemen. Maar hij zit zo ingeklemd dat hij zijn armen niet omhoog krijgt.

Zijne armen hingen langs hem neêr,

Hij kon geen lid of vin verwrikken.

Hij was voor zijn bestel beducht,

En hijgde vaak naar versche lucht.

De omstanders roepen: ‘Pull off that hat’, maar het lukt hem niet. Een boze Engelsman beukt dan zijn hoed over zijn oren, zodat hij niets meer ziet als Victoria voorbijkomt:

Daar heft op eenmaal de euvelmoed

Zijn ijzren vuist omhoog en doet

Haar nederbonzen op Spa’s hoed,

Die om het hoofd niet sluitend scheen

Want, toen de slag werd toegebragt

Verkeerde hem de dag in nacht:

De hoed gleed eensklaps naar beneên,

Hem over neus en lippen heên.

En, tot de kin er in gedoken,

Was ’s mans gelaat in ’t vilt verstoken.

En dan moet hij weer terug en zijn vrouw de mislukking vertellen. Die constateert tevreden dat ze hem toch gewaarschuwd had.

Enfin, het verhaaltje stelt niks voor, maar die Van Zeggelen wist er echt iets van te maken. Van die man gaan we nog vaker horen. Heel afwisselend is dat gedicht ook, met zo’n huiselijk tafereeltje in het begin, dan die man die niet gewend is te reizen en op de verkeerde boot stapt. Vervolgens die Belgen die hem flink afzetten voor zijn stommiteit. Dan volgt er nog een heel romantische beschrijving van de angst van Pieter Spa als er een storm losbreekt. Heel klunzig dwaalt hij door Londen, en als hij thuiskomt heeft hij schrik voor de sarcastische woorden van zijn vrouw. Pieter Spa is typisch iemand die vijftig jaar achterloopt in de tijd en van stoomboot en reizen geen weet heeft. Dat type ken ik wel. Mijn eigen oom Pieter die in de zestig is en vroeger een handel in linten had en nu couponnetjes knipt, is er ook zo een. Die oom van mij, die lijkt weer sprekend op een type waarover ik las in een boek dat net is uitgekomen, van een zekere Hildebrand. Camera Obscura heet het, en daarin staat een verhaal over een benepen Leidse student, Pieter Stastok. De vader van die Stastok, dat is nou precies zo iemand als Pieter Spa en als mijn eigen oom Pieter. Hoe ik nou al die Pieters uit elkaar moet houden weet ik niet. Die Van Zeggelen heet in elk geval gewoon Willem.