Welkom

Image

IK STA OP MEER DAN 1600 VOLGERS. De biografie over Jacob van Lennep is klaar. De vierde druk is 24 mei 2019 hals over kop verschenen, ik kreeg niet de gelegenheid nog wat late correcties in te voegen. Het dagboek van Van Lenneps voetreis uit 1823 is in een fraaie herziene editie opnieuw uitgekomen bij Atlas-Contact. Bovendien is er nu een route ontwikkeld om Van Lenneps voetreis per fiets na te bootsen, met heel veel mooie tips. Zie Jacob van Lennep route. Verschenen is ook een nieuwe editie van De lotgevallen van Ferdinand Huyck met een inleiding van mij in de klassiekenreeks van uitgever Veen.

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
Ik vorder met een literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. Minder saai dan die van de Taalunie, persoonlijker, vast ook minder wetenschappelijk. Eigenlijk wordt het meer een lezersgeschiedenis. Wat las de gretige lezer van de negentiende eeuw? Wat wist hij (zij) van het literaire leven, welke boeken kocht hij, om welke pamfletten kon zij niet heen, welke recensies las hij, welke vertalingen, stak hij een kaarsje op bij het portret van Bilderdijk toen hij hoorde dat deze overleden was? Opnieuw zal ik in dit blog verslag doen van schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, ziektes en natuurlijk prachtige literatuur.

Waar vind ik de ‘beestachtige’ roman: Loon naar werken van Hirschmann?

Met diepe verontwaardiging wierp de recensent het boek Loon naar werken opzij toen hij eraan begon. In het ‘Voorspel’ van deze roman wordt iets beschreven dat zo schandalig is, zo afschuwelijk, zo ingemeen, zo lager dan dierlijk, zo indruisend tegen alles wat menselijk heet, dat iedere lezer toen hetzelfde zou doen als de recensent van De Vaderlandsche Letteroefeningen uit 1874, volgens deze recensent, de predikant Johannes Hoek. Het tweedelige boek is geschreven door een zekere Hirschmann, en in 1873 uitgekomen bij de Gorinchemse uitgever Horneer. De recensent is geschokt over wat hij in het boek leest, iets wat zo exceptioneel schijnt te zijn dat hij er in zijn zestigjarige leven nog nooit van gehoord had en zelfs nooit gedacht had dat er zoiets bestond. Hij heeft wel kennis van beestachtigheden bij natuurvolken en bij door drank en oorlog verhitte soldaten, maar wat hij nu te lezen kreeg ging over elke grens heen. Hirschmann beweert in het ‘Voorspel’ dat de schanddaad waarover hij schrijft werkelijk gebeurd is – en die is zo afschuwelijk dat de recensent er verder geen woorden aan wil vuil maken. Maar mocht de gebeurtenis verzonnen zijn, dan is de verbeelding van de bedenker wel bijzonder smerig. Dit soort boeken hoort gewoon niet uitgegeven te worden en Johannes Hoek raadt alle directeuren van leesbibliotheken dringend af het boek aan te schaffen.

Het verhaal van de roman, na het beestachtige begintafereel, moet volgens Hoek verder vrij voorspelbaar zijn. De hoofdpersoon is het product van het ‘Voorspel’ en ontpopt zich als een typische romanschurk. Hij is een Italiaan die al op jeugdige leeftijd van school bij de Jezuïten weggelopen is, daarna vagebond wordt, vervolgens roverkapitein, en dan weer schildersknecht. Daar krijgt hij de smaak van kleuren te pakken en wordt kunstschilder, met succes. Maar daarnaast is hij ook de hoofdman van een bende valsemunters. Uiteindelijk neemt hij op een duivelse manier wraak op zijn verwekker. Kortom, een figuur die in Breaking bad niet zou misstaan.

De recensent is zo geschokt van de inhoud dat ik het boek wel eens zou willen bekijken om te weten wat er nu zo over alle grenzen van de negentiende eeuw heengaat. Maar het lijkt nergens bewaard te zijn, in de hele wereld niet. Het komt niet voor in de WorldCat of in Picarta. Een andere recensie dan die van Hoek heb ik ook niet gevonden. Toch zat het boek in elk geval in een leesbibliotheek in Groningen, en het werd nota bene nog tot 1889 verkocht in de boekwinkel Van Dorp in Batavia, die er reclame voor maakte.

Advertentie 6 november 1889 in de Java-bode

Het komt wel meer voor dat boeken uit vroegere eeuwen niet meer te vinden zijn. Vaak gaat het dan om goedkope boeken, bijvoorbeeld schoolboeken. Maar Loon naar werken was bepaald niet goedkoop: f 5,25, zo ongeveer 50 euro dus nu. Andere boeken die verloren zijn geraakt, komen vaak uit het geheime circuit van pornografische boeken. Maar uitgever Horneer is een keurige drukker van historische locale werkjes en gemeentedrukwerk, en als Loon naar werken werkelijk een pornografische roman was geweest, zou die niet besproken zijn in een net tijdschrift en ook niet zichtbaar in de catalogus van een leesbibliotheek opgenomen zijn. Sommige leesbibliotheken hadden geheime catalogussen van ‘realistische romans’, en die kregen alleen mannelijke klanten die ernaar vroegen in handen. Toch heeft de recensie van Hoek er blijkbaar wel toe geleid dat het boek niet gedeponeerd is bij de Koninklijke Bibliotheek, waar toch eigenlijk alle in Nederland gedrukte boeken terecht moesten komen. Bovendien is het door zo weinig leesbibliotheken aangeschaft, dat er geen exemplaar van bewaard is gebleven. Of zou het boek zo vaak uitgeleend zijn dat het stukgelezen bij oud papier terecht kwam?

Maar mocht u het boek toch ergens aantreffen, in Djakarta, in Gorinchem, in een boekenkast van overgrootvader – zou u me dan even willen tippen?

De voetreis van Jacob van Lennep geïllustreerd

Het dagboek van de voetreis die Jacob van Lennep in 1823 door Nederland maakte is nu misschien wel het meest gelezen boek van Jacob van Lennep. Althans: er zijn van de Mak/Mathijsen-uitgave van 2000 zeker tien drukken verschenen, en in 2018 kwam er weer een mooie herziene uitgave van op de markt die al bijna aan de derde druk toe is. En altijd denk ik maar, als iemand erover schrijft dat het zo’n boeiende tijdreis is en dat er nog zoveel van te vinden is: als ik écht gepensioneerd ben ga ik die voettocht eens na lopen. Nu heb ik in dit coronatijdperk bij een val mijn voet zo bezeerd dat die in het gips moest en ik dus ver van een voetreis verwijderd ben. Maar zie: vanaf mijn bed kan ik toch de reis nalopen. Dat kon al eerder, maar nu kan ik ook zien wat Van Lennep en zijn kompaan Dirk van Hogendorp indertijd zagen. Sinds jaar en dag is Hans Pieters uit Haarlem ermee bezig geweest het dagboek te voorzien van alle historische plaatjes die hij maar kon vinden, om te visualiseren wat de wandelaars zagen toen ze door alle provincies van Noordelijk Nederland trokken (Limburg en de zuidelijke delen van het Verenigd Koninkrijk sloegen ze over).

Hoe onwaarschijnlijk veel informatie Pieters biedt zal ik demonstreren aan de eerste zin van het dagboek:

Nadat ik met veel moeite mijn ransel met een hemd, twee paar kousen, eene das en muts en andere noodwendigheden volgepropt had, ging ik mijnen Vriend Van Hogendorp, die in het Rondeel gelogeerd was, afhalen. Hem reisvaardig vindende, geleidde ik hem naar de Nieuwe Stads Herberg, waar wij te ½ 8 ure aankwamen. 

Pieters geeft bij deze ene zin maar liefst negen plaatjes, zoveel mogelijk eigentijdse, en twee links, een naar het Rondeel, een naar de Nieuwe Stadsherberg. Hij begint met een ingetekende kaart van de wandeling die op 28 mei afgelegd werd, dan een kaart waarop te zien is waar het Rondeel in Amsterdam lag, dan een prent van het Rondeel zelf en een foto van wat het Rondeel nu is: Hotel de l’Europe. Volgt een plattegrond van de wandeling door Amsterdam naar de plek aan het IJ waar de Nieuwe Stads Herberg lag (nu het Centraal Station), en natuurlijk een plaatje van de Stads Herberg zelf. Ten slotte nog een prent van de steiger van de herberg, waar het veer voor Buiksloot lag waar de jongens op zouden stappen.

De wandeling van de eerste dag, 28 mei 1823
Nieuwe Stads Herberg 1825 met veer naar Buiksloot
Steiger bij de Nieuwe Stads Herberg 1805

En zo gaat het maar door, het ene plaatje nog verrassender dan het andere, en in een onwaarschijnlijke overvloed van documentatie. Tot zijn spijt kan Hans Pieters zijn studie niet openbaar maken: er kan copyright zitten op de plaatjes die hij gebruikt heeft. Zolang die voor eigen doeleinden zijn, is er geen probleem, maar publicatie kan dus niet. Toch is hij bereid voor liefhebbers, via WeTransfer en alleen voor eigen gebruik, zijn omvangrijke documentatie ter beschikking te stellen. U hoeft mij maar een mailtje te sturen, en ik zorg ervoor dat u de (zware) bestanden toegestuurd krijgt (mathijsen@uva.nl)

Als u de tekst ernaast wilt houden, kunt u natuurlijk De zomer van 1823 (Uitgeverij Atlas/Contact) gebruiken. https://www.atlascontact.nl/boek/de-zomer-van-1823/

De diplomatische editie én het verslag dat Dirk van Hogendorp van de reis maakte vindt u op: https://resources.huygens.knaw.nl/lennep/

         

Struggle for life van literaire teksten: zoomcollege 29 juni

Hoe komt het dat Shakespeare en Euripides de eeuwen overleefd hebben en Hendrik Tollens en Ina Boudier-Bakker niet? Hoe wordt een tekst een klassieker, hoe komt die in de canon terecht? Waarom hoort Multatuli’s Max Havelaar daarbij?

Hierover gaf ik een kort college, te volgen op: https://www.youtube.com/watch?v=R_u-CCbYqxg&t=4s

Daarin ga ik me afvragen of er iets is wat ‘de klassieken’ gemeenschappelijk hebben waardoor ze erin slagen de eeuwen te doorstaan?  Is het een ‘survival of the fittest’ en een ‘struggle for life’ en kunnen we dus de evolutietheorie van Darwin loslaten op literatuur?

Darwin las rond 1830 de verhandeling van Thomas Malthus over natuurlijke selectie: over de onvermijdelijkheid van armoede doordat de  voedselproductie de bevolkingsgroei niet kan bijhouden : het menselijk bestaan is een permanente strijd om te overleven. Darwin paste het principe van selectie toe op diersoorten: er is permanente strijd tussen diersoorten  (inclusief mensen): die soorten die zich het beste kunnen aanpassen aan veranderende omstandigheden, overleven. Na lang aarzelen publiceerde hij in 1859 The Origin of Species by Means of Natural Selection, or the Preservation of Favoured Races in the Struggle for Life 1859.

Kunnen we die selectieprincipes doortrekken naar literaire werken? ‘Struggle for life’ en ‘survival of the fittest’: van de miljoenen titels die er geproduceerd zijn in de loop der jaren, blijft maar een gereduceerd aantal in het collectief geheugen. Wat valt waarom af? Geldt ook hier: wat zich het best aanpast aan veranderende tijden kan overleven? Dus die titels die bepaalde overeenkomstige sterke eigenschappen hebben halen de volgende eeuwen?

Wat zijn dan de overeenkomsten tussen ‘klassiekers’: algemeen menselijke thematiek? sublieme stijl? het noodlot? gebruik van opposities? het kwaad overwint? personages zijn herkenbare typen?

Over de gemeenschappelijkheid van klassiekers (als die er is) gaat mijn college, aan de hand van tien meesterwerken en een elfde: Max Havelaar.

The reason Othello is still being read and performed hundred years after Shakespeare wrote it is because this play tells us something timeless and universal, not so much about a fellow named Othello but about ourselves.   David and Nanelle Barash  

Eene ontzettende misdaad

Hoe vaak zou het voorkomen dat een 84-jarige grijsaard een moord beraamt met een vergiftigde worst? Dat is wat er in 1859 in Den Haag gebeurde. Het werd een mediaspektakel waar zelfs een van de domineedichters over schreef.

Wat was er aan de hand? Luitenant-generaal Carel August Gunkel, een militair met een indrukwekkende loopbaan, had Louisa Estra, de vrouw met wie hij sinds een flink aantal jaren ‘in verdachte betrekking leefde’ een leverworst aangeboden, met de woorden ‘die moet je nu eens proeven, die heb ik in een net winkeltje gehaald’. Gunkel zelf wilde er niet van eten, Louisa nam maar een klein stuk, voerde een deel aan haar hond, en gaf haar broer en haar naaister de rest mee. De naaister sneed er schijfjes vanaf voor haar kinderen, maar die spuugden ze uit, omdat ze de worst niet lekker vonden. Eerst werd de hond ziek, toen de naaister, vervolgens voelde Louisa zich niet goed, en toen werd haar broer doodziek, en stierf. Arsenicum, constateerde de arts. Louisa herinnerde zich dat ze al eens rare soep had gekregen van de generaal, en een andere keer jenever met suiker en dat ze beide keren er ziek van geworden was, zelfs gedeeltelijk verlamd was geraakt. Gunkel werd in beschuldiging van moord gesteld, en vervolgens kwam ook nog uit dat hij obligaties van Louisa opgesoepeerd had. De politie vond in zijn huis nog een voorraad rattenkruid. Na een geruchtmakend proces werd de bejaarde man, die in de hoogste Haagse kringen verkeerd had en hoge militaire onderscheidingen had gekregen, ter dood veroordeeld door ophanging.

portret van Gunkel tijdens de rechtszaak

De kranten stonden stampvol over deze zaak. Het Algemeen Handelsblad gaf paginalange verslagen, en er kwamen brochures over uit. De gehele rechtsgang met alle beschuldigingen en tegenwerpingen kon nagelezen worden in Regtsgeding tegen C.A. Gunkel, ter zake van vergiftiging. Ook verscheen er een verslag van het scheikundig onderzoek naar de vergiftiging. De mensen smulden van de zaak, en bij de openbare zittingen van de rechtbank zaten de banken vol publiek. In 2014, ruim anderhalve eeuw na dato, rakelde Atte Jongstra de macabere geschiedenis op in zijn absurdistische roman Worst.

De Haagse domineedichter C.E. van Koetsveld liet een preek erover drukken onder de titel Moorman en luipaard. Een hoogst ernstig woord tot mijne Gemeente, na eene ontzettende misdaad. Het boekje moest meteen herdrukt worden. Volgens Van Koetsveld sprak jong en oud in Den Haag er al dagen over: ‘Er is in de afgeloopene week een gerucht van gruwelen door onze stad gegaan, – gruwelen, die men in een verhaal al te onwaarschijnlijk vinden zou, – gelijk wel eens meer, niets zoo onwaarschijnlijk is, als juist de waarheid zelve!’

Hij baseerde zijn preek op de Bijbeltekst Jeremia XIII:23: : ‘Zal ook een moorman zijne huid veranderen, of een luipaard zijne vlekken? Zoo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.’. Dus: een moorman kan niet blank worden, een luipaard zijn vlekken niet kwijtraken, evenmin kan iemand die tot het kwade geneigd is in een goed mens veranderen. Van Koetsvelds preek staat bol van racistische opmerkingen over moormannen die zwart blijven, allemaal om de toehoorders te doordringen van het onomkeerbare van het kwaad. Was Van Koetsveld een roomse pastoor geweest, zou hij anders gepreekt hebben: dan zou hij de generaal voorgehouden hebben dat vergeving van zonden altijd mogelijk is – als men maar op tijd berouw toont en boete doet. Maar Van Koetsveld ziet onomkeerbare zondaars ‘die [..] met de koelbloedigheid van den ouderdom de onreine driften der jeugd najagen; het hoofd met de kroon der grijsheid gedekt en den éénen voet in het graf, en toch nog even verhard in het kwaad, het geweten als met een brandijzer toegeschroeid’. Den Haag barst van de ‘wellust en dronkenschap, verkwisting en geldbejag’, men aapt het buitenland na en ‘hoererij en zelfs overspel [wordt] schaamteloos bedreven’en ‘de grooten’ geven daarin het voorbeeld. Als hij daarmee op koning Willem III doelt, heeft hij gelijk.

Als het doodsvonnis eenmaal uitgesproken is, op 16 april 1859, verschijnt er een anoniem gedicht  Het prerogatief der kroon, ingeroepen voor den gepensioneerden luitenant-generaal. De koning wordt opgeroepen om gebruik te maken van zijn recht op gratieverlening:  

U, Heerscher op den Troon! U is de magt geschonken,

Den zondaar die in ’t net der misdaad is gezonken,

Van wereldlijke straf te ontslaan…

O! Plaatsbekleeder Gods! ga, ga met God te rade!

En fluistert Zijne stem U liefd’rijk toe: “Genade!”

Wees dan met ’s grijsaards lot begaan!

Dat deed de koning: de doodstraf werd omgezet in 20 jaar tuchthuisstraf. Die straf duurde niet lang. Gunkel stierf op 5 december van dat jaar in de kerker.

Ver-van-mijn-bed-boek

Wat moet ik met een boek dat ik echt niet door mijn strot kan krijgen en dat 170 jaar geleden hoogste top was? Ik kamp met een solidariteitsprobleem. Ik probeer altijd het bijzondere van negentiende-eeuwse literatuur te zien. Ik let op wat de schrijver achter de misschien wat al te toevallige avonturen wil meedelen, ga mee met de gevoeligheden van de tijd, laat me meeslepen met dreigingen, melancholie, tederheid. Ik let op het ritme van de taal, de fraaie bouw van zinnen, de nuances van woorden. Ik hou van het vertelvermogen. Die negentiende-eeuwse schrijvers waren toch niet gek, die wisten hoe ze hun lezers moesten bespelen. Dus lees ik Helmers en Tollens en Loosjes met een negentiende-eeuwse bril en zie er de geweldenaren in die de tijdgenoten erin zagen.

Voor mijn nieuwe boek ben ik negentiende-eeuwers aan het (her)lezen die heel veel publiek trokken, die herdruk na herdruk kregen. Dus inderdaad Tollens met zijn Overwintering op Nova Zembla en Loosjes met Maurits Lijnslager. En ik sla schrijvers over die pluimen krijgen in traditionele literatuurgeschiedenissen, maar daarentegen weinig of geen herdrukken verdienden van het grote publiek. Bijvoorbeeld Everhardus Potgieter.

Zo begon ik aan Hermine van Elise van Calcar-Schiotling. Debuut in 1850, juichend besproken in de Vaderlandsche Letteroefeningen, herdrukken in 1852, 1863 en 1868. De herdruk van 1863 kwam in de zogenaamde Guldens-editie uit en dat was een fikse onderscheiding. Daarin verschenen alleen publiekslievelingen. Een recensent in De tijdspiegel bracht de aantrekkingskracht van Hermine terug op flink wat kwalificaties. De romantische santenkraam als eerste. Geheimen geopenbaard op sterfbedden, een kistje met familiepapieren dat onder het matras van een dode ligt; zelfmoorden, onschuldige slachtoffers, schurken en woeste en akelige scènes, precies waar de gewone romanlezer behoefte aan heeft. De recensent  prijst ook de stijl die krachtig en mannelijk is. Niet waterig – wat meestal zou gelden voor boeken door vrouwen geschreven…. Maar vooral het theologiseren in het boek bevalt hem, en dat er veel preken in voorkomen. Daar houdt het grote publiek van, volgens recensent. Hij heeft nog twee bizarre aanbevelingen in petto: er is geen humor in Hermine  en de liefde heeft geen hoofdrol. Hij vindt dat iedereen in Nederland deze roman zou moeten lezen, omdat Elise van Calcar zo goed de kwalijke gevolgen van godsdienstige dweepzucht en geestdrijverij beschrijft.

Met deze aanbeveling opende ik op Google Books de 760 bladzijden in twee delen. Het stuit me tegen de borst het te moeten toegeven: het boek is werkelijk onleesbaar. Dit kan geen mens van tegenwoordig meer aan. Alleen de natuurbeschrijvingen zijn mooi maar verder is alles gekwezel over godsdienst. Jonge mensen die gezellig bij elkaar komen in prieeltjes spreken aldus:

 – Ik wenschte dat ik nimmer meer lachte, sprak Gideon ernstig. Hermine zag hem verwonderd aan en herhaalde:

“Nimmer meer en waarom niet?”

– Omdat het strijdt met den ernst van het leven.”

– Gideon!” riep Hermine in stijgende verbazing uit, “lagchen is immers iets zeer onschuldigs![…].”

–  Laat dat zijn, doch hebt gij ooit gelezen, dat onze Heer en Zijne discipelen gelagchen hebben?”

Een gesprek tussen dezelfde Gideon en zijn studerende broer, die wel eens een biertje drinkt op de sociëteit, verloopt als volgt, omdat Gideon meent de plicht te hebben hem daarvan af te houden:

– Ik denke mij […] verdorven genoeg, om walgelijk te zijn voor God, indien gij u niet bekeert, en van de wereld en hare begeerlijkheden afstand doet.”

– Wat bedoelt gij door dat afstand doen der wereld?”

– De verzaking van alle neigingen des vleesches en begeerten der verdorvene natuur, het vlieden van alle wereldsche vermaken en ijdelheden dezes levens.”

En zo gaat het bladzijdenlang over het verschil tussen predestinatiegelovigen en de christelijken die Van Calcar prefereert. De favorieten zijn de bekommerden die zich bezighouden met liefdadigheid en in Christus niet een straffende maar een milde God zien. Alle gesprekken gaan daarover, en als Van Calcar een relatie tot een huwelijk laat leiden, is er geen snars aandacht voor lichamelijke aantrekkingskracht, laat staan hartstocht. Ik kan me deze totale obsessie met het geloof niet voorstellen, en hoe vaak het me ook lukt om toegang te krijgen tot het verleden in boeken en me de taal en het tempo en de mentaliteit ervan eigen te maken, nu had ik alleen maar het gevoel buitengesloten te zijn. Zelfs de romantiek die de recensent erin zag kon me niet bekoren: het was alleen maar bekering op het sterfbed, straf voor goddeloosheid in het geheime kistje, zelfmoord als zelfbestraffing, alles overgoten met die christelijke jus. Het is alsof er me een chinees boek voorgelegd is en ik de tekens wel zie maar er geen betekenis aan kan hechten.

De laatste doodstraf

Het lijkt wel of de doodstraf opnieuw ingevoerd is in Nederland, maar nu zonder proces, rechter of advocaat. Oud, dik, roker, verpleeghuisbewoner: het oordeel is geveld door Jort Kelder en consorten.

En toch is de doodstraf al in 1870 officieel uit het strafrecht gehaald in de Tweede Kamer, met 48 tegen 30 stemmen, dus toch nog 38% vóór handhaving. De laatste doodstraf in Nederland was tien jaar eerder voltrokken, in 1860 in Maastricht. Men was zich toen natuurlijk niet bewust dat dit de laatste zou zijn. Tussen eind 1860 en 1870 werden er wel nog doodvonnissen uitgesproken maar de veroordeelden kregen allemaal gratie.

Toeschouwers bij een gevangene die naar het schavot gevoerd wordt in Amsterdam, 1854

Wat was het geval? Een zekere Johann Nathan uit Broeksittard, geboren in Pruissen, had zijn eigen schoonmoeder omgebracht. Die was met de opbrengst van een verkocht vet varken op weg naar huis, samen met haar man. In het donker wachtte Nathan haar op een stille plek op, sloeg haar met een stok en een steen en stak vervolgens met een mes in haar hals, door haar katoenen jurk heen. Haar man wist te vluchten, maar hij had zijn schoonzoon niet herkend. Tijdens het proces in Maastricht toonde Nathan geen enkel teken van berouw. Hij ontkende zijn daad, verzon zelfs dat hij zelf slachtoffer was en samen met zijn schoonmoeder aangevallen was door onbekenden. Volgens de kranten gedroeg hij zich tijdens het proces zo hardvochtig dat iedereen tegen hem ingenomen werd. Er waren voldoende getuigenissen tegen hem. De stok en de steen waren teruggevonden met resten haar van de 68-jarige schoonmoeder. Al eerder zou hij haar uitgescholden en bedreigd hebben. Cassatie werd afgewezen, en ook een gratieverzoek aan de koning werd niet ingewilligd. De executie kon niet meteen worden voltrokken, omdat het schavot uit Amsterdam moest komen, met de beul mee.

Een paar dagen voor het vonnis toonde de man wel berouw en vroeg om dezelfde priester die eerder ook een ter dood veroordeelde begeleid had. Toen biechtte hij en schreef een brief aan zijn vrouw. Zijn galgenmaal bestond uit brood, eieren en wijn, en hij kreeg een sigaar. Het vonnis werd op 31 oktober in de ochtend uitgevoerd in het openbaar. Toen de stoet door de straten via het Vrijthof naar de Markt in Maastricht trok, op weg naar de ophanging, was het doodstil en kinderen werden binnengehouden. Het leek erop dat de inwoners van Maastricht zich afkeerden van zo’n openbare uitvoering van de doodstraf. Dat bleek later ermee te maken te hebben dat kinderen een doodvonnis nagespeeld hadden en er toen ternauwernood een kind gered was van ophanging. Op de Markt zelf was het druk en liepen de mensen uit om naar het vonnis te kijken. Twee uur lang bleef Nathan te pronk hangen, daarna werd het lijk afgevoerd.

Toen het schavot na afloop afgebroken werd, stortte een balk op het hoofd van een van de assistenten van de beul. Hij werd zwaar gewond naar het ziekenhuis gebracht. Er gebeurde nog iets vreemds. De priester die de biecht bij Nathan afgenomen had, stierf kort na het doodvonnis. Er waren tegenstanders van de doodstraf die deze twee gebeurtenissen zagen als een teken van God dat het afgelopen moest zijn met de doodstraf.

Galgenveld in Amsterdam, eind 18e eeuw, waar veroordeelden na het doodsvonnis tentoongesteld werden

Al in de vroege negentiende eeuw is er verzet tegen de doodstraf, vaak afkomstig van gerenommeerde verlichte dominees. Vooral het tentoonstellen van het lijk na de terechtstelling werd steeds meer als onbeschaafd ervaren. De bekende domineedichter E. Laurillard hield in De doodstraf (1864) een bewogen pleidooi tegen de uitvoering, waarbij hij de lezer als het ware dwong om mee te kijken: 

Je verzekert: `hij moet dood.’ Welnu, hij zal dood. Zie! ze grijpen hem aan. Neen! verdediger van de doodstraf! nu het gelaat niet afwenden! Bij God! dat sta ik je niet toe. Zien, moet je, zien, zien! De laatste maatregelen, die nodig zijn, worden genomen. Enige mannen zijn met de veroordeelde bezig, zoo wat als slagers met een rund. Wat, verdediger van de doodstraf! wilt je terug? Neen! blijven zult je, en zien zul je, zien! – De klokslag dreunt. Twaalf uur voor ons, eeuwigheid voor de verwurgde. Daar hangt hij. Nu mag jij naar huis gaan. En heb je dan na al, wat daar te zien en te denken en te voelen was, nog vrede met de doodstraf, je moet het maar weten. Maar ik zal God danken, dat ik er geen vrede mee heb!

Laurillard wilde dat alle galgpalen, op één na, werden verbrand. Die ene zou terecht moeten komen in een museum voor oudheden, bij al de andere afgeschafte foltertuigen van onverlichte tijden, zoals pijnbanken, duimschroeven en spijkertonnen.

En zo zit ik nu dan thuis, nadenkend over gestraften in de negentiende eeuw, horend bij de veroordeelden van Kelder, afwachtend of ik gratie krijg…

Sloop van monumentaal pand waarin Etty Hillesum tot 1943 schreef en leed

Het virus dat sinds februari 2020 kwetsbare ouderen sloopt, waart al veel langer in een andere vorm rond in Amsterdam. Daar sloopt het kwetsbare oudere panden. Het is bijna onvoorstelbaar waarvoor in met name Amsterdam-Zuid zonder enig pardon vergunningen verleend worden voor sloop, onderkeldering (met onomkeerbare gevolgen voor de waterstand), extra lagen bovenop bestaande gebouwen. Voor interne sloop is niet eens een vergunning nodig. Rudolf Dekker schreef er een boekje over: Roofbouw in Oud-Zuid, en er is een speciale website: www.amsterdamsloopt.nl  

Nu wordt ook het pand op de Gabriël Metsustraat 6 bedreigd. Hier woonde van 1937 tot 1943 Etty Hillesum en hier schreef ze haar aangrijpende, wereldberoemd geworden dagboek. Van hieruit kwam ze via Westerbork terecht in Auschwitz, waar ze vermoord werd, 29 jaar oud.  Dit alleen al zou voldoende moeten zijn om het pand te behouden.

Maar even belangrijk is de architectonische waarde van het gebouw. Het is ontworpen door de architect van het Stedelijk Museum, Adriaan Willem Weissman, in dezelfde kenmerkende rode steen. Het staat vrijwel naast het schitterende pand van Hendrik Berlage uit 1908, waar vroeger de Dagteeken- en kunstambachtschool voor meisjes zat en dat nu heel gewetensvol opgeknapt is voor het Concertgebouw. Tussen het Hillesumpand en het Berlagegebouw staat de Nieuwe Huishoudschool van J.H.W. Leliman uit 1907. Weer even verder zijn mooie voorbeelden van de Amsterdamse School te vinden in ontwerpen van Michel de Klerk, de architect die ook betrokken was bij de bouw van het Scheepvaartmuseum. Tegenover het Hillesumgebouw staat het Amerikaans Consulaat, van de architecten Schill en Haverkamp. Hierop keek Etty Hillesum uit, en het wrange lot wil dat hier toen het Duitse Consulaat was gevestigd, met in de belendende panden de hoofdkwartieren van het Duitse leger en de Duitse politie. Tussen het Consulaat en haar kamer lag een betonnen bunker, speciaal voor de bescherming van de Duitsers.

Gabriël Metsustraat 6

Kortom: zowel de historische als de architectonische waarde van dit stuk Gabriël Metsustraat is gigantisch, en de hele straat zou tot beschermd stadsgezicht verklaard moeten worden.

En wat kunnen wij doen om te laten merken aan verantwoordelijken dat we deze sloop niet willen?

  1. Onderteken petitie: https://petities.nl/petitions/stop-sloopplannen-etty-hillesum-s-panden-aan-het-museumplein?locale=nl
  2. Inloggen op www.erfgoedstem.nl en uw protest doorgeven
  3. Stuur een protestmail aan de man die in Amsterdam Zuid 13 portefeuilles heeft, waaronder  kunst & cultuur, bouwen en wonen: Sebastiaan.Capel@amsterdam.nl
  4. Stuur, omdat deze man zich nog nooit ergens wat van aan heeft getrokken, vooral ook een protestmail aan zijn politieke partij, D66, die nu al zenuwachtig op de verkiezingen van volgend jaar zit te wachten: zie https://d66.nl/contact/
  5. Stuur een protestmail aan de Amsterdamse wethouder cultuur Touria Meliani (gaat alleen via een inlog van de gemeentewebsite)
  6. Stuur een protestmail naar de Amsterdamse Raadscommissie voor Kunst: mailboxraadscommissieKDDvoorburgers@amsterdam.nl
  7. Stuur een protestmail naar de Amsterdamse Raadscommissie voor wonen en bouwen: mailboxraadscommissieWBvoorburgers@amsterdam.nl ;
  8. Stuur een protestmail aan Diederik Boomsma, fractievoorzitter CDA en raadslid, die eerder getoond heeft een hart voor Amsterdam te hebben: dboomsma@raad.amsterdam.nl
  9. Kent u invloedrijke mensen? stuur ze dan dit stuk door.
  10. Kent u mensen met hart voor Amsterdam? stuur ze dan dit stuk door.   

U kunt citeren uit bovenstaand stuk en gebruiken wat u wilt. Bekijk ook deze site: https://museumpleinbuurten.nl/gabriel-metsustraat-2-6/

U kunt citeren uit bovenstaand stuk en gebruiken wat u wilt.

Houd moed! Ook in deze tijden moeten we alert blijven op sloop van waarde.

En nu komt net dit nog binnen, een vergelijking die tranen oproept:

Relevante literatuur nu

Nu er zoveel aandacht is voor boeken als De pest van Albert Camus en De stad der blinden van José Saramago, is het tijd om ook eens het boek van Hanna Bervoets, Alles wat er was opnieuw in handen te nemen. Zeven jaar geleden verscheen het, en het is beangstigend om te merken dat Bervoets een voorspellende gave had. Want wat in dit boek gebeurt, loopt parallel met wat er zich nu afspeelt. Natuurlijk vergroot Bervoets de situatie en dat is het recht en de plicht van schrijvers, maar de overeenkomsten zijn beklemmend.

Bervoets zet een groep van acht mensen bij elkaar die geconfronteerd wordt met een ramp buitenshuis, zonder dat die ramp verder aangeduid wordt dan met ‘de knal’. Dat kan dus ook een virusuitbraak zijn. Niemand mag meer het gebouw uit waar ze nu toevallig bij elkaar zitten, een school. Er is nauwelijks etensvoorraad, ze weten niet wat er buiten gebeurd is en langzaam maar zeker vallen allerlei voorzieningen uit. Het internet waarop de overheid waarschuwde om binnen te blijven viel al snel weg. Eerst is er nog elektriciteit, maar na een paar dagen begint die te haperen en breekt tenslotte helemaal af. Dan stopt ook het water. Op dag 145 eindigt het boek en daarmee ook het leven van de opgeslotenen. Wat er daarvoor gebeurde, is een gruwelijke dystopie. Een van de vrouwen heeft een dagboek bijgehouden, dat in Alles wat er was in wisselende volgorde langskomt.

Wat het boek zo huiveringwekkend maakt, is de kenschetsing van menselijke reacties. Die zijn vergelijkbaar met wat we nu ook zien. Er zijn vier basisgegevens. Het eerste: iets totaal onbekends overkomt een groep mensen, iets wat niet eerder is voorgekomen. Het tweede: een groep is opgesloten, moet met elkaar zien om te gaan ook al zijn het geen vrienden. Het derde: de voorzieningen waarop je normaal gesproken kunt rekenen, vallen weg. Het vierde: er is gebrek aan eten, verband, medicijnen.

Hier komen dan de reacties overheen: angst, nachtmerries, onberekenbaar gedrag, onverantwoord gedrag, agressie, leugens, bietsgedrag, seks zonder liefde. Maar ook: improvisatievermogen, fantasie, organiseertalenten, altruïstisch afstand doen van eten voor anderen. Er zijn mensen bij die zo doordraaien dat ze toch de deur van de school uitgaan – en van hen wordt niets meer gehoord. Anderzijds is er ook iemand die een muis weet te vangen, schoon te maken en te stoven.

Soms lijken de gesprekken volledig overeen te komen met de woorden die nu in gezinnen overal hetzelfde klinken. Zoals:

Dan opperde Kaspar dat we ons mentaal en praktisch moesten voorbereiden op een periode van weken of zelfs maanden, zei ik dat we eerst maar moesten afwachten, riep Barry dat hij gek werd van onzekerheid en zei Leo dat Barry dat maar niet moest doen, gek worden, omdat dat de situatie er niet minder onzeker op zou maken, alleen een stuk onaangenamer.

De eerste dagen is de taal van het dagboek nog coherent, hoe verder in de tijd hoe meer die verbrokkelt. Het besef van tijd verdwijnt ook, zoals ook nu mensen gaan vergeten of het woensdag of donderdag is.

Er is ook het verlies aan decorum: men bekommert zich steeds minder om het uiterlijk, deels uit gebrek aan mogelijkheden om te douchen of te wassen, maar ook omdat het er niet meer toe lijkt te doen.

Het lijkt misschien vreemd als ik zeg dat dit boek hoe aangrijpend ook toch troost biedt. Natuurlijk heel eenvoudig omdat het een verdraaid knap boek is. Maar ook omdat het je terugwerpt op jezelf in onze barre tijd en je de vraag doet stellen: hoe zou ik het gedaan hebben en vooral: hoe doe ik het nu?

Uitgeverij Pluim

[Dit bericht verscheen ook op Tzum]

De boterham en de goudzoeker

Op de 218ste geboortedag van Jacob van Lennep draag ik het ironische gedicht voor van zijn goede vriend Gerrit van de Linde (De Schoolmeester) over hebberigheid en economische belangen. Beluister het hier: https://anchor.fm/hetverblijf/episodes/Dag-5—Marita-Mathijsen-leest-De-Schoolmeester-ebqr78

Voor wie wil is er ook nog de tekst:

http://cf.hum.uva.nl/dsp/ljc/schoolmeester/boterham.html

Dit schreef ik erover op Literatuurgeschiedenis.nl:

Nog geen eeuw geleden leerde men op Nederlandse scholen de gedichten van De Schoolmeester van buiten. Bijna iedereen kende wel een paar regels van hem, bijvoorbeeld `Een leeuw is eigenlijk iemand, die bang is voor niemand’of `Een hond is vermaard om zijn gezelligen aard’. Vooral aan het eind van de negentiende eeuw was de oplage van zijn enige gedichtenbundel met de eenvoudige titel Gedichten van den Schoolmeester ongekend hoog. In het begin van de twintigste eeuw werd de bundel zelfs cadeau gedaan bij repen chocolade.

De Schoolmeester is uniek in de Nederlandse negentiende eeuw door zijn openhartigheid, door zijn geestig en virtuoos taalgebruik, door zijn losse omgang met regels en door de grappige manier waarop hij autoriteiten belachelijk maakt.

Hij lapt alle dichtregels van zijn tijd aan zijn laars en jongleert zo met de taal dat er geheel nieuwe beelden en associaties ontstaan. Zijn technisch vermogen is groot: hij draait zijn hand niet om voor lange rijmreeksen of kunstige dubbel- of binnenrijmen. Het grote verschil met andere toenmalige dichters, zowel Nederlandse als buitenlandse, zit hem in de afwezigheid van een metrum. Terwijl metrische poëzie de standaard was, schreef De Schoolmeester zijn zogenaamde knittelverzen zonder een vast patroon in beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen en met een bonte opeenvolging van korte en langere versregels. Een typografische broddel is het gevolg: sommige versregels zijn zo lang dat ze over de regel heenlopen, andere bevatten maar enkele syllaben. Toch lijken de regels bij voordracht even lang: door alliteraties en assonanties weet hij te bewerkstelligen dat ze naar behoefte ingekrompen of uitgezet worden. Het metrum, dat een hulpmiddel was bij het van buiten leren van verzen, blijkt bij hem niet nodig. Er is een verrassende muzikaliteit in het ritme, en men onthoudt de gedichten bijna vanzelf na ze een aantal keren gehoord te hebben.

Behalve de knittelverzen is er meer typerend voor De Schoolmeester. Malle beeldspraak, dolle personificaties, samenvoegen van dingen die niet bij elkaar horen, opzettelijke begripsverwarring en geestige overbodigheden treft men bij hem aan. En dan ook nog in een uitbundige opeenstapeling, die puur uit het plezier om wat er allemaal met taal mogelijk is, lijkt voort te komen. Gezegden en spreekwoorden vermengt hij zo dat letterlijke en figuurlijke betekenissen door elkaar gaan lopen. Eigenaardig zijn ook de bizarre vergelijkingen, die niet zoals gewoonlijk van klein naar groot gaan, maar andersom: de oceaan wordt vergeleken met een geschuurde schuimspaan, en de zon geeft zoveel licht dat hij wel op een kaars lijkt. Een meester is De Schoolmeester in het verzinnen van onmogelijkheden.

Zoals De Schoolmeester in de vorm van zijn poëzie weigert kunstregels te erkennen, zo schopt hij ook inhoudelijk aan tegen de autoriteiten die overal en altijd een erekwestie van maken en eeuwig te laat op de proppen komen. Tegelijk hekelt hij de negentiende-eeuwse maatschappij met haar voorkeur voor gezellige toneeltjes en haar biedermeierachtige karakter. De grootse thema’s waar de romantiek een voorkeur voor had, werden verkleind tot huiselijke tafereeltjes: de woeste schipbreuk wordt een plaatje op de wand, en had daarmee haar bedreigende karakter verloren. De burgerman van de negentiende eeuw verkleint de proporties van de wereld zó, dat hij haar lijkt te kunnen beheersen, en juist die mentaliteit hekelt De Schoolmeester.

https://www.literatuurgeschiedenis.nl/19de/tekst/lg19047.html

De corona van de negentiende eeuw: cholera

Wie zijt ge, die heel de aard’ met siddering vervult?

Gij, die, in duisternis en nevelen gehuld,

Niets dan verderving aâmt? Een vloekharpij, de kolken

Des afgronds uitgebraakt, om land op land te ontvolken?

Uit J.J. Goeverneurs gedicht ‘De cholera’ uit 1832, de tijd van de eerste cholera-epidemie in Nederland, blijkt hoe bang men was voor de onbekende en onverklaarbare ziekte. Een arts uit Utrecht beschreef wat hem overkwam in 1832. Hij werd bij een vijfjarig meisje geroepen, dat duidelijk de tekenen vertoonde die in de kranten beschreven waren voor cholera. Ze lag in een kruiwagen in een koud achterhuisje. Talloze buren waren uitgelopen omde vreemde ziekte te bekijken. Op aandrang van de dokter trokken de toeschouwers zich terug, want hij wist van het besmettingsgevaar. Een man van zestig was niet te bewegen weg te gaan en bleef hoofdschuddend naar het kindje kijken. De dokter haalde de moeder over om het kind naar het nieuw ingerichte cholerahospitaal te brengen. Het lijdertje huilde luidkeels met de eigenaardige hese cholerastem en smeekte om bij haar moeder te mogen blijven. De oude man raakte hierdoor nog meer van streek. Het kind was nog niet weggevoerd, of de dokter zag dat de meelevende toeschouwer de ziekte ook had. Binnen een uur veranderde hij totaal van uiterlijk. Tien uur later was hij dood. Het kindje overleed ook.

De cholera sprak tot de verbeeldingskracht van dichters. Ze werden gefascineerd door het huiveringwekkende raadsel van de ziekte, die zich leek te onttrekken aan eerdere ervaringen met epidemieën. Wie ben jij, schreef ook Hasebroek bij de tweede epidemie in 1848:

Wie zijt ge, o onbekende

En ongewenste gast,

Die, waar ik de ogen wende,

Mij overal verrast?

Richt ik naar ’t veld mijn schreden,

Ik zie u dreigend staan,

En wil ik stadwaarts treden,

Uw aanzicht grijnst mij aan.

Die personificatie van de cholera is er ook in de Brief in dichtmaat aan de cholera morbus van de libellenschrijver Jean Baptiste Wibmer, waarin hij de cholera toeschrijft dat die geniet van de angst als hij met zijn opengesperde kaak klaar staat om het mensdom te verslinden. Veel dichters van bekommernispoëzie hebben erover geschreven, ook Nicolaas Beets, Bernard ter Haar en Adriaan van der Hoop. De schrijvers voelden de angsten van de mensen aan. Ze schreven romans waarin de cholerabedreiging een rol speelt, ze schreven gedichten die voor de gezinnen van slachtoffers verkocht werden, ze schreven historische romans over de pest en iedereen verving het woord ‘pest’ natuurlijk door ‘cholera’. In 1835 verscheen er een vertaling van de Italiaanse roman De verloofden van Alessandro Manzoni, waarin de pest een angstaanjagend thema is, en dat boek had meteen succes. In de roman Elize, in 1839 uitgegeven door Elisabeth Hasebroek, spelen liefdesgeschiedenissen zich af tegen het decor van de uitbraak van de cholera. De Franse veelschrijver Eugène Sue stelt in Le juif errant van 1844-1845 de cholera voor als een reiziger ‘geheimzinnig als de dood, langzaam als de eeuwigheid, onverzoenbaar als het noodlot’.

Besmet drinkwater verspreidde de cholera

Adriaan van der Hoop gaf het gedicht De cholera: graf- en boeteklanken (1832) uit waarin hij de cholera als een straf van God voorstelde.  Da Costa sloot zich later in zijn gedicht Vijf en twintig jaren (1840) aan bij deze visie van Van der Hoop. Andere schrijvers zochten de oorzaak niet bij God maar bij zijn gewijde dienaren, zoals in een uit het Duits vertaald pamflet met de titel: Hoogst belangrijke bewijsgronden, dat de cholera morbus door de Jezuïten in Europa gebracht is, door hen geleid, en tot hunne oogmerken aangewend wordt.

De cholera was een nieuwe ziekte, die tot dan toe nog niet in West-Europa voorgekomen was. Men kende haar verschijnselen niet, wist niet hoe zij overgebracht werd, meende dat zij onberekenbaar was omdat zij een ander verspreidingspatroon vertoonde dan de pest. Ze leek op verschillende plaatsen tegelijkertijd te kunnen uitbreken en bracht daardoor een groeiend gevoel van onveiligheid onder de mensen. De beschrijvingen van haar optreden gingen de verbeeldingskracht te boven. De patiënten veranderden binnen het uur van uiterlijk. Helse krampen en een ondraaglijke dorst wisselden diarree en braakerupties af. Het gezicht viel in, de ogen begonnen uit te puilen, de stem werd hees en de huid verkleurde zwartblauw. De lijders voelden ijskoud aan. Ze waren zo koud, dat men sommige patiënten voor dood hield, die nog enige uren te lijden hadden. Er gingen verhalen rond van lijken, die terwijl ze in de extra diepe kuilen zakten die voor de choleradoden gegraven werden, op het laatst nog tegen de doodskist tikten.

Zo veranderden choleraslachtoffer in korte tijd

De cholera is uit India naar Europa gereisd. In het moerasgebied van Bengalen heerste zij al vele jaren. In 1817 brak zij door de grenzen van India heen en baande zich langzaam een weg naar Rusland, waar zij in 1830 de zuidgrens overschreed. Moskou werd in dat jaar getroffen. Russische legers namen haar mee naar Polen, waar militaire acties plaatsvonden tegen opstandige Polen. Pruisen legde langs de grens met Polen een scherpe bewaking in, maar tevergeefs, want ook Berlijn raakte besmet. Rijke mensen die in koetsen Berlijn wilden ontvluchten, werden tegengehouden door de menigte, die niet accepteerde dat de welgestelden zich konden onttrekken aan het lot. Engeland sloot zijn havens tegen schepen uit de Oostzee. Tevergeefs. Na Engeland was Frankrijk aan de beurt. Begin 1832 kon men in de Nederlandse kranten lezen dat de cholera Parijs had bereikt, waar beduidend meer slachtoffers vielen dan in Londen. In Parijs werd het volk hysterisch. Wie zich ophield in de buurt van waterputten, werd ervan verdacht het water te vergiftigen. Wie een vreemd flesje bij zich droeg, zou de smetstof willen verspreiden. Kasteleins zouden de wijn vergiftigen en zelf antistof ingenomen hebben. Onschuldigen werden door het volk aangevallen en gelyncht. Het gerucht verspreidde zich dat artsen beloningen kregen voor elke arme die aan de cholera stierf. De apothekers verdriedubbelden de prijzen van geneesmiddelen, die overigens niet hielpen. En ook hier was er een complotttheorie: de Jezuïeten verspreidden de ziekte. Waarom ze dat zouden doen was de vraag niet.

            Vluchtelingen uit Parijs brachten de ziekte over naar België, waar men even angstig reageerde als in Frankrijk. Het volk geloofde dat kwaadwillenden besmet snoepgoed aanboden aan kinderen.

            Nederland was voorbereid op het uitbreken van de cholera. In 1831 had de regering drie bekwame artsen naar Duitsland gestuurd om de ziekte te bestuderen en deze hadden een rapport opgesteld met aanbevelingen. In elke grote gemeente moest een choleracommissie ingesteld worden, bestaande uit een notabel, een arts en een politiedirecteur. De steden werden verdeeld in wijken waarin de wijkcommissie verantwoordelijk was voor de gang van zaken. Gemeenten kregen het advies een speciaal cholerahospitaal in te richten. Huizen waarin cholera heerste, kregen een bordje aan de deur. Als de zieken of doden uit huis waren, werd de woning ontsmet met de toenmalige middelen: luchten, azijn sprenkelen en chloorgas verspreiden. Choleradoden moesten direct de kist in zonder ze af te leggen, en ze moesten zo snel mogelijk in een dubbeldiep graf begraven worden. Jacob van Lennep was een van de notabelen in Amsterdam die verantwoordelijk werd voor een grachtenwijk.

            De adviezen van de commissie waren voor die tijd vooruitstrevend. Matigheid en reinheid werden als voorname middelen gezien om de cholera beheersbaar te houden. De voorbereidingen werden overal vrij stilletjes getroffen, omdat het burgergilde wilde voorkomen dat paniek en dus opstand zou uitbreken. Wel had de pers zich meester gemaakt van het onderwerp, en verscheen de een na de andere brochure met aanbevelingen hoe zich de ziekte van het lijf te houden. De Vaderlandsche Letteroefeningen publiceerden in elk nummer wel een verhandeling erover. De religieuze leiders gebruikten de angst om de mensen aan te sporen zich tot God te wenden, voor hij het grote kwaad naar Nederland zou sturen.

            De regering verwachtte dat de cholera, zoals alle kwaad, uit Frankrijk zou komen, en dus had men aan de Belgische grens verscherpte controle ingevoerd. Dat was des te makkelijker omdat er in verband met de Belgische opstand nog veel militaire troepen in Zuid-Nederland gestationeerd waren. Men had echter niet voldoende op de zee gelet. De cholera kwam Nederland binnen via een Scheveningse vissersschuit met botersmokkelaars. Tussen 25 juni, het binnenlopen van de visserspink, en 3 juli waren er al 46 lijders waargenomen. Vier daarvan waren binnen enkele dagen overleden. Direct trad het apparaat in werking. Vis uit Scheveningen mocht niet meer vervoerd worden. Jaarmarkten en kermissen werden verboden. Geneeskundige hulp aan armen werd gratis beschikbaar gesteld. Desondanks bereikte de ziekte in juli Den Haag, Katwijk en Rotterdam. In augustus waren Utrecht en Amsterdam aan de beurt. In totaal stierven bij de eerste cholera-epidemie 10.108 mensen. De tweede uitbraak van 1848-1849 was heviger en viel samen met een periode van hongersnood door aardappelziektes en hoge voedselprijzen. 22.460 mensen werden toen het slachtoffer. De laatste hevige uitbraak is van 1866-1867, en ook toen vielen nog 21.286 doden.

Van de verschillende besmettelijke ziekten in de negentiende eeuw heeft de cholera het meest onmatig toegeslagen. De pokken en de tyfus halen nog niet de helft van het totale dodenaantal van de cholera. Bovendien maakte de cholera de mensen radeloos, omdat ze zowel miasmatisch als contagieus leek te zijn, dus zowel een gevolg van vervuilde dampen als van smetstof. De snelheid waarmee een gezond mens in weinige tijd kon vervallen tot een onherkenbaar wrak, was angstaanjagend. De machteloosheid van medici, en de onverklaarbare resistentie van sommige mensen, vergrootten het raadsel van de helse harpij.

            Pas in 1883 ontmaskerde Robert Koch de boosdoener. Hij publiceerde de ontdekking van de cholerabacterie en wekte daarmee enthousiasme in medische kringen. Door de toegenomen hygiëne en de aanleg van waterleidingen waren de grote epidemieën echter al bedwongen. Zijn ontdekking bevestigde wel, dat hygiëne de belangrijkste vijand van de cholera was.

En: kunnen wij nog iets leren van de negentiende-eeuwse omgang met de cholera? Ik vrees van niet, maar ik ben wel benieuwd of er ook verzen of romans over de corona geschreven gaan worden. De parallellen zijn duidelijk: enorme media-aandacht, de onbekendheid, de snelheid. De overheidsmaatregelen van toen waren in elk geval ingrijpender dan die van nu: speciale hospitalen, meteen begraven, wijkcommittees voor toezicht en het aankruisen van huizen waar de ziekte heerste. En natuurlijk liepen de kerken toen vol – dezelfde die nu juist gesloten zijn. In 1848 kwam er een nationale bededag. Die hielp dus niet. Toch heb ik voor de zekerheid maar wat kaarsjes aangestoken toen ik in Limburg in ‘het kapelke van Geloeë’ kwam.

Veel van wat hierboven staat is ontleend aan mijn De gemaskerde eeuw, en komt ook voor in het boek dat ik nu aan het schrijven ben. De cijfers over de choleraslachtoffers komen uit P.D. ’t Hart, Utrecht en de cholera. Zutphen 1990.