Betje was niet zestien jaar

Zestien jaar zou Betje Wolff zijn op het bekende portret van haar met een platte zomerhoed, tegen de achtergrond van gebladerte, in haar handen het Essay on man van Alexander Pope. En overal kom je het tegen: zo zag Betje Wolff er op 16-jarige leeftijd uit. Of het nu Wikipedia is, het Betje Wolff-Museum in Midden Beemster, de DBNL, het Taalunie-handboek: deze tekening stelt Betje in 1754 voor.

In 1895 was het origineel voor het eerst en meteen ook voor het laatst in het openbaar te zien. Dat was op een tentoonstelling over Wolff en Deken, samengesteld door de overijverige dominee Johannes Dyserinck, die over vrijwel alle bekende negentiende-eeuwse schrijvers wel iets geschreven heeft. In de catalogus van die tentoonstelling staat dat het gaat om een Oost-indische inkttekening, eigendom van P. Molenaar in Zwolle. Dyserinck schat haar ‘op ongeveer zestien jaar’.[1]  

Dyserinck was ook de eerste die het portret in een boek opnam, in 1904. Ook hier blijft hij bij de puberleeftijd van het meisje.[2] Het origineel lijkt daarna van de aardbodem verdwenen te zijn. De afbeelding van Dyserinck, waarbij het boek niet helemaal afgebeeld is, werd ieders bron. Johanna W.A. Naber is de eerstvolgende die haar afbeeldt. Zij laat bij de leeftijd nu het woord ‘ongeveer’ weg, Betje ís gewoon zestien.[3] Geen woord erover dat het toch wel vreemd is dat een zestienjarig Zeeuws meisje poseert met een Engelse uitgave van Alexander Pope’s  Essay on man. We weten niet eens welke school ze volgde en of ze daar Engels leerde. Ook H.C.M. Ghijsen vraagt zich bijna een halve eeuw later niet af hoe ze aan dat boek gekomen kan zijn in Vlissingen.[4] En zo blijft die datering rondcirkelen. Ook ikzelf heb hem onnadenkend nog onlangs als zodanig op mijn blog gezet! Maar dat moet nu maar eens afgelopen zijn: Betje was 28 toen ze geportretteerd werd. Hoe het kan dat ze er zo jong uitziet? Wel, weelderige vormen had ze niet: ze was mager en niet groter dan 1.45 (volgens paspoort: 4 pieds en 8 pouces).

Toen in de jaren zeventig van de vorige eeuw het tijdperk Buijnsters aanbrak en Betje en haar vriendin eindelijk wetenschappelijk bestudeerd werden, volgde er nog geen correctie. Buijnsters houdt het bij ‘ongeveer 16-jarige leeftijd’. Voordat hij de biografie en de brievenuitgave publiceerde, maakte hij eerst een bibliografie (in die tijd – 1979 –  werd dat genre nog gedrukt). Hij deed navraag bij nabestaanden van de Zwolse Molenaar, of die het portret nog hadden, maar nee, geen origineel. Net zo kwijt als het stenen borstbeeld van Dionys Nachenius uit 1776, toch heel wat omvangrijker dan het papieren portret van Molenaar. Net zo onvindbaar als een portretje van dominee Adriaan Wolff, de weduwnaar-op-leeftijd die de 21-jarige Betje naar de pastorie in de Beemster sleepte.

Maar inmiddels is het digitale tijdperk aangebroken. In 2002 ontdekt de kunsthistoricus R.J.A. te Rijdt dat het Fries Museum een tekening heeft van de achttiende-eeuwse schilder Tako Hajo Jelgersma, dat diende als omslagblad bij een verzameling landschapsprenten van Betje Wolff. De domineesvrouw had zich als een verzamelaarster ontpopt. Op dit blad staan allegorische figuren rond de titel gerangschikt: Atlas van de zeven verenigde Landschappen byeenvergadert door Elisabeth Wolff-Bekker in de Beemster 1766. Jelgersma woonde in die tijd in Haarlem, en moet door Wolff aangezocht zijn om dat titelblad te maken.

Nu is uit brieven van Betje bekend dat deze Jelgersma vóór 1772 diverse pogingen deed een portret van haar te maken. Zij maakte een gedicht over haar afkeer van portretteren[5]:

’t Mislukte maal op maal, aan ’t zacht en malsch penseel
Des netten Jelgersma; hoe hy ’t ook aan mogt leggen.
‘Hy tekent zuiver, wascht volmaakt, – pastel is eêl;
Maar ’t lykt U niet genoeg”, dit blyft het oude zeggen.

Toch viel dat van Jelgersma haar nog een beetje mee, vergeleken met de producten van andere kunstenaars. Te Rijdt meent nu dat het puberportret van Betje ‘vrijwel zeker’ van de hand van Jelgersma is. Hij kent de eigenaardigheden van hem en herkent die op deze tekening. Bovendien maakt hij duidelijk dat die tekening niet uit 1754 kan stammen: Jelgersma werkte toen in Friesland en zou echt niet naar Vlissingen afreizen. Hij meent een trouwring aan haar vinger te herkennen, en het tonen van Popes Engelse titel is toch ‘een wel heel voorlijk statement’.[6] Betje publiceerde pas in 1783 haar vertaling van Proeve over den mensch. Te Rijdt maakt waarschijnlijk dat het portret in de Beemster jaren, dus ná 1759, geschilderd is. Haar eerste vertaling uit het Engels dateert van 1764.

Laten we nu eens verder redeneren. Rond 1754 woonde Jelgersma in Harlingen. Het is niet goed voorstelbaar dat hij dan naar Vlissingen zou reizen om de onbekende Betje Bekker te portretteren. Haar familie hoorde niet tot de top van de Vlissingse elite. Ligt het niet veel meer voor de hand dat Jelgersma haar ontmoette in 1766, de tijd van het albumblad, toen hij in Haarlem woonde, en dat hij haar toen schilderde, de jonge vrouw van 28?[7]

Met deze redenering kunnen we nog een stap verder gaan. In 1880 publiceerde J. van Vloten een boekje over Betje Wolff waarin hij een litho opnam van wat hij een zelfportret van Betje noemt. Het is een zeer vaardig portret, waarbij een fraaie Betje omringd wordt door allegorische figuren, zoals fortuin, de dood, de tijd, Venusengeltjes.

Onderaan de litho staat in haar handschrift dit gedicht:

De sterfling die zijn hart de Deugd heeft toegewijdt,

Begeert geen’ schatten; vreest Fortuin, nog Dood, nog Tijd:

Geen Armoe, geen Gewelt, geen Min zal hem doen beven

Die ’t voorschrift volgt ons door de Reden voor geschreven

Geen stof, geen jaren zijn verstoken van ’t genot

Der ware Wysheid, dient m’ eerbiedig zynen God.

Beemster 14 maart 1766                  E.W.g.B.

Maar wie de tekeningen van Betje kent die in het Zeeuws Archief bewaard worden, beseft dat ze echt niet vaardig genoeg was om zoiets zelf te tekenen. Veel meer voor de hand ligt, dat een bekwame tekenaar haar portretteerde en dat ze zelf het gedichtje inschreef op het stuk papier dat speciaal daarvoor opengelaten was. Natuurlijk ligt het dan voor de hand aan Jelgersma te denken, temeer daar het gedicht op 14 maart 1766 gedateerd is. Maar wat nog meer pleit voor de hand van Jelgersma is de gelijkenis met het zogenaamde zestienjarige-portret. Ze draagt ongeveer hetzelfde als op die tekening: dezelfde strikjes op borst en mouwen, hetzelfde armbandje aan haar rechterarm, eenzelfde soort ‘halsband’, dezelfde haardracht.

Kortom: Betje was geen zestien maar 28 toen ze geportretteerd werd, en maar liefst tweemaal:  – er is geen sprake van een zelfportret en geen sprake van een zestienjarig meisje met Pope in haar handen. Nu nog een spoiler: van beide tekeningen is het origineel niet bewaard…


[1] De tentoonstelling was bij gelegenheid van de onthulling gedenksteen op de Haagse begraafplaats Ter navolging. Johs. Dyserinck, Tentoonstelling van handschriften, boeken, portretten enz. van Elizabeth Woff en Agatha Deken […]. ’s Gravenhage: Van Cleef, 1895, 48. Eerder was er in Vlissingen een tentoonstelling bij de onthulling van de Wolff-Deken-fontein, maar daar was het ‘jeugdportret’ niet. Zie Johs. Dyserinck, Hulde aan Betje Wolff en Aagje Deken. Middelburg: Altorffer, 1884.

[2] Joh. Dyserinck, Brieven van Betje Wolff en Aagtje Deken. ’s-Gravenhage: Gebroeders Van Cleef, 1904, XVII.

[3] Johanna W.A. Naber, Betje Wolff en Aagje Deken. Amsterdam: Meulenhoff, 1913, 17.

[4] Ha.C.M. Ghijsen, Dapper vrouwenleven. Karakter- en levensbeeld van Betje en Aagje Deken. Assen: Van Gorcum, 1954, t.o. titelpagina. In hetzelfde jaar verschijnt wel een weinig informatief artikel van A. van der Boom, ‘De portretten van Elisabeth Wolff en Aagje Deken’. In: Boeket voor Betje en Aagje. Amsterdam: Wereldbibliotheek, 1954, 53-64. Hij betwijfelt wel de vroege datering.

[5] E. Wolff-Bekker, ‘Ontschuldiging, aan myne vrienden’. In: Lier- Veld- en Mengelzangen. Hoorn: Tjallingius, 1772, [XVI].

[6] R.J.A. te Rijdt, ‘Tako Hajo Jelgersma (1702-1795) en Betje Wolff: het titelblad voor haar topografische atlas en een portret’. In: Delineavit et Sculpsis 25 (2002), 25-36.

[7] Lieke van Deinsen en Beatrijs Vanacker, ‘Found through Translation’. In: Early Modern Low Counstries 3 (2019), 60-80 wijzen ook op de latere datering, maar brengen die niet in verband met het albumblad van 1766. Zie ook: Lieke van Deinsen, ‘’’k Zeg basta met dat portretteeren”. Elizabeth Woff en de (on)mogelijkheden van haar auteursportret’. In: De achttiende eeuw 2019, 85-103. 

Van P.J. Buijnsters noem ik: Bibliografie der geschriften van en over Betje Wolff en Aagje Deken (Utrecht: Hes, 1979); Wolff & Deken. Een biografie (Leiden: Nijhoff, 1984); Briefwisseling van Betje Wolff en Aagje Deken (Utrecht: HES, 1987, 2 dln.).

Welkom

MMfolder

IK STA OP RUIM 1200 VOLGERS. De biografie over Jacob van Lennep is klaar. De vierde druk is verschenen. Nu is ook mijn lezersgeschiedenis met de éénletter titel L klaar. Ik heb een bloemlezing van gedichten van Hans Faverey uitgegeven (Verborgen in het zichtbare) en er is bij Home Academy een hoorcollegereeks (podcast) over de Tachtigers uitgekomen. 

Het dagboek van Van Lenneps voetreis uit 1823 is in een fraaie herziene editie opnieuw uitgekomen bij Atlas-Contact. Bovendien is er nu een route ontwikkeld om Van Lenneps voetreis per fiets na te bootsen, met heel veel mooie tips. Zie Jacob van Lennep route. Verschenen is ook een nieuwe editie van De lotgevallen van Ferdinand Huyck met een inleiding van mij, in de klassiekenreeks van uitgever Veen.

over L
De leesgeschiedenis van de negentiende eeuw is klaar. ‘Een formidabeld boek’,  mailde mijn redacteur. Het is eind september uitgekomen, en heeft geweldige reacties gekregen. Een interview in NRC, jubelrecensies in Trouw en De Volkskrant, radio-optredens en tv: Brommer op zee. Alleen de oude izengrim Carel Peeters op de website van Vrij Nederland vond het maar niks dat ‘ik’ de Tachtigers niet waardeerde, maar vergat dat ik niet de mening van mezelf maar die van de doorsnee lezer weergeef. Want daar gaat het me om: wat las de gretige lezer van de negentiende eeuw? Wat wist hij (zij) van het literaire leven, welke boeken kocht hij, om welke pamfletten kon zij niet heen, welke recensies las hij, welke vertalingen, stak hij een kaarsje op bij het portret van Bilderdijk toen hij hoorde dat deze overleden was? In deze lezersgeschiedenis verwerk ik dagboekaantekeningen van een fictieve lezer over wat hij leest, hoe hij daarover denkt, en ook zijn commentaar op literaire gebeurtenissen. 

En nu: lees mijn nieuwe blog

Hoe Betje spullen van de eerste vrouw van haar man aantrof in haar nieuwe woning

Die arme Betje was pas 21 toen ze aankwam in de pastorie van Beemster, met de man met wie ze enige dagen later zou trouwen. Ze kende hem nauwelijks, alleen van een paar brieven die ze met de 52-jarige dominee gewisseld had. Een verstandshuwelijk? Waarschijnlijk wel, Betje had een affaire achter de rug, in Vlissingen zou ze niemand kunnen vinden die haar nog wilde. Haar vader stemde maar al te graag toe toen Wolff hem om de hand van zijn dochter vroeg, ook al was Wolff in die tijd al een oude man. Nog in Vlissingen werd de ondertrouw gesloten, en Betje vertrok uit het ouderlijk huis. Toch een soort ‘moetje’ dus.

De pastorie waar ze aankwam, na een paar dagen reizen met zeeschip, trekschuit en koets, stond nog helemaal in het teken van de overleden vrouw van Adriaan Wolff. Van inbreng van eigen meubels, eigen linnengoed, eigen servies was geen sprake. Aan de muren hingen nog acht portretten van de familie van de overleden Maria Kaiser. In de kasten lagen servetten met de initialen van de eerste vrouw. Wolffs enige dochter, van Betjes leeftijd zo ongeveer, woonde ook nog in huis, maar die wist niet hoe snel ze weg moest komen: ze trouwde enige dagen nadat Wolff en Betje zich verbonden.

Het was naar verhouding een kleine woning, veel kleiner dan die waar Betje opgegroeid was.  Er waren zes vertrekken: een achterkamer, een binnenkamer, twee zijkamers, een studeerkamer van de dominee, en de keuken. Dan was er nog de zolder met daar het dienstbodenkamertje en de kelder. Het museum Betje Wolff dat nu in de pastorie gevestigd is, komt door verbouwingen niet helemaal overeen met de vroegere situatie.

De pastorie van Middenbeemster in de 20e eeuw. De erker was er in Betjes tijd niet.

Stampvol was het er: in de achterkamer (tuinkamer) stonden maar liefst twaalf stoelen, een rustbank, een eiken ladetafel, een kast en kleine tafeltjes. Op de kasten en de schoorstenen prullaria – althans zo zouden wij die nu noemen: chinese beeldjes, een japanse kandeelkom, porseleinen kopjes en schoteltjes.

In de binnenkamer sliep de dominee in een bed met peluwen, kussens, lendenkussentjes, dekens, beddenkleden enzovoorts. Het was natuurlijk de bedoeling dat Betje daarbij kwam. Dat er in die kamer maar liefst vier portretten hingen van de familie Kaiser zal het gezamenlijk slapen geen goed gedaan hebben. En dan waren er nog de kwispedoor (spuugbakje) en de ondersteek of nachtspiegel… 21 jaar en dan daarmee geconfronteerd worden zo dichtbij, dat voelt toch anders dan wat je van je vader aan intiems te zien kreeg. Op zolder stonden nog een wieg en een kinderstoel uit vroegere tijden. Dominee had niet de compassie gehad om zaken van zijn eerste vrouw op te ruimen.

Gezicht op Middenbeemster, achttiende eeuw (Rijksarchief Haarlem)

We weten uit Betjes brieven dat ze in elk geval in 1774 in haar eentje een eigen bed besliep en dat dominee daar geen probleem van maakte. Dat was dan wel vijftien jaar na hun huwelijk in 1759.

Hoe weet ik al die details van de inrichting? Er is na de dood van Adriaan Wolff in 1777 een complete boedelbeschrijving gemaakt voor notaris Gerrit van der Jagt, van de kleinste voorwerpen als lepeltjes en kandelaars tot de beddenlakens, zelfs de servetten die nog van de was moesten terugkomen kwamen in de lange lijst. Dat was omdat de dochter van Wolff haar kindsdeel moest krijgen. Eerdere biografen hebben de boedelbeschrijving niet gezien, waarschijnlijk omdat die van het ene archief naar het andere verhuisde. Toch schreef een anonymus in 1939 daar al over in De Schouwschuit, een streekblaadje voor de Beemster en omgeving. Hij zou de notariële stukken gevonden hebben in het Rijksarchief te Haarlem.[1] Maar daar zijn die nu niet meer te vinden. Een behulpzame chattende medewerker van het Noord-Hollands Archief wist mij te verwijzen naar het Oud Notarieel Archief Oostzaan in het gemeentearchief van Zaandam.[2] Bovendien stuurde hij me naar de mormonen, die niet alleen miljoenen persoonsgegevens gedigitaliseerd beschikbaar stellen, maar ook notariële archieven. En zo kon ik, zonder een kilometer te hoeven reizen, de boedelbeschrijving downloaden .

Pagina uit de boedelbeschrijving, Gemeentearchief Zaandam

Maar de vraag is natuurlijk: zou de boedel in 1777 nog dezelfde zijn als die van 1759? Juist vanwege de servetten en portretten van de overleden eerste mevrouw Wolff, denk ik dat er heel veel uit haar tijd is blijven staan. Bovendien werd die boedelbeschrijving gemaakt omdat de dochter niet alleen het kindsdeel van haar vader opeiste, ook de rechten op erfgoed van haar moeder, dat dus nog in huis was. Van Betjes spullen horen we verder weinig. Het tweede bed dat beschreven staat in de toch al overvolle achterkamer, zal zij wel beslapen hebben. Van het stuk zolder dat ze af had laten timmeren om zich terug te kunnen trekken in een eigen schrijfhok, staat er alleen dat er een tafel met een la was, twee tabouretjes, een leuningstoel en een lessenaar met een bijbel. Arme Betje.


[1] Bij het Betje Wolff Museum is een afschrift aanwezig van de boedelbeschrijving. De conservator, Alie Vis, maakte mij daarop attent. Het zou nog gemaakt zijn toen de stukken in Haarlem berustten.

[2] Ik zocht contact met het Noord-Hollands Archief omdat hier een (later) deel van de notariële acten van Gerrit van der Jagt berust.

Buijnsters en Mathijsen over Betje en Aagje

Vandaag, 30 juli 2022, staat er in de NRC een interview met Piet Buijnsters en mij over Betje Wolff en Aagje Deken. Buijnsters’ biografie van de dames verscheen in 1984 en is allang niet meer te krijgen. Die van mij zal niet voor 2024 verschijnen. Meer dan Piet wil ik de nadruk leggen op de positie van Betje als vrouw. Ik noem het een ‘emobiografie’. Wat we in NRC niet aangesneden hebben zijn de grote vragen: waarom doe je het eigenlijk? Wat wil je bereiken door jaren van je leven te wijden aan een dode schrijver? Zegt zo’n biografie niet meer over de biograaf dan over de gebiografeerde? Ik denk dat het allemaal gevechten zijn tegen het vergeten, tegen het onwaardige van de dood. Onwaardig omdat elk mens uniek is en verdient in de aandacht te blijven. Een biografie van Betje is dan tegelijk een biografie van al die vergeten vrouwen uit de achttiende eeuw. Enfin: dat interview komt nog wel eens. Klik nu maar hieronder op de internetversie (die wat uitgebreider is dan die in de krant) waarin Piet en ik elkaar vinden in bewondering.

‘Piet, wist jij dat het hondje van Betje Wolff is overreden?’ – NRC

Wishful thinking? Het portret van Adriaan Wolff…

Al sinds de negentiende eeuw wordt er gezocht naar een portret van dominee Adriaan Wolff, de echtgenoot van Betje Wolff. Het is tot nu toe nog niemand gelukt dat te vinden. Nu is het zeker dat er een portret geweest is: Adriaan heeft er een opgestuurd naar Betje toen hij met het jonge meisje in Vlissingen correspondeerde. Waarschijnlijk is dat zo’n zwart silhouetportret en profil geweest, zoals ze indertijd gemaakt werden. In de negentiende eeuw stuurden dominees een dergelijk portret op naar de gemeente waar ze zouden komen te werken. Wellicht was dat ook in de achttiende eeuw al het gebruik.

Hoe dan ook: Adriaan Wolff was zelf wel niet zo bekend als zijn vrouw, maar hij had toch wel enige naam als schrijver van theologische werken en gelegenheidsverzen. In Middenbeemster was hij 47 jaar lang predikant. Van Betje werden portretten gemaakt: is het dan niet logisch dat er ook van hem wel enige portretten moeten zijn? Maar waar zijn ze gebleven? Ze waren niet bij de tentoonstellingen die er vanaf 1884 over Wolff en Deken georganiseerd zijn, ze staan niet in de diverse biografieën, en ook de meesteronderzoekers Johan Dyserinck en Piet Buijnsters hebben er geen gevonden.

Nu was ik op zoek naar een almanak die volgens Buijnsters zoek is.[1] Daarin heeft Betje aangetekend hoe haar reis in 1788 uit Beverwijk naar Trévoux verliep. Zij was toen met Aagje op de vlucht gegaan uit Nederland vanwege haar patriottische sympathieën, die nadat de stadhouder de politieke macht terug had gekregen, niet gewaardeerd werden. Die almanak bleek inmiddels in bezit te zijn van de Universiteit van Amsterdam, en in de Pierson Afdeling kon ik hem bekijken. Leuk, die opsomming van namen van de plaatsen die de koets aandeed met daarin drie vrouwen (een Franse vriendin was ook mee) en hun bagage. Vanuit hun prachtige huis in Beverwijk via Amsterdam, Breda, Antwerpen, Brussel, Rheims, Dijon en zo nog wat plaatsen naar Trévoux. Ik zag ook nog wat cijfers over uitgaven voor olie, koffie, een zuster en het wassen van lijfgoed. Leuk, heel leuk voor een biografieschrijver.

Almanac génealogique pour l’Année 1788, aantekeningen van Betje Wolff (bovenaan) over de reis naar Trévoux.

Het is een hele mooie almanak, met prachtige gravures naar een Maastrichtse roman uit 1786: Camille, ou lettres de deux filles de ce siècle. Ik bekeek het boekje van alle kanten – en toen viel me opeens op dat op het omslag een portretje van een man geplakt was. Zo’n zwart-wit silhouet. Het zou toch niet….

Omslag (band) van de Almanac généalogique 1788 uit de UBA.

Zou Betje toch zoveel om haar overleden man gegeven hebben dat ze zijn afbeelding bijgeknipt had en op haar reisboekje geplakt? Zou dit dominee Wolff kunnen zijn? Maar de afgebeelde ziet er niet erg domineeachtig uit, met zijn pruik met staartje en strik, en een jabot. Of droegen dominees dat juist ook in die tijd? Ik zocht op internet naar achttiende-eeuwse dominees in silhouet, kwam vervolgens een boekhandelaar uit Harderwijk tegen met vergelijkbaar jabot en staartje – dus iemand uit vergelijkbare kringen. Toch misschien?

Er is maar één manier om mijn illusie onderuit te halen: een ander exemplaar van die almanak opsnorren en kijken of die hetzelfde omslag heeft, met hetzelfde opgeplakte plaatje. Ik zocht op Worldcat: alleen in Polen schijnen er exemplaren uit dezelfde tijd te zijn van de Almanac généalogique pour l’Année 1788. Avec l’Approbation de l’Académie Royale des Sciènces et belles Lettres à Berlin. Op Google vind ik wel enkele exemplaren uit andere jaren, maar geen uit 1788.

Titelpagina

            Wat nu? Ik heb een vriend die geregeld in Polen komt om hulp gevraagd. Maar eigenlijk denk ik: ergens in Middenbeemster moet er in de vele oude huizen, op zolder, in een bijbel of kerkboekje, toch wel het silhouetplaatje van dominee Wolff te vinden zijn? Ik denk dat ik de huidige predikant van Middenbeemster ga verzoeken of hij vanaf de preekstoel ernaar wil vragen, ik ga uitzoeken of er Midden-Beemster-buurtkrantjes zijn en zet daarin een oproep. De Wolff moet terug in Nederland!


[1] P.J. Buijnsters, Bibliografie der geschriften van en over Betje Wolff en Aagje Deken. Utrecht 1979, p. 209, nr. 676.

Uit de kast: een ‘emobiografie’ van Betje Wolff

Tot nu toe heb ik het verborgen gehouden, maar ik moet nu toch werkelijk eens tevoorschijn komen uit de kast waarin mijn boeken van en over Betje Wolff en Aagje Deken staan: ik ben begonnen met het schrijven van een nieuwe biografie van Betje Wolff. Lang heb ik geaarzeld: die van Piet Buijnsters uit 1984 is voortreffelijk, er zijn onderzoekers die meer van de achttiende eeuw weten dan ik, er is al zo veel over de dames geschreven, iedereen heeft wel een mening over ze. Bovendien zijn er sinds Buijnsters’ biografie alleen nog maar een paar onbekende brieven opgediept (Roelof van Gelder vond ze in het Engelse admiraliteitsarchief), er zijn geen omverwerpende andere documenten boven tafel gekomen. Geen wonder, want het onderzoek is door Buijnsters ongekend grondig aangepakt. Maar de biografie is allang uitverkocht en het accent kan nu toch anders komen liggen – dus toch. Ik wil me op alleen Betje concentreren: tenslotte leefde Betje slechts 26 van haar 66 levensjaren met Aagje samen, en ging ze de eerste veertig jaar haar eigen weg. Maar natuurlijk zal Aagje in mijn relaas over die 26 late jaren meelopen – een diepere ‘Wahlverwantschaft’ dan die is er tussen Nederlandse schrijvers niet te vinden.

Betje op 16-jarige leeftijd met A. Pope, Essay on Man. Over de leeftijd volgt binnenkort nog een blog.

Aan mijn uitgever, Balans, heb ik mijn plan al enige tijd geleden verteld. Ik zei daar dat ik een ‘emobiografie’ wil schrijven: dus dat ik het accent wil leggen op de gevoelens die Betje onderging toen ze op 17-jarige leeftijd er met haar geliefde vandoor ging, teruggehaald werd en vervolgens uit de Vlissingse gemeenschap werd gestoten. Hoe ze op haar 21ste opgehaald werd door een dertig jaar oudere dominee die ze nog nooit gezien had. Een man van in de vijftig was in de achttiende eeuw oud, had misschien geen tanden meer, stonk waarschijnlijk. Hij had kinderen die ouder waren dan het bruidje. Hoe ze daar in de winter in de platte, dodelijk saaie Beemster terecht kwam, in een bekrompen pastorie haar plek moest vinden, hoe ze vluchtte in de schrijverij en een uitgever vond. Hoe ze er niet voor terugschrok vijanden te maken door fel uit te halen tegen bekrompen gedachtegoed. Hoe ze tot een kameraadschap met de dominee kwam. Hoe ze dweepte met jonge meisjes die het schrijverschap ambieerden. Hoe ze tot die diepe vriendschap met Aagje kwam en hoe de twee vrouwen op de vlucht sloegen naar Frankrijk, althans als we hun emigratie als een vlucht moeten opvatten. Hoe ze bedrogen werden door de man aan wie ze in Nederland hun kapitaal in bewaring gegeven hadden. Hoe ze moesten smeken om geld bij autoriteiten in Frankrijk en Nederland, zodat ze terug konden naar Nederland. Hoe ze toen zichzelf in leven bleven schrijven. Hoe ziek Betje werd, aan een kanker die organen in haar hele lijf aan elkaar liet kleven, hoe ze onder hevige pijnen stierf, hoe Aagje daarna niet meer sprak en tien dagen later ook overleed. Diagnose: een gebroken hart.

Maar even belangrijk zijn natuurlijk haar gedachtegoed en haar gedichten en romans. Ik zal proberen te achterhalen hoe ze vóór haar huwelijk aan boeken kwam, en hoe ze toen en later zo goed op de hoogte was van wat er aan belangrijks uitkwam. Veel van haar zeer omvangrijke werk moet ik nog lezen – bepaald geen straf.

Een ‘emobiografie’? Hoe zie ik die? Geen biografie waarop ik zou kunnen promoveren![1] Maar natuurlijk wel een wetenschappelijk onderbouwde biografie, met noten en literatuurverwijzingen. Waarin  wijkt hij af van een ‘wetenschappelijke biografie’? Ik ga veel ruimte geven aan interpretaties, die ik dan wel zo formuleer dat ze herkenbaar zijn als mijn eigen zienswijzen. 

Ik heb mijn plan voorgelegd aan Piet Buijnsters. In de bundel Onbreekbare Burgerharten had hij al zijn ‘Afscheid van Wolff en Deken’ geschreven. Hij verheugde zich op de nieuwe aandacht, en heeft me de documenten toevertrouwd die hij over het Franse verblijf van Betje en Aagje verzameld had. Dat hij ermee instemt, stelt me gerust, maar tegelijk legt het een zware claim op me. Mijn biografie hoeft niet beter te zijn, alleen anders – misschien zie ik dingen die alleen een vrouw ziet of beter: voelt.

Nog iets: blijf ik haar Betje noemen? Blijf ik haar Betje Wolff noemen? Is Elizabeth Bekker niet juister? Vanuit het heden gezien zeker! Er zijn recente publicaties over haar waarin ze consequent zo genoemd wordt. Maar zit daar niet iets bestraffends in, als ik haar die altijd de naam van haar man meenam bij haar publicaties, die nu ontneem? Ze noemde zich afwisselend Elisabeth of E. Wolff, geb. Bekker, en na de dood van haar man: E. Bekker, wed. A. Wolff , soms met ‘Ds.’ nog voor zijn naam (in de doopakte staat ze als Elisabeth, maar in publicaties van haar hand komen we ook Elizabeth tegen). En die voornaam Betje dan, is dat niet denigrerend of te gemoedelijk? Haar persoonlijke brieven ondertekent ze met ‘Betje’, zo noemde ze zich dus. Voor wie haar liefhad wilde ze zo heten. Moet ik dan in een genre als de persoonlijke biografie de betweter zijn en haar met haar deftigheidsnaam noemen – terwijl ze ‘Elizabeth’ reserveerde voor haar officiële contacten en haar publicaties?

Betje Wolff dus – ik zal geen bloemen meer op haar graf kunnen leggen zoals ik bij Van Lennep deed, ik zal geen nazaten ontmoeten die op haar lijken en die nog wat onbekende brieven hebben liggen, ik zal geen kraan opendraaien voor water dat dankzij Van Lennep in Amsterdam uit de kraan komt. Maar ik kan in de pastorie komen waar ze haar eigen plek op zolder creëerde, ik kan dwalen rond het landhuis in Trévoux waar ik haar tweede schrijfhutje ontdekte, ik kan naar de Haagse begraafplaats Ter Navolging gaan waar nog een plaquette is met haar naam (het graf zelf is geruimd). En ik kan lezen en herlezen: de eenvoudige Economische liedjes, de fenomenaal geschreven Sara Burgerhart, haar spotternijen op dolgedraaide gelovigen, haar ongekend levendige brieven. U hoort van mij.

Plaquette in Den Haag

[1] Zie daarvoor mijn artikel: ‘Dit is waar de wetenschappelijke biografie aan moet voldoen’. In: NRC 18 november 2017.

Het tweede schrijfhutje van Betje Wolff. Een ontdekking?

In Beverwijk staat een replica van het schrijfhutje dat Betje Wolff gebruikte in de tijd dat ze daar samen met Aagje Deken het fraaie landhuis Lommerlust bewoonde. Aagje had een eigen koepeltje, Betje trok zich voor het schrijven terug in wat ze het ‘kluisje’ noemde, of het ‘Geldersch huisje’. Er is een mooie gravure van ‘Het rieten kluisje’ gemaakt door Caspar Philips Jacobsz. Die dateert uit 1804, maar is nog tijdens het leven van de schrijfsters vervaardigd, na een bezoek van hem aan Lommerlust.

Het is een hutje zoals kinderen zich een hutje voorstellen: één verdieping, nietig, met een puntdak dat met riet afgedekt is. De klapdeur bestaat uit twee delen, en binnenin ziet men tegen alle muren dichte rijen boeken staan, verder is er een tafeltje met daarop een schrijfcassette en een ganzenveer, en dan nog een stoel en een voetenbankje. Twee portretten hangen voor de boeken, misschien van Jean-Jacques Rousseau en van Laurence Sterne.[1] Voor het huisje liggen damesschoenen: zo te zien deed Betje die aan als ze het huisje binnenging. Het voorwerp ernaast moet wel een schoenenschraper zijn, om schoenen te ontdoen van modder.   

Elisabeth Bekker, zoals we haar nu zouden noemen, naar haar meisjesnaam en niet met de toch wat familiaire voornaam Betje, creëerde al meteen in het begin van haar schrijfcarrière `a room of one’s own’. In de pastorie van de Beemster liet ze een stuk van de zolder voor zich afschermen, zodat ze zich daar kon terugtrekken. ‘Kipperust’ noemde ze haar domein. In De Rijp, waar ze met Aagje Deken kwam te wonen na het overlijden van dominee Wolff, had ze slechts een kleine woning, waarschijnlijk te klein om er een eigen plekje af te zonderen. Maar toen de dames dankzij een erfenis Lommerlust konden kopen, liet Elisabeth er dat schrijfhuisje bouwen, dat helemaal paste in de opkomende mode van Engelse tuinen. Een beetje Engelse tuin had een kluizenaarshut, al dan niet bewoond door een echte kluizenaar. Lommerlust verlieten Wolff en Deken in 1788 om politieke redenen – ze trokken naar Frankrijk en vonden een prachtig kasteelachtig landhuis in Trévoux. Château de Corcelles heet het, het staat op de monumentenlijst en het bestond in elk geval al in de zeventiende eeuw.

Chateau de Corcelles, foto MM

Zondag 10 april 2022. Met mijn vriend was ik in de buurt van Trévoux. Ik haalde hem over om eens te gaan kijken bij het Château de Corcelles. Hoog boven de Saône ligt het, verscholen tussen eeuwenoude bomen. Het bordje ‘propriété privé’ negeerden we, en ook drukten we niet op de bel om de bejaarde zusters Dominicanessen die daar een rusthuis hebben niet te storen. We dachten dat de nonnen op zondagochtend toch wel in huis zouden blijven en wilden alleen de sfeer opsnuiven. We liepen om het schitterende landhuis heen, bewonderden de ligging en de rust die ervan uitging. Wolff en Deken moeten er genoten hebben van de ruimte, het uitzicht, de vogels, de bomen en het monumentale huis. Aan de achterkant zagen we een huishoudster, en die vertelden we waarom we daar rondliepen. Ze haalde de abdis erbij, soeur Agnès Madeleine. Ja, Elisabeth en Agatha, daar had ze weet van, ze kende het gedenkbordje in het centrum van Trévoux en mijn hoogleraarstitel deed de rest. Vergenoegd troonde ze ons mee naar de pronkzaal en haalde er nog een zuster bij, Soeur Marie Bernade, die nog meer van de historie wist dan zij. De grote zaal was in de negentiende  eeuw beschilderd met jachttaferelen, maar was verder nog in dezelfde staat als vroeger.

Grote zaal Chateau de Corcelles. Foto MM

Soeur Marie Bernade werd steeds enthousiaster en nam ons mee naar alles wat nog onveranderd uit de achttiende eeuw stamde. De waterpompen, oude dubbele ramen, de plaats waar de koetsen aankwamen, enkele onveranderde schouwen, de spiegels waarin Betje en Aagje zichzelf bekeken moeten hebben. Ik keek naar mezelf in spiegels waarin ook zij naar zichzelf gekeken moeten hebben. Ik vroeg of er bomen waren die nog uit Betjes tijd konden stammen, en dat was zeker zo, volgens haar. Dus we gingen weer naar buiten. Bomen van onmetelijke hoogte, gezond, al flink in het lenteblad. Ze wees op de duiventoren die genoemd wordt in documenten uit de zeventiende eeuw.

‘Jullie moeten de cabane nog even bekijken,die is uit de achttiende eeuw’, zei ze en struinde naar de cabane verderop in het bos. Die was op dat moment omringd door tentjes met jonge verkenners die hun etenswaren in het huisje hadden ondergebracht. En toen ging er iets door me heen. Dit huisje kende ik toch al? Plotseling zag ik wat het was: Betje had op Corcelles een replica gecreëerd van haar schrijfhutje op Lommerlust.

Het tweede schrijfhuisje van Betje bij Château de Corcelles. Foto MM

Ben ik de eerste die dit kluisje zo beziet? Ik kwam er niets over tegen in andere stukken over het verblijf van Wolff en Deken in Trévoux of in Buijnsters’ biografie.[2]

Zo moet het gegaan zijn, verbeeld ik me. Betje moet op Corcelles ook behoefte hebben gehad zich af te zonderen in een eigen ruimte, midden in de natuur, tussen de vogels en het groen, om daar geconcentreerd te kunnen schrijven. Zij moet opdracht gegeven hebben om dat hutje te bouwen, en misschien een tekening gemaakt hebben als voorbeeld voor de aannemer: zo was mijn Geldersch huisje, mijn met riet bedekte huisje, zo wil ik het nu hebben. Riet was niet voorhanden in Trévoux, maar verder leek het huisje helemaal op dat wat we weten van het kluisje in Beverwijk.

Ga ik te ver in mijn veronderstellingen? Kom met bewijzen dat het niet zo is, en dan zal ik erkennen me te zeer te hebben laten meeslepen door Betjes voorkeur voor ‘a room of one’s own’.

Uitzicht op de Saône. Foto MM

[1] Deze twee namen noemt de dichter L. van Ollefen die in 1784 een ode aan het kluisje publiceerde onder de titel Het riete kluisje van mejuffrouw Elizabeth Wolff, Geb. Bekker, op Lommerlust, in de Beverwyk.

[2] P.J. Buijnsters, Wolff & Deken. Een biografie. Leiden 1984; Myriam Everard, ‘Twee “dames hollandoises” in Trévoux’. In: De Achttiende Eeuw 38 (2006), 147-167. In de roman van Kees ’t Hart, Ter navolging (Amsterdam 2004) heeft hij het over een prieel bij Corcelles maar hij verbindt daar geen consequentie aan. Of hij hetzelfde hutje gezien heeft als ik, weet ik niet.

Niet genoeg vinkjes om dominee te worden

Hoe noem je ook alweer iets wat nog best aardig van kwaliteit is maar toch onderdoet voor de top? B-kwaliteit? Die blijkt in de praktijk meestal enorm mee te vallen en het verschil heeft alleen maar te maken met grotere merknamen met meer reclamemogelijkheden. Hoe dan ook, ik zit met een ingewikkelder kwestie. Naast de negentiende-eeuwse domineedichter en de prozapastoor die toch al niet zo’n goede naam hebben, bestaan er in die tijd ook nog hulpdomineedichters die net zo productief waren als hun academische collega’s, maar niet telden als volwaardige dominees. Cees Houtman noemt ze in zijn net uitgekomen boek over deze auteurs ‘selfmade dominees’, of godsdienstonderwijzers, die er in de geschiedschrijving ‘bekaaid’ vanaf gekomen zijn.

In mijn jongste boek (L: de lezer van de 19de eeuw) houd ik een pleidooi voor een herwaardering van de domineedichters, die veelal aan de basis stonden van maatschappelijke veranderingen en via hun dichtkunst invloed uitoefenden op de bestrijding van misstanden. Waar ik me niet van bewust was, is dat er daarnaast een groep ongediplomeerde godsdienstonderwijzers bestond die ook de pen hanteerde, vaak met dezelfde maatschappelijke inzet. Misschien zijn er mensen die de biografie van Vincent van Gogh kennen en weten dat hij op een gegeven moment dominee wilde worden, maar de strijd om het Grieks en Latijn onder de knie te krijgen viel hem te zwaar, en toen ging hij een opleiding volgen waarmee hij hulpprediker kon worden. Dat werd hij in de Belgische Borinage. Het werd een mislukking. Op een gegeven moment wist hij die roeping achter zich te laten en koos hij voor het kunstenaarschap. Dat had hij deels te danken aan de domineedichter Eliza Laurillard, die in zijn preken kunstenaars als dienaars van God zag.

Maar nu over het boek van Cees Houtman, onder de titel De selfmade dominee als auteur. Van 26 van deze selfmade dominees geeft hij portretten, in chronologische volgorde. De oudste is geboren in 1778, de jongste in 1866. De titel ‘selfmade dominee’ is enigszins misleidend, want dominee mochten ze zich niet noemen. Selfmade waren ze wel: ze schoolden zichzelf in de godsdienstleer. Veel van deze hulppredikers hadden graag predikant willen worden, maar ze hadden van huis uit niet genoeg geld om naar de academie te gaan. Beurzen waren er weliswaar al vroeg voor studenten theologie, maar daar kwam iemand zonder Latijnse School toch niet voor in aanmerking. Een soort opleiding voor hulppredikanten was er wel ingesteld door de synode, maar de meesten spijkerden zich op eigen houtje bij. Er moeten er veel geweest zijn: Houtman telde in 1869 in Amsterdam naast 27 predikanten 24 godsdienstonderwijzers, onder wie ook enkele vrouwen. De mannen aan wie Houtman een portret wijdt, zijn opvallend door hun betrokkenheid bij de maatschappij en hun vaardigheid die op schrift te stellen. Er is er geen enkele onder die nog enigszins bekend is, en dat is jammer als je de schetsen leest die Houtman aan hen wijdt. Het zijn stuk voor stuk markante mannen, die zich los wisten te maken van hun milieu, hun gebrek aan opleiding in de jeugd wisten te overwinnen, en een prominente plek wisten te bevechten in hun gemeenschap.

Zo’n Jan Oostkamp uit Zwolle bijvoorbeeld, die meer dan vijftig boeken schreef, vooral kennisvermeerderende over geschiedenis en aardrijkskunde. Hij is een aanhanger van de fysicotheologie en combineerde dus godsdienst en natuurwetenschap in zijn onderwijs. De Haarlemmer Hendrik Polman, door zijn ouders bestemd om metselaar te worden, richtte onder auspiciën van het Nut een Inrigting tot Onderwijs in de Bijbelsche Geschiedenis aan de Jeugd op. In zijn lessen brak hij met de gewone methoden van godsdienstonderwijs waarbij boekjes met vragen en antwoorden gebruikt werden: hij bleek een geboren verhalenverteller te zijn, die op alle kinderen grote indruk maakte. Veel van de godsdiensthulpen waren actief in de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen. De voormalige Leeuwarder bakker Klaas van Belkum concentreerde zijn zending op de verschoppelingen van zijn stad. Met name alcoholisten probeerde hij uit hun zelf-vernietigende cyclus te halen. Hij schreef over zijn ervaringen in de bundels Uit het leven: schetsen uit de achterbuurten en Schetsen uit het leven. Ook de Amsterdammer Josua Duisdeiker was een gedreven afschaffer en zat in het bestuur van de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Sterken Drank. Onder het pseudoniem Oom Hendrik publiceerde hij verhalen voor de jeugd met altijd maar weer verhalen over omhoogklimmers.

Heel triest is het leven van de gebochelde Hendrik Huisman, die eerst boekverkoper was en als godsdienstonderwijzer om onbekende redenen tegengewerkt werd door hogere predikanten. Daarover schreef hij een Adres aan den Eerwaarde Kerkeraad, maar dat zette hem nog verder van de kerk af. Hem werd aangeraden doodbidder te worden, maar vanwege zijn afschrikwekkende gestalte leek hem dat niet zo’n goed idee. Uiteindelijk nam hij afscheid van het chistendom en sloot zich aan bij de vrijdenkers. Het weeskind Hendrik Tillema zat in een kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid, later kwam hij als godsdienstonderwijzer in dienst van een Leids weeshuis. Hij schreef verhalen over het leven op het Drentse platteland. Dan is er nog de gevangenispastor Egbert Tobi, die in Deventer zowel zieken als gevangenen stichtte, of de historische-novellenschrijver Peter Duijs die in Kampen vergeving en bekering predikte. Heel merkwaardig is ook het leven van de orthodoxe Johannes Schalekamp, vader van vijftien kinderen, huisschilder van beroep, die toch de akte voor godsdienstonderwijzer behaalde en in diverse plaatsen als hulpprediker optrad. Zijn tweede vrouw was een bekeerlinge, die van het roomse geloof overgestapt was naar het hervormde, terwijl zij op weg was kloosterzuster te worden. Over haar leven schreef Schalekamp twee boeken. Schalekamp zou pas in 1944 overlijden, en in 1935 betoogde hij dat de vliegtuigrampen die de KLM troffen een teken van God waren om de mensen van hun zelfverheffing af te doen zien en tot deemoedigheid te bewegen.

Veel van de door Houtman behandelde predikers waren volgelingen van Jan de Liefde, de hoog gewaardeerde en leidinggevende domineeschrijver van tientallen toegankelijke boekjes met een godsdienstige strekking voor jeugd en volwassenen. Hoewel De Liefde veel contacten had met orthodoxe protestanten uit de kring van het Réveil, was hij een man van het midden. Bij de predikers van Houtman zijn zowel orthodoxen als mannen die het godsdienstig modernisme aanhangen.

Cees Houtman geeft precies die informatie die nodig is om geïnteresseerd te raken in deze groep en verstrekt voldoende aanwijzingen om er eventueel verder onderzoek naar te doen. Zijn mannen zijn stuk voor stuk interessante figuren zonder de negentiende-eeuwse zeven vinkjes die de meeste domineedichters wél hadden, en met vaak een dramatische levensloop. Klimmen op de maatschappelijke ladder was niet zo makkelijk, de financiële beloning voor de hulppredikers was schraal, en echt geaccepteerd als volwaardig prediker werden ze nooit. Goed dat er iemand is die zoveel jaren na hun dood hen nog enig eerherstel verleent.

Cees Houtman, De selfmade dominee als auteur. Zesentwintig portretten uit de lange negentiende eeuw. Zutphen: Walburg Pers, 2022.

Nr. 1836, een standbeeld voor een naamloos kind

Zo wreed kan geen mens het bedenken. Ergens in de jaren negentig kwam men er achter dat er nog een slachtoffer extra bij de 1835 doden van de Watersnoodramp 1953 geteld moest worden. Een kind was geboren in de nacht van de stormramp en diezelfde nacht, nog voordat de naam geboekstaafd stond, verdronken met zijn moeder en haar andere kinderen. Wat een gruwzame kortstondigheid van een bestaan, dat bedoeld was om uit te groeien tot een flink leven! Wat een helse smart voor een moeder die haar barenspijnen beloond zag met een beloftevol kind, en misschien nog voordat het kraambed verschoond was en het jongetje en zij gewassen waren, omkwam in de vloedgolf. Geboren om verdronken te worden, zoals een nest jonge honden door een onbarmhartige boer in een juten zak gestopt werd en in de Maas gegooid, vroeger in Limburg. Het efemere 1836ste slachtoffer zou alleen al uit verzet tegen de zinloosheid een granieten standbeeldje verdienen, ergens op een plaats in Zeeland waar de meest luidruchtige en brallerigste toeristen even zouden stilstaan bij een herinnering aan de aangrijpende nutteloosheid van zo’n geboorte.

Hulp militairen Watersnoodramp
Een baby die wel gered werd

Wat in Zeeland gebeurde, kent een lange geschiedenis in Nederland. Ook in 1836 werd Nederland geteisterd door een watersnood. De grootste van de negentiende eeuw is die van 1825 geweest, waarbij 800 mensen, 700 paarden en meer dan 20.000 koeien omkwamen. De storm woedde toen tussen 3 en 5 februari, en vooral Groningen, Friesland en Overijssel werden getroffen. Maar nog omvangrijker zijn de cijfers uit de middeleeuwen: 36.000 mensen in Noord-Holland in 1212, 100.000 bij de Marcellusvloed in 1219 in Friesland, duizenden een jaar later bij een Driekoningenvloed, althans volgens cijfers uit een oude encyclopedie. Bij de St. Elisabeth’s vloed van november 1421 verdwenen 72 dorpen in Zuid-Holland onder water, waarvan er 34 nooit meer te voorschijn kwamen. De Biesbosch ontstond toen. Bij Petten werden 400 mensen begraven onder de instortende kerk. In 1809 waren de dijkbreuken zo omvangrijk, dat half Nederland een open zee leek.

De negentiende eeuw is de tijd van de grote rivieroverstromingen. In 1820 werd het gebied tussen Rijn, Lek, Maas en Merwede `over een lengte van 22 uren gaans’ herschapen in een golvende ijszee. Enorme overstromingen waren er ook in het rivierengebied in 1855 en 1861. De gebieden rond de rivieren waren extra kwetsbaar in de winterperiodes bij de overgang van vorst naar dooi. Wanneer er nog ijs op de rivieren lag, kon het smeltwater niet wegvloeien. Ook kwam het voor dat zich enorme ijsdammen ophoopten van losgeslagen brokken ijs, die het water tegenhielden. Daardoor kwam er een geweldige kracht op de dijken te staan. Vrijwilligers van het dijkleger probeerden gaten te dichten met zandzakken of meststortingen. Vaak hielp dat niet meer: dan werden de klokken geluid of kanonnen afgeschoten. Als er nog tijd was, vluchtten de mensen naar hoger gelegen gebieden, maar ook toen was het water zo snel dat vaak alleen de zolder nog een tijdelijke uitweg bood. De ramp van 1861 was extra ingrijpend, omdat die zo lang duurde. Begin januari vonden de eerste dijkdoorbraken plaats bij ijzige kou, waarna de een na de andere dijk viel tot begin februari het land van Maas en Waal, het gebied rond Nijmegen en Noord-Limburg, een water- en ijsvlakte was.

Vóór de negentiende eeuw moest alle hulp voor de slachtoffers van particulieren komen. De gewestelijke regeringen bevorderden de aanleg van nieuwe dijken, maar daarmee hield hun bemoeienis op. In de negentiende eeuw werd de hulp een nationale kwestie, al was die nog steeds van particulieren afkomstig. Bij de watersnoodramp van 1809 wist koning Lodewijk Napoleon zich geliefd te maken bij de Hollanders door in een bootje de overstroomde gebieden te bezoeken. Hij bemoedigde slachtoffers, deelde kwistig dukaten uit, vooral aan weduwen en wezen, en coördineerde de hulpverlening. Daarmee gaf hij een voorbeeld aan zijn Oranje-opvolgers in de negentiende en twintigste eeuw. Bij de rampen van 1855 en 1861 gaf de regering nog steeds geen slachtofferhulp, maar ze nam wel het initiatief tot landelijke collectes. Er werden watersnoodcomités opgericht die ingezamelde gelden en goederen verdeelden. Een aardige beschrijving daarvan staat in het dagboek van Keetje Hooijer-Bruins, een domineesvrouw uit Zaltbommel, gepubliceerd in 1981. De Waal was in de Bommelerwaard gedrongen en bevroor daar meteen. Veel inwoners vluchtten naar Bommel en de bevolking steeg in een paar dagen van drieduizend naar zesduizend. Al die mensen moesten onderdak krijgen, gevoed en gekleed worden. In de woning van dominee Hooijer vonden twee gezinnen onderdak. Hij werd president van de hoofdcommissie, en terwijl andere leden van de commissie de omtrek van de stad verzwaarden met bekistingen vol mest, zorgde dominee voor de verdeling van kleren en eten. Ketels zuurkool en grauwe erwten met spekvet werden in Amsterdam gekookt en gloeiend heet per spoor naar Utrecht vervoerd, waarna wagens van het garnizoen ze naar Bommel reden. Daar werden ze op sleden gezet om over het ijs naar Tuil gebracht te worden. Het eten kwam nog warm aan. In Herwijnen waren in de hooggelegen woning van de dominee tientallen mensen op zolder gevlucht. Een katholieke vrouw beviel er van een kindje en de pastoor werd met een schuitje gehaald om het te dopen. Het ventje overleefde de watersnood evenmin als nr. 1836. Koning Willem III kwam op bezoek, liep over de bevroren Waal en door de straten van Zaltbommel die vrijwel onbegaanbaar waren door een mengeling van vastgevroren mest en sneeuw. Met een schuit die beurtelings over het ijs getrokken werd of geroeid waar open water was, ging hij naar geïsoleerde gehuchtjes waar nog wat mensen bijeen kleumden. Toen de koning weer in Den Haag was liet hij hulpgoederen sturen, waaronder flanellen onderhemden met parelmoeren knoopjes en zijden stiksels, die de heren van de commissie onder elkaar verdeelden, al legden zij de geschatte waarde in de slachtofferkas. De koning was niet de enige die onbruikbare goederen zond. Zoals er in 1953 onbruikbaar kleine b.h’s en partijen dadels opgestuurd werden, zo ontving men in 1861 versleten huisraad, theebladeren en een partij feestkleding.

In het Zeeuwse rampjaar verscheen er één boek met foto’s dat vrijwel elk huisgezin aanschafte. Ik herinner me dat ik als kind getuige was van een gesprek tussen mijn vader en moeder of ze dat boek zouden aanschaffen. Ze hadden het niet breed in die tijd, maar kochten het toch, omdat de opbrengst naar de slachtoffers zou gaan.

Boek over de watersnoodramp 1953

In de negentiende eeuw was het drukken van rampboekjes een belangrijke vorm van extra hulp aan de slachtoffers. Er was een dominee die een preek op het ijs afstak en die liet drukken `ten voordeele der noodlijdenden’. Alle bekende schrijvers maakten wel een gedicht of novelle speciaal voor de ramp. In 1861 verschenen er ten minste 88 watersnooduitgaven. De boekjes werden gratis gedrukt door een filantropische uitgever en voor een paar dubbeltjes verkocht. J.J. Cremer schreef de schets `Op den zolder’; dominee-dichter B. ter Haar gaf de novelle `Roode Teun’  en een leerrede voor de noodlijdenden uit; J.P. Hasebroek hoorde `Gods stem in den watervloed’. De meest bizarre uitgave is wel die van Peter de Génestet. Ook hij geeft een gedicht uit `ten voordeele der overstroomden’, maar hij voegt daaraan toe: `en in het belang der kunst’. In zijn gedicht hekelt hij de watersnoodpoëten: `nu zijn alle rijmen geheiligd door het doel’. Er moet in zo’n vers vooral drama spelen: `een drama op een dak. Laat daar een grijsaard zweven, een wichtjen in den arm – al zaagt ge ’t nooit – om ’t even, dat maakt ons koud en warm’. De dichter kan ook oude watersnoodgedichten gebruiken, niemand die het merkt: `waar schapen eens verzopen, schrijf daar nu koeien voor!’ Nederland kan zelfs voedend brood maken van waterpoëzie, schrijft hij smalend.

Wat er van de watersnooduitgaven niet verkocht werd, kwam in Den Haag op een loterij terecht van `allerlei voortbrengselen van handel en nijverheid, kunst en smaak’. De prijzen werden gratis beschikbaar gesteld en varieerden van geborduurde pantoffels tot geglazuurd gebak met een overstromingstafereeltje. Er werden meer dan 200.000 loten verkocht, die 1 gulden per stuk kostten (omgezet twee miljoen euro). Het geld was op dat  moment niet meer nodig en er werd een fonds van gesticht voor nieuwe watersnoodrampen. Ik heb niet uitgezocht of dit fonds in 1953 nog bestond. Mocht er nog een restant bestaan, ach, zou het bestemd kunnen worden voor een steentje voor nr. 1836?

Vanwege de herdenking vandaag van de watersnoodramp deze bewerking van de column die ik 1 februari 2003 in de NRC publiceerde. Hij staat ook in mijn boek Verliefd op het verleden. De laatste tijd publiceert Lotte Jensen veel over overstromingen en de literaire verwerking daarvan, bijvoorbeeld in Wij tegen het water (2018) en in de verzamelbundel Crisis en catastrofe (2021) waarin ook een artikel van mij over liefdadigheidsuitgaven.

Wie helpt mij dit uitleenboek thuis te brengen?

Al enige tijd heb ik een groot kasboek in huis. Het moet het aantekenboek van een leesbibliotheek geweest zijn, waarin aangetekend werd welke boeken wanneer uitgeleend werden en wanneer ze terugkwamen. Het loopt van 12 maart 1853 tot 19 januari 1856. Nu zou zo’n leenregister het water in de mond van boekhistorici doen lopen, als … als duidelijk zou zijn welke boeken er achter de nummering schuilgaan en als duidelijk was waar de leners woonden…

Ik herinner me dat mijn collega en leermeester Bernt Luger mij eens een visioen schilderde: stel dat hij een leenregister zouden vinden en de bijbehorende catalogus van een leesbibliotheek, dan zou hij een wonderbaarlijk betrouwbare inkijk hebben in het werkelijke leesgedrag van de negentiende-eeuwer. Op zo’n vondst hoopte hij en daarnaar zocht hij, tot zijn dood op 62-jarige leeftijd in 1996.[i]

Zou dit kasboek nou het visioen van Luger kunnen waarmaken? Welke gegevens geeft het prijs? Het is een speciaal voor uitleen gedrukt soort kasboek met bovenaan de kolom ‘Uitgegevene Boeken’ en daarnaast  ‘Terug ontvangene Boeken’. De kolommen zijn onderverdeeld in namen van leners, de signatuur van het geleende boek, de aflevering of het deel, aantekening van een eventuele boete en nog wat onbeduidende rubrieken. De bibliotheek is alleen op zaterdagen open en de leners krijgen een boek voor een week mee. Er zijn boetes voor te laat terugbrengen (10 cent voor een week).

In de winter worden er zo’n 35 boeken per zaterdag uitgeleend, in de zomermaanden vaak maar een stuk of 10.

Elk boek heeft een signatuur, in de vorm van een cijfer. Als ik het goed zie is het hoogste cijfer 135. Dat zou betekenen dat er slechts 135 titels bij deze bibliotheek waren. Één titel kon wel uit meer delen bestaan, titel 17 bijvoorbeeld bestond uit zes banden. Ook tijdschriften werden uitgeleend.  

De administratie van de uitlening werd bijgehouden door twee of drie mensen die het register per zaterdag ondertekenden. Dat zijn steeds mensen die ook als leners voorkomen. Dat moet wel betekenen dat het niet om een commerciële leesbibliotheek gaat.

Is het de Nutsbibliotheek van een kleine plaats? Dan zouden de ondertekenaars waarschijnlijk steeds dezelfden zijn geweest: de dominee en de schoolmeester. Of gaat het om de bibliotheek van een sociëteit of een vereniging?  

De volgende namen kan ik (moeizaam) ontcijferen als ondertekenaars:

C. van Epse

H. Denekamp

W. F. Looman

H, Harmsen

J.J. Roelofsen

J. Botterweg

M. Straatman

A. Vales

De namen van leners zijn ook allemaal genoteerd. Ik noem er een paar opvallende:

Pieperiet

Nooteboom

Maandag

Van Ritbergen

Klomp

Ankersmit

Noordijk

En nu de hamvraag: is er een kenner van locale geschiedenissen die deze namen ziet en denkt: maar dit zijn toch allemaal inwoners van Velpen, Den Helder, Stroe of welke plaats dan ook? Op www.genealogieonline.nl zag ik dat de familienaam Pieperiet veel voorkomt in Delden en Enschede. Mogelijk moet in die buurt gezocht worden. Maar stel dat ik kan achterhalen waar deze Pieperieten en Botterwegen woonden, dan is het belangrijkste punt nog niet opgelost: welk boek gaat schuil achter bijvoorbeeld het veel uitgeleende 44? Pas als we dat weten hebben we een tot heden ongekende kijk in leesgedrag!

Een heel enkele keer is er een indicatie van een titel. Zo is er een abonnement op het tijdschrift Het vaderland, nr. 19 is een album, nr. 7 heeft 12 losse platen, nr. 24 heeft er zelfs 36. Nr. 42 is het tijdschrift De Tijd, bij nr. 9 staat de naam van de dichter Storm van ’s Gravesande.

Wie helpt mij dit uitleenregister te identificeren? Ik ben van plan het te schenken aan de Pierson Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Maar stel dat het thuis te brengen is in Delden en stel dat de oudheidkundige vereniging daar het ongelooflijk graag in het dichtstbijzijnde archief zou willen hebben? Sorry Amsterdam, zal ik dan zeggen!


[i] Voor mijn boek L. De lezer van de negentiende eeuw zou dit heel wat noodzakelijk natte-vinger-werk hebben voorkomen.

Sinterklaasavond met Peter de Génestet

Begin januari 1850 droeg de twintigjarige Peter de Génestet in Den Haag voor het genootschap Oefening kweekt kennis voor het eerst zijn lange gedicht De Sint-Nikolaas-avond voor. De schilder Bosboom schreef over de voordracht: ‘Dat was geen verhandeling, geen lezing, geen voordracht van een gedicht- dat was een springende fontein van verzen, dat was een jong, opgewonden, bezield, schitterend improvisator, dat was iets eenigs’. Die ‘springende fontein van verzen’ is nu opnieuw uitgegeven, met een inleiding van Arjan Peters.[1]

Het hele gedicht is een bespotting van lintjesregens en van mannen die zitten te vlassen op een lintje en andere mannen beoordelen op lintjes die ze al dan niet gekregen hebben. Het Sinterklaasfeest en een liefdesaffaire zijn de draperieën om de satire heen. Of De Génestet een aanleiding had om juist in 1850 de lintjesmanie te bespotten? Peters wijst erop dat Willem III net aangetreden was en er dus een nieuwe lintjesregenbui uitgebroken was. Het Sinterklaasfeest (dat eigenlijk als naamsdag van bisschop Nicolaas op 6 december valt en niet op 5 december) viel samen met de verjaardag van de in 1849 overleden koning Willem II, en die was ook een gulle strooier.

Tekening bij De Sint-Nikolaasavond, door F.C. Sierig, 1878

Opvallend is dat de Sinterklaas die in het gedicht optreedt geen knecht bij zich heeft, en ook geen strafpreken houdt, alleen maar gul cadeaus uitdeelt. Sinterklaas blijkt trouwens de verklede minnaar van de jonge dochter des huizes te zijn, die als Sinterklaascadeau een lintje voor de vader heeft, en daarmee voor elkaar krijgt dat papa toestemt in een huwelijk tussen de minnaar en de dochter. Dit komt allemaal tot stand door slim optreden van de moeder, die een ideale nederige en toch alles bestierende kracht is:

Zóó geniaal weet zij met Manlief om te springen,
Dat zij nooit kibblen, nooit! en toch – de meeste dingen
Ten slotte naar heur wil geschieden.

Waarom had de vader des huizes een hekel aan de minnaar van zijn dochter? De jongen had een gedicht voorgedragen over een dronken koning die met zijn rijkskanselier het land ingetrokken was met een zak lintjes om uit te reiken aan zijn vriendjes, maar de zak had een gat en dus waren alle lintjes terechtgekomen bij toevallige passanten, en sommigen die er een vonden verkochten ze:

Dié had het bekoorlijk, verlokkend sieraad
Gekocht van een jood of een beedlaar op straat,
En dié vond het op weg
In een goot of een heg;
Dié liep er met drie, dié met zes, dié met negen;
Een vierde weêr had het door vrouwlief gekregen.

Die spot was papa niet bevallen, en dus was de minnaar taboe. Maar het lintje breekt de weerstand en terwijl hij glundert van de voldoening ziet hij niet hoe zijn kinderen vechten om snoepgoed en zo het kapitalisme demonstreren:

Dat zit elkander in den weg en in het hair,
Dat kribt, dat joelt en woelt, dat kwanselt met elkaêr,
Als menschen van het vak! ‘t Is hebzucht, woeker, handel,
Drift, ijver, jaloezie om kraakling en amandel,
Als in de maatschappij om aanzien, geld of eer…
De kleintjes krijgen iets – de sterken halen meer,
De slimmen pakken ’t in en – ’t gaat zoo hier beneden! –
Die eindlijk ’t meest bezit, is nog het minst tevreden.

Kortom: een maatschappijkritisch gedicht, in humor verpakt.

Leuk, zo’n heruitgave juist nu Sinterklaas weer komt. Wie een bezigheid zoekt nu de lock down weer aanstaande is, zou de eerste publicatie van dit gedicht (1860) kunnen vergelijken met de heruitgave van 2021. Geen ‘wetenschappelijke editie’, zegt Peters, in zijn prettig informatieve inleiding, maar dat hoeft toch niet te betekenen dat zetfouten niet verbeterd worden?

Peter de Génestet, De Sint-Nikolaas-avond. Een Amsterdamsche vertelling. Met een inleiding van Arjan Peters. Van Maaskant Haun, 2021.


[1] De boekenbijlage van De Volkskrant is er overigens niet op vooruit gegaan sinds Peters daar vertrokken is. Maar is nog altijd beter dan die van NRC. Meen ik.