Welkom

Image

IK STA OP 1600 VOLGERS. De biografie over Jacob van Lennep is klaar. De vierde druk is net (24 mei 2019) hals over kop verschenen. Het dagboek van Van Lenneps voetreis uit 1823 is in een fraaie herziene editie opnieuw uitgekomen bij Atlas-Contact. Bovendien is er nu een route ontwikkeld om Van Lenneps voetreis per fiets na te bootsen, met heel veel mooie tips. Zie Jacob van Lennep route. Verschenen is ook een nieuwe editie van De lotgevallen van Ferdinand Huyck met een inleiding van mij in de klassiekenreeks van uitgever Veen.

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
Ik ben begonnen aan een literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. Minder saai dan die van de Taalunie, persoonlijker, vast ook minder wetenschappelijk. Eigenlijk wordt het meer een lezersgeschiedenis. Wat las de gretige lezer van de negentiende eeuw? Wat wist hij (zij) van het literaire leven, welke boeken kocht hij, om welke pamfletten kon zij niet heen, welke recensies las hij, welke vertalingen, stak hij een kaarsje op bij het portret van Bilderdijk toen hij hoorde dat deze overleden was? Opnieuw zal ik in dit blog verslag doen van schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, ziektes en natuurlijk prachtige literatuur.

Advertenties

De heldhaftige leraar Nederlands van Gerrit Kouwenaar

drs van schaffelaar

 

Hoewel de stenen marva van de generaal

over zijn schouder meelas, brak hij

de atjeh-oorlog af, stak hij het socialistisch

ochtendblad op, haast in tranen, daags na

het vervalste sprookje van andersen, genaamd

de kristalnacht

 

de dood was toen nog niet vertaald

de onsterfelijkheid nog gangbaar in deze taal

maar hij vervoegde het werkwoord doodmaken

enige malen, en dat zaaide ongemak, verbazing, zelfs

agitatie in de klas, hij was

een gewone leraar, oh, hij had

een uitgesproken naam, maar u lezer

kunt volstaan met van schaffelaar

 

lexicologisch bekeken zoals hij het zelf

gewoon was, was hij zonder meer laf, ja

zeker, maar pas dik 30

denkt men achteraf en van kostbaar vlees

de schaarste al meedragend, toen hier zelfs

de bloedworst nog niet op de bon was, men moest

tegen wil en dank lachen

om zijn bolle wangen als van een hamster, al lang voordat

er uit zijn mythen en sagen een echte

storm opstak

 

hij was laf, ondervond blijkbaar

van bepaalde trefwoorden bij voorbaat de haast

eetbare inhoud en omvang, hij sprong

drie jaar later nadat van dood

en doorslaan nu ook letterlijk sprake

in het huis van bewaring aan de havenstraat

van de 3de ring af

 

de gemengd gehuwde kalfaktor karl

millimeterend het ontijdig artistenhaar

van k, wees fluisterend met zijn schaar: dáár

kwam van schaffelaar neer, jongen, hij was

zo goed als plat, oh het spatte

tot hier, godzijdank

vandaag geen transport

 

Gerrit Kouwenaar vertelde pas in 1989, twintig jaar nadat dit gedicht gepubliceerd was, dat hij met drs van Schaffelaar zijn leraar Nederlands en geschiedenis Johan Benders op het Amsterdams Lyceum bedoelde. Over hem zei hij in een interview: ‘Politiek zeer bij de tijd en ook zeer bewogen als er iets gebeurd was. De klas hing aan zijn lippen. Inderdaad kwam hij op de ochtend na de Kristallnacht (9/10 november 1938) de klas in, wapperend met de ochtendeditie van Het Volk, zeer geëmotioneerd. In 1943 heeft hij, nadat hij door de Duitsers was opgepakt, in de gevangenis zelfmoord gepleegd, bang dat hij zou doorslaan. Het toeval wilde dat ik een paar dagen daarna in dezelfde gevangenis terechtkwam.’ De laatste strofe van Kouwenaars gedicht slaat daarop en met ‘k’ die gekortwiekt werd is hijzelf bedoeld. Kouwenaar was opgepakt omdat hij mederedacteur was van het anti-Duitse blad Lichting. Benders zat vast omdat hij ervan verdacht werd betrokken te zijn geweest bij de aanslag op het bevolkingsregister van 27 maart 1943. Ook regelde hij onderduikadressen, vervalste persoonsbewijzen en hij had een joodse onderduikster en twee half joodse pleegkinderen in huis. Het oudste van de twee kinderen en de onderduikster werden samen met hem door de Duitsers meegenomen. Op dat moment had Benders zelf twee dochters en zijn vrouw was zwanger. Hij werd 5 april 1943 opgepakt, de dag daarna gooide hij zichzelf van de bovenste verdieping van het huis van bewaring. Zijn vrouw hoorde pas 17 april van zijn dood. Het pleegkind kwam vrij, de onderduikster wist tijdens een transport te ontsnappen.

fotoJohanBenders

Johan Benders 1907-1943

De achtergrond van het gedicht is uitstekend uitgewerkt in een artikel van Gerrold van der Stroom uit 2000.[1] Nu is er een fascinerend boek verschenen van Johan Benders’ postuum geboren dochter Mart met nog meer gegevens over hem, onder de titel Leraar in oorlogstijd.[2] Daarin doet zij verslag van haar speurtocht naar de geschiedenis van haar vader, voor zover zij nog getuigen daarvan kon spreken. Het merkwaardige is dat zij pas vrij laat te horen kreeg wat haar vader betekend heeft. Haar moeder zweeg over hem, en haar zusjes waren te jong toen de vader overleed om veel herinneringen aan hem te hebben. Toen Mart een jaar of negen was, vertelde de onderwijzer over Jan van Schaffelaar en zijn sprong van de Barneveldse toren in 1482 om zijn manschappen te redden. De hele klas was onder de indruk van de dappere Schaffelaar. ‘Nou, jouw vader heeft dat toch ook gedaan’, zei een klasgenootje toen tegen haar. Pas veel later kwam ze achter de toedracht. Ze sprak met iemand die met haar vader op die bewuste 5 april in dezelfde cel van het huis van bewaring aan de  Amstelveenseweg gezeten had. Tot tweemaal toe probeerde hij die avond zelfmoord te plegen: eerst sneed hij met een meegesmokkelde paperclip zijn polsen door, maar kwam niet diep genoeg. Daarna zag hij een glazen flesje staan en wilde dat stukslaan om de scherven op te eten. Hij wilde niet levend te pakken genomen worden, had hij gezegd. Zijn celgenoten waarschuwden toch de bewaking, die Benders vervolgens meenamen, die beweerde ‘in einer melancholischen Stimmung’ te zijn.

fotohuisvanbewaringHavenstraatAmstelveenseweg

Huis van Bewaring, Amstelveenseweg/Haven-straat Amsterdam

Mart Benders heeft ook het dagboek in handen gekregen dat het jongste van de twee zussen die bij hen in huis woonden bijhield over de aprildagen. Benders was erg nerveus toen hij opgepakt werd, schrijft ze. Zijn studeerkamer en de donkere kamer waarin hij persoonsbewijzen vervalste, werden verzegeld. Op 17 april werd mevrouw Benders twee uur lang verhoord en daarna pas kreeg ze te horen van zijn dood. Nog diezelfde dag werden zijn papieren opgehaald. Weer enige dagen later was er de bevestiging van de zelfmoord: ‘Hij heeft het gedaan om niet te worden gedwongen andere mensen te verraden’, schreef het meisje. Lexicologisch bekeken laf, zoals Kouwenaar schrijft? Dapper zou ik het noemen, extreem dapper. Maar dat bedoelde Kouwenaar waarschijnlijk ook in zijn gedicht met zijn ambigue gebruik van ‘haast’, met de beperking van laf tot ‘lexicologisch’ en de ‘uitgesproken naam’ ([ik] ben-d’r).

Dank zij het voorbeeldige onderzoek van zijn dochter, meer dan 75 jaar nadat haar moeder in De Telegraaf van 4 augustus 1943 de geboorte van haar dochter Martha te kennen gaf, bijna vier maanden na het overlijden van haar man, kunnen we nu nog meer achtergronden van dit magnifieke gedicht over deze moedige man leren kennen.

[1] G.P. van der Stroom, ‘Wie was Gerrit Kouwenaars drs van Schaffelaar?’. In: Voortgang 19 (2000), 211-222. Zie hier: Van der Stroom. Van der Stroom gebruikt een vroege versie van dit gedicht, net als hier afgedrukt. In latere versies heeft Kouwenaar ‘drie jaar’ veranderd in ‘vier jaar’. Gerekend vanaf de Kristalnacht naar de zelfdoding zou er eigenlijk ‘vijf jaar’ moeten staan.

[2] Mart Benders, Leraar in oorlogstijd. Reconstructie van een vader. Z.p: Karakter Uitgevers, 2019. ISBN 978-90-452-1972-1

Aagje Deken stierf aan verdriet

Zo bekend was Betje Wolff dat haar overlijden in de Haarlemsche Courant gemeld werd. Ze stierf op 5 november 1804, 66 jaar oud. Haar vriendin Aagje Deken volgde haar negen dagen later, nog geen 63 jaar oud. Zevenentwintig jaar hadden ze bij elkaar geleefd en lief en leed gedeeld. Ze waren in 1788 samen naar Frankrijk gevlucht voor het geweld van de oranjeklanten. In Trévoux, dat tussen Villefranche en Lyon ligt, vonden ze onderdak. Er is daar op de Place de la Terrasse een tweetalige plaquette ter herinnering aangebracht.

Plaque_Wolff_Deken_Trévoux

Al die vakantiegangers die op de Route du Soleil een afslag naar Villefranche zien, zullen er niet aan denken dat daar in de buurt meer dan twee eeuwen geleden twee landgenoten hun toevlucht hadden gezocht en vervolgens erachter kwamen dat de beheerder van hun kapitaal failliet was gegaan, zodat zij in armoede vervielen en zelfs een verzoek tot bijstand richtten aan de Franse overheid. Omdat er inmiddels een schrikbewind ingesteld was, kregen ze ook met dagvaardingen voor het Franse Comité Révolutionnaire te maken. Toen in 1795 in Nederland de Oranjes verdreven waren en de Bataafsche Republiek opgericht, vroeg Betje haar weduwepensioen op. Maar dat kreeg ze alleen als ze zich weer in Nederland zou vestigen. Het duurde tot 1797 voor de dames voldoende reisgeld hadden om terug te komen. Inmiddels liepen hun romans niet meer zo goed, dus vertaalden ze zich blauw om enig inkomen te hebben. Betje lag drie jaar ziek voor ze stierf. Ze leed helse pijnen. Aagje schreef enige maanden voor haar dood aan een vriendin: `Zij lijdt bijna zonder tussenpauzes beurtelings aan woedende kramp in de borst en de maag, aan valse braakneigingen, dodelijke benauwdheden, aan een bijna verstikkende hoest als de kramp op de borst zit. Ook heeft zij aanvallen van zwarte melancholie, waarbij zij, zoals zij het uitdrukt, gewaarwordingen heeft alsof zij door een onzichtbaar wezen getergd wordt en inwendig in alle richtingen als het ware met koorden uiteen getrokken wordt. Dan schreit zij uren achter elkaar werktuiglijk. Daarna schijnt het weer alsof alle krachten verdwijnen en alle veerkracht verslapt, het hoofd zakt weg, de knieën buigen, men voelt geen pols. Al die toevallen komen zo geheel onverwacht dat wij in het ene kwartier nooit zeker kunnen zijn van wat het volgende brengt, en zij is geheel en al het slachtoffer van de allerminste, voor ons bijna onwaarneembare verandering in de dampkring.’ Na Betjes dood schreef Aagje dat ze blij was dat haar hartsvriendin was verlost uit haar ellendig lichaam, maar ze schreide ook ‘bloedige tranen’  om de verloren vriendschap. Ze ging nog naar de notaris om een nieuw testament op te maken, waarbij ze de schamele erfenis overmaakte aan Betjes nicht. Daarna kon Aagje niets meer uitbrengen dat nog verstaanbaar was. Zij stierf aan ‘zinkingskoorts’. In het begin van het verhaal van de Familie Kegge, uit de Camera Obscura, beschrijft Nicolaas Beets wat de verschijnselen van die koorts zijn:

Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijks leven met de gevreesde naam van zenuwzinkingskoorts gewoon is te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag betwisten, totdat de lijder – meestal helaas! – onder die kampstrijd bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan haar verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken ogen, die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in altoosdurende beweging. Zij staan mij voor de geest, zoals zij nu eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte bezig met hun vizioenen, en dan met een kracht, die niemand hun meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna weer ineen te krimpen als in dierlijke angst. Zij staan mij voor de geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere tussenpozen, die de dood voorbeduiden.

Aagje volgde haar vriendin in hetzelfde graf, dat vanwege de vorst nog open lag. Iedereen was ervan overtuigd dat het verdriet haar de dood gebracht had.

Ze werden stijlvol herdacht. Er werd voor hen een erepenning geslagen en de Bataafsche Maatschappij organiseerde een herdenkingsavond met een speciale lierzang en een lofrede, die beide gedrukt werden. De trouw van de twee vriendinnen, die in leven en dood elkaar niet konden missen, blijft aandoenlijk tot in het heden.

aagje-deken-en-betje-wolff

Buitenkansje: Museum Tetar van Elven, Historische Galerij De Vos

Je zult maar rijk zijn in de negentiende eeuw, van geschiedenis houden, geïnteresseerd zijn in kunst, een groot huis en een grote tuin hebben. Je zult maar opgevoed zijn met een kunstcollectie om je heen, verzameld door je vader en grootvader. En dan een beslissing nemen: ik laat gewoon de hoogtepunten van de vaderlandse geschiedenis schilderen door jonge goed opgeleide schilders, ik maak er een soort beeldverhaal van, een strip. En dan bouw ik in mijn tuin een paviljoen daarvoor, en ik nodig mijn vrienden en bekenden uit om te komen kijken naar mijn visuele verbeelding van de geschiedenis. Zo groot en majestueus als de historische galerij in Paleis Versailles van de Franse geschiedenis, zo kan ik het niet krijgen, maar dat hoeft ook niet: met wat kleinere, goed gekozen breekpunten in de Nederlandse geschiedenis, geschilderd door de beste jonge kunstenaars die het land te bieden had, kan ik kunst én geschiedenis verenigen.

Zo ongeveer moet de steenrijke Amsterdamse assuradeur Jacob de Vos gedacht hebben toen hij in 1850 het plan opvatte een ‘Historische Galerij’ op te zetten in de tuin van zijn huis op Herengracht 130. Dertig kunstenaars werden aan het werk gezet, om in totaal 253 olieverfschetsen te maken.

43 van de schilderijen over de periode 1477-1711 zijn nu tentoongesteld in Museum Tetar van Elven in Delft. Ruimte voor alles is er niet in dit juweeltje van een museum. Wie nog nooit in dit voormalig woonhuis van de schilder Paul Tetar van Elven geweest is, moet zich spoorslags naar Delft begeven – nu vanwege de Galerij de Vos, maar ook voor de vaste collectie schilderijen en voor de historische inrichting. Tetar van Elven was een van de schilders die voor De Vos werkte: hij maakte 11 taferelen. Hij is overigens niet de meest overtuigende van de kunstenaars – dat moet ik helaas toegeven. Dat is wél Charles Rochussen, en als tweede de vrijwel onbekende Johannes Egenberger. Die weten wat kleur, passie en het momentum zijn.

RochussenDeVosErnstCasimir

Ch. Rochussen, Ernst Casimir sneuvelt bij Roermond

 

Het aardige van Galerij De Vos is, dat je kunt merken dat de geschiedenisopvatting aan het schuiven is in het midden van de eeuw. De heldenverering is niet meer zo manifest, en de verheerlijking van het vaderland heeft deuken gekregen. Een aansprekend schilderij moest niet meer bewondering voor één held afdwingen, en daarmee afstand, maar nu moest de toeschouwer binnengesleurd worden. Actie spat er vanaf, emotie, kantelingen. Dus geen stijve portretten of kroningen, maar ontsnappingen, vernielingen, bedrog, voorspellingen, martelingen, verdrinkingen. Afschuw en vrees net zo sterk als mededogen en identificatie. Niet meer de aandacht gericht alleen op één centrale persoon, maar op menigte, bijfiguren, vrouwen, kinderen. Wel natuurlijk in een verantwoord historisch kader.

47EgenbergerBeeldenstormAmsterdammuseum

J. Egenberger, De Beeldenstorm

Er was maar één man rond 1850 die zowel verantwoorde als publieksvriendelijke adviezen kon geven: Jacob van Lennep. Jacob de Vos en Van Lennep kenden elkaar van allerlei gelegenheden: de sociëteit, de vrijmetselaars, het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, het Bestuur van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten. Ze zaten op één lijn als er conflicten waren of als er iets voor elkaar gebracht moest worden. De Vos overlegde met Van Lennep voor de Galerij over de keuze van de taferelen. Tussen 1845 en 1849 waren Van Lenneps De voornaamste geschiedenissen van Noord-Nederland aan zijne kinderen verhaald in vier delen uitgekomen, en daarop baseerden ze samen hun keuze. Er zijn toelichtingen bewaard gebleven bij de schilderijen, in de hand van Jacob Vos, en daaruit blijkt overduidelijk dat hij geregeld zelfs de bewoordingen aan Van Lennep ontleent.

BijschriftDeVos

Voorbeeld van een bijschrift in de hand van De Vos

De laatste keer dat dit stripverhaal over de geschiedenis te zien was in Nederland, was in 1991. Nu in Delft alles over de Gouden Eeuw, met een flinke aanloop en een lange nasleep.

49 eerstejaars Neerlandistiek aan de VU: geen aprilgrap

Op 1 april heb ik bij de HOVO aan de VU de cursus Nederlandse literatuur (over de Tachtigers) afgesloten. 49 studenten hadden zich ervoor ingeschreven, en dit is geen aprilgrap. Ik heb niet naar hun leeftijd gevraagd, maar zo te zien was er niemand bij die jonger dan 60 was. Het waren geweldige studenten, die zich verdiepten in de stof, die de werken lazen die ik aanbeval en die goede vragen stelden waar ik vaak geen kant-en-klaar antwoord op kon geven. Ja, ouderen kunnen dus wél Nederlands studeren aan de VU, voor de jongeren is dat niet meer weggelegd.

Zelf mag ik geen cursussen meer geven aan gewone studenten. Dat voorrecht werd me afgenomen toen ik de 65 bereikte. Een gastcollege af en toe is nog toegestaan, maar toen ik verleden jaar een tutorial van een research-master-student begeleidde, moest een jongere collega het cijfer en het aantal studiepunten dat ik gaf invullen, ondertekenen en inleveren. Wat hij blind en zonder controle deed.

Hoe kan het nu dat er wel enthousiasme is onder senioren, en de jongelui het af laten weten bij de inschrijvingen? Natuurlijk is er verschil: de ouderen hoeven geen tentamens te doen, geen papers in te leveren, ik controleer niet of ze aanwezig zijn, ik controleer niet of ze de boeken gelezen hebben die ik aan de orde wil stellen. Ze krijgen ook geen doodsaaie artikelen voorgeschoteld met theoretische modellen. En voor mij is het leuke dat ik gewoon kan zeggen wat ik mooi vind – en ik onderbouw dat losjes door op de techniek van het vertellen of de taal te wijzen.  Natuurlijk wijs ik ook op begrippen als ‘framing’ en ‘literaire positionering’, maar in het algemeen hou ik me aan de klassieke literatuurgeschiedenis.

Zijn er lessen te trekken uit de belangstelling van ouderen voor neerlandistiek, in dit geval dus specifiek de aandacht voor Nederlandse literatuur? Lessen die voor aanwas van reguliere studenten zouden kunnen zorgen? Niet veel denk ik. De senioren komen naar de literatuurcolleges omdat ze vroeger goed literatuuronderwijs gekregen hebben. Ze willen de kennis uit het verleden die nog met brokstukken in hun geheugen zit restaureren, en aanvullen met de kennis die ze  tientallen jaren lang opdeden. Dat zijn jaren  waarin ze los en vast literatuur lazen, meestal naar aanleiding van stukken in NRC of De Groene, of omdat ze een aanbeveling hoorden zaterdagochtend op NPO 1 of zondagochtend bij VPRO Boeken. Ze zoeken naar verbanden tussen dat wat hun geheugen van de middelbare school behouden heeft en dat wat er allemaal bijgekomen is.

Dat is niet de motivatie van de weinige eindexamenkandidaten die wel voor Nederlands gekozen hebben. Zij hebben gedeformeerde literatuurlessen gekregen en legden een mechanisch in te vullen eindexamen af. Alleen als zij een bevlogen leraar hadden, of misschien een grootmoeder die colleges bij de HOVO volgde, kiezen zij nog voor neerlandistiek. Eén les slechts kan ik de huidige Neerlandistiek meegeven vanuit mijn ervaring bij de HOVO:  geneer je niet om te laten merken dat je door  literatuur bewogen kunt raken. Want dat is waar we toch eigenlijk allemaal naar zoeken.

 

Marita Mathijsen

Waar is de klok van het Paleis voor Volksvlijt???

Op 25 augustus 1875 om 7 uur in de avond precies sloeg op het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam voor het eerst de nieuwe klok zevenmaal. De wijzerplaat  was aangebracht aan de Utrechtsestraatzijde van het Paleis, en het geheel was bekostigd door een ‘belangstellend ingezetene’. De zware bronzen klok zelf hing binnenin het Paleis.

Paleisvolksvlijtmetklok2Waarom precies op 25 augustus en waarom om 7 uur? Het was de sterfdag en het was het sterfuur van Jacob van Lennep. Die was al zeven jaar eerder overleden, maar in de herinnering was blijven hangen dat hij bij herhaling geprotesteerd had tegen het verdwijnen van uurwerken op de stadpoorten, toen die afgebroken werden. Als je bij avond door de stad liep waren er geen verlichte torenklokken en overdag was het ook al niet makkelijk de klok op de torenhoge Westerkerk af te lezen. En de Nieuwe Kerk had niet eens een toren, laat staan een klok. In de Amsterdamsche Courant van 25 januari 1862 vertelt Van Lennep (anoniem overigens maar iedereen wist wel dat hij het was) over een nachtwaker die aan hem vroeg hoe laat het was. De verbaasde Van Lennep antwoordde hem dat de nachtwaker toch was aangesteld om de uren om te roepen, waarop de man zei: ‘wij zijn geen lui, die arlozies er op nahouden’. Nu het Leidse poorthuis afgebroken is ‘moet ik mij wel bij anderen invermeeren na ’t uur’. Van Lennep houdt er wel een horloge op na en loopt met de man naar een straatlantaarn en kijkt dan op zijn zakhorloge hoe laat het is – hoewel hij zijn horloge niet gelijk heeft kunnen zetten met een stadsklok. Hij vraagt zich vervolgens af of hij wel in ‘het bevolkte en magtige Amsterdam’ is, of misschien bij toeval terecht is gekomen in Schilda of Krähwinkel. Dat zijn twee fiktieve plaatsen waar uiterst domme of bekrompen burgers wonen. In Schilda, een stadje dat in een schelmenroman uit 1597 voorkomt, hebben de burgers besloten om een kostbare raadhuisklok te beschermen voor de vijand door hem in het nabijgelegen meer te laten zinken. Op de plek waar de klok verzonken wordt, kerven ze in de houten boot een forse streep, om die plek later terug te kunnen vinden. Als ze de klok weer op willen halen, blijkt de gekerfde boot natuurlijk geen soelaas te bieden. Krähwinkels domme burgers komen voor in werken van Kotzebue en Heinrich Heine. Van Lennep heeft het gevoel in de veertiende eeuw teruggeplaatst te zijn.

Van Lenneps verhaal over de nachtwaker die de tijd niet wist, maakte blijkbaar zo’n indruk dat de klok op het Paleis voor Volksvlijt aan hem opgedragen werd. Op de avond van de eerste klokslag was er feest met een concert en een voordracht van Schillers ‘Het lied van de klok’ in de vertaling van Jacob van Lennep (uit 1830). Het begint zo:

Vast in ’s aardrijks schoot besloten,

Staat de vorm, van leem gebrand:

Heden wordt de klok gegoten.

Paleisvolksvlijt25augustusfeestIk was tot vandaag nog op zoek naar de naam van de belangstellende Amsterdammer die de klok schonk. Een vriendin gaf me net een bericht uit de NRC van 1 juni 1929 door met de naam van de filantroop: een zekere Koch, deelgenoot in de bankiersfirma Stadnitsky en Van Heukelom.

Bij de brand van april 1929 ging het Paleis ten onder. Maar de klok werd onbeschadigd teruggevonden. In het Algemeen Handelsblad van 4 februari 1930 staat dat hij door de N.V. IJzerhandel “Hollandia” aan het gemeentebestuur is  geschonken voor een van de musea.  Waar hij toen heen ging is onbekend. In december 1945 is die in bruikleen  gegeven aan de Krijtberg, de katholieke kerk aan het Singel tegenover de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Maar hierna is het spoor kwijt. In de Krijtberg is hij niet meer.

KA 12926 Algemeen Handelsblad 19300204

Professor Gabri van Tussenbroek, bouwhistoricus bij de stad en hoogleraar stedelijke identiteit en monumenten voor Amsterdamse geschiedenis, schrijft een boek over de bouwgeschiedenis van het Paleis. Hij is op zoek naar de klok. Wie o wie kan hem helpen?

Waarom juist de VU zich diep moet schamen

Toen de VU op 23 december 1880 de allereerste collegereeks opende, zaten er vijf studenten in de Schotse Zendingskerk, een eigen gebouw was er nog niet. Vijf studenten voor de hele nieuwe universiteit, evenveel als er nu studenten zijn voor de bachelor Nederlands. De protestantse natie was trots op die vijf studenten: er was een particuliere universiteit gerealiseerd, met vooralsnog drie faculteiten: rechten, letteren en godgeleerdheid. Voor de oprichting was een kapitaal nodig geweest van een ton guldens – dat werd voor een deel bijeengebracht door de ‘kleine luyden’ van inspirator Abraham Kuyper. Voor de financiële voortzetting bleef de VU tot 1970 afhankelijk van bijdragen uit eigen kring: in protestantse gezinnen stond het groene spaarbusje klaar, ook het kleine werd gewaardeerd.
collectebusVU

Toen Abraham Kuyper in 1880 zijn befaamde inwijdingsrede hield, Souvereiniteit in eigen kring, wees hij Bilderdijk, Da Costa en Groen van Prinsterer aan als degenen die een ‘geest van genade, gebed en geloof’ teruggebracht hadden in eigen kring, na de rampzalige Franse Revolutie. Het Réveil, een in de literatuur gewortelde beweging, had de aanbidding van aardse machten neergehaald en daarmee werkelijke vrijheid gebracht. Zie hier de oorsprong van en de motivatie voor de Neerlandistiek aan de VU. De eerste hoogleraar Nederlandse taal- en letterkunde, die aangesteld werd in 1925, was Jacobus Wille, vooral gericht op de historische literatuur en een Bilderdijkbewonderaar. Hij zou zich ook gaan ontfermen over de bibliotheek, die hij uitbouwde met prachtige historische boeken en documenten.

Vijf bachelorstudenten zijn de reden van de VU om in 2019 te stoppen met de bachelor Nederlands, die overigens eigenlijk al niet meer bestond. Er is alleen een uitgeklede variant met de naam: ‘Literatuur en samenleving: Nederlands’. Met zo’n benaming voor een studierichting ben je al bijna kansloos op de middelbare school. Wie durft aan zijn klasgenoten te bekennen dat hij ‘literatuur en samenleving’ gaat studeren? Mislukking en somberheid is ingebouwd. De benaming verdoezelt dat bij Nederlands studeren ook taalkunde en taalbeheersing hoort, en dat je grammaticalessen moet kunnen geven als je leraar Nederlands wil worden. Degenen die het vak Nederlands aan de VU teruggebracht hebben tot ‘literatuur en samenleving’ moeten in verregaande onnozelheid gedacht hebben dat daarmee meer studenten aangetrokken zouden worden. Terwijl juist de diversiteit van het vak, met historische en moderne literatuur, met historische en moderne taalkunde, met taalbeheersing, het vak zo mooi maakt en tegelijk zo plooibaar en toepasbaar in de maatschappij.  Met die reducering is de afgang van Neerlandistiek aan de VU dus ingezet. En nog eens onderstreept door de opheffing van het Museum van Willem Bilderdijk twee jaar geleden, die ooit een boegbeeld van de VU was.

Het is onverdraaglijk en onvergeeflijk dat een erkende, gesubsidieerde brede universiteit in Nederland zijn eigen moedertaal niet meer bestudeert. Zou er één ander ontwikkeld land ter wereld zijn waar dat mogelijk is? En moet de economie de motivatie zijn om iets op te heffen? Studeren kost de staat geld, hoewel op vijf studenten Nederlands minder toegelegd wordt dan op vijf studenten medicijnen. Is er dan geen enkel vertrouwen in de mogelijkheden tot groei? Aan de Universiteiten van Leiden en Nijmegen is het aantal eerstejaars Nederlands dit jaar wél toegenomen.

De geschiedenis van de Neerlandistiek aan de VU was er tot nu toe een om trots op te zijn, met gerenommeerde hoogleraren en hoogwaardige proefschriften in de loop der jaren. Het Nederlands, de taal van de Bijbel, van Bilderdijk, van Maarten ’t Hart en Jan Siebelink, die zou juist aan de VU bestudeerd moeten worden vanwege de rechtstreekse band met het verleden. De vaders die de VU oprichtten, met hun geloof in educatie voor de kleine luiden, die daarvoor het kapitaal vergaarden onder die kleine luiden, geloofden dat taal, godsdienstigheid, maatschappelijke betrokkenheid samenhangend waren te bestuderen. De VU zou zich diep moeten schamen dat ze de afgod Mammon is gaan vereren.

Mammon

Taalspeeltje: het lipogram

Van mijn vriend Coen S. kreeg ik zomaar een stapeltje kleine boekjes met allemaal lipogrammen. Een lipogram is een tekst waarin één bepaalde letter niet gebruikt wordt, of juist alleen maar één klinker toegepast is, of een tekst waarin elk woord begint met dezelfde letter. Zomaar een taalspelletje dus voor fanatiekelingen. Hugo Brandt Corstius was er dol op, Gerrit Komrij beoefende het (‘U-tumult’), je zou je kunnen voorstellen dat Drs. P er lol in gehad zou kunnen hebben maar ik geloof niet dat er een hedendaags dichter is die er zich mee bezighoudt. De meest fanatieke beoefenaar was wellicht de Engelse schrijver Ernest Vincent Wright, die de roman Gadsby in 1939 schreef zonder e en daarvoor deze letter uit zijn typemachine brak. De meest bekende is Georges Perec die in 1969 een boek zonder e schreef (La disparition), een crimi over de verdwijning van de e, en in 1972 een boek met alléen maar de klinker e: Les revenentes.

Het genre is al eeuwenoud, de Grieken beoefenden het al in de zesde eeuw voor Christus (kijk voor de gegevens even op de Engelse Wikipedia). Casanova schijnt voor een geliefde actrice een toneelstuk zo herschreven te hebben dat er geen r, die ze lelijk uitsprak, in voorkwam. Dat is pas liefde!

Hoe zit het met de lipogrammie in Nederland? Het oudste boekje dat ik van Coen kreeg stamt uit 1784: Proeve van vyf klinkdichten, in welke naer rang zyn uitgelaten de vyf vocaelen of klinkletters. A.F. is de schrijver, en het is in Delft gedrukt. Achter deze A.F. gaat Albertus Frese schuil, een achttiende-eeuwse Haagse schilder-toneelschrijver. De man is waarschijnlijk lid van een dichtgenootschap geweest en daar heeft hij vast zijn vijf verzen voorgelezen, de eerste zonder a, en vervolgens verzen zonder e, i, o, u, en hij oogstte er zeker evenveel applaus mee als de derderangs dichters in Jacob van Lenneps Ferdinand Huyck in hun dichtclubje elkaar toezwaaiden. Van de vijf versjes is dat zonder ‘o’ nog wel tamelijk aardig:
klinkdichtzonderoAF

Coen had ook een boekje uit 1795 dat indertijd 11 stuivers kostte: Eene kers-preek zonder letter r. Het was een vertaling door de Rotterdamse predikant J. Scharp van een Duitse preek door Joachim Müllner. Die dominee zou net als de actrice van Casanova de r niet goed hebben kunnen uitspreken, en toen hij een proefpreek moest houden om ergens een post als dominee te krijgen, stelde hij een preek op zonder die letter. Het verhaal vermeldt niet of hij de post vervolgens kreeg. In preken worden altijd Bijbelteksten geciteerd en die kan Scharp niet letterlijk uit de Statenvertaling halen. Hij begint met dit deel uit het Hooglied van Salomon: ‘Uw naam is eene uitgegootene olie’. In de Statenbijbel staat: ‘Uw naam is een olie, die uitgestort wordt’. Dat is een makkie, het wordt moeilijker als Scharp Jesaia 61 citeert: ‘De Geest des Heeren HEEREN is op Mij, omdat de HEERE Mij gezalfd heeft, om een blijde boodschap te brengen den zachtmoedigen’. Dat wordt: “de geest van Jehova is op my, om dat hy my gezalfd heeft, hy heeft my gezalfd, om eene blyde boodschap aan te zeggen den zachtmoedigen’. Als de bijbel daarna zegt dat de treurigen ‘sieraad voor as’ zullen krijgen, en ‘vreugdeolie voor treurigheid’ maakt de r-mijder daarvan ‘tulband in plaats van assche’ en ‘blijdschaps-olie in plaats van benaauwdheid’.

Willem Bilderdijk, een echte taalvirtuoos, schreef in 1780 in Galante dichtluimen. Hierin het gedicht: ‘Klinkdicht zonder de letter R’:

klinkdichtBilderdijk 

Op 13 september 2014 blogde ik al over De E-legende die Jacob van Lennep in 1840 schreef (kijk maar even Jeceb van Lennep). In hetzelfde jaar maakte hoogleraar Johannes Bosscha met Paaschmaandag. A-Saga en de student Abraham des Amorie van der Hoeven gaf een jaar later Colhoms roos. O-sprook uit. De drie stukken zijn in 1879 samen uitgegeven door P.N. van Kampen, toen alle drie auteurs al overleden waren. Nog in hetzelfde jaar was een tweede druk nodig. En zo zijn er nog veel meer experimenten. B.H. van Breemen publiceerde in 1880 I-dicht IJ-rijm en eenige andere rijmen. Uit 1945 stamt het Speels alfabet voor grote kinderen van F. Kerdijk, met illustraties. Bij de klinkers zet Kerdijk een stukje proza of poëzie met gebruik van alleen één klinker, bij de medeklinkers volgt een opsomming van woorden met steeds dezelfde beginletter, bijvoorbeeld: HooghaarhoofdjekerdijkBattus (Hugo Brandt Corstius) wijdde in zijn Opperlandse taal- & letterkunde (1981) een heel hoofdstuk aan de lipogrammie. Hij citeerde uit veel van wat ik al meldde, en hij voegde er zelf allerlei experimenten aan toe.

Tsja, wat moet een Neerlandicus hiermee? Wat doen andere kunstenaars? Is er een componist die een stuk zonder de d-noot geschreven heeft? Een kunstenaar die een schilderij expres zonder rood maakt, een volgend zonder blauw et cetera? In elk geval leent taal zich voor dit soort spelletjes. Of moet ik het zien als etudes die tot hogere doelen leiden?

Van Lennep zendt u een glimlach

Bekijk deze animatie door Pim Kops, betachterachterkleinzoon van Jacob.

lennepkopsfilm

Laatste uren van het Van Lennep-jaar: een overzicht

Juist nog vandaag verscheen er in de Gooi- en Eemlander een prachtig stuk over de geheime geliefde van Jacob van Lennep, Doortje Ringeling, met wie hij in 1834 een nieuw leven in Engeland wilde beginnen. Ik besloot het hoofdstuk in mijn biografie over Jacobs gepassioneerde verhouding met deze Doortje, die haar eer en goede naam opofferde voor haar grote liefde met de zin: ‘wie zal er op haar graf nog een traan storten of een bloem neerleggen?’ Sinds het verschijnen van de biografie liggen er geregeld bloemen op Doortjes graf in Lage Vuursche …

KeesRingelingLageVuursche

Betachterachterneef Kees Ringeling legt bloemen op Doortjes graf

In 2018 was het 150 jaar geleden dat Van Lennep overleed. Op 18 januari verscheen zijn biografie. Daarvan was nog voor de zomer een tweede en derde druk nodig. Ik had daardoor de kans een paar kleine correcties aan te brengen waarvan de meeste zijn aangedragen door lezers. Ik voeg een bestand met correcties [Correcties derde druk3] bij, speciaal voor de kopers van de eerste en tweede druk, om geprint in het boek te leggen. Een vierde druk ligt in het verschiet.

Het boek stond al op 26 januari, nog geen week nadat het verschenen was, op de vijfde plaats van de NRC-boekentoptien. Daar bleef het staan tot en met 9 maart. Bij de algemene top 60 van de CPNB kwam het in de vierde week van 2018 binnen, steeg naar de 30e plaats en bleef vier weken lang bij de best verkochte boeken staan. VPRO-boeken wijdde er een uitzending aan met Jeroen van Kam. Bij De wereld draait door was het een van de vier Boeken van de Maand. Er verscheen de een na de andere juichende recensie, alleen een enkele criticus had moeite met mijn genuanceerde weergave van Van Lenneps bemoeienis met Multatuli en de Max Havelaar. De biografie kwam vervolgens op de longlist van de Libris Literatuurprijs en op de shortlist van de Nederlandse biografieprijs. Verder kwam het bij de beste 25 boeken van 2018 van NRC-lezers. In de Volkskrant, Trouw, het Fries dagblad, NRC en zo nog wat bladen werd het vermeld in de lijstjes van recensenten die hun beste boek 2018 aanwezen. Maarten ’t Hart zette een loftuiting op het literaire weblog Tzum, er waren vele mooie interviews in kranten, tijdschriften, voor radio (inhoudelijk heel goed vond ik vooral Arjan Peters in De Volkskrant en Theodor Holman voor OBA Live).

Ik gaf in totaal dit jaar 47 lezingen over Jacob van Lennep, door het hele land, soms zelfs twee op één dag. Daar waren heel gedenkwaardige bij. In Oosterbeek was ik gepland in een zijzaal van de Vredeskerk, maar er was zoveel belangstelling dat het publiek naar de grote kerk gedirigeerd werd. In Edam was het café afgeladen vol, evenals in Heemstede. Maar in Groningen waren in een boekhandel slechts 15 mensen op Van Lennep afgekomen – voor mij geen probleem omdat je dan een kringgesprek kunt voeren. Toen ik naar Lelystad moest, liet de NS me in de steek, ik kwam een kwartier te laat aan, maar toen ik het publiek uitlegde dat het paard van de trekschuit door zijn poten gegaan was, kon de avond niet meer stuk. In België heb ik maar één optreden gehad, in Izegem. Daar werd ik wel als een diva onthaald, met luxe hotel en vervoer. Bij een aantal van deze optredens was ook de bariton Job Hubatka aanwezig, de betachterachterkleinzoon van Jacob, die negentiende-eeuwse liederen op tekst van Jacob van Lennep zong. U kunt hem beluisteren op De veerman aan de Lek.

Voor Ons Amsterdam zette ik een Jacob-van-Lennep-wandeling uit, die een paar keer onder begeleiding gelopen werd, maar die iedereen ook zelf kan wandelen [wandelingOnsAmsterdam]. Voor het Multatuli-jaarboek schreef ik nog een uitgebreide versie van de kwestie Van Lennep-Multatuli, waarin ik de valse mythes die er over Van Lennep in omloop zijn probeer te slopen. [Multatuli2018 04 Mathijsenkwaadssprekersnapraters] Ook maakte ik voor Ons Amsterdam een stuk over de anonieme politieke hetze in 1859 tegen Van Lennep.

Heel prettig is dat er nu twee en binnenkort drie werken van hem in de boekhandel te krijgen zijn. In juni kwam er een vernieuwde herdruk uit van De zomer van 1823, zijn verslag van de voetreis samen met Dirk van Hogendorp. In december gaf uitgever Lalito een door Gera de Bruijn hertaalde en ingekorte versie van De lotgevallen van Klaasje Zevenster uit, een must voor degenen die de complete versie van vijf delen wat al te omvangrijk vinden, en toch een van Van Lenneps beste romans willen lezen. In maart verschijnt bij LJ Veen Klassiek De lotgevallen van Ferdinand Huyck.LalitoKlaasje2

Op zijn sterfdag 25 augustus was er een klein gezelschap familie, literatoren en belangstellenden naar Oosterbeek gekomen om hem eer te bewijzen bij zijn graf. Het regende pijpenstelen, maar gelukkig konden we terecht in een naburig woonhuis, waar ik een korte lezing gaf en Job Hubatka weer zong. De volgende dag was er in Oosterbeek de jaarlijkse Kneppelhoutwandeling, waarbij ook het graf bezocht werd en ik gedichten op Oosterbeek van Jan ter Gouw en Jacob voordroeg.

Een prachtig gedenkjaar dus – en ik beloof u dat er in 2019 nog wel wat navonkeling zal zijn.

Kerstverhaal

Het kerstverhaal is een negentiende-eeuwse uitvinding, en het is, weinig verrassend, opgekomen na het eerste onvergetelijke A Christman Carol van Charles Dickens uit 1843. Het genre is populair gebleven tot op heden, elke krant dist rond deze tijd wel een kerstverhaal op. Een paar weken geleden gaf uitgever Balans Kom vanavond met verhalen uit, met ‘waargebeurde’ verhalen over kerst door onder anderen Adriaan van Dis, Mano Bouzamour en Marcia Luyten, en het boek was binnen de kortst mogelijke tijd uitverkocht.

Charles_Dickens-A_Christmas_Carol-Title_page-First_edition_1843

Eerste druk 1843

A Christmas Carol was indertijd ook binnen een paar dagen uitverkocht. Daarna schreef Dickens nog vier uitgebreide kerstverhalen, die echter minder populair werden dan het hemeltergende verhaal van Ebenezer Scrooge. Ikzelf hou behalve van het oorspronkelijk verhaal, dat ik rond kerstmis graag herlees,  ook van de bewerkingen voor film, zoals die Robert Zenecki in 2009, met spookverschijningen die de film ongeschikt maken voor jeugdige kijkers en voor slechte slapers. Het verhaal heeft ook tekenaars ertoe gezet het beste van zichzelf te laten zien. Twee  jaar geleden is er nog een heel mooie nieuwe vertaling uitgekomen met tekeningen van René Hazebroek maar de oorspronkelijke van John Leech zijn ook geweldig.

DickensChristman

Tekening René Hazebroek

In 1844 kwamen er in Nederland meteen twee vertalingen uit: een van de vrij onbekende Amsterdamse uitgever Stemler, en een bij de bekende H. Frijlink, die al eerder verhalen van Dickens in zijn tijdschrift Het Leeskabinet had opgenomen. Stemler hanteerde als titel Kersgeschenk, eene geestverschijning, terwijl Frijlink het wat vriendelijker hield met Een kerstsprookje.

Wanneer werden andere schrijvers nu geïnspireerd om ook kerstverhalen te schrijven? In elk geval is het duidelijk dat vóór Dickens er geen fictieve kerstvertellingen verschenen, toen waren er alleen kerstpreken en kerstgezangen. Hij beïnvloedde vooral kinderboekenschrijvers: tegen het eind van de eeuw zijn er tientallen uitgaven voor kinderen, met titels als Kerstmis in de cel (1895), Nijdige Grietje, eene kerstvertelling (1887) en Levi’s eerste kerstfeest (4e druk 1895). Veel van die boekjes zijn speciaal voor zondagsscholen, voor het tractaatgenootschap of voor de Nederlandse Protestantenbond gemaakt. Van Dickens hebben de schrijvers niet veel geleerd, alleen het genre, maar niet hoe je een verhaal met een brave afloop toch meeslepend kunt vertellen.

De vroegste Nederlandse kerstvertellingen voor volwassenen die ik gevonden heb dateren van de jaren zestig. De bekende domineeschrijver Jan de Liefde gaf in 1862 De vrijbuiter, een kerstverhaal voor jong en oud uit, een verhaal waar de christelijke moraal vanaf druipt. B. Korfker schreef in die jaren Drie kinderen in een groot huisgezin opgenomen, eerlijk gezegd evenmin te pruimen. Ook andere titels die ik doorlas bedierven de kerststemming, die dit jaar toch al op een laag pitje staat omdat ik vanwege een knieoperatie aan huis gekluisterd ben. En ik kan ook niet bij mijn eigen uitgaven van Dickens’ kerstverhaal, om daar nog eens doorheen te gaan en de prachtige illustraties te bekijken. Dickens staat bij mij hoog in de boekenkast en ik kan geen ladder beklimmen.