Welkom

Image

 

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
Doordat ik dagelijks werk aan de biografie van Jacob van Lennep, kom ik heel veel nieuwe dingen uit de negentiende eeuw tegen: schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, recepten, ziekteverschijnselen en natuurlijk prachtige zinnen. Daarvan wil ik in dit blog verslag doen.

Twistgezangen van Vleesch en Visch: oplichterij

Oplichterij in de literatuur: het gebeurde al vóór Ossian. Ook Van Lennep deed eraan mee. De Rijmkroniek van Klaas Kolijn, zogenaamd uit de twaalfde eeuw maar in werkelijkheid in de zeventiende eeuw geproduceerd, is er een bekend Nederlands voorbeeld van. Iedereen tuinde indertijd in het bestaan van het Oera Linda Boek dat in 1872 werd uitgegeven als een handschrift uit 1256. Hoogstwaarschijnlijk was François HaverSchmidt (Piet Paaltjens) de voornaamste schrijver ervan. Het maken van forgeries is een leuk spelletje voor hele of halve geleerden die de taal van een bepaald tijdvak goed kennen en die zelf daarin wat willen presteren. Van Lennep hield van spelletjes.

bruiloftsavondkout

In 1830 gaf hij Het recht van bruiloftsavondkout uit, een bewerking van een Frans origineel, Le droit de Nopçage. [1] Het gaat over het recht van de adel om een bruidje te mogen ontmaagden voordat de bruidegom eraan te pas is gekomen. We kennen het uit Mozarts opera Le nozze di Figaro. Uit ‘welvoegelijkheid’ maakt Van Lennep er het recht op een uurtje kouten (kletsen) met de bruid van, zoals hij toelicht in een noot die zelf weer niets verhult over wat die ‘kout’ inhield. De abt van een naburig klooster en de baron van een naburig kasteel ambiëren beiden het recht op een ontmaagding (of volgens Van Lennep: een uurtje kouten), maar uiteindelijk weet het bruidspaartje ongeschonden te ontsnappen voor de bruiloft voorbij is. Op het feest wil een speelman het middeleeuwse Twistgesprek tusschen Vleesch en Visch voordragen. In de toelichting schrijft Van Lennep dat er middeleeuwse Desbats bestaan, waarin Ziel en Lichaam met elkaar debatteren. Dergelijke debatten werden ook gevoerd tussen Natuur en Jeugd, tussen Water en Wijn en tussen Vleesch en Visch. Hij citeert dan in eigengemaakt Middelnederlands een flink stuk uit De twist tussen Vleesch en Visch. Het vlees pocht erop dat het man en vrouw sterk genoeg maakt om de huwelijksdaad te bedrijven, terwijl de kille vis het zaad schade doet:

… ic maec sterc man ende wive

Tottet houwelix bedrive.

Maer du, visch, does den sade,

Door dyn kilte, grote scade.

De citaten komen, schrijft Van Lennep, ‘uit een onuitgegeven handschrift; onder mij berustende’. Waarop hij een brief kreeg van de Utrechtse hoogleraar Letterkunde L.G. Visscher of hij nog meer van die Middelnederlandse debatten had en of Visscher die mocht uitgeven. Een geleerde professor zag dus Van Lenneps eigen brouwsel voor echt Middelnederlands aan. Deze was heel eerlijk geweest over de herkomst: het handschrift lag bij hem op tafel en was inderdaad onuitgegeven.

[1] Het ‘origineel’ kan ingezien worden op Google Books als men ‘Historial de Jongleur’ intypt en het eerste verhaal daarvan opzoekt. Van Lenneps stuk staat ook op Google Books.

Een adembenemende ervaring

Je zit in een ver buitenlands archief en je krijgt mappen op tafel die je openslaat en dan herken je het handschrift… Dat adembenemend moment overkwam me eerder in Londen toen ik documenten van Gerrit van de Linde in handen kreeg, in Basel met Bilderdijk. Je keel schroeft zich even dicht, en dan volgt de ontroering om je dode vriend zo ver van huis bewaard te zien. Je strijkt even licht over de brief die je gevonden hebt, haalt diep adem en begint te lezen. Het voelt als een bevestiging: het buitenland vond het waard de Hollandse schrijver op te bergen in een archief, gelijk heb je dat jijzelf hem uit die archieven tevoorschijn wilt halen.

IMG_2475

Het overkwam me deze week in Saint-Germain la Blanche Herbe, in Normandië vlakbij Caen. Op een open vlakte tussen velden met bloeiend vlas en gelig koren ligt daar de Abbaye d’Ardenne waarin het IMEC gevestigd is, gespecialiseerd in uitgeversarchieven. Ik had van Hans Renders, de Groningse biografieprofessor, de tip gekregen daar eens te informeren naar correspondentie van Louis Hachette, de Franse uitgever van Jacob van Lennep. De behulpzame Franse archivarissen meldden mij, nadat ik hun uitgelegd had wat ik zocht, via de e-mail dat ze inderdaad een dossier Van Lennep-Hachette hadden en ze zouden het voor me klaar leggen als ik langs kwam. Paspoort mee, camera niet toegestaan. De gewone vereiste aanbevelingsbrief hoefde niet want ze hadden mij gegoogled en gewikipediaat en me voldoende geleerd bevonden. Of ik ook wilde lunchen en avondeten en of ik wenste te blijven slapen, want ze hadden een gastenverblijf.

IMG_2471

Nog nooit zag ik zo’n mooi hergebruik van een abdij. Het hele complex van kloostercellen, keukens, boerderijen, kruidentuin, refters en wat er allemaal bij hoort is omgebouwd als centrum voor wetenschappelijk onderzoek. Verder zijn er zalen voor lezingen, conferenties en inderdaad een eetzaal en slaapplaatsen voor onderzoekers. Een busje haalt en brengt onderzoekers van het station in Caen naar de abdij en andersom. De kerk van de abdij was ingericht als studiezaal. En wat voor een studiezaal! Vijf verdiepingen boeken, maar zo ingebouwd dat het licht en doorzichtig bleef in de kerk, waar een tiental onderzoekers aan de tafels zaten. Glazen vloeren en plafonds verhinderden dat je een gevoel kreeg van massiviteit. Elke architect die oude gebouwen herinricht zou er eens moeten gaan kijken.

IMG_2467

Al zou ik er niets interessants gevonden hebben, dan nog zou ik tevreden zijn over deze kennismaking met een voorbeeldig archief. Maar de verrassing kwam nog.

Het eerste document dat ik onder ogen kreeg was een contract tussen uitgever Louis Hachette, de Gentse vertaler Léon Wocquier en Jacob van Lennep, ondertekend door alledrie in september 1857. Hachette zal zes historische romans van Van Lennep uitgeven, en Wocquier zorgt voor de vertaling. Deze Gentse professor had er al voor gezorgd dat de Ferdinand Huyck als feuilleton in de Journal du Gand verschenen was. Wocquier zal gaan samenwerken met Van Lenneps oudste zoon, David.

Maar er komen kinken in de kabel. Eind 1858 komt Van Lennep erachter dat hij aan Hachette iets verkocht heeft waar hij helemaal geen recht op heeft. ‘J’ai commis une faute très grave en vous vendant ce qui ne m’appartenait pas.’ Hij had niet beseft dat hij geen eigenaar meer was van zijn boeken en niets te zeggen had over de vertalingen daarvan. Van Lennep schaamt zich diep als hij dit moet melden aan de vertaler en aan Hachette. Auteursrechten zijn in die tijd nog niet geregeld zoals nu. Dus de Rotterdamse firma Wijt, die de auteursrechten over Van Lenneps romans heeft, bezit ook de rechten op vertalingen. Van Lennep heeft zelf al contact opgenomen met Wijt en de boel wordt met Hachette geregeld zonder complicaties.

Daarmee is de kous niet af. Als Wocquier, die nogal laks is, eindelijk met een vertaling op de proppen komt, is Hachette geschokt over de kwaliteit ervan. Zulk slecht vertaalwerk hoort niet in zijn fonds thuis. Hij laat nu alle werk van Wocquier controleren en die kan erop rekenen de boel terug te krijgen als het rapport negatief is. Wocquier schrijft een slijmerige brief terug: hij heeft het geld nodig, de Universiteit van Gent betaalt hem te weinig salaris en hij vindt dat hij een prima vertaling afgeleverd heeft, zijn beste tot nu toe. Dat betrof overigens niet een boek van Van Lennep.

Maar Wocquier heeft het verbruid bij Hachette. Slechts twee van de zes voorgenomen vertalingen komen uit: Les aventures de Ferdinand Huyck en La rose du Dekama. De volgende vertaling, die van Vrouwe van Waardenburg, maakt Van Lennep zelf, op voorstel van Hachette.

Dit alles las ik dus in die abdij in Normandië, in die omgeving waarin je beseft welk een voorrecht het is historisch onderzoek te mogen doen.

Jacob van Lennep: striptekenaar

 

Stilzitten kon hij niet goed. Bij vergaderingen en congressen raakte Van Lennep gauw verveeld en maakte dan versjes en tekeningen, die hij ter vermaak van de ook verveelde andere luisteraars doorgaf. In het Literatuurmuseum worden vier vellen bewaard die Van Lennep eens voor de lol getekend moet hebben. Ze gaan over een jongen die niet wil deugen op school en ook niets uitvoert als hij in de leer gaat bij vaklui. Zijn ouders hebben erg veel begrip voor hem hebben en weten hem uiteindelijk bij een kunstenaar te plaatsen, die de ouders natuurlijk fopt over de talenten van de jongen. Van Lennep zat in het bestuur van de Academie voor Beeldende Kunsten. Ik kan me voorstellen dat hij deze tekeningen maakte tijdens een vergadering over de selectie van leerlingen…

2017-02-08 12.59.06

  1. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd in zijner ouders huis vermakelijk doorbrengt.
  2. Hoe de ouders Doornebos niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons, besluiten hem naar school te zenden.
  3. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd op die school doorbrengt.
  4. Hoe de ouders Doornebos niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons, besluiten hem bij een kleedermaker in de leer te doen.

2017-02-08 12.59.15

  1. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd bij den kleedermaker op de leer doorbrengt.
  2. Hoe de ouders Doornebos, niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons, besluiten, hem bij een timmerman in de leer te doen.
  3. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd bij den timmerman op de leer doorbrengt.
  4. Hoe de ouders Doornebos, niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons, besluiten hem bij een tabakskooper in de leer te doen2017-02-08 12.59.21
  5. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd bij den tabakskooper op de leer doorbrengt.
  6. Hoe de ouders Doornebos, niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons, besluiten hem bij een bakker in de leer te doen.
  7. Hoe de Jongeheer Doornebos zijn tijd bij den Bakker doorbrengt.
  8. Hoe de ouders Doornebos, niet te vrede met de werkzaamheden huns zoons besluiten hem te huis te houden en te vermanen.2017-02-08 12.59.36
    1. De familie Doornebos gaat naar de tentoonstelling. Uitwerking der tentoonstelling op den Jongeheer Doornebos.
    2. Verrukking der ouders, bij het ontwikkelen van een onbekend talent in hun zoon.
    3. De groote Schilder Pruimgraag, bij de ouders ten eten verzocht zijnde, bewondert het ontluikend talent van den Jongeheer Doornebos en raadt aan een Rembrandt van hem te maken.  –

Geen ongestelde vrouwen in romans

Vrouwen zijn nooit ongesteld in romans uit de negentiende eeuw. Niet in de historische romans, maar ook niet in de grote naturalistische van het eind van de negentiende eeuw. Eline Vere, Madame Bovary en Anna Karenina zijn wel geregeld zwakjes maar nooit ongesteld. Ook in romans van vrouwelijke schrijvers wordt er nooit gezinspeeld op het maandelijkse ongemak. Ik ken maar één uitzondering, en die is van een man. Alexandere Dumas jr schreef La dame aux camélias. Hierin komt een beeldschone prostituee voor die in de hogere kringen van Parijs minnaars zoekt die haar onderhouden. Ze draagt altijd een witte camelia op haar borst, behalve enkele dagen per maand, dan is die rood. De roman is gebaseerd op het leven van de jong aan tbc gestorven courtisane Marie Duplessis. Haar graf kan nog bezocht worden op Montmartre. Giuseppe Verdi maakte van de roman de opera La Traviata. Maar voor andere voorbeelden moet ik naar de 20ste eeuw. Hoe zit het buiten de romanwereld …

Marie_Duplessis_(1)

Marie Duplessis

 

in de negentiende eeuw? Was menstruatie daar ook een taboe of schrijven de dames onder elkaar er wel over? Ik kom maar heel sporadisch er iets over tegen. De vrouw van de dichter Isaac da Costa schrijft er in haar dagboek heel openhartig over. Zij tekent aan: ‘24 augustus 1846 mogten wij beleven dat onze lieve Rebecca op haar dertiende jaar het eerst haar vrouwelijke zaaken kreeg. Groote dankstof.’ Ook de eerste menstruaties van dochter Hanna en Francisca, op veertienjarige leeftijd, kwamen in haar dagboek terecht. Ze noemt het steeds ‘de vrouwelijke zaken’ en zij dankt God ervoor. Het betekende duidelijk veel voor haar: de meisjes waren gezond in hun vruchtbare jaren gekomen. Omdat zij het over ‘wij’ heeft, denk ik dat Isaac ook ingelicht werd.

Bij de dichter Gerrit van de Linde (De Schoolmeester) kwam ik een spottende verwijzing tegen. Hij had een affaire gehad met de vrouw van de hoogleraar Van der Boon Mesch, en die leek zwanger te zijn geraakt. De hoogleraar was dat na vijf jaar huwelijk niet gelukt. Als dit geval uitkomt moet Gerrit de plaat poetsen. Vanaf een onderduikplaats schrijft hij aan Jacob van Lennep dat hij op een brief van hem hoopt: ‘Schrijf mij bid ik u toch spoedig, want ik verlang hier even vurig naar, als wellicht Van der Boon naar de menstruatie zijner Echtvriendin’.

In een pornografisch boekje uit de negentiende eeuw kom ik nog dit versje tegen:

Vraag

Waarmede staat de flinkste en dapperste officier,

Gelijk aan eene maagd, teêr als een anjelier?…

Antwoord

Dat beiden heet zijn van gedachten,

En er met grooten lust naar smachten,

Wanneer zij ’t maandlijksche verwachten.

Bij Van Lennep kom ik in de duizenden brieven van en aan hem die ik doorgewerkt heb nog maar één keer iets over de maandelijkse stonden tegen. Zijn vrouw Henrietta en zijn dochter Sara zijn op een gegeven moment in Zandvoort, waar ze zeebaden nemen, terwijl Jacob op reis is naar Duitsland. Zijn vrouw schrijft hem dat ze zullen terugkomen uit Zandvoort ‘als Saartje de epoque van de maand weder wagtende is’. Tampons bestonden nog niet, dus bij ongesteldheid werden er geen baden genomen. Zo’n mededeling geeft toch een ander beeld van de schuinsmarcheerder Van Lennep die ik in andere stukjes heb laten zien. Blijkbaar kon Henrietta vrij van taboes aan haar man schrijven over de ongesteldheid van de dochter. Peter Gay heeft in The Bourgeois Experience beweerd dat het Victoriaanse huwelijk veel liefdevoller was dan altijd aangenomen is, en dat ook de mannen veel zorgzamer waren voor de kinderen dan verondersteld werd. Zo’n kleine passage wijst inderdaad op gedeelde intimiteit.

Een stijve hark en een gangmaker

 

lopenmetvanlennep

In 2000, het jaar waarin ‘de negentiende eeuw’ niet meer ‘de vorige eeuw’ was, liep Geert Mak in zijn eentje de tocht na die Jacob van Lennep in 1823 samen met Dirk van Hogendorp door Nederland maakte. Van Lennep hield een dagboek van die tocht bij en dat hebben Mak en ik in 2000 opnieuw uitgeven. Er werd een televisieserie in tien delen van gemaakt: De zomer van 1823. Natuurlijk liep Mak niet echt in zijn eentje: cameraman en regisseur Theo Uittenbogaard en een onderzoeksassistente liepen mee en ook ik was af en toe van de partij.

Jacob liep met Dirk. Dirk was een zoon van de staatsman Gijsbert van Hogendorp, maar had niets van het ondernemende van zijn vader. Integendeel, het was een echte stijve hark, een studje, iemand die elk café voorbijliep omdat hij bang was dan zijn beurs te moeten trekken voor een rondje. Waar hij wel naar binnen liep was de kerk. Hij was diepgelovig, op het kwezelige af. Alles werd bij hem afgemeten aan God. Hoe kwam zo’n jongen dan met Jacob op sjouw? Er is een kant van de vrolijke Jacob die niet zo bekend is. In zijn Leidse studententijd is hij onder invloed van Bilderdijk en Da Costa een zogenaamde domper geworden: iemand die de Verlichtingsideeën wilde doven, zoals Bilderdijk en Da Costa. De Verlichting, vonden zij, had alleen maar kwaad in de maatschappij gebracht. Van Lennep is een tijdlang een echte tobber, die zich afvraagt wat zijn verhouding tot God is. Hij verdiept zich in Bijbelteksten en discussieert met Da Costa over dingen waarvan wij ons niet kunnen voorstellen dat je daarover discussieert. Heeft God bijvoorbeeld een mond, want in de bijbel staat dat hij ons toespreekt? Dirk hoorde ook bij de volgelingen van Bilderdijk. Hij nodigde Van Lennep uit om met hem te gaan wandelen, en dat aanbod accepteerde deze, nadat hij zijn vader 500 gulden (5000 euro) aftroggelde voor de onkosten. De familie en de Amsterdamse vrienden waren stomverbaasd over dit koppel. Een van Jacobs vrienden zette Dirk onmiddellijk in de positie van waakhond: ‘Uw zedige reisgenoot [=Dirk] zal daar duivels op U [=Jacob] moeten passen,’ schreef hij over Friese meisjes en hun verleidingskunsten. Zijn vader was bang dat Jacob teveel onder invloed van Dirks somberheid kwam: ‘Ik zie of weet U zoo gaarne vrolijk’, schreef hij hem. Van Lennep mocht dan wel een domper zijn in deze periode, gelukkig bleef hij evengoed een schavuit.

BilderdijkDomper

Karikatuur van Bilderdijk als domper

 

De reis begint in Amsterdam. Met een schuit steken ze het IJ over en aan de overkant bekijken ze de aanleg van het Noord-Hollands kanaal die net begonnen was. Dan reizen ze verder langs de kant van de Zuiderzee, nemen vanuit Enkhuizen de boot naar Urk, waar dan nog honderden zeehonden liggen te zonnen. Vandaaruit gaat het naar Friesland en Groningen. In Groningen dreigt Van Hogendorp het slachtoffer van dronken studenten te worden, maar Van Lennep weet dat met zijn wandelknuppel te voorkomen, terwijl Van Hogendorp zich bibberend onder de dekens van zijn bed verstopt. Ze komen ook in Bad Bentheim terecht, waar Jacob biljart, pijp rookt, grapt met de dames, danst en 100 gulden (ongeveer 1000 euro) verliest bij het roulette-spel, zonder een spier te vertrekken. Dirk zat er bij ‘als een verveeld standbeeld’.

Beiden hielden een dagboek van de reis bij. Er is een enorm verschil tussen de twee dagboeken. Dat van Dirk is kurkdroog. Hij geeft aan hoeveel kerken er in een dorp zijn, of er welvaart is, wat er voor de armen geregeld is en hoe de prijzen van het vee zijn. Jacobs verslag is, hoe zou het anders kunnen, levendig, vol anekdoten en observaties. Als hij erg aangedaan is door wat ze onderweg tegenkomen, schrijft hij zijn emoties van zich af met een gedicht.

De voetreis is voor Jacob van Lennep van groot belang geweest. Hij verstevigde zijn netwerk, en hij bouwde praktische kennis van Nederland op. De reis zou ook een onuitputtelijke bron voor Van Lenneps literaire werk worden. In De roos van Dekama verwerkte hij zijn voetreis, maar ook in Ferdinand Huyck, Klaasje Zevenster en diverse gedichten komen ervaringen voor van zijn tocht in 1823. De drie maanden compaanschap met Dirk hebben echter geen blijvende vriendschap tot gevolg gehad. De stijve hark en de gangmaker hadden genoeg van elkaar.

In de laatste publicatie van Geert Mak (De levens van Jan Six) merkte ik hoeveel ook Mak van zijn nagelopen voettocht opgestoken heeft. En de vrienden die hij toen opdeed, heeft hij nog steeds. De regisseur heeft trouwens onlangs de serie van Engelse ondertitels voorzien. Te zien op You Tube: https://www.youtube.com/watch?v=P5gp-lm_pFU&t=237s Het boek: Lopen met Van Lennep. De zomer van 1823 is alleen nog tweedehands te krijgen. Het is in 2000 in modern Nederlands omgezet. Wie de oorspronkelijke, niet-hertaalde tekst wil lezen/gebruiken, mag mij daarom vragen. Ook heb ik voor de liefhebber een digitale versie van Van Hogendorps Reis door de Noordelijke Provincien.

 

De laatste zin is geschreven

De laatste zin is geschreven. Het boek is af maar nog niet klaar. Ik moet de noten bijwerken en uniformeren, bekijken of er woorden overbodig zijn in de 204.660 die ik nu geschreven heb, lelijke zinnen herschrijven, herhalingen eruit halen, informatie doseren. Archiefstukken en brieven die niet digitaal of fysiek in Amsterdam, Brussel, Antwerpen, Leiden, Leeuwarden, Utrecht of Amsterdam te vinden waren, moet ik nog elders gaan opzoeken en invoegen. Ik moet nog naar Parijs dus!

Is er wellicht iemand onder mijn volgers die me kan helpen hoe te zoeken naar archieven van uitgever Hachette, die weet waar de brieven van schrijver Alexandere Dumas bewaard worden, en of er een archief is van de criticus Xavier Marmier?

Dan nog bibliografie en register. En ik moet nog mijn poot stijfhouden bij de uitgever over de illustraties. De uitgever wil die in een kleurenkaterntje bij elkaar zetten. Ik heb daar een hekel aan. Vroeger was dat nodig, omdat kleur drukken alleen op speciaal papier kon, maar tegenwoordig kan er prachtig in kleur gedrukt worden door het hele boek heen. Zie de historische uitgaven van uitgeverij Vantilt. Ik wil gewoon kleurenillustraties door het hele boek, die verschijnen precies op de plek waar ze de tekst toelichten. En ik wil er veel.

Het boek zal, zoals ik al verklapte, 18 januari 2018 gepresenteerd worden, in het Stadsarchief van Amsterdam (De Bazel), waar dan ook een kleine tentoonstelling over Van Lennep te zien zal zijn, met allerlei uit het rijke familiearchief Van Lennep, dat bewaard wordt in het Stadsarchief. 2018: dan is Van Lennep 150 jaar dood. Van 18 januari kan ik niets moois ter herdenking maken. Dat op die dag in 1963 de twaalfde Elfstedentocht gereden werd, dat het de geboortedag van Montesquieu en Oliver Hardy (de dikke) is en de sterfdag van Margaretha van Parma, kan ik met de fantasierijkste wil ter wereld niet in verband met Van Lennep brengen. En dat hij 18 januari 1831 een brief kreeg uit Den Bosch van zijn zwager Hein Röell en in 1859 een brief aan zijn zoon Willem schreef, lijkt me toch ook niet een herdenking waard. Dus de datum is gewoon gekozen omdat het stadsarchief pas vanaf 18 januari ruimte had voor een tentoonstelling in de prachtige kelder van het gebouw, de schatkamer waar ooit de waardevolle spullen van de Nederlandsche Handelmaatschappij bewaard werden.

En nu nog wat trivialia:

  • op 12 juli 2013 heb ik de eerste gegevens in een speciaal voor de Van Lennep-biografie ontworpen database ingevoerd. Maar dat was nog slechts voorbereiding. Het echte archiefonderzoek begon 7 februari 2014.
  • vandaag, 17 april, staan er 2187 treffers in mijn database.
  • er staan 251 trefwoorden in, zoals ‘zelfkritiek’, ‘waterleiding’, ‘vrijmetselaars’, ‘Ferdinand Huyck’, ‘pornografie’, ‘Betje Tulle’.
  • omvangrijke correspondenties heb ik niet in de database verwerkt maar in word-bestanden. Daarin zijn citaten beter te verwerken dan in database.
  • via Ewoud Sanders, en Henrick en Maurits van Lennep jr. heb ik het dagboek van Maurits van Lennep op het net kunnen zetten: de grootst denkbare roddelkous van zijn tijd en dus een rijke bron voor elke negentiende-eeuw-onderzoeker.
  • in mei 2014 ben ik met dit blog begonnen. Inmiddels heb ik er 76 blogs op gezet. Ik heb 882 volgers. Mijn streven is 1000 – dus verspreiden maar: maritamathijsen.wordpress.com. Het meest bekeken blog was: ‘Wie helpt me aan de moeder van Betje Tulle?’(1223 kijkers; 55 reacties).
  • ik kan mijn Van Lennep-collectie niet meer kwijt in de boekenkast op mijn werkkamer. Voorgisteren nog een prachtige editie van De voornaamste geschiedenissen van Noord-Nederland verteld aan zijne kinderen gekocht, met ingekleurde prenten. Nu moet ik een speciale Van Lennep-boekenkast laten bouwen. Alleen in de logeerkamer is nog een muur vrij.IMG_2104

De verjaardag van Jacob van Lennep

Lennep,Rossemcover11NogmaalsLennepKopsKruseman

Ik ga vandaag een verjaardagsboeket op het graf in Oosterbeek leggen. Op deze prachtige lentedag zou Jacob van Lennep 215 jaar geworden zijn. Inmiddels kan ik u vertellen dat de biografie de voltooiing nadert! De titel staat al vast, de verschijningsdatum ook: 18 januari 2018, in het 150ste sterfjaar. Die dag heb ik in overleg met de uitgever en het stadsarchief van Amsterdam gekozen, want dan kan er tegelijk met de presentatie van het boek een kleine tentoonstelling over Jacob van Lennep in het Stadsarchief geopend worden. Een vriend van mij, Pim Kops, maakte alvast twee ontwerpen voor het omslag. Ikzelf zou graag de kleuren van het onderste portret (door Jan Kruseman) op het bovenste (door J.C. van Rossum) zien, als dat mogelijk is. Het onderste portret laat wat meer de ironische Van Lennep zien, het andere wat meer de gekwelde dichter uit de Romantiek. Vind ik. Wat vinden mijn 879 volgers?

Pim Kops heeft een nieuwe versie gemaakt van het portret door J.C. van Rossum, niet meer gespiegeld en dus met de orde aan de goede kant. Inmiddels heb ik al vele reacties, de meningen over de twee portretten zijn verdeeld. Van de uitgever heb ik nog geen reactie, die heeft natuurlijk het laatste woord (of het een na laatste).

 

Wie zou in vadsige onverschilligheid thuis blijven? Stemadvies van Jacob van Lennep

‘Wie zou in vadsige onverschilligheid thuis blijven’ als er gestemd moet worden, schreef Jacob van Lennep in oktober 1866 in een pamflet. In het najaar van 1866 ging het er hard aan toe in de politiek. Het conservatieve kabinet Van Zuylen van Nijevelt was per 1 juni aangetreden, met een minister Mijer voor koloniale zaken. Deze werd al drie maanden na zijn aantreden benoemd tot Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, een van de hoogste regeringsposten. Hierover brak de tyfus uit. De pers suggereerde dat Mijer zijn benoeming tot minister alleen maar had aangenomen om de lucratieve post van gouverneur-generaal te krijgen. De Tweede Kamer was hels. Dit was ‘politieke immoraliteit’. Ze nam een motie van afkeuring van het gedrag van het kabinet aan. Daarop zou koning Willem III de regering hebben moeten ontbinden, maar hij ontbond daarentegen de Kamer en schreef nieuwe verkiezingen uit. Daarna deed hij iets wat nog niet eerder vertoond was: hij richtte zich in een Proclamatie rechtstreeks tot het volk. Op rood-wit-blauwe aanplakbiljetten verdedigde hij zijn handelwijze. Kiezers kregen die ook in de bus. De Koning schreef dat hij gebruik had gemaakt van zijn grondwettig recht om de kamer te ontbinden. Kabinet en volksvertegenwoordiging lagen steeds met elkaar overhoop en daardoor kon de regering niet regeren zoals het behoorde. Hij riep zijn ‘geliefd volk’ op om te gaan stemmen. Er was geen stemadvies aan de Proclamatie verbonden, maar het was wel duidelijk dat hij de kibbelende liberalen uit de Kamer wilde.

Proclamatie1866

Van Lennep koos ervoor wel een stemadvies te geven aan Amsterdamse kiezers. Hij liet bij zijn vaste pamflettenuitgever J. de Ruyter een brochure uitkomen Aan zijne medekiezers. Hij wees erop dat de tijden hachelijk waren en de toekomst onzeker. Er was inderdaad oorlogsdreiging: Pruisen en Oostenrijk hadden een hoogoplopend conflict waar Nederland bij betrokken kon worden. Eenheid en eensgezindheid onder de bevolking was noodzakelijk om die gevaren af te wenden, en daarvoor was een krachtige regering nodig. Maar als het bestuur van het land steeds omvergeworpen werd, kon er geen beleid gevoed worden. Inderdaad vielen de kabinetten in die tijd als rijpe pruimen uit de bomen. Van Lennep riep zijn landgenoten op te gaan stemmen, naar aanleiding van de proclamatie van de koning: ‘Wie zou in vadsige onverschilligheid thuis blijven, als Oranje hem oproept?’ Van Lennep ried aan om te kiezen voor mannen die wars van partijschap waren, voor mannen die er niet op uit waren spaken in het wiel van de regering te steken. ‘Komt trouw ter stembus, en brengt daar uw stem uit op hen, van wie gij vertrouwt, dat zij, op ’t voorbeeld des Konings, Zijn Ministerie zullen handhaven’. Zijn stemadvies was: kies J.J. Rochussen, M.J. Pijnappel en H.A. Insinger. Rochussen was een gepokt en gemazeld conservatief politicus, diverse malen minister geweest; Pijnappel was een opkomend man van het midden en een ondernemende handelsman; Insinger een conservatief gemeenteraadslid met vele functies in Amsterdam. Alledrie werden ze gekozen.

Wat voor les kunnen wij uit de verkiezingen van 30 oktober 1866 trekken? Deze:

GA STEMMEN!

Erotica. Offeranden op het altaar van Amor en Venus

erotica

Schreef Jacob van Lennep porno? Jaren geleden sprak een bejaarde hoofdbibliothecaris van de Amsterdamse Universiteitsbibliotheek me aan. Hij vertrouwde me toe dat Jacob van Lennep een bundeltje erotische gedichten had geschreven, waarvan slechts één exemplaar bewaard was, in de British Library. Van Lennep zou het pseudoniem Ko Cassandra daarvoor gebruikt hebben. De bibliothecaris wist dit van zijn voorganger, en wellicht had die het ook weer van een voorganger. De eerstvolgende keer dat ik in Londen moest zijn, vroeg ik het boekje op, dat in een verzamelband met andere Hollandse erotica zat. Het bleek 64 pagina’s ondeugende versjes te bevatten en uitgegeven te zijn in 1859 door de Amsterdamse uitgever Mulder II, specialist in pornografie en schendblaadjes. Ko Cassandra, dat was de naam waaronder het schandaalblad Asmodee altijd Van Lennep zwart maakte. Het blad noemde hem Cassandra omdat Van Lennep zichzelf in de Tweede Kamer in Den Haag met de voorspellende tovenares Cassandra had vergeleken, die door niemand geloofd werd maar toch gelijk kreeg. De lezers van dit bundeltje kregen versjes van dit soort toebedeeld:

Raadsel. Vraag:

Waarmede staat de flinkste en dapperste officier,

Gelijk aan eene maagd, teêr als een anjelier?…

Antwoord:

Dat beiden heet zijn van gedachten,

En er met grooten lust naar smachten,

Wanneer zij ’t maandlijksche verwachten.

Niet onaardig is een vers over de naaikunst:

Het naaijen is een wetenschap,

Waarin alleen de hoogste trap,

Behaald wordt door de vrouwen;

Hoezeer de man ’t te leeren poog’

En ’t werk heel ferm beginnen moog’

Hij eindigt met zijn’ kop te krouwen.

En zo gaat het nog een tijdje door: vooral in het ‘overnaaijen’ zijn vrouwen veel beter, terwijl mannen na het eerste werk verder ‘tot steken ongenegen’ zijn.

Hoe groot is nu de kans dat dit bundeltje inderdaad aan Van Lennep moet worden toegeschreven? Zou het denkbaar zijn dat Van Lennep naar een uitgever met zo’n slechte naam zou zijn gestapt en onder een herkenbaar pseudoniem zijn vrolijke versjes uitgegeven zou hebben? Dat Van Lennep erotische verzen schreef, is zeker. Maar als Van Lennep voor mannenvrienden werkelijk zoiets had willen laten drukken, is het ondenkbaar dat hij naar de uitgever zou zijn gegaan die ook Asmodee uitgaf. Daarin werd hij zo vaak gevild dat hij nooit met de uitgever daarvan een overeenkomst gesloten zou hebben. Wat het niet onmogelijk maakt dat er wel gedichten van Van Lennep in de Offeranden op het altaar van Amor en Venus staan. Hij schreef nog wel eens voor zijn vrienden snel een versje, en natuurlijk waren er daar erotische bij. Een afschrift daarvan kan in handen van Mulder II gekomen zijn. Het kwam geregeld voor dat uitgevers zoals deze een bundeling maakten van erotische gedichten uit diverse bronnen, en die dan aan één auteur toeschreven. Pieter Boddaert, die in het begin van de eeuw erotiek schreef, werd daar vaak voor gebruikt.

Wat dachten de lezers indertijd hiervan? De lezers van het Algemeen Handelsblad en het Nieuw Amsterdamsch Handels- en Effectenblad zagen opvallende advertenties over dit ‘allerjoligst boekje tot verkoeling in de hitte’. In een schendblaadje, De opmerker, werd het direct aan Jacob van Lennep toegeschreven. Maar daarop plaatste Mulder II een advertentie in het Algemeen Handelsblad, waarin hij aangaf het tot zijn plicht te rekenen dit tegen te spreken. In het andere blad zette hij echter een paar dagen later een advertentie waarin hij anders suggereerde: maar weinig dichters is het gegeven een echt galante toon aan te slaan in erotiek zonder plat, gemeen of liederlijk te worden. ‘Onze Ko Cassandra echter heeft met de hem eigene tact en talent deze klippen weten te vermijden’. Het staat er niet, maar iedereen zal daarbij toch aan ‘onze Ko van Lennep’ gedacht hebben. Bovendien stond er boven deze advertentie eentje voor de Galante dichtluimen van Willem Bilderdijk, ook een erotische dichtbundel van een bekende dichter bij Mulder II.

Reacties van Van Lennep zelf op deze streek zijn niet overgeleverd. Maar ik kan me voorstellen hoe hij gereageerd zou hebben. Zo reageerde hij eerder op een pamflet tegen hem: “had de schrijver de bundel maar naar me toegestuurd, dan had ik hem nog een paar suggesties voor verbetering aan de hand kunnen doen”.

erotica3