Welkom

Image

IK STA OP MEER DAN 1600 VOLGERS. De biografie over Jacob van Lennep is klaar. De vierde druk is 24 mei 2019 hals over kop verschenen, ik kreeg niet de gelegenheid nog wat late correcties in te voegen. Het dagboek van Van Lenneps voetreis uit 1823 is in een fraaie herziene editie opnieuw uitgekomen bij Atlas-Contact. Bovendien is er nu een route ontwikkeld om Van Lenneps voetreis per fiets na te bootsen, met heel veel mooie tips. Zie Jacob van Lennep route. Verschenen is ook een nieuwe editie van De lotgevallen van Ferdinand Huyck met een inleiding van mij in de klassiekenreeks van uitgever Veen.

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
Ik vorder met een literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. Minder saai dan die van de Taalunie, persoonlijker, vast ook minder wetenschappelijk. Eigenlijk wordt het meer een lezersgeschiedenis. Wat las de gretige lezer van de negentiende eeuw? Wat wist hij (zij) van het literaire leven, welke boeken kocht hij, om welke pamfletten kon zij niet heen, welke recensies las hij, welke vertalingen, stak hij een kaarsje op bij het portret van Bilderdijk toen hij hoorde dat deze overleden was? Opnieuw zal ik in dit blog verslag doen van schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, ziektes en natuurlijk prachtige literatuur.

Promoveren in je moerstaal

Eelco Verwijs is de eerste neerlandicus die in zijn moerstaal promoveerde, aan de Leidse universiteit. Promoveren in het Latijn was toen nog gebruikelijk. Hij was 27 jaar toen hij zijn briljante uitgave van Jacob van Maerlants Wapene Martijn maakte, de eerste kritische editie van dit werk in Nederland, in 1857 uitgegeven. Later werd Verwijs bekend als samensteller van woordenboeken.

Toch zijn er al veel eerder proefschriften over Nederlandstalige literatuur en Nederlandse geschiedenis verschenen, maar altijd in het Latijn. De oudste dissertatie over Nederlandse letterkunde dateert van 1834. C.R. Hermans promoveerde toen in Leiden op een Brabants middeleeuws handschrift. Dat geldt ook voor de uitgave van de kroniek van Lodewijk van Velthem, die W.J.A. Jonckbloet in 1840 als Leidse dissertatie indiende. De editie is in het Nederlands, de voorwoorden en annotaties volledig in het Latijn. Jonckbloet zou later hoogleraar worden aan achtereenvolgens de universiteiten van Deventer, Groningen en Leiden en hield drie oraties, alle drie in het Nederlands.

Er zijn al vóór Verwijs proefschriften in het Nederlands verschenen. Welk het eerste was, zal ik openbaren in de Homeruslezing die ik op 28 maart in het Oudheidkundig Museum te Leiden zal geven. Die zal gaan over ‘Krimp in het Latijn of hoe het Latijn verdween uit de geleerde wereld in Nederland’.

Laten we de dissertatie van Eelco Verwijs, de eerste dus over het Nederlands in de landstaal, maar eens ter hand nemen, om te zien of de schrijver zich bewust is van zijn primeur. De promotie vond plaats op 23 april 1857 om twee uur ’s middags. Promotor was Willem Jonckbloet.

Wat de opbouw betreft blijken er zeer oude gebruiken te zijn. Zoals de opdracht aan familie. Verwijs draagt zijn dissertatie op aan `mijne lieve moeder’ en aan `mijnen hooggeschatten oom I.T. ter Bruggen Hugenholtz, lid van de Tweede Kamer der Staten Generaal’. Eelco Verwijs mag een modern geleerde zijn geweest, hij maakt wel verschil tussen een lieve moeder en een hooggeschatte oom. Die wordt met functie aangeduid, terwijl we van Eelco’s moeder niet eens de naam te weten komen.

In de voorrede bedankt hij zijn promotor, en ook dat is een gebruik dat nog steeds gangbaar is, maar een dergelijk bloemrijk dankwoord als Jonckbloet krijgt, is mij althans nog nooit ten deel gevallen:

‘Nog staat mij het uur levendig voor den geest, toen gij uwe betrekking aan het Deventer Athenaeum plechtig aanvaardet, en met gloeiende kleuren de verwaarloozing afmaaldet, aan de studie onzer schone moedertaal ten deel gevallen.’

 Verwijs sluit zijn proefschrift af met stellingen. Het aantal is wel bevreemdend: na achtentwintig Nederlandse volgen er nog tweeëntwintig in het Latijn. De Nederlandse zijn nogal oubollig, en sluiten dus aan bij wat nog steeds gebruikelijk is, als er tegenwoordig überhaupt nog stellingen zijn. De Latijnse bevatten vooral correcties op lezingen van Griekse en Romeinse schrijvers. Weliswaar blijkt ‘trots op Nederland’ uit de dissertatie, maar nergens pocht de schrijver op zijn primeur of wijst hij die als uitzonderlijk aan.

Tot wanneer bleven er proefschriften in het Latijn verschijnen? Ik durf er geen vergif op in te nemen dat er na de Tweede Wereldoorlog geen enkele meer volledig in het Latijn zou zijn verschenen. In elk geval is er in 1940 nog een Latijnse dissertatie over een Latijns troostgedicht aan de VU uitgekomen, en in hetzelfde jaar ook nog een in Nijmegen. Of de verdediging van die proefschriften ook in het Latijn plaatsvond en of alle commissieleden hun vragen in het Latijn stelden, daar weet ik geen antwoord op. Ik weet wel dat er recent nog aan de Universiteit van Utrecht een hoogleraar opponeerde in het Latijn.

Ik heb niet geteld hoeveel dissertaties er heden ten dage nog in het Nederlands geschreven worden, tegenover die in het Engels. Zelfs bij afdelingen Nederlands aan de universiteiten is promoveren in het Engels geen taboe.

Herstelde eer: de negentiende-eeuwse schilderkunst

Op het verlanglijstje van negentiende-eeuwliefhebbers staat al jaren een overzichtsstudie van de Nederlandse schilderkunst in die tijd. Weliswaar zijn er schitterende tentoonstellingen geweest, zoals Meesters van de romantiek in de Rotterdamse Kunsthal (2005), maar voor een naslagwerk moest men terug naar De Hollandsche schilderkunst in de negentiende eeuw van Grada Marius uit 1904 of Een eeuw Nederlandsche schilderkunst van Jan Knoef uit 1948. En nu komt plotseling als uit de hemel gevallen Spiegel van de werkelijkheid van Jenny Reynaerts, hoofdconservator van de 18e en 19e-eeuwse schilderkunst aan het Rijksmuseum. Het eerste wat ik dacht toen ik het boek in handen kreeg was: wat een traditionele titel! We waren toch van de spiegelmetafoor af? Maar de wat kritische houding waarmee ik begon, smolt weg als sneeuw voor de zon toen ik het boek opende.

Meteen was ik omvergeslagen door het eerste plaatje, een detail uit een schilderij van Pierre Dubourcq, waarin op de voorgrond twee landarbeiders bezig zijn met de graanoogst in dat mysterieuze licht waar de Hollandse schilders patent op hebben. Ze zijn bijna letterlijk geaard in de werkelijkheid. Direct daarachter zie je de verwijzing naar verleden en dood, met een vervallen kerkhof bekroond door een onheilszwangere lucht. Ik kende het schilderij niet en vroeg me af hoe het kon dat ik het niet kende. Ik ging verder en keer op keer werd ik uit het lood geslagen door de hoeveelheid schilderijen die ik nooit gezien had en die van een verbluffende schoonheid zijn. Natuurlijk trof ik ook bekenden aan, zoals Wijnand Nuyen met het schilderij dat ik als de Nachtwacht van de negentiende eeuw beschouw: Schipbreuk op een rotsachtige kust. Reinaerts verbindt hem met een andere favoriet van mij, Johannes Bosboom, van wie ze totaal onbekende meesterstukken toont. Die hele merkwaardige omslageeuw komt aan de orde, beginnend met de contemplatieve romantische schilderijen met hun bijzondere lichtval en verwijzingen naar dood, historie en eeuwigheid, je ziet de groei naar het realisme, en tegen het eind van de eeuw komt er die explosie van het impressionisme met weer dat merkwaardige licht, alleen dan totaal anders dan in de Romantiek.

De inhoud is een avontuur op zichzelf. Reynaerts heeft de kijkgeschiedenis centraal gesteld. Via kunstkritieken en persoonlijke geschriften probeert ze zich in te leven in eigentijdse kijkervaringen. Dat betekent dat ze afziet van latere waardeoordelen, al veroorlooft ze zich gelukkig ook haar eigen waardeoordeel, en dat is juist weer verfrissend. Haar lyrische beschrijvingen van sommige schilderijen zijn werkelijk prachtige kleine essays op zichzelf. Ze heeft ook oog voor internationale invloeden, vanuit Nederland naar het buitenland en vanuit buitenlanders in Nederland. Schilders die er bekaaid vanaf komen in andere overzichtswerken, omdat ze vooral in het buitenland werkten, krijgen bij haar een prominente plaats, zoals de Zuid-Nederlander François-Joseph Navez.

Als sokkel gebruikt ze de chronologie – maar terecht gaat ze niet uit van politieke omslagpunten. Ze gebruikt voor de ordening breuken die van belang zijn voor de kunstgeschiedenis: de kunstroof van Napoleon, de eerste openbare verkooptentoonstelling van eigentijdse kunsten, de uitvinding van de fotografie, de verschijning van het tijdschrift De Banier. Als een grote verandering van de negentiende eeuw noemt ze dat de kunstkoper en kunstkijker niet meer bekend zijn aan de schilder. De verkooptentoonstellingen zijn een nieuw verschijnsel en anonimiseren koper en vervaardiger. Ook de komst van de trein introduceert ze als belangrijk voor veranderingen in het landschap, minstens zo ingrijpend als indertijd de polderaanleg.

Reynaerts geeft schitterende omschrijvingen, soms net zo beeldend als de schilderijen zelf, bijvoorbeeld over de ‘karige schoonheid’ van Gabriël, over het ‘schitterlicht’ van Knip, over de schilder Wüst, ‘gesneuveld onder het Haags geweld’ waarmee de Haagse school bedoeld is, of deze over een slapende man op een schilderij van Hendriks: ‘deze slapende man valt bijna het schilderij uit’. Al die omschrijvingen worden vrijwel steeds ter plekke getoond in de ontelbare reproducties die het boek rijk is, ontleend aan collecties over de hele wereld. Het geheel is prachtig vormgegeven door Irma Boom.

Jenny Reynaerts heeft natuurlijk enorm geboft met de toegenomen belangstelling voor de negentiende eeuw. Misschien kan de tentoonstelling Het vaderlands gevoel uit 1978 wel als omslagpunt voor het onderzoek naar de schilderkunst van de negentiende eeuw beschouwd worden, evenals het tijdschrift De negentiende eeuw (opgericht 1977) waarin jonge kunsthistorici, literatuurhistorici en historici samenwerkten om onderzoek naar die voorheen vermaledijde en verwaarloosde eeuw te starten. Daardoor kon Reynaerts gebruikmaken van onderzoek naar tentoonstellingen, musea, kunstkritiek, genootschappen, kunsthandelaren, al die aspecten die vroeger niet bij het kunsthistorisch onderzoek hoorden.Het laatste plaatje van haar boek is even treffend en adembenemend als het eerste. De schilder (Breitner) doet hier geen enkele poging om de lelijkheid van de samenleving te verbergen. Dit alles is te zien in dit majestueuze boek, een aanwinst voor elke liefhebber van de negentiende eeuw. Als ik geen tegenstander van het systeem van sterren of ballen was voor boeken, zou ik zeggen: vijf ballen.

Jenny Reynaerts, Spiegel van de werkelijkheid. 19de-eeuwse schilderkunst in Nederland. Amsterdam: Rijksmuseum en Mercatorfonds, 2019.

Welke erotische boeken las Hortense?

Kort na 1810 is er ergens in Nederland een tekening gemaakt van Hortense de Beauharnais, de “geweze koningin van Holland” zoals op het blaadje aan de muur staat. Hortense was van 1802 tot 1810 getrouwd met Lodewijk Napoleon, de eerste koning van Nederland. Zij had een slechte naam: voor, tijdens en na haar huwelijk zou zij diverse minnaars gehad hebben. Misschien ook Napoleon, die in elk geval erg van de schone dame onder de indruk was, al was hij getrouwd met haar moeder. In de biografie van Thera Coppens komt een ander beeld naar voren: Hortense bleef in haar hart een gehoorzaam kostschoolmeisje. Napoleon arrangeerde het huwelijk van Hortense met zijn broer, tegen haar zin, om nageslacht te krijgen met dna van Bonaparte en Beauharnais, want met zijn Joséphine lukte dat niet. Door de dood van haar oudste zoontje was ze in Holland diep ongelukkig. Van minnaars was volgens Coppens geen sprake. Pas na haar scheiding tussen tafel en bed van Lodewijk in 1811 gaf ze zich over aan haar enige grote liefde: Charles de Flahaut en kreeg een zoon van hem. Hofroddels hebben koningin Hortense zwart gemaakt, meestal op politieke gronden. De afbeelding geeft weer hoe er ook in Holland over haar gedacht werd: een geile tante die erotische boeken leest en daarbij masturbeert. Haar blote achterkant wordt bespiedt door Napoleon, aan haar voeten ligt een kroelende krolse kat. Het haardvuur staat symbolisch voor de hete gevoelens die de lectuur opwekt.

Tekening in pen en penseel, anoniem, Rijksmuseum 1810-1820

Van de tekening is geen prent voor de verkoop gemaakt. Daar zouden problemen van gekomen zijn, waarschijnlijk. Zo kwam de bekende erotica-uitgever Moolenijzer in 1813 in de gevangenis, omdat hij op een veiling ‘voluptueuse liefhebberij-plaatjes en bijschriften’ opgekocht had en doorverkocht. Ook de koper moest het gevang in. Wat mij intrigeert op de tekening zijn de titels van de boeken.

In haar vrije hand heeft ze Therese Philosophe. Dit boek werd in 1748 geschreven. De hele titel luidt: Thérèse philosophe, ou mémoires pour servir à l’histoire du Père Dirrag et de Mademoiselle Éradice. Dat was een heel populaire roman over een meisje en haar vriendin Éradice, die opgroeien in een klooster waar ze kennismaken met de verlichte filosofie en daarna bij een Jezuïet seksuele educatie krijgen. Thérese krijgt vervolgens een relatie met een prostituée. Als een graaf haar als maîtresse wil, weigert ze seks met hem, bang als ze is voor zwangerschap. De graaf sluit een weddenschap af: als hij haar veertien dagen mag opsluiten in een kamer met erotische boeken en plaatjes, en ze dan niet masturbeert, dan accepteert hij haar als maîtresse zonder seks. Thérèse verliest. De tekening van Hortense is duidelijk geïnspireerd op dit boek.

Wat ligt er verder nog? Op de grond een Nederlandse titel: Het Cabinet der Dames. Die titel heb ik niet in een catalogus terug kunnen vinden. Mogelijk is bedoeld Le cabinet morale et satirique des dames, een boek dat rond 1750 uitgekomen is, en waarvan volgens de WorldCat maar één exemplaar overgeleverd is in een bibliotheek. Een Nederlandse vertaling lijkt er niet te zijn. Maar het kan ook dat het dameskabinet, zoals veel pornografische edities, verdwenen is in haardvuren.

Op tafel ligt La pucelle d’Orléans, een lang gedicht van Voltaire uit 1753, in 1761 gedrukt in Nederland, een heldinnengedicht over Jeanne d’Arc vol pittige erotiek en blasfemie, en dan ook verboden en op de index geplaatst. Het boek kreeg flink wat drukken en werd in het Nederlands vertaald als De maagd van Orleans, boertig heldendicht in Nederduitsche verzen (1789).

Hortense leest dus pornografische geschriften van verlichte filosofen. De drie titels moeten dus zo rond 1810 op de leeslijst van dames met geheimen hebben gestaan. Meestal komen we weinig te weten over het leesvoer van vrouwen, en we weten in dit geval ook niet in hoeverre de tekenaar (of tekenaresse?) inzicht had in leesgewoontes met geheime boeken. Sommige titels van rond 1840 geven wel een beetje inzicht in wat heren die lichtzinnige boeken lazen in hun bezit hadden. Bij Klikspaan in Studenten-typen is dat de lichte erotiek of gewoon licht leesvoer van schrijvers als Paul de Kock, Charles de Bernard, George Sand en Alphonse Karr. Pittiger zijn de boeken die W. Jonckbloet noemt in zijn Physiologie van Den Haag uit 1843. En wat treffen we daar aan bij een advocaat van de Hoge Raad? Behalve Les mémoires du diable, Les mystères de Paris en Parent du châtelet de la prostitution dans la ville de Paris ook het handboek van Hortense: Thérèse philosophe. Een Haagse advocaat en een gewezen koningin lezen hetzelfde: bien étonnés de se trouver ensemble.

Zie: Thera Coppens, Hortense, de vergeten koningin van Holland. Amsterdam 2006.

Drie redenen om seks te weigeren

De dag voor het huwelijk van mijn moeder, 28 oktober 1940, kwam de pastoor van Tegelen bij haar op bezoek en nam haar apart. Hij vertelde haar over wat er van haar als katholieke echtgenote verwacht werd: namelijk altijd klaar staan voor de behoeften van de man. Maar in drie gevallen mocht ze hem “de toegang” weigeren: als hij dronken was, als zij ziek was, en dan had ze het nog over een derde geval, en dat ben ik vergeten. Ik kan het niet meer navragen bij mijn moeder, die al vele jaren geleden overleden is, en toen ik het eens aan een zus van haar vroeg, ging die niet op mijn vraag in. Over zulke dingen praatte de tante niet. In het boekje Niet schrikken mama dat mijn dochter Alma en ik voor de maand van de geschiedenis geschreven hebben, vertel ik haar daarover. Ik veronderstel daar dat de derde reden overspel was (p. 16), maar anderen met wie ik erover sprak meenden dat het misschien tijdens de menstruatie was. Het derde bezwaar bleef voorlopig dus nog een raadsel, en ik hoopte eens een oude priester te vinden die me daarover kon voorlichten. Net als over ‘vleselijke onthouding’. Dat moesten katholieken op vrijdag. Betekende dat alleen geen vlees eten, of misschien ook geen seks bedrijven? Ook dat moest ik maar eens aan een oude priester vragen.

Een zus van mij bleef zich afvragen wat de derde reden kon zijn geweest, ging het internet op en ontdekte een column van Sylvia Witteman. Die had een boekje in handen gekregen met de titel Huwelijksonderricht voor katholieke echtgenoten. Daarin stond dat weigeren van de ‘huwelijksplicht’, of dat nu door de man of de vrouw was, een grote zonde is, en dat er ernstige gevolgen voor de kuisheid uit voort kunnen vloeien. Het woord alleen al, ‘huwelijksplicht’, roept een heel merkwaardig beeld op van wat seks inhoudt. In elk geval mocht er door de een alleen maar geweigerd worden als de ander te vaak wilde, bijvoorbeeld een paar keer per nacht, of als die dronken was. Of als er sprake was van onwelvoeglijke omstandigheden. Ik weet niet precies wat de schrijver daaronder verstond, maar hij zal wel bedoelen: op een bankje in een park. Maar als de man anders tot zelfbevlekking over zou gaan, kon de vrouw toch beter toegeven… Dat Huwelijksonderricht kwam dus maar op één punt overeen met de les die mijn moeder kreeg. De eerste druk van dat boekje, dat 1960 nog een 10e druk haalde, stamt uit 1941, dus de Tegelse meneer pastoor kan dat niet gebruikt hebben voor zijn onderricht aan mijn moeder.

Maar als er zoiets bestond in 1941, zal er toch ook wel zoiets zijn geweest in het jaar van het huwelijk van mijn ouders. Ik vond Het huwelijk in voorbereiding en beleving. Een boek voor volwassenen van een zekere D.A. Linnebank, een pater uit de orde van de dominicanen. Eerste druk 1935. Geen ervaringsdeskundige dus, maar dat vond een recensent geen bezwaar, want: ‘Klaar en duidelijk, in eenvoudige en bevattelijke, maar steeds kiesche taal, zegt het wat volwassenen dienen te weten over het sexueele in den mensch en wat verloofden en gehuwden moeten weten aangaande de voorbereiding, het wezen en de beleving van het huwelijk’. Bij Boekwinkeltjes kon ik een tweede druk uit 1939 bestellen. En zie: daar vond ik wat meneer pastoor mijn moeder gezegd moet hebben. Wanneer degene die vraagt om de huwelijksdaad tijdelijk of blijvend het gebruik van het verstand mist, zoals een krankzinnige of een volslagen beschonkene, mag geweigerd worden. Nummer één van mijn moeder. Als er groot gevaar is voor de gezondheid, mag ook afgewezen worden. Nummer twee. Linnebank specificeert: bij een hevige hartkwaal, zware koortsen en bij gevaar voor besmetting. Dus voor een syfilislijder hoeft de partner niet klaar te staan. Dat zegt hij niet met zoveel woorden, maar dat bedoelt hij natuurlijk. Toch moet de partner wel de daad tolereren als er anders grote zonden van onreinheid of ontrouw begaan zullen worden, of als anders de huiselijke vrede verstoord wordt. In minder nette woorden: als de man anders gaat rukken, of naar de hoeren gaat of klappen uit gaat delen, dan is het maar beter de benen te spreiden. Linnebank vermijdt het om de man als de vragende partij aan te wijzen, maar uit de algehele tendens van het boek is wel duidelijk dat hij die bedoelt. Hier hebben we dus de twee toegestane weigeringen die ik me herinner van mijn moeder. Linnebank noemt nog een derde: niemand hoeft de huwelijksdaad te verrichten wanneer de vragende partij zich aan echtbreuk en overspel heeft schuldig gemaakt. De derde onbekende van mijn moeder is hiermee ingevuld, inderdaad wat ik al vermoedde: overspel. Het is dus heel waarschijnlijk dat de Tegelse pastoor dit boek van Linnebank gebruikte om de r.k. moraal te prediken.

Over voorbehoedmiddelen is Linnebank boek heel stellig: je komt in de hel als je de huwelijksdaad opzettelijk van haar natuurlijke doel berooft, namelijk nageslacht verwekken. Heel omslachtig legt hij dan uit dat hij daarmee het gebruik van condooms bedoelt of voor het zingen de kerk uitgaan. De Ogino-Knaus-methode van periodieke onthouding mag alleen in uitzonderingsgevallen. Natuurlijk kan de condoomgebruiker volgens katholiek gebruik nog wel gaan biechten – dat scheelt de hellevaart.

Enfin, mijn moeder kreeg negen kinderen, en ik heb mijn vader nooit op dronkenschap of overspel betrapt, en ik herinner me ook niet dat mijn moeder ooit ziek was. Het blijft een bizarre zaak dat dit soort voorschriften opgesteld zijn door mannen die alleen maar stiekem af en toe de geneugten van ‘de huwelijksplicht’ konden proeven.

Toekenning Sarton medaille

De Universiteit van Gent heeft de Sarton Medaille 2019-2020 van de Faculteit Letteren en Wijsbegeerte toegekend aan prof. dr. Marita Mathijsen van de Universiteit van Amsterdam. Zij krijgt de medaille uitgereikt op grond van haar verdiensten voor de literatuurgeschiedschrijving en voor de theorie en praktijk van het editeren van historische teksten. Zij geldt als een expert op het gebied van de Nederlandse literatuur in de negentiende eeuw. Haar boek Naar de letter is nog steeds een standaardwerk op het gebied van editiewetenschappelijk onderzoek.

De medaille wordt uitgereikt op 23 april 2020 in Gent. Marita Mathijsen geeft dan een lezing onder de titel: Wetenschap voor iedereen! Popularisering en democratisering van wetenschap, kunst en cultuur in de negentiende eeuw.

George Sarton (1884-1956) was een Belgisch-Amerikaanse wetenschapshistoricus. Hij studeerde filosofie en wiskunde aan de Universiteit van Gent. In 1912 richtte hij het tijdschrift Isis op dat nog steeds internationaal leidend is op het gebied van de wetenschapsgeschiedenis. De Harvard Universiteit benoemde hem tot hoogleraar. George Sarton leverde een belangrijke bijdrage aan de verzelfstandiging van de wetenschapsgeschiedenis als aparte vakdiscipline. Zowel de History of Science Society als de Universiteit van Gent stelden wetenschapsprijzen in die naar hem vernoemd zijn.

Moet de lezer de trap op of moet de editeur de trap af?

Zo’n twintig jaar geleden was bij de afdelingen Nederlands aan de universiteiten Teksteditie nog een belangrijk vak. Studenten leerden hoe historische literatuur uitgegeven moest worden, namelijk in de authentieke vorm. Daarvoor moest een keuze gemaakt worden uit verschillende versies of drukken, als die er waren, en de teksten werden voorzien van geleerd commentaar en verklarende uitleg. Ze oefenden daarin, en ze lazen dit soort edities voor hun literatuurlijst, die toen nog bestond.

Tekstedities

Zo las ik zelf, lang geleden, de Jephta van Vondel, stukken uit Hoofts Historiën en de Karel ende Elegast, vaak in edities die al in het begin van de 20e eeuw gemaakt waren. De teksteditie ging zich in de late 20e eeuw ook buigen over modernere teksten, bijvoorbeeld Max Havelaar en het volledige werk van Louis Couperus. Er kwamen van grote dichters ook variantenedities op de markt. Er werd een speciaal onderzoeksbureau opgericht voor edities (1983), eerst Basisbureau Tekstedities geheten, later het Huygens Instituut. In de eerste jaren werden daar variantenedities gemaakt van grote Nederlandstalige dichters, zoals J.H. Leopold, K. van de Woestijne en J.C. Bloem. Van elk gedicht werden alle kladjes, nethandschriften en verschillende drukken vergeleken en ondergebracht in een systeem waarmee de lezer de groei van een gedicht kon volgen. De complete Couperus verscheen er. Alle beschikbare handschriften en drukken werden woord voor woord vergeleken om zo dicht mogelijk bij de door Couperus bedoelde tekst te komen. In Vlaanderen kwam er een vergelijkbaar instituut: het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudies, waar bijvoorbeeld een modeleditie van Hendrik Consciences De Leeuw van Vlaanderen uitkwam.

Veel schrijvers die kortgeleden nog een begrip waren, zijn nu onbekend

Tegenwoordig is er weinig aandacht meer voor dit soort edities en op de universiteiten wordt het vak Teksteditie niet meer overal gegeven. Wel is er aan de Gentse universiteit een onderzoeksgroep Teksteditie Literatuur in Vlaanderen actief, die jaarlijks leesedities bezorgt. Bij andere literatuurwetenschappers is er natuurlijk ook nog wel belangstelling voor, maar het grote publiek is zich er niet van bewust dat een literair werk dat je kunt downloaden van de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (DBNL) of van Google Books, vaak niet de versie vertegenwoordigt die de schrijver het liefst zag.

Veel zorgwekkender is dat het aantal mensen dat een historische literaire tekst leest, ernstig daalt, of ze die nu lezen in een verantwoorde editie of niet. Veel schrijvers die kortgeleden nog een begrip waren, zijn nu onbekend. Mijn dochter heeft op de middelbare school nooit een Vestdijk gelezen, nooit een Stijn Streuvels, mijn neef had op zijn gymnasium nooit gehoord over Herman Gorter.

Taalkunstenaars

Het oude Nederlands staat vanzelfsprekend steeds verder van ons af. Dat ligt niet alleen aan de vooroorlogse spelling met die boomen en menschen. De woorden en de zinsvolgorden zijn veranderd, de beschrijvingen zijn niet meer zo uitvoerig, en ook de thematiek kan veranderd zijn. Dat leidt ertoe dat literairhistorici zich moeten bezinnen op methoden om historische teksten toch nog onder ons te houden. Want literatuur uit het verleden mag dan wat ontoegankelijker zijn dan die uit het heden, ze kan ons ongelooflijk veel laten zien over de grote constante levensvragen, en ons tegelijkertijd verplaatsen in andere tijden en andere denkwerelden. Bovendien zijn er in het verleden, net als nu, ware taalkunstenaars geweest die ons een fijn geslepen of expres ruw Nederlands van een zeldzame kwaliteit voorschotelen. Bredero, Multatuli, Elsschot, om maar een paar namen te noemen, te bijzonder om in vergetelheid te laten liggen.

De lezer krijgt weliswaar een getransformeerde tekst in handen, maar die is vergelijkbaar met vertalingen van meesterwerken uit bijvoorbeeld de Russische literatuur

Wat zouden literairhistorici kunnen doen om de waardevolle teksten uit het verleden toch weer onder lezers te krijgen? De edities met toelichtingen die vroeger gemaakt werden, voldoen niet meer. Andere aanpassingen zijn nodig.

Herspellen of hertalen?

Laten we eens uitgaan van een van de hoogst aangeschreven teksten uit de Nederlandstalige literatuur: Max Havelaar. Voor studenten Nederlands ligt het voor de hand dat ze die lezen in de oorspronkelijke versie. Die is via onderzoek van het Huygens Instituut uitgegeven in een uitstekend gedocumenteerde en royaal toegelichte editie door Annemarie Kets-Vree (in de reeks Nederlandse Klassieken). Maar die is weinig toegankelijk voor middelbare scholieren. Ik geef een willekeurig citaat uit het eerste hoofdstuk als voorbeeld:

Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in ’t gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. ‘De lucht is guur, en ’t is vier uur.’ Dit laat ik gelden, als het werkelyk guur en vier uur is. Maar als ’t kwartier voor drieën is, kan ik, die myn woorden niet in ’t gelid zet, zeggen: ‘de lucht is guur, en ’t is kwartier voor drieën.’ De verzenmaker is door de guurheid van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist een, twee uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. Zeven en negen is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan ’t knoeien! Of het weêr moet veranderd, òf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen.

Herspellen van de passage zou weinig opleveren, een -ij in plaats van een -y, een de in plaats van een den, dat vergemakkelijkt het lezen niet. Anders heeft Gysbert van Es het aangepakt. Die heeft, speciaal voor scholieren, een hertaalde en ingekorte versie van Max Havelaar gemaakt, waarin het citaat zo geworden is:

Ik heb niets tegen verzen op zichzelf. Als men zo nodig woorden op hun plek wil zetten, goed! Maar zeg nooit iets wat niet waar is. ‘De lucht is guur, en het is vier uur.’ Dit geldt voor mij alleen als het werkelijk guur en vier uur is. Maar als het kwart voor drie is, zou ik zeggen: ‘de lucht is guur, en het is kwart voor drie.’ De verzenmaker is door de guurheid van de eerste regel aan het hele uur gebonden. Het moet voor hem juist één uur zijn, of twee uur, enzovoorts, of de lucht mag niet guur zijn. Zeven of negen is verboden door het ritme. Daar gaat hij dan aan ’t knoeien! Of het weer moet hij veranderen, of de tijd. Eén van beide is dan gelogen.

Toegankelijk Nederlands

Dat leest moderner. Is de tekst daardoor minder mooi? Wie beide stukken hardop voorleest, merkt dat er een mooiere klank en een mooier ritme in de oorspronkelijke versie zit. Maar laten we realistisch blijven. Van Es’ editie had tot gevolg dat op sommige middelbare scholen bij Nederlands het boek weer in zijn geheel voorgeschreven werd, terwijl leerlingen het daarvóór mochten laten bij het lezen van Saïdjah en Adinda. De lezer krijgt weliswaar een getransformeerde tekst in handen, maar die is vergelijkbaar met vertalingen van meesterwerken uit bijvoorbeeld de Russische literatuur. Noodgedwongen zal hij die in vertaling lezen – en toch waarderen, zeker als die vertaling zelf recent is en dus in toegankelijk Nederlands. Een belangrijk verschil is er wel: Van Es liet ook stukken weg die scholieren niet meer zo snel zullen kunnen plaatsen, bijvoorbeeld een passage over verzen van Hiëronymus van Alphen. Een vertaler zal dat niet doen: hij zal juist zo dicht mogelijk bij het oorspronkelijke proberen te blijven.

De hedendaagse lezer staat te ver af van teksten van voor pakweg 1900 om die nog zonder hulp aan te kunnen

Wat Van Es deed, wordt al veel gedaan voor literatuur uit het verleden. Hedendaagse schrijvers zoals Thomas Rosenboom en Willem Wilmink hebben teksten hertaald. Rosenboom maakte een meeslepende hertaling van Het Journaal van Bontekoe, Wilmink boog zich over Mariken van Nimweghen. Koos Meinderts waagde het zelfs om van Reinaert de Vos een kinderversie te maken. In de – niet meer bestaande – Griffioenreeks verscheen een uiterst geestige bewerking van de Ferguut in proza, evenals van Floris en Blancefloer. In de reeks Tekst in context is het gebruikelijk de hertaalde tekst in te korten en wat weggelaten is, samen te vatten. Zelf houd ik het meeste van de edities waarin aan een kant de oorspronkelijke tekst staat en aan de andere kant de hertaling. De Visioenen van Hadewych zijn zo uitgegeven.

Toegankelijke meesterwerken

Moeten we het nu toejuichen dat er weinig aandacht meer is voor edities met de complete oorspronkelijke tekst? Ik denk dat neerlandici zich bij de realiteit neer moeten leggen: de hedendaagse lezer staat te ver af van teksten van voor pakweg 1900 om die nog zonder hulp aan te kunnen. Dan is het toch aantrekkelijk voor literairhistorici, schrijvers en vertalers, liefst in gezamenlijke projecten, om die hulp aan te bieden? Voor studenten Nederlands is het zelfs aantrekkelijk als zij in colleges hertalingen van historische teksten mogen maken. Het is wellicht de beste manier om er diep in door te dringen, door zich te verdiepen in de afstand tussen verleden en heden. Vanuit het oorspronkelijke kunnen zij proberen transformaties naar het heden te vinden. Op diverse universiteiten wordt dat al gedaan. Het mooiste zou het zijn als er dan ook nog vanuit een studentengroep en onder begeleiding van een gespecialiseerde docent mooie edities naar buiten zouden komen. Meesterwerken uit de oudere Nederlandse literatuur, toegankelijk gemaakt voor scholieren en een breed publiek door en in de taal van de jonge generatie. Uiteindelijk zal er dan toch misschien nog wel een enkeling zijn die naar het origineel gaat en daarvoor gewonnen raakt.

Dit artikel verscheen in Neerlandia123 (2019) 3, 16-19. Neerlandia is het tijdschrift van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV).

Tegen vadsige, morrende en trage lediggangers

Vrijwel helemaal vergeten is de auteur Willem Kist. Toch is hij indertijd enorm gewaardeerd vanwege vooral De ring van Gyges (1805-1808). Dat is een uiterst merkwaardig boek, enigszins te vergelijken met dat van Alain-René Lesage, Le diable boiteux uit 1706, waarin een duivel een student door Madrid leidt en overal de daken van huizen licht, zodat ze kunnen zien wat er zich werkelijk in woon-, slaapkamers en salons afspeelt. De hoofdpersoon van Kists roman heeft een ring gevonden waarmee hij zichzelf onzichtbaar kan maken. Dat slaat terug op de legende van de ring van Gyges, die voorkomt in Plato’s Politeia en die naverteld is door Cicero in De Officiis. Bij Plato en Cicero gaat hem om de menselijke deugd: zal iemand die zich onzichtbaar kan maken zich daaraan houden? Dat is niet wat de hoofdpersoon van Kists boek bezielt. Hem gaat het er meer om inzichten te krijgen in de verborgenheden van de toenmalige maatschappij, en die juist aan de kaak te stellen door erover te schrijven. Zijn lezers moeten van ‘vatsige [sic], morrende en trage lediggangers arbeidzame, dankbare en nuttige leden worden der Maatschappij’.[1]

Dus komen we onteerde meisjes tegen, een gierigaard die zijn dochter een dokter onthoudt, een christen die een jodin redt, stukken over onmatigheid en schijnheiligheid, over afkeer van geleerden, over kindermishandeling. De onzichtbare volgt ook een geneesheer die bij rijkelui met ingebeelde ziektes en verwende studenten ontboden is, maar ook bij een stervende winkelierster die een testament maakt van het weinige wat ze bezit, zoals lege potten en kousenbanden. Grappig is een stuk over gewoontevorming waarover bejaarde sociëteitsleden het met elkaar hebben: blijven wonen in een krakkemikkig huis, pijp roken op steeds hetzelfde tijdstip, het aanhouden van oude paarden. En vervolgens komen de gewoonten van de vrouwen ter sprake: tweemaal per week boenen en poetsen van ongebruikte kamers, kaartleggen met vriendinnen, de kachel pas op 1 november aansteken en op 1 april weer doven, hoe koud het daarvoor of daarna ook is. Kist verwerkt ook een stukje kritiek op lezen. Een nichtje krijgt van haar oom te horen dat lezen maar ‘dwaasheid en kwellinge des geestes’ is. Hij heeft maar drie boeken in zijn leven uitgelezen: Doctor Faustus, de schiedenis van Helena en de reizen van Bontekoe. Haar tante verklaart vervolgens dat  ‘de boeken van den hedendaagschen smaak … het bederf der jeugd’ zijn. Dat er zoveel goddeloosheid en ontucht heerst, komt door dat soort zedenbedervende boeken. Het nichtje blijkt overigens een heel keurig boek te lezen, de Zedenlessen van Christiaan Gellert. De ring van Gyges is een voorloper van de Camera Obscura, en tegelijk ook een voortzetting van achttiende-eeuwse romans met inkijkjes, zoals die van Wolff en Deken. Maar de humor van de dames, en de venijnigheid van Beets mist Kist.



[1] Dit schrijft hij in het voorbericht van zijn volgend boek, Eduard van Eikenhorst, 1810, dl.1, p. IV

151ste sterfdag Jacob van Lennep

Vandaag ben ik weer naar Oosterbeek gegaan om een bos bloemen op het graf van Jacob van Lennep te leggen. Nog één boeket witte rozen volgde er later op de dag.

Het was een beetje dubbelspel, want ik wilde toch in Oosterbeek zijn voor de 14de Kneppelhoutwandeling. Die wordt elk jaar gehouden eind augustus. Dit jaar hoorden wij Darja de Wever die over Augusta de Wit sprak in de tuin van het huis waar Augusta gewoond heeft. Zij ligt op hetzelfde kerkhof als Jacob van Lennep. Brigitte Beelaerts van Blokland vertelde over de band tussen haar familie en de Kneppelhouts. Lotte Jensen en Rick Honings gaven een voorproefje van hun boek dat 11 september verschijnt onder de titel Romantici en revolutionairen. En tenslotte sprak Peter van Zonneveld over de tekenschool die Kneppelhout aan Leiden schonk.

Jacob van Lennep en Jan Kneppelhout waren kennissen, geen vrienden. Er zijn maar weinig brieven bewaard die tussen hen geschreven zijn. Maar Van Lennep kon wel op Kneppelhout rekenen als hij geld nodig had voor een goed doel. Toen hij problemen kreeg met de uitvoering van zijn kostbare Vondeleditie, bedacht hij een plan om aandelen uit te schrijven. Kneppelhout nam een aandeel van 1000 gulden (ongeveer 10.000 euro). De rijke handelaar-schrijver Potgieter niet, en Nicolaas Beets vond dat het geld beter naar de armen kon.

Ik weet niet of de reislustige Jan Kneppelhout in Oosterbeek was toen Jacob van Lennep op 25 augustus 1868 stierf. In elk geval was hij niet bij de begrafenis.

In memoriam Tom van Deel, dichter, criticus, docent

Hij sprak even bedachtzaam als hij schreef. Ik heb hem nooit zijn stem horen verheffen en nooit een onvolledige zin horen uitspreken. Taal was voor hem niet iets dat je zonder aandacht kon gebruiken. Hij hield ervan met zijn zachte en melodieuze stem woorden bij wijze van spreken te strelen en ze in een perfecte zinsschikking te brengen, waar plompe of pathetische wendingen uit geweerd werden. Dat respect voor taal kenmerkte zijn hele wezen. Of het nu de criticus, de docent of de dichter was: alles ging om de waarde daarvan, die alleen beseft kon worden door er volledig voor open te gaan staan.

Zo gaf hij zijn poëziecolleges. Hij draaide om een gedicht heen, las het voor, nam tijd, wachtte op reacties. Dan pas zoomde hij in. In de bundel Voortgezette schepping die hij aangeboden kreeg bij zijn afscheid als docent aan de Universiteit van Amsterdam (2006),  omschrijven zijn collega’s het zo: ‘Generaties studenten hebben van hem geleerd wat het betekende om zich een gedicht eigen te maken. Ze zullen zich herinneren hoe Tom eerst om het gedicht heen cirkelde, als een merel om een appel voor hij erin doordringt. Zoals de merel erom heen draait, een positie kiest, en dan pas zijn snavel erin steekt om voorzichtig bij de kern, het klokhuis, te komen, en de zaden open te leggen, zo las Tom het geheel voor, en las het vers nog eens, en bekeek het weer, en dan pas brak hij het open, voorzichtig, laagje voor laagje, rustig en altijd vragenderwijs. Nooit zou hij iets stellig beweren, maar altijd met weinig woorden, de studenten groepsgewijs aankijkend, om instemming vragend. Meestal met een voorwaardelijke negatie: “zou het niet kunnen zijn dat hier staat…?”’[1] Hij had geen haast en legde geen interpretaties op.

     En toch wist hij in zijn bedachtzaamheid ook bewondering over te brengen. In een stuk over Simon Vestdijk schiet hij uit zijn habitus en schrijft hij dat diens poëzie ten naaste bij alles is wat poëzie kan zijn: ‘tegelijk mooi, stroef, lyrisch, bespiegelend, ontroerend, intelligent, ironisch, pathetisch, vernuftig, gemaniëreerd, hooggestemd, parlando, klein, groot, gewrongen, cerebraal, gevoelig, geraffineerd, gedreven, nuchter, romantisch, historisch, mythisch’. Drieëntwintig adjectieven had hij nodig om dat wat poëzie voor hem is te omschrijven.[2] De analyse ervan was voor hem belangrijk. Hij was tegen de opvatting dat ontleding een gedicht zou slopen: ‘Een goed gedicht blijft ook na een uitputtende analyse raadselachtig en onbegrepen genoeg. Er moet juist wel over gedichten gepraat worden, want als dat niet gebeurt bestaan ze niet meer. Er moet ook over gedichten geschreven worden, want als dat niet gebeurt, wordt er hooguit nog over ze gepraat en dat duurt dan meestal niet lang meer’.[3]

     Als criticus heeft hij een groot aantal jaren een sleutelpositie ingenomen onder de Nederlandse recensenten. Trouw was van 1969 tot 2008 zijn podium, en daarin verschenen wekelijks zijn weloverwogen stukken. Veel van die recensies werden verzameld in bundels – indertijd zagen uitgevers daarin nog heil – in bijvoorbeeld De komma bij Krol en andere essays (1986) of Recensies (1980). Als medeoprichter en redacteur van De Revisor had hij de kans om jonge talenten voor het voetlicht te brengen. Zoveel critici, schrijvers en neerlandici zijn door hem op weg geholpen: Rob Schouten, Guus Middag, Yra van Dijk, Menno Hartman, Jeroen Vullings, Marjoleine de Vos, Thomas Möhlmann. Ikzelf ook. Ik was nog student toen ik de brieven van De Schoolmeester (Gerrit van de Linde) ontdekte. Hij was toen al docent en was razend enthousiast over wat ik boven water gehaald had. Samen gaven we toen een collegereeks over de gedichten van De Schoolmeester, en daarna gaven we samen een editie van de gedichten uit. Hij introduceerde mij bij De Revisor met mijn eerste stukken, hij bracht me bij uitgever Querido. Hij wees me op het ritme van zinnen, hij leerde me niet tevreden te zijn met het eerste resultaat, hij liet me kennismaken met bibliofiele uitgaven. Hij leerde me ook dat deadlines er zijn om ze te overschrijden.

 Naast Trouw en De Revisor waren er tientallen andere tijdschriften waarin hij publiceerde: Literama, Bzzlletin, Tirade, Vrij Nederland, Maatstaf, de Achterbergkroniek, de Vestdijkkroniek, Raster. Bovendien verzorgde hij jarenlang korte recensies voor bibliotheken, die bepaalden of een boek aangeschaft werd of niet. Voor de neerlandistiek is van belang dat hij mederedacteur was van het omvangrijke Kritisch Lexicon en van Het literaire klimaat 1970-1985. Ook stelde hij bloemlezingen samen (Lees eens een gedicht en Lees nog eens een gedicht), maakte hij interviews met toonaangevende schrijvers (verzameld in Bij het schrijven) en was hij betrokken bij edities van Vestdijk, Lehmann en Van Geel.  

Hij had een uitgesproken voorkeur voor bepaalde schrijvers: voor Leo Vroman, Gerrit Krol, Simon Vestdijk, Chris van Geel, Willem Brakman, Jeroen Brouwers, Willem van Toorn. Hij had met enkele van deze ook een vriendschappelijke band, evenals met andere schrijvers zoals Nicolaas Matsier, Tomas Lieske, Martin Reints en Willem Jan Otten. In bepaalde kringen, zoals die van Propria Cures, werd hem dat aangerekend. Er werd hem verweten dat hij persoonlijke omgang had met schrijvers die hij ook recenseerde, en dat dat hem zou verhinderen kritisch te zijn. Dat hij ook zeer geregeld in jury’s van belangrijke prijzen zat, versterkte de gedachte dat hij vooringenomen zou zijn. Wie hem gekend heeft, weet dat dit onzin is: alleen al het feit dat dionysische schrijvers als Brakman en Brouwers door hem evenzeer gewaardeerd werden als de sobere Van Geel en Faverey, zegt voldoende.

 De laatste jaren trad hij niet meer als criticus op. Hij had zijn positie bij Trouw opgegeven omdat hij niet meer zelf kon bepalen wat hij bespreken wilde. Dat podium miste hij, en dat stemde hem droevig. Ook de studenten miste hij sinds hij in 2006 afscheid had genomen van de universiteit. Zo bleef alleen de dichter over, die in 2016 nog een bundel uitgaf bij Querido en daarna nog enige gedichten in bibliofiele kleine oplagen voor intimi liet drukken.

De dichter Tom van Deel laat vooral de natuurliefhebber zien. Tom hield van vogels, van het Hollands landschap, van het Griekse. Als er ijs lag, nam hij vrij om lange tochten te maken in Noord-Holland. Hij is ook als dichter bedachtzaam, van de 23 woorden voor Vestdijk gaan voor hem omschrijvingen als pathetisch, hooggestemd, groot, gewrongen, cerebraal, historisch, mythisch niet op. Maar grote onderwerpen gaat hij niet uit de weg. Zoiets als dit:

Het is weer helemaal genieten. Zo

zou het altijd moeten zijn: licht

en vredig dus, alsof alles ineens

voor altijd en nooit weer is. Geen

lengte van dagen, geen gevoel van

weg te moeten en te huilen. Nooit

gaat meer iets voorbij.[4]

Het is nu wel voorbij.


[1] Nico Laan, Marita Mathijsen, Thomas Vaessens, ‘Nawoord’. In: Tom van Deel, Voortgezette schepping. Amsterdam 2006.

[2] Tom van Deel, ‘Waarom ik van Vestdijk houd’. In: Vestdijkmededelingen 27 (1998), 2.

[3] Tom van Deel, ‘Luisterende stemmen’. In: Een verbeelde God. Zoetermeer 2001.

[4] T. van Deel, Glorie. Privé-druk 2010-2011.

Censuur op Bilderdijks Afscheid

Het publiek moet uitzinnig van enthousiasme zijn geweest toen Bilderdijk het gedicht ‘Afscheid’ voordroeg voor de Amsterdamse Afdeling van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen en Kunsten op 10 januari 1811. Dit is het slot:

Bilderdiijkafscheidslot

Hij had daarvoor het publiek een treurig beeld van het vaderland voorgehouden, dat hij had zien zinken in een diepe val. ‘Holland is geweest’, meende hij, en hijzelf ook: dit zou zijn zwanenzang zijn. 362 alexandrijnen lang beschrijft hij zijn eigen dichterschap dat altijd hooggestemd was, maar nu kan hij niet meer. In zijn jeugd, de achttiende eeuw, was het bar en boos gesteld met de dichtkunst: Vondel was vergeten en dichtkunst was niet meer dan laag-bij-de-gronds kruipen. Hijzelf had hoger doelen: ‘Zij is geen spruit van de aarde, de Dichtkunst die ons blaakt; zij is van hooger waarde’, ze is ‘in hemelvuur geteeld’. Hij had zijn snaren aan het vaderland gewijd en zag dat vaderland gelukkig – maar hij zag het ook vallen:

De naam van ’t Vaderland, van Holland is geweest.

Zie daar mijn’ laatsten snik; met dien geve ik den geest.

Met ‘DE DICHTER WAS!’ besluit hij de alexandrijnen. Dan volgt een balladeachtig besluit van ruim honderd regels van twee of drie jamben waarin hij de val van Napoleon voorspelt:

Dees ellenden

Gaan volenden;

En, verpletterd wordt het juk.

Het was moedig van Bilderdijk om zich in het openbaar uit te spreken tegen de Franse overheersing. Weliswaar was hij niet steeds anti-Napoleon geweest, maar wat hij nu liet horen was niet mis te verstaan. Kennelijk was er geen politie in de zaal, want opgepakt werd hij niet. In de Bilderdijkbiografie van Honings en Van Zonneveld staat dat er geen getuigenissen overgeleverd zijn van aanwezigen bij de voordracht, maar dat klopt niet helemaal. Theodorus van Kooten, hoogleraar en politicus, was erbij geweest en schreef daarover heel summier aan een vriend. Hij had een kopie van het handschrift gekregen en las die tot drie keer toe: ‘Dat is poëzy! poëzy van het begin tot het einde!’

Toen Bilderdijk het gedicht wilde publiceren in zijn bundel Winterbloemen (deel 2) kreeg hij het wel aan de stok met de censuur. Hij publiceerde slechts 272 van de in totaal 476 regels. In de bundel kondigde de uitgever aan dat de rest zou volgen. Er kwam dus een verminkt gedicht in de Winterbloemen te staan.

Bilderdijkafscheid

Hoe werkte dat indertijd met de censuur? Alleen een beperkt aantal uitgevers kreeg vergunning om te drukken. Als een van de erkende uitgevers iets wilde uitgeven, moest die aan de politieprefect verlof vragen. De prefect stuurde vervolgens een lijst met aanvragen door naar de Direction Génerale de l’Imprimerie et de la Librairie te Parijs. Wanneer de Direction liet weten achterdocht te koesteren, moest de uitgever vijf exemplaren van het handschrift opsturen naar diverse instanties. Een Nederlandstalige censor in Parijs keek het manuscript na. Als deze geen vuiltje aan de lucht zag, stuurde hij zijn goedkeuring naar de prefect, die de instemming weer meldde aan de drukker. Was het werk eenmaal gedrukt, dan moesten er opnieuw exemplaren ingeleverd worden en dan kwamen er soms nog achteraf verboden. Van de uitgever werd verwacht dat hij zelf censuur toepaste voor hij de weg van de officiële censuur insloeg.

De Haarlemse uitgever Bohn, bij wie Winterbloemen verscheen, had een drukvergunning. Hoe het nu gegaan is met de censuur op Bilderdijk is nog nooit tot op de bodem uitgezocht. Er moeten bij het Nationaal Archief en bij de Franse archieven van de Direction Génerale vast wel documenten over deze kwestie bewaard zijn, maar daar is nog geen onderzoeker ingedoken. Wel weten we dat Bilderdijk eind oktober 1811 al erover klaagde dat het tweede deel van Winterbloemen vertraging opliep door de ‘Heeren Censeurs’. Eind van dat jaar was er toestemming, maar terwijl het laatste blad (16 pagina’s) werd afgedrukt kwam er weer een verbod. De censuur wilde een paar regels veranderen en andere schrappen, maar Bilderdijk weigerde: hij liet het gedicht afbreken. Er is één compleet gedrukt blad bewaard gebleven van die verboden versie. Ook is er een afschrift bewaard waarop aangetekend staat wat de censoren precies wilden schrappen of veranderen.

November 1813 was duidelijk dat het Napoleontische regime gevallen was en daarmee ook de staatscensuur beëindigde. Tientallen dichters klommen in de pen om Hollands vrijwording en de terugkeer van Oranje te bejubelen. Zo ook Willem Bilderdijk en zijn vrouw, die samen eind 1813 de bundel Hollands verlossing, ook bij Bohn, lieten verschijnen, met een twaalftal vaderlandslievende gedichten. Daarin kwam nu ook het hele ‘Afscheid’ te staan, met het fameuze slot. Bilderdijk zelf én zijn lezers konden het nu zelf lezen: Bilderdijk was een ware voorspeller van ‘het juichensuur’ geweest. Maar de profeet had ongelijk gehad met de aankondiging van zijn stervensuur. Er wachtten hem nog twintig jaar.

[Ik ontleende gegevens aan de ongepubliceerde uitmuntende scriptie: J.E. van de Wege-de Rooy, Willem Bilderdijks Afscheid. Een deelstudie. Utrecht 1992. En aan: Marita Mathijsen, ‘Manuscriptkeuringen en boekverboden. Censuur rond de Franse tijd’. In: Marita Mathijsen (red.), Boeken onder druk. Censuur en pers-onvrijheid in Nederland sinds de boekdrukkunst. Amsterdam 2011, 59-74. Het unieke blad van de verboden versie werd bewaard in het voormalig Bilderdijk Museum; het afschrift Tydeman met censuuraantekeningen is nog in de KB te vinden.]