Welkom

Image

 

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
Doordat ik dagelijks werk aan de biografie van Jacob van Lennep, kom ik heel veel nieuwe dingen uit de negentiende eeuw tegen: schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, recepten, ziekteverschijnselen en natuurlijk prachtige zinnen. Daarvan wil ik in dit blog verslag doen.

Een traan en een bloem

JvL 2016-08-25Vandaag 148 jaar geleden rond zeven uur in de avond stierf Jacob van Lennep in een hotel in Oosterbeek. Het moet net zo’n hete dag zijn geweest als vandaag, want het lijk werd in een schuur gezet. Zijn vrouw was daar diep door gegriefd. Hij werd snel begraven, want de vliegen waren kwamen al op de lijkengeur af. Ik heb er verleden jaar een blog over geschreven. Op het graf in Oosterbeek is vandaag één boeket witte rozen gelegd door vriend Henk Eijssens. Verder was er geen mens. Ook ik niet. Het portret van Jacob stond vandaag wel op mijn werktafel, ik had zijn haarlok erbij gelegd met enkele bloemen uit mijn tuin en een kaarsje.

werktafelbeneden25aug

Er is in de opera La Traviata van Giuseppe Verdi een heel verdrietig stemmende aria van de prostituee die de hoofdpersoon is. Ze ligt op sterven aan de tbc, verlaten door haar minnaars en door de enige man van wie ze gehouden heeft, en zingt:

Le gioie, i dolori tra poco avran fine,

la tomba ai mortali di tutto è confine!

Non lagrima o fiore avrà la mia fossa,

non croce col nome che copra quest’ossa!

(De vreugden, het verdriet zullen binnenkort voorbij zijn. Het graf is het einde voor alle stervelingen. Op het mijne zullen geen bloemen neergelegd worden en geen tranen gestort. Geen kruis met mijn naam zal mijn beenderen bedekken)

(luister naar deze opname met Anna Netrebko: https://www.youtube.com/watch?v=cSr7hh9mbyg )

Dat kan me zo verdrietig stemmen, dat er zovelen, zovelen vergeten zijn. Ten minste twee mensen dachten vandaag na 148 jaar aan Jacob van Lennep. Hoeveel doden zijn er niet waar niemand meer aan denkt?

Toevallig was vandaag de presentatie van het boek dat Geert Mak over de familie Six geschreven heeft. Mak vertelde dat Lucretia Six-van Winter, een tante van Jacob van Lennep, voor haar overlijden in 1845 bepaald had, dat ze pas mocht worden begraven als ze begon ‘te rieken’. Mensen waren toen collectief bang voor levend begraven, wat bij de cholera-epidemieën wel eens gebeurde. Toen ze overleed was het ijzig winterweer, de koudste februarimaand sinds anderhalve eeuw. Dus ze lag daar maar in huis in een natuurlijke vrieskist en bleef weken goed. De familie besloot toen maar de kachel in de kamer waar ze opgebaard lag op te stoken, totdat ze eindelijk naar haar graf gebracht kon worden. Wie zal er op 28 februari op haar graf een roos leggen?

Na 177 jaar ontdekt: de schrijver van de anonieme brief die in 1839 Van Lennep een benoeming als hoogleraar kostte!

In 1839 was er een nieuwe hoogleraar in de Vaderlandse Geschiedenis en Nederlandse Letterkunde aan het Amsterdamse Athenaeum nodig. Op de nominatie stonden drie mannen: Jacob van Lennep, Hugo Beyerman, hoogleraar aan het Deventer Athenaeum en de predikant Gilles Schotel. Geen van drieën zou tegenwoordig tot hoogleraar benoemd zijn. Beyerman was weliswaar al hoogleraar Geschiedenis en Nederlands in Deventer, maar hij had nog nauwelijks iets gepubliceerd. Schotel zou later een belangrijk historicus worden maar in 1839 moest hij nog naar buiten komen. Van Lennep had vooral verdiensten als schrijver van historische gedichten en romans. De voordracht gebeurde door curatoren van het Athenaeum (de latere Universiteit van Amsterdam), maar de gemeenteraad en de burgemeester beslisten.

De voordracht had al in de krant gestaan en iedereen verwachtte dat Van Lennep benoemd zou worden. Toen kwam er een anonieme brief binnen bij alle raadsleden van Amsterdam, met daarin een aanval op Van Lennep. Jacobs naam wordt weliswaar niet genoemd maar het was iedereen duidelijk dat hij de kop van Jut was. Volgens de anonieme brievenschrijver moest de nieuwe professor een man zijn ‘van eenen ONBESPROKEN levenswandel, wiens gedragingen de onmiskenbare blijken opleveren van zijne onwankelbare gehechtheid aan de beginselen van zedelijkheid en pligtsbetrachting, Godsdienst en deugd.’ En zo gaat de anonymus nog een tijdje door: als de opvolger geen eerbied heeft voor zedelijkheid en de ‘meest eerwaardigste en heiligste banden der zamenleving’, dan moet de raad beven voor de noodlottige gevolgen van zijn verderfelijke invloed op de onervaren en nog zo makkelijk te verleiden jeugd. De anonymus eindigt ermee de Raad aan te bevelen een man te kiezen van ‘een geheel ONBESPROKEN gedrag en van eenen deugdzamen en voorbeeldigen levenswandel.’ Nu, onbesproken en deugdzaam was Van Lennep niet.

Tot op heden wist niemand wie de anonieme brief had geschreven. Uit de correspondentie tussen de Leidse hoogleraar C.J. van Assen en de politicus Guillaume Groen van Prinsterer blijkt zonneklaar dat de Amsterdamse hoogleraar in de rechten CORNELIS DEN TEX de laffe schuldige moet zijn. Van Assen schrijft aan Groen: ‘Zeer vertrouwelijk deel ik u den brief mede van Den Tex, om het laatste gedeelte dat de voordracht betreft van Curatoren.’

Den Tex was een collega van Jacobs vader, hij had Jacob als student gehad, ze moeten elkaar geregeld gezien hebben in dezelfde koffiehuizen en sociëteiten. Ja, dan ga je over tot anonieme brieven.

De raad draaide na de anonieme brief om als een espenblad aan de boom. Vrijwel alle stemmen gingen naar Beyerman, die de benoeming maar al te graag aannam en maar al te snel een miskleun bleek.

Van Lennep was bitter teleurgesteld. Hij had als professor de boel eens willen oprakelen:

Ziet gij, daarom verlangde ik alleen een professoraat, om juist het tegenovergestelde te kunnen doen als mijn voorganger, en in stede van Vaderlandsche deugden en perfecties eeuwig op te hemelen, en den jongen lieden wijs te maken, dat niets goed en fraai was dan bij ons, hen te kunnen waarschuwen tegen de lafheid onzer natie: – tegen dat flik flooien van Groote heeren, tegen dat gemis aan alle zelfstandigheid, hetwelk god beter ’t ons pygmeeën zoozeer doet verschillen van onze voorvaderen – en daarom zal ik ook wel niet gekozen worden; – maar ik zal het verd[omme] toch uitkraaien.

En zo geschiedde: Van Lenneps produceerde het een na het andere boek over de vaderlandse geschiedenis, voor volwassenen, voor kinderen; leerzame boeken, sarrende boeken. Van Beyerman werd niets meer vernomen. En Den Tex? Ik hoop dat hij zich in zijn graf omdraait nu hij merkt dat zijn geheim onthuld is.

SB_1515-Het_gezin_van_Prof__Cornelis_Anne_den_Tex

Professor Den Tex met zijn gezin. Vast van ONBESPROKEN levenswandel.

Nootje: de brieven van/aan Groen zijn al in 1964 gepubliceerd. Niemand heeft deze passage eerder geïnterpreteerd.

Hoeveel onderbroeken neemt een heer mee op reis?

reisdagboekje18385epoging

Bent u al op vakantie? Heeft u een lijstje van wat u mee moet nemen? Streept u af wat al in het koffer zit of bent u zo iemand die denkt: als ik paspoort, pillen en tickets maar bij me heb kan ik de rest wel kopen, zo nodig? Hoort u bij degenen die voor elke dag van de vakantie een schone onderbroek meenemen of stopt u er drie in de rugzak en doet u onderweg wel een wasje? Dat soort keuzes maakten de heren in de negentiende eeuw niet. Zij lieten hun linnengoed in een hutkoffer vooruitsturen als ze reisden, en dan was het nodig dat er een goede inventaris was van wat er in het koffer zat. Men was zuiniger dan nu en beducht op diefstal. Een zakdoek alleen al vertegenwoordigde kapitaal. U herinnert zich misschien dat Oliver Twist in Charles Dickens’ roman opgepakt werd omdat hij een zakdoek gezakkenrold zou hebben. Er is een kledinglijstje overgebleven van toen Jacob eind augustus 1838 op reis ging naar Duitsland. Zijn vader had hem gevraagd naar de badplaats Ems te komen, waar hij vrouw en dochtertje begeleidde bij een kuur. Maar papa moest terug om college te geven, en vroeg Jacob zijn rol over te nemen. Jacobs achtjarige zoontje Maurits ging mee. In het koffer zaten:

6 hemden

4 onderbroeken

4 nachtmutsen

4 nachtdassen

3 blauwe wollen kousen

8 gebreide kousen

2 geweven kousen

4 luiers

4 overhemden 1 oud

12 boordjes

1 witte pantalon

zijden vest en gebloemd vest

14 zijden zakdoeken

2 wollen borstrokken

2 rokken en een buis.

Wat me het eerst opvalt zijn de luiers. Wat moet een man van 36 daarmee? Nu kunnen met luiers ook lappen bedoeld zijn, en bovendien zijn ouderwetse luiers erg geschikt als handdoeken, dus we hoeven niet aan te nemen dat Van Lennep incontinent was. Vreemd zijn natuurlijk ook de nachtmutsen en dassen, totaal niet meer bekend. Alleen van spotprenten ken ik ze nog, maar mijn opa, die toch in de negentiende eeuw geboren was, droeg ze niet. Hij droeg wel boordjes, dus een overhemd ging niet elke dag in de was want alleen het vuile boordje werd verwisseld. Vier onderbroeken en dertien paar kousen: dat moet wel betekenen dat Jacob dagelijks zijn kousen verschoonde, maar zijn onderbroek minder vaak. Het is jammer dat ik geen lijstje van zijn andere spullen heb aangetroffen. Ik weet niet of hij pijpen meenam of pruimtabak, nagelschaartje, haarborstel, pijnstillers (laudanum), tandpoeder, hoeveel schrijfveren, papier of inkt. Opvallend is ook dat het lijstje in de hand van Van Lennep geschreven is. Ik had eigenlijk het idee dat de vrouwen of personeel dergelijke koffers inpakten en dus ook de lijstjes maakten.

Nu is het grappige is dat ik ook een lijstje van een reiskoffer van een dame heb, tante Lucretia van Winter, van een reis in 1809. Tante Lucretia neemt onder andere twaalf hemden mee, acht onderbroeken, zes onderrokken, acht nachtjakken, achttien paar kousen, tien luiers, een fluwelen hoed en een van stro, een parasol. Ook zij neemt dus luiers mee. Mijn vrouwelijke nieuwsgierigheid doet me in haar lijstje zoeken naar maandverband. Tante was toen 24 jaar, en de reis zou een ruime maand duren, dus zij had dat wel nodig. Ik zie een afkorting: dmb, twaalf stuks. Zou dat zoiets zijn als ‘damesmaandbandage’? Misschien is er een heel oude reizigster onder mijn volgers (inmiddels 765) die me het doel van die luiers en de betekenis van dmb kan uitleggen?

Buiten spreekt noch denkt men over cholera en verdrinkt de kwellingen des levens in goeden wijn!

Kom maar naar Woestduin, schreef Jacob van Lennep op 30 augustus 1832 aan een vriend, ‘waar men over geene cholera spreekt noch denkt en de kwellingen des levens in goeden wijn verdrinkt’. Drie weken later meldde hij aan een andere vriend dat hij voor de choleracommissie in Amsterdam moest zijn en zijn buitenhuis Woestduin, bij Heemstede, ging verlaten. Rijkelui konden de cholera ontvluchten in hun buitenhuizen, maar Van Lennep had zich aangemeld voor de choleracommissie, uit een gevoel van burgerplicht. Wat kreeg zo’n commissie voor de kiezen? Dat moet niet meegevallen zijn. Cholera is geen fraaie ziekte. De bekende arts W. Vrolik stelde Berigten betreffende de Asiatische Cholera te Amsterdam samen en daarin staan de symptomen beeldend beschreven. De lijders braken onophoudelijk een vuil-witachtig vocht met een walgelijke geur. Ze hebben ook buikloop, van hetzelfde smerige vocht. Hun ogen zinken diep in, ze zijn bloeddoorlopen, en alle glans is verdwenen. Van buiten voelen ze ijskoud, maar van binnen klagen ze over een ondraaglijke hitte, waardoor hun dorst onlesbaar is. Het gezicht is bleek en blauw, de lippen grauw loodkleurig, de nagels worden donkerblauw en er verschijnen blauwzwarte vlekken op de huid. Hun stem is hees en zwak. In een paar uur kunnen ze helemaal veranderen en bijna onherkenbaar worden.V0010485 A young Venetian woman, aged 23, depicted before and after

Jacob van Lennep moet daarmee geconfronteerd zijn. Want de choleracommissies, die per wijk werkten, moesten zorgen voor opsporing van patiënten, ontsmetting van de huizen van lijders, vervoer naar de cholerahospitalen en snelle kisting van doden die in een gesloten koets naar speciale begraafplaatsen gebracht werden. Ze moesten lijsten bijhouden van lijders per straat. In Amsterdam vielen tijdens deze eerste cholera-epidemie 1200 doden.

De cholera was tot de jaren dertig een onbekende ziekte in Europa. In 1830 zocht de ziekte vanuit India een weg naar Rusland. Russische legers namen haar mee naar Polen, en vandaaruit raakten ook Pruisische gebieden bezet. Engeland sloot zijn havens tevergeefs tegen schepen uit de Oostzee: ook daar brak de ziekte uit. Begin 1832 had de cholera Parijs bereikt, waar de bevolking hysterisch reageerde. Er ontstonden complottheorieën: artsen zouden beloningen krijgen voor armen die aan de cholera stierven, kasteleins zouden wijn vergiftigen en zelf antistoffen innemen. Vluchtelingen brachten vervolgens de cholera naar België. De Nederlandse regering verwachtte dat de cholera uit Frankrijk zou komen, zoals alle kwaad, en verscherpte de controle aan de Belgische grenzen. Maar het kwaad kwam uit de zee, via een vissersschuit die in Scheveningen aanlegde op 25 juni 1832. De eerste dode viel op 1 juli. Een maand later bereikte de cholera Amsterdam, via een schipper uit Rotterdam, die dezelfde dag nog stierf. In godsdienstige kringen werd de cholera beschouwd als een straf van God voor de opstanden tegen het gezag, Europawijd in 1830.

In de uitgebreide familie van Jacob van Lennep viel geen choleradode. Cholera zou een ziekte zijn die onder haar slachtoffers geen standsonderscheid maakt, maar de lijsten van doden spreken dat tegen. Doordat de mannen van de wijkcommissies de namen van de slachtoffers bijhielden, met beroep, adres en leeftijd, kun je nu nog zien dat er op de Herengracht en Keizersgracht vrijwel geen doden vielen, tegen vele tientallen in de dichtbevolkte jodenbuurten. Het vijfhonderste slachtoffer bijvoorbeeld, was Mozes Cohen, liedjeszanger, 35 jaar oud.

Het lijkt er niet op dat Van Lennep erg aangeslagen is geraakt door zijn ervaringen in de commissie, die toch heftig moeten zijn geweest. Een gedicht, ontboezeming of verwerking in zijn romans ben ik niet tegengekomen. Daarentegen moet hij wel verder gedacht hebben over de bestrijding. Toen hij zich een kleine dertig jaar later met zijn volle gewicht op de realisatie van de Amterdamse waterleiding stortte, moeten zijn herinneringen aan de eerste epidemie misschien wel meegespeeld hebben. Onbesmet drinkwater, dat was een eerste vereiste voor een gezonde stad.

'Death's Dispensary.' An 1866 cartoon indicating water pollution as a source of disease.

POLLUTION CARTOON, 1866. ‘Death’s Dispensary.’ An 1866 cartoon indicating water pollution as a source of disease.

Het standbeeld staat er!

IMG_4307Dit toespraakje hield ik vanmiddag enige minuten vóór de onthulling van het standbeeld:  Wist u dat u gemiddeld 120 liter water per dag gebruikt – 12 grote emmers, 120 flessen van 1 liter?  U, meneer de wethouder, die straks dit beeld gaat onthullen, ziet er nogal fris uit: u gebruikt misschien wat meer – u, mevrouw de kunstenares ziet er ook fris uit, maar misschien bent u nogal milieubewust – en gebruikt u wel wat minder. Maar wij met zijn allen profiteren van de zegening van voortreffelijk duinwater.

Hoe krijgen we dat water? De wethouder heeft al geschetst hoe moeilijk het vroeger was – en dat wij het nu zo makkelijk hebben, dank zij Jacob van Lennep, en goedkoop (wethouder Udo Kock gaat niet alleen over water, ook over financiën, vandaar).

Hoe het gegaan is, weten we: mevrouw Van Lennep wilde zo graag het duinwater van Heemstede in Amsterdam drinken, en daarop ging Van Lennep nadenken. Hij legde contact met de ingenieur Vaillant die al jaren bezig was met waterleidingsprojecten, hij leerde een ingenieur van de Londense waterleiding kennen en de plannen werden gesmeed. Die werden in de gemeente afgeserveerd. Een romanschrijver moest zich maar bij zijn fantasie op schrift houden, maar geen dolle dingen in zijn kop halen. Rijke Amsterdammers die een buitenhuis in de duinen hadden gaven een brochure tegen hem uit: Bedenkingen van eenige bewoners der duinen, over de physieke of finantiële mogelijkheid van eene waterleiding uit dezelve tot en in Amsterdam. Het kapitaal dat Van Lennep nodig had om het plan te financieren, kreeg hij niet van de grachtengordelkennissen. Van Lennep kende het woord ‘opgeven’ niet, dus ging hij naar Engeland en haalde daar kapitaal. Zijn familie hielp wel: papa David Jacob schonk Mariënduin, zijn zus Antje stond doorgraven op Leijduin toe, zijn neef Johan Frederik gaf terrein Groot Bentveld prijs. Op 11.11.1851 kwam het kroonprinsje naar de plek waar het duinwater uit de grond welde en stak de eerste schop in de grond. Van Lennep hield een toespraak waarin hij de onverschilligheid, kortzichtigheid, benepenheid, kleingeestigheid van zijn medeburgers hekelde.

Twee jaar later had Amsterdam de eerste waterleiding van Nederland. Het verhaal gaat dat Van Lennep om de grachtengordel te jennen speciaal het water eerst naar de Jordaan bracht: maar om bij de grachtengordel te komen móest hij wel eerst door de Jordaan…

In 1896 werd de Duinwater Maatschappij overgenomen door de gemeente – en toen waren er mensen die opperden dat er een plaquette of borstbeeld voor Van Lennep moest komen. Dat gebeurde toen niet. Hoe komt het dat er nu, 165 jaar later, wel een standbeeld voor hem is?

In 2003 werd 150-jarig bestaan van waterleiding gevierd. Ik mocht toen een lezing geven – en toen heb ik gezegd dat Jacob van Lennep een standbeeld zou verdienen als schrijver, maar vooral als de man van het Amsterdamse water. Job Cohen, toenmalig burgemeester en Caroline van de Wiel, toenmalig directeur van het Waterleidingbedrijf, smoesden na de lezing met elkaar: dat standbeeld zou er komen. Een commissie, waarin ik ook zitting kreeg, schreef een wedstrijd uit, Lia van Vugt kreeg de opdracht. Maar er kwamen buurtbezwaren, inspraaksessies, nieuwe ontwerpen, afkeuringen, milieuverordeningen – het plan leek in het slop te raken. En toch is men op het stadhuis met de vasthoudendheid die ook Van Lennep kenmerkte doorgegaan.

Het is met grote trots dat ik vandaag bij deze onthulling ben: trots dat Van Lennep gekregen heeft wat hij verdient, trots dat ik daaraan heb kunnen bijdragen, en vooral: trots op het Amsterdamse water. Uit allerlei onderzoekingen blijkt het zo ongeveer het beste stadswater ter wereld te zijn. En dat komt zomaar uit de kraan – dank zij Jacob van Lennep.

IMG_4288

Marita Mathijsen spreekt

IMG_4292

Louis van Lennep spreekt

IMG_4315

Mijn hondje Mimi was er ook

Onthulling 6 juli 12 uur

Duinwater12dec

Op 6 juli om 12 uur is de onthulling van het standbeeld van Jacob van Lennep. Het Waternet heeft een besloten bijeenkomst ervan gemaakt, maar het gebeurt in de openbare ruimte, dus daar mag iedereen komen die graag wil zien welke plek Jacob van Lennep toegewezen heeft gekregen, en of het beeld van Lia van Vugt mooi spiegelt met het water erachter. De onthulling wordt gedaan door wethouder Udo Kock met als portefeuilles Financiën, Waterbeheer, Coördinatie Decentralisaties, Aanpak Subsidies en Stadsdeel West. Als ik probeer samenhang te zien tussen die portefeuilles moet het iemand zijn die zorgt dat er zonder subsidie geld komt voor drinkwaterkraantjes in heel de stad en niet alleen op de Dam en dan speciaal in Stadsdeel West, of zoiets. Ik hoop dat Udo op het idee komt het beeld te dopen met een fles Amsterdams water! In 1853 moest er nog een cent per emmer duinwater betaald worden.

Het programma is:

12.05 uur        welkomstwoord door Roelof Kruize, algemeen directeur Waternet

12.10 uur        wethouder Udo Kock

12.20 uur        Marita Mathijsen

12.30 uur        jhr. mr. Louis H. van Lennep, voorzitter Van Lennep Stichting

12.40 uur        overdracht kunstwerk Van Lennep door Wethouder Kock aan stadsdeel Centrum

12.45 uur        opening aanlegsteiger door Boudewijn Oranje, ‎voorzitter bestuurscommissie stadsdeel Centrum, gemeente Amsterdam

Ik nodig u uit met een glas Amsterdams water hierop te proosten!

 

 

Hengstenkeuring

Landbouwcommissie14fb1828Opregte

De eerste betaalde baan die Jacob van Lennep kreeg, was op voorspraak van zijn schoonvader in 1827. Voor 600 gulden per jaar werd hij secretaris van de Landbouwcommissie van Noord-Holland. Ik kan moeilijk beweren dat dit werk Van Lennep op het lijf geschreven was. Bij de voornaamste bezigheden hoorde dat hij elk jaar hengsten keurde, en merries om die vervolgens aan elkaar te paren zodat er goede veulens voor het Rijk beschikbaar kwamen. De boeren die een merrie door de keuring kregen, ontvingen een premie als het beest gedekt werd door een rijkshengst. Hoe Van Lennep die geen enkele veeartsenij-opleiding had genoten merries keurde, is me onduidelijk. Hij zal hooguit vanuit zijn menselijke ervaringen enig inzicht gehad hebben in de bereidwilligheid van merrie en hengst om elkaar te verwelkomen. Vergaderingen waren er twee per jaar, meestal in het huis van de voorzitter ‘waarbij men zich niet bepaalde bij theoretische beschouwingen over hetgeen landbouw en veestapel betrof, maar ook van hun voortbrengselen aan den gezelligen disch een praktisch gebruik maakte’. De leden van de commissie waren vrijwel allemaal afkomstig uit de hoogste coterieën van Amsterdam. In 1836 werd ook papa Van Lennep lid van de landbouwcommissie, en die had in elk geval verstand van aardappelen, terwijl de meeste leden van geen enkel gewas kennis hadden. Hoogtepunt van het jaar was de tocht naar de Waddeneilanden, waarvoor het koninklijk jacht Batavia ter beschikking stond. Soms leverde die tocht problemen op, als de zee te woest was zodat ze gedwongen waren enige nachten in Tessel of Terschelling te blijven. Met glaasjes sterke drank, flessen fijne wijn, kaarten en biljarten doodden ze de tijd.

Ook toen kwam het al voor dat ze moesten ‘ruimen’ als er een veeziekte uitgebroken was. Van Lennep kon daar slecht tegen. Met name in 1837 woedde de besmettelijke longziekte onder het vee. Wel waren de aantallen runderen of varkens in de stallen waren natuurlijk veel minder hoog dan nu, maar voor Van Lennep waren twintig stukken vee die afgemaakt moesten worden even aangrijpend als de duizenden afgemaakte varkens waarvan wij de beelden nog op ons netvlies hebben staan. ‘Een daad zoo woest doet mij ’t hart nog bloeden’, schreef hij en in zijn oren klonk het erbarmelijk loeien van de besmette koeien als een vloek. In Muiden was ook longziekte geconstateerd, en nadat op bevel van de landbouwcommissie de beesten onthalsd waren had Van Lennep ‘in de openlucht 5 uur naar de oorzaken in de lillende ingewanden gezocht’. De archieven van de Commissie van Landbouw voor Noord-Holland zijn overigens al sinds 1949 zoek, zodat ik alleen over informatie uit brieven beschik.

De bezuinigingspolitiek van regeringen na 1840 leidde tot stevige discussies in de kamer over de landbouwcommissies. Onder Thorbecke werden ze in 1851 opgeheven. Jacob van Lennep kreeg salaris tot 31 december 1850.

 

Onthulling standbeeld 6 juli

2016-05-27 12.40.08

Wie door de Haarlemmerpoort richting de trekvaart kijkt, ziet het uitgesneden silhouet van Jacob van Lennep al staan. Het beeld van de kunstenaar Lia van Vugt is nog ingepakt, maar het is toch al goed herkenbaar. Van Vugt heeft de bekende foto van de oude Van Lennep doormidden gesneden, een helft (nog ingepakt) geeft in reliëf de foto weer op een metalen plaat, de andere helft is uitgesneden en wordt dus door het water van de trekvaart naar het duingebied ingevuld. Er zijn spiegels voorzien die het water en het portret en de toeschouwer weergeven. Op de sokkel zullen toepasselijke dichtregels van Jacob van Lennep komen te staan.

Wethouder Udo Kock van financiën, water en stadsdeel West (… bien étonnés de se trouver ensemble) zal op 6 juli (ja u leest dit goed, eerder had de baas geen tijd) het standbeeld onthullen. Hoe laat is nog niet bekend, maar dat zal wel 4, 5 uur in de middag zijn. Ik meld het u zodra ik het weet, en ik hoop dat familie en liefhebbers bij elkaar zullen komen om dit eerbetoon aan de man die Amsterdammers nog steeds dagelijks dankbaar moeten zijn voor het gezonde duinwater. En dan spreek ik niet van andere dingen die we ook aan hem te danken hebben: mooie romans, de oprichting van een toneelspelersopleiding, behoud van de Ridderzaal, Vondelstandbeeld, eerste uitgave van de Verzamelde werken van Vondel, vroege plannen voor een Rijksmuseum, gedenkteken voor Bilderdijk, financiële ondersteuning uit eigen zak van behoeftige schrijvers zoals Multatuli en Gerrit van de Linde (De Schoolmeester). Het standbeeld krijgt hij voor het water, maar voor mij telt de rest ook mee. Dat hij naast een held ook een schavuit was, dat leest u straks wel in de biografie.

Een beroerd portret

Toussaint1847TijdRegionaalarchAlkmaar

We weten nu niet beter dan dat schrijvers vaak met hun bakkes in de media komen. Iedereen kan zich het verkreukelde gezicht van Connie Palmen voor de geest halen, de kop van Tom Lannoye met een grote blauwe/rode/groene bril, of de krullenbol van Arnon Grunberg. Dat was in de negentiende eeuw wel anders. Natuurlijk moest eerst de fotografie uitgevonden worden voordat portretten van wie dan ook massaal verspreid konden worden. Maar al voor de uitvinding van de fotografie begonnen de mensen te verlangen naar afbeeldingen van schrijvers. Schrijvers waren helden! De fans van Byron, Walter Scott en Victor Hugo wilden zich een gezicht kunnen voorstellen. De schrijver van de Romantiek gedroeg zich als een celebrity en kreeg allures. Harry Mulisch had zijn voorgangers… Vóór de uitvinding van de fotografie moesten tekenaars in portretten voorzien, en die werden dan gegraveerd of gelithografeerd door iemand die daarin bekwaam was. Zo’n gravure of litho verscheen in een almanak of tijdschrift, of het werd los verkocht. Ook de schrijfster Truitje Toussaint was zo beroemd geworden dat het tijdschrift De tijd in 1847 een portret van haar liet maken. Het resultaat was echter abominabel. Haar moeder in Alkmaar herkende haar niet, de burgemeester van Alkmaar wilde een advertentie zetten dat de litho geklungel was en in niets op de begaafde schrijfster leek, zijzelf meende dat er malaise op haar gezicht stond te lezen. Toen Jacob van Lennep het portret onder ogen kreeg, schreef hij de gekwelde schrijfster een brief met een versje op De tijd, het blad dat het beroerde portret verspreid had:

 O Tijd! Het is gewis met reden,

Dat soms door velen is gevraagd,

Of gij uw naam naar waarheid draagt.

Maar thands hebt gij het pleit volstreden,

Nu ge aan Geertruidaas beeld u waagt.

Want jeugd, vernuft, bevalligheden,

En geestvol oog en nette leden,

In ‘t kort, al wat in haar behaagt,

Hebt gij gesloopt en weggevaagd.

Een tip van de sluier opgelicht

StandbeeldopgeladenEen oplegtruck gaat op weg van Oss naar Amsterdam met…. inderdaad, HET STANDBEELD VOOR JACOB VAN LENNEP, BIJ DE HAARLEMMERPOORT. Hier heb ik al heel lang over gefantaseerd, heb aangedrongen bij geïnteresseerden, heb mee plannen ontworpen, wedstrijd uitgeschreven, voorstellen beoordeeld, gepleit, overlegd op de gemeente en bij het waterleidingsbedrijf, heb nooit gedacht dat het rond zou komen, hoewel de plannen afgerond bij de gemeente lagen. En opeens liep alles op rolletjes, zonder dat ik er nog iets voor hoefde te doen. Morgenochtend om zeven uur ‘s ochtends komt het beeld (het is eigenlijk een plaat) aan bij de poort, maar het blijft ingepakt tot de onthulling – en de gemeente weet nog niet wanneer die is. Maar voor mij is het morgen al feest!

Volg

Ontvang elk nieuw bericht direct in je inbox.

Doe mee met 793 andere volgers