Welkom

Image

 

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
Doordat ik dagelijks werk aan de biografie van Jacob van Lennep, kom ik heel veel nieuwe dingen uit de negentiende eeuw tegen: schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, recepten, ziekteverschijnselen en natuurlijk prachtige zinnen. Daarvan wil ik in dit blog verslag doen.

De duivelse viool

107e4d13e9cccd105c66db3d71ef439e

Jacob van Lenneps romans zijn nog wel enigszins blijven hangen in het collectieve geheugen van oudere Nederlanders. De Ferdinand Huyck stond nog wel eens op literatuurlijsten in de tijd dat leraren Nederlands … – nee, ik ga niet klagen, vul zelf maar in wat hier moet volgen. Toneelstukken van Jacob van Lennep kent helemaal niemand meer, en toch heeft hij er een stuk of veertig geschreven. Bij een of andere herdenking jaren geleden is zijn toneelstuk Het dorp aan de grenzen, waarin Belgen belachelijk worden gemaakt, nog wel eens opgevoerd.

Ik weet ook niet zeker of ik een pleidooi zou willen houden om zijn meest idiote stuk, De betooverde viool en het bloemen-oproer, een anakreontisch, romantisch, fantastisch, bloemrijk, tragi-komisch, met zang, dans en verderen vreemden toestel vercierd drama-ballet uit 1851 te heropvoeren. Maffer toneel is waarschijnlijk nooit geschreven. Stelt u zich een musical uit de stal van Van de Ende voor, een revue van André van Duyn, een script van Maria Goos en een voorstelling van Hans Klok, gooi die bij elkaar in een pan, roer eens flink, haal er een willekeurige schep uit en flikker dat op een podium, dan heb je misschien een idee van wat Van Lennep hier deed. Het was een bewerking van een stuk dat hij in Londen gezien had, en hij meende dat het een kassakraker zou worden. Nog nooit was aan het Leidseplein een stuk vertoond, ‘zoo rijk aan onwaarschijnlijkheden, aan anakronismen, aan dwaasheden, aan duivelskunstenarijen, aan onmogelijke toestanden’, schreef hij zelf. Hoofdpersoon is een werkloze violist die verliefd is op een freule. Maar hij wordt belaagd door een edelman die dezelfde freule om haar geld begeert. Freules papa heeft liever een geldjager mét adelstitel dan een armoedige kunstenaar. De dokter die optreedt blijkt de duivel zelf in vermomming te zijn. Dan verrijst ook nog de zeventiende-eeuwse duivelbanner Balthazar Bekker uit zijn graf op de planken. Het stuk begint in een herberg waar een bloemist overstuur binnen komt vallen, want hij heeft net de duivel gezien. Kort daarna treedt die dan ook in de gedaante van een zwartgeklede dokter binnen. Hij raakt in gesprek met de violist, en de dokter belooft de suïcidale kunstenaar aan zijn freule te helpen, maar alleen als hij zich aan zwarte kunst wil overgeven. Of hij daartoe zijn viool wil overhandigen. De mistroostige loser doet dat, waarop de dokter geesten oproept die onder veel rookwolken en gierende geluiden het instrument betoveren. Er volgt totale ontreddering van alle personages, want onder invloed van de duivelse dokter bedriegt iedereen elkaar. Maar het doel is bereikt: de freule wordt inderdaad verliefd op de violist, die zich op zijn betoverde viool ontpopt als een rattenvanger van Hamelen. Iedereen valt nu als een baksteen voor hem. De laatste akte speelt zich af in een broeikas waar lelies, dahlia’s, anemonen en andere bloemen tot leven gekomen zijn. Stelt u zich dus Halina Reijn als dahlia voor. Maar de bloemenpersonages zijn bepaald niet lieflijk, integendeel, ze worden onbehoorlijk agressief ten opzicht van de bloemist, die ze aanvallen om zijn snijgedrag. Uiteindelijk krijgt de violist zijn freule door de tussenkomst van Balthazar Bekker die en passant de duivel verdrijft. Bovendien weet Bekker de muzikant nog aan een koninklijke afkomst te helpen, zodat de papa van de freule in kan stemmen met het huwelijk – zie dit als zelfspot met Van Lenneps eigen romans over vondelingen die van hoge geboorte blijken te zijn. Het stuk is helemaal op rijm, er zitten nogal wat toespelingen op de actualiteit in. Zeker verwijst Van Lennep ook naar de razend virtuoze altijd in het zwart geklede violist Nicolai Paganini, die een duivel op de viool genoemd werd, en een slokje Faust en zijn zielsverkoop aan Mephisto zit er ook in. Morbide grappen te over, bijvoorbeeld wanneer de bloemist met een tuinschaar het verliefd kussende paartje probeert te scheiden. Tegen zoveel absurdisme was het Nederlands publiek niet opgewassen. Het stuk viel als een baksteen.

“Was er iemand ooit zoo ongelukkig?”

Een van Van Lenneps beste vrienden was de domineedichter Willem Veder. Dramatisch was wat er in 1842 gebeurde met hem, toen hij zich net als predikant in Dordrecht gevestigd had. Ik kan die familieberichten niet met droge ogen lezen. Binnen een maand stierven zijn twee zoontjes van één en drie jaar, waarschijnlijk aan de mazelen.

ddd_010521103_mpeg21_p005_image

ddd_010978986_mpeg21_p004_image

Negen dagen na de dood van de kleine Aart stierf Veders jonge vrouw aan t.b.c. of tering, de ziekte waar zoveel jonge mensen in de negentiende eeuw aan ten onder gingen. Ze trof mensen uit alle klassen, en pas in 1882 ontdekte Robert Koch de bacterie die de ziekte veroorzaakte. In veel romans, gedichten en opera’s overlijden mooie jonge meisjes eraan, in een ziekbed dat hun langzaam verzwakt en uitmergelt. In Van Lenneps laatste roman, Klaasje Zevenster, sterft de hoofdpersoon ook aan tering. De rouwadvertentie van Willem Veder in de Opregte Haarlemsche Courant is hartverscheurend:

ddd_010521118_mpeg21_p002_image

Maar nog was de beker van smart niet leeggedronken. Twee dochtertjes verloor hij daarna nog:

ddd_010979036_mpeg21_p004_image

ddd_010979056_mpeg21_p003_image

Begin januari 1843 bleef hij alleen achter met nog één kind, dat hij bij zijn moeder onderbracht. Opnieuw schreef Van Lennep hem:

Bij zulk een lijden als het uwe, bij zulke herhaalde slagen is er geen midden tussen ongeloof en aanbidding. Hier moet men of een blind noodlot aannemen, dat zonder onderscheid, zonder medelijden, zijn slagen vallen laat, of … een onbegrijpelijke liefde, die slaat, maar weder heelen zal, die foltert, maar om weder te verblijden.

Voor de dominee zocht Van Lennep troostwoorden in de godsdienst, maar besefte ook dat die geen oplossing boden.

Wel is Gods hand zwaar over u en over uw huis, arme Vriend! ’t Is hartverscheurend en ontzettend, zelfs voor hen, die u niet kennen, en die op het lezen dier herhaalde doodmaren, de handen vol weemoed en medelijden in elkander slaan en uitroepen: was er ooit iemand zoo ongelukkig?

Willem zou nog lang lijden, en deelde dat met zijn vriend in brieven:

Soms wordt het mij weer zoo donker. Dan worde ik, als de bare der zee door twijfelingen geslingerd – dan ben ik zoo diep ongelukkig.

Het volgende jaar herbeleefde hij dag na dag de dagen waarop hij zijn geliefden verloor.

Elke dag brengt mij thans smartelijke herinneringen! Het was den 29 Junij een jaar geleden dat mijn John stierf – den 26 dezes (overmorgen) verjaart de sterfdag van mijn Aart, dan volgt die der Moeder, dat gaat alzo voort tot 4 January toen de laatste en smartelijkste slag mij in de dood van mijne Dientje trof. Tusschen de data zelve liggen dagen van pijnlijke angst! Mijn God! Hoe heb ik dit alles kunnen dragen!’

verzucht hij in een brief aan Van Lennep, die ook niet veel anders kon dan hem meelevende brieven schrijven, hem bezoeken en inviteren bij hem thuis. Voor iemand als Willem Veder, die zo duidelijk een familieman was, geldt de Victoriaanse opvatting van familiegeluk, zoals Peter Gay die zo overtuigend beschreven heeft. In tegenstelling tot wat meestal aangenomen wordt, zo stelt Gay, waren de negentiende-eeuwse burgerhuwelijken geen economische overeenkomsten. Ze waren zeer kameraadschappelijk en liefdevol, de kinderen werden geliefkoosd en dus was er intens beleefd verdriet als de bekende negentiende-eeuwse ziekten toesloegen. De godsdienst gaf dan slechts een schijntroost, maar wel de enige die voorhanden was. De echte troost kwam voor Willem Veder vier jaar na de dood van zijn vrouw, toen hij hertrouwde, zijn enig overgebleven dochtertje weer in huis kon nemen en er nieuwe kinderen geboren werden.

willem-veder

Klaasje Zevenster op de literatuurlijst!

klaaasjezevensterbordeelscene Klaasje Zevenster in het bordeel

Vanavond treed ik op in de Woordnacht in Rotterdam. Ik zit dan aan tafel met onder anderen Christiaan Weijts die zo’n tergend stukje schreef over de canon op literatuurlijsten. Hij noemt daarin de Max Havelaar een ‘afgrijselijke monumentale baksteen’ en een ‘effectief moordwapen voor elk sluimerend vonkje literaire interesse’. Schrijvers uit het verleden zijn volgens hem ‘vergeelde murmelaars van vroeger die in muffe kamertjes hun belegen aftrekfantasietjes neerpenden’. Die aftrekfantasietjes zou ik overigens wel willen lezen, maar die zijn er nu net niet van Vondel, bijvoorbeeld. Bij Bilderdijk vind je ze wel. Hoe dan ook, ik denk dat juist die column van Weijts een moordwapen is voor literaire interesse.

Want wat Weijts in zijn gemakzuchtige opstelling overslaat, is dat elke tekst als die maar op de juiste manier wordt aangepakt, over kan komen. Ik daag hem uit: geef me 20 minuten om de telefoongids van 1920 te laten lezen door een groep vwo-ers en ik hou ze bij de les!

Als de jeugd de Max Havelaar vrijwillig niet leest, so what? Een groot deel van leerlingen gaat ook niet vrijwillig naar gymnastiekles, scheikunde of wiskunde, laat staan economie. En toch vinden we het met z’n allen belangrijk dat de jeugd er kennis mee maakt. Dat is de functie van school: kennis laten maken met de maatschappij, de wetenschap, de kunsten in alle facetten, zodat de leerlingen later gemotiveerd voor iets wat hun interesse opgewekt heeft kunnen kiezen. Wie nooit kennis heeft gemaakt met poëzie weet niet dat die een enorme functie kan hebben in moeilijke tijden. Wie niet weet dat taal buigzaam en plooibaar en individualistisch en springerig en grensoverschrijdend kan zijn, zal zelf ook nooit een taalkunstenaar kunnen worden.

Over trots op ons literair erfgoed heb ik het dan niet eens. In Frankrijk kun je op benzinestations boeken van Flaubert en Victor Hugo kopen, in Nederland vind je daar nog geen Grünberg, laat staan Mulisch. Maar ik weet ook wel dat wij literairhistorici onszelf ook iets te verwijten hebben. Materieel erfgoed moet geregeld gerestaureerd worden. In het Paleis op de Dam zijn toiletten en badkamers aangelegd die er eerst niet waren. Literair werk uit het verleden heeft ook restauratie nodig. Ik ben niet meer tegen hertalen. Engelse en Franse boeken uit de negentiende eeuw krijgen frisse vertalingen, waarom zou ik dat tegen het lezen van een frisse hertaling van het historisch Nederlands zijn? ‘Beter een luie lezer dan geen lezer.’ heb ik wel eens geschreven (nota bene in een geleerdenblad) en dat wil ik uitbreiden. Ja, laat de leerlingen films kijken, ingekorte Max Havelaars lezen – later komen ze wel bij de originelen terecht. Of niet, omdat ze handelaars in bijvoorbeeld koffie geworden zijn.

En dan zou ik zo graag zien dat Klaasje Zevenster, Van Lenneps laatste roman, eens onderhanden genomen zou worden. Dat boek heeft alles voor een prachtige historische serie mee: het gaat over alle zeven hoofdzonden, het speelt in alle klassen van de maatschappij, het heeft vreemd genoeg zowel een happy als een treurig einde, zelfmoord en ziekte, overspel en machtsmisbruik, bordeelbezoek en aanranding, alles zit erin. En als daar een serie van gemaakt zou worden: geloof maar scholieren dan Klaasje Zevenster op de literatuurlijst zetten.

 

Schrijvers slachtoffer van meester-oplichter

alghandelsblad10nov1846sternbergwaarschuwinglennepthijmIn het Algemeen Handelsblad van 10 november 1846 stond een ingezonden stuk van Jacob van Lennep en Joseph Alberdingk Thijm met een waarschuwing voor een oplichter van wie ook deze twee schrijvers het goedgelovig slachtoffer waren geworden. Het bericht werd overgenomen door alle voorname kranten, zoals de Nieuwe Rotterdamsche Courant, en het Dagblad van ’s Gravenhave. Wat was het geval? Een jonge blonde Duitser, tamelijk goed gekleed, van gewone lengte, liep sinds enige tijd rond in Holland en gaf zich uit voor de romanschrijver Baron von Sternberg. Hij liet zich bij Hollandse letterkundigen introduceren en troggelde hun dan geld af. Van Lennep en Thijn schreven dat hij ‘doorslepen in zijn vak’ is, ‘begaafd met een voorbeeldeloze onbeschaamdheid, en een takt, die fijne kieschheid weet te huichelen’. Een meester-oplichter kortom, die tegenwoordig in het programma Opgelicht aan de kaak zou worden gesteld.

Uit het ingezonden stuk kan ik niet opmaken of Van Lennep en Thijm ook geld zijn kwijtgeraakt. Ik vermoed van wel. Als de baron een goed verhaal had, bijvoorbeeld over reisgeld dat hem ontstolen was, of over een uitgever die hem zijn voorschot niet betaalde, dan is het bijna voorspelbaar dat Van Lennep daarin trapte. Hij was altijd bereid kunstenaars die in slechte omstandigheden verkeerden te helpen. Zo heeft hij Gerrit van de Linde, Willem Hofdijk, de Markies de Thouars en ook Eduard Douwes Dekker geholpen. Ja, ook Multatuli, al vergeten degenen die zich vooral Van Lenneps inmengingen in de Max Havelaar herinneren, wel eens dat hij hem wel uit eigen zak meteen een flinke ondersteuning gaf.

Ik heb geprobeerd meer te weten te komen over de baron, zowel de echte als de namaak, maar ik vind niets over hen. Er was een schrijver van boeken voor leesgezelschappen, Sternberg, die in deze tijd vertaald werd in het Nederlands (met bijvoorbeeld de roman De grootheid naar de wereld en De zendeling) , maar ik vind geen bijzonderheden over hem. In Wikipedia komen geen Sternbergs voor die midden negentiende eeuw leefden. In het stuk van Van Lennep en Thijm staat dat de nepbaron zich helemaal ingeleefd had in zijn personage en zich beriep op diens kennissen, maar meer bijzonderheden vernemen we niet, behalve dat hij makkelijk over alles weet mee te praten. De trucs die hij hanteert lijken op die van oplichters zoals we die via de media hebben leren kennen: snelle praatjes, goed gekleed, tactvol, een beroep doen op gezamenlijke bekenden en dergelijke.

Van Lenneps vriend Aart Veder, de Rotterdamse advocaat, troost hem in een brief: ‘mieux vaut être dupe que fripon’ (beter de dupe te zijn dan zelf een schurk). ‘Van Lennep wordt opgeligt, ergo leeft hij’, schrijft hij, want hij had al lang geen brief meer gehad en heeft het bericht klaarblijkelijk ook uit de krant.

Is de man opgepakt? Is hij verder gegaan met zijn praktijken? Hoeveel geld waren Thijm en Van Lennep aan hem kwijt? Ik lig er niet wakker van dat ik dit niet kan oplossen, maar ik hou me natuurlijk wel aanbevolen voor tips.

Een traan en een bloem

JvL 2016-08-25Vandaag 148 jaar geleden rond zeven uur in de avond stierf Jacob van Lennep in een hotel in Oosterbeek. Het moet net zo’n hete dag zijn geweest als vandaag, want het lijk werd in een schuur gezet. Zijn vrouw was daar diep door gegriefd. Hij werd snel begraven, want de vliegen waren kwamen al op de lijkengeur af. Ik heb er verleden jaar een blog over geschreven. Op het graf in Oosterbeek is vandaag één boeket witte rozen gelegd door vriend Henk Eijssens. Verder was er geen mens. Ook ik niet. Het portret van Jacob stond vandaag wel op mijn werktafel, ik had zijn haarlok erbij gelegd met enkele bloemen uit mijn tuin en een kaarsje.

werktafelbeneden25aug

Er is in de opera La Traviata van Giuseppe Verdi een heel verdrietig stemmende aria van de prostituee die de hoofdpersoon is. Ze ligt op sterven aan de tbc, verlaten door haar minnaars en door de enige man van wie ze gehouden heeft, en zingt:

Le gioie, i dolori tra poco avran fine,

la tomba ai mortali di tutto è confine!

Non lagrima o fiore avrà la mia fossa,

non croce col nome che copra quest’ossa!

(De vreugden, het verdriet zullen binnenkort voorbij zijn. Het graf is het einde voor alle stervelingen. Op het mijne zullen geen bloemen neergelegd worden en geen tranen gestort. Geen kruis met mijn naam zal mijn beenderen bedekken)

(luister naar deze opname met Anna Netrebko: https://www.youtube.com/watch?v=cSr7hh9mbyg )

Dat kan me zo verdrietig stemmen, dat er zovelen, zovelen vergeten zijn. Ten minste twee mensen dachten vandaag na 148 jaar aan Jacob van Lennep. Hoeveel doden zijn er niet waar niemand meer aan denkt?

Toevallig was vandaag de presentatie van het boek dat Geert Mak over de familie Six geschreven heeft. Mak vertelde dat Lucretia Six-van Winter, een tante van Jacob van Lennep, voor haar overlijden in 1845 bepaald had, dat ze pas mocht worden begraven als ze begon ‘te rieken’. Mensen waren toen collectief bang voor levend begraven, wat bij de cholera-epidemieën wel eens gebeurde. Toen ze overleed was het ijzig winterweer, de koudste februarimaand sinds anderhalve eeuw. Dus ze lag daar maar in huis in een natuurlijke vrieskist en bleef weken goed. De familie besloot toen maar de kachel in de kamer waar ze opgebaard lag op te stoken, totdat ze eindelijk naar haar graf gebracht kon worden. Wie zal er op 28 februari op haar graf een roos leggen?

Na 177 jaar ontdekt: de schrijver van de anonieme brief die in 1839 Van Lennep een benoeming als hoogleraar kostte!

In 1839 was er een nieuwe hoogleraar in de Vaderlandse Geschiedenis en Nederlandse Letterkunde aan het Amsterdamse Athenaeum nodig. Op de nominatie stonden drie mannen: Jacob van Lennep, Hugo Beyerman, hoogleraar aan het Deventer Athenaeum en de predikant Gilles Schotel. Geen van drieën zou tegenwoordig tot hoogleraar benoemd zijn. Beyerman was weliswaar al hoogleraar Geschiedenis en Nederlands in Deventer, maar hij had nog nauwelijks iets gepubliceerd. Schotel zou later een belangrijk historicus worden maar in 1839 moest hij nog naar buiten komen. Van Lennep had vooral verdiensten als schrijver van historische gedichten en romans. De voordracht gebeurde door curatoren van het Athenaeum (de latere Universiteit van Amsterdam), maar de gemeenteraad en de burgemeester beslisten.

De voordracht had al in de krant gestaan en iedereen verwachtte dat Van Lennep benoemd zou worden. Toen kwam er een anonieme brief binnen bij alle raadsleden van Amsterdam, met daarin een aanval op Van Lennep. Jacobs naam wordt weliswaar niet genoemd maar het was iedereen duidelijk dat hij de kop van Jut was. Volgens de anonieme brievenschrijver moest de nieuwe professor een man zijn ‘van eenen ONBESPROKEN levenswandel, wiens gedragingen de onmiskenbare blijken opleveren van zijne onwankelbare gehechtheid aan de beginselen van zedelijkheid en pligtsbetrachting, Godsdienst en deugd.’ En zo gaat de anonymus nog een tijdje door: als de opvolger geen eerbied heeft voor zedelijkheid en de ‘meest eerwaardigste en heiligste banden der zamenleving’, dan moet de raad beven voor de noodlottige gevolgen van zijn verderfelijke invloed op de onervaren en nog zo makkelijk te verleiden jeugd. De anonymus eindigt ermee de Raad aan te bevelen een man te kiezen van ‘een geheel ONBESPROKEN gedrag en van eenen deugdzamen en voorbeeldigen levenswandel.’ Nu, onbesproken en deugdzaam was Van Lennep niet.

Tot op heden wist niemand wie de anonieme brief had geschreven. Uit de correspondentie tussen de Leidse hoogleraar C.J. van Assen en de politicus Guillaume Groen van Prinsterer blijkt zonneklaar dat de Amsterdamse hoogleraar in de rechten CORNELIS DEN TEX de laffe schuldige moet zijn. Van Assen schrijft aan Groen: ‘Zeer vertrouwelijk deel ik u den brief mede van Den Tex, om het laatste gedeelte dat de voordracht betreft van Curatoren.’

Den Tex was een collega van Jacobs vader, hij had Jacob als student gehad, ze moeten elkaar geregeld gezien hebben in dezelfde koffiehuizen en sociëteiten. Ja, dan ga je over tot anonieme brieven.

De raad draaide na de anonieme brief om als een espenblad aan de boom. Vrijwel alle stemmen gingen naar Beyerman, die de benoeming maar al te graag aannam en maar al te snel een miskleun bleek.

Van Lennep was bitter teleurgesteld. Hij had als professor de boel eens willen oprakelen:

Ziet gij, daarom verlangde ik alleen een professoraat, om juist het tegenovergestelde te kunnen doen als mijn voorganger, en in stede van Vaderlandsche deugden en perfecties eeuwig op te hemelen, en den jongen lieden wijs te maken, dat niets goed en fraai was dan bij ons, hen te kunnen waarschuwen tegen de lafheid onzer natie: – tegen dat flik flooien van Groote heeren, tegen dat gemis aan alle zelfstandigheid, hetwelk god beter ’t ons pygmeeën zoozeer doet verschillen van onze voorvaderen – en daarom zal ik ook wel niet gekozen worden; – maar ik zal het verd[omme] toch uitkraaien.

En zo geschiedde: Van Lenneps produceerde het een na het andere boek over de vaderlandse geschiedenis, voor volwassenen, voor kinderen; leerzame boeken, sarrende boeken. Van Beyerman werd niets meer vernomen. En Den Tex? Ik hoop dat hij zich in zijn graf omdraait nu hij merkt dat zijn geheim onthuld is.

SB_1515-Het_gezin_van_Prof__Cornelis_Anne_den_Tex

Professor Den Tex met zijn gezin. Vast van ONBESPROKEN levenswandel.

Nootje: de brieven van/aan Groen zijn al in 1964 gepubliceerd. Niemand heeft deze passage eerder geïnterpreteerd.

Hoeveel onderbroeken neemt een heer mee op reis?

reisdagboekje18385epoging

Bent u al op vakantie? Heeft u een lijstje van wat u mee moet nemen? Streept u af wat al in het koffer zit of bent u zo iemand die denkt: als ik paspoort, pillen en tickets maar bij me heb kan ik de rest wel kopen, zo nodig? Hoort u bij degenen die voor elke dag van de vakantie een schone onderbroek meenemen of stopt u er drie in de rugzak en doet u onderweg wel een wasje? Dat soort keuzes maakten de heren in de negentiende eeuw niet. Zij lieten hun linnengoed in een hutkoffer vooruitsturen als ze reisden, en dan was het nodig dat er een goede inventaris was van wat er in het koffer zat. Men was zuiniger dan nu en beducht op diefstal. Een zakdoek alleen al vertegenwoordigde kapitaal. U herinnert zich misschien dat Oliver Twist in Charles Dickens’ roman opgepakt werd omdat hij een zakdoek gezakkenrold zou hebben. Er is een kledinglijstje overgebleven van toen Jacob eind augustus 1838 op reis ging naar Duitsland. Zijn vader had hem gevraagd naar de badplaats Ems te komen, waar hij vrouw en dochtertje begeleidde bij een kuur. Maar papa moest terug om college te geven, en vroeg Jacob zijn rol over te nemen. Jacobs achtjarige zoontje Maurits ging mee. In het koffer zaten:

6 hemden

4 onderbroeken

4 nachtmutsen

4 nachtdassen

3 blauwe wollen kousen

8 gebreide kousen

2 geweven kousen

4 luiers

4 overhemden 1 oud

12 boordjes

1 witte pantalon

zijden vest en gebloemd vest

14 zijden zakdoeken

2 wollen borstrokken

2 rokken en een buis.

Wat me het eerst opvalt zijn de luiers. Wat moet een man van 36 daarmee? Nu kunnen met luiers ook lappen bedoeld zijn, en bovendien zijn ouderwetse luiers erg geschikt als handdoeken, dus we hoeven niet aan te nemen dat Van Lennep incontinent was. Vreemd zijn natuurlijk ook de nachtmutsen en dassen, totaal niet meer bekend. Alleen van spotprenten ken ik ze nog, maar mijn opa, die toch in de negentiende eeuw geboren was, droeg ze niet. Hij droeg wel boordjes, dus een overhemd ging niet elke dag in de was want alleen het vuile boordje werd verwisseld. Vier onderbroeken en dertien paar kousen: dat moet wel betekenen dat Jacob dagelijks zijn kousen verschoonde, maar zijn onderbroek minder vaak. Het is jammer dat ik geen lijstje van zijn andere spullen heb aangetroffen. Ik weet niet of hij pijpen meenam of pruimtabak, nagelschaartje, haarborstel, pijnstillers (laudanum), tandpoeder, hoeveel schrijfveren, papier of inkt. Opvallend is ook dat het lijstje in de hand van Van Lennep geschreven is. Ik had eigenlijk het idee dat de vrouwen of personeel dergelijke koffers inpakten en dus ook de lijstjes maakten.

Nu is het grappige is dat ik ook een lijstje van een reiskoffer van een dame heb, tante Lucretia van Winter, van een reis in 1809. Tante Lucretia neemt onder andere twaalf hemden mee, acht onderbroeken, zes onderrokken, acht nachtjakken, achttien paar kousen, tien luiers, een fluwelen hoed en een van stro, een parasol. Ook zij neemt dus luiers mee. Mijn vrouwelijke nieuwsgierigheid doet me in haar lijstje zoeken naar maandverband. Tante was toen 24 jaar, en de reis zou een ruime maand duren, dus zij had dat wel nodig. Ik zie een afkorting: dmb, twaalf stuks. Zou dat zoiets zijn als ‘damesmaandbandage’? Misschien is er een heel oude reizigster onder mijn volgers (inmiddels 765) die me het doel van die luiers en de betekenis van dmb kan uitleggen?

Buiten spreekt noch denkt men over cholera en verdrinkt de kwellingen des levens in goeden wijn!

Kom maar naar Woestduin, schreef Jacob van Lennep op 30 augustus 1832 aan een vriend, ‘waar men over geene cholera spreekt noch denkt en de kwellingen des levens in goeden wijn verdrinkt’. Drie weken later meldde hij aan een andere vriend dat hij voor de choleracommissie in Amsterdam moest zijn en zijn buitenhuis Woestduin, bij Heemstede, ging verlaten. Rijkelui konden de cholera ontvluchten in hun buitenhuizen, maar Van Lennep had zich aangemeld voor de choleracommissie, uit een gevoel van burgerplicht. Wat kreeg zo’n commissie voor de kiezen? Dat moet niet meegevallen zijn. Cholera is geen fraaie ziekte. De bekende arts W. Vrolik stelde Berigten betreffende de Asiatische Cholera te Amsterdam samen en daarin staan de symptomen beeldend beschreven. De lijders braken onophoudelijk een vuil-witachtig vocht met een walgelijke geur. Ze hebben ook buikloop, van hetzelfde smerige vocht. Hun ogen zinken diep in, ze zijn bloeddoorlopen, en alle glans is verdwenen. Van buiten voelen ze ijskoud, maar van binnen klagen ze over een ondraaglijke hitte, waardoor hun dorst onlesbaar is. Het gezicht is bleek en blauw, de lippen grauw loodkleurig, de nagels worden donkerblauw en er verschijnen blauwzwarte vlekken op de huid. Hun stem is hees en zwak. In een paar uur kunnen ze helemaal veranderen en bijna onherkenbaar worden.V0010485 A young Venetian woman, aged 23, depicted before and after

Jacob van Lennep moet daarmee geconfronteerd zijn. Want de choleracommissies, die per wijk werkten, moesten zorgen voor opsporing van patiënten, ontsmetting van de huizen van lijders, vervoer naar de cholerahospitalen en snelle kisting van doden die in een gesloten koets naar speciale begraafplaatsen gebracht werden. Ze moesten lijsten bijhouden van lijders per straat. In Amsterdam vielen tijdens deze eerste cholera-epidemie 1200 doden.

De cholera was tot de jaren dertig een onbekende ziekte in Europa. In 1830 zocht de ziekte vanuit India een weg naar Rusland. Russische legers namen haar mee naar Polen, en vandaaruit raakten ook Pruisische gebieden bezet. Engeland sloot zijn havens tevergeefs tegen schepen uit de Oostzee: ook daar brak de ziekte uit. Begin 1832 had de cholera Parijs bereikt, waar de bevolking hysterisch reageerde. Er ontstonden complottheorieën: artsen zouden beloningen krijgen voor armen die aan de cholera stierven, kasteleins zouden wijn vergiftigen en zelf antistoffen innemen. Vluchtelingen brachten vervolgens de cholera naar België. De Nederlandse regering verwachtte dat de cholera uit Frankrijk zou komen, zoals alle kwaad, en verscherpte de controle aan de Belgische grenzen. Maar het kwaad kwam uit de zee, via een vissersschuit die in Scheveningen aanlegde op 25 juni 1832. De eerste dode viel op 1 juli. Een maand later bereikte de cholera Amsterdam, via een schipper uit Rotterdam, die dezelfde dag nog stierf. In godsdienstige kringen werd de cholera beschouwd als een straf van God voor de opstanden tegen het gezag, Europawijd in 1830.

In de uitgebreide familie van Jacob van Lennep viel geen choleradode. Cholera zou een ziekte zijn die onder haar slachtoffers geen standsonderscheid maakt, maar de lijsten van doden spreken dat tegen. Doordat de mannen van de wijkcommissies de namen van de slachtoffers bijhielden, met beroep, adres en leeftijd, kun je nu nog zien dat er op de Herengracht en Keizersgracht vrijwel geen doden vielen, tegen vele tientallen in de dichtbevolkte jodenbuurten. Het vijfhonderste slachtoffer bijvoorbeeld, was Mozes Cohen, liedjeszanger, 35 jaar oud.

Het lijkt er niet op dat Van Lennep erg aangeslagen is geraakt door zijn ervaringen in de commissie, die toch heftig moeten zijn geweest. Een gedicht, ontboezeming of verwerking in zijn romans ben ik niet tegengekomen. Daarentegen moet hij wel verder gedacht hebben over de bestrijding. Toen hij zich een kleine dertig jaar later met zijn volle gewicht op de realisatie van de Amterdamse waterleiding stortte, moeten zijn herinneringen aan de eerste epidemie misschien wel meegespeeld hebben. Onbesmet drinkwater, dat was een eerste vereiste voor een gezonde stad.

'Death's Dispensary.' An 1866 cartoon indicating water pollution as a source of disease.

POLLUTION CARTOON, 1866. ‘Death’s Dispensary.’ An 1866 cartoon indicating water pollution as a source of disease.

Het standbeeld staat er!

IMG_4307Dit toespraakje hield ik vanmiddag enige minuten vóór de onthulling van het standbeeld:  Wist u dat u gemiddeld 120 liter water per dag gebruikt – 12 grote emmers, 120 flessen van 1 liter?  U, meneer de wethouder, die straks dit beeld gaat onthullen, ziet er nogal fris uit: u gebruikt misschien wat meer – u, mevrouw de kunstenares ziet er ook fris uit, maar misschien bent u nogal milieubewust – en gebruikt u wel wat minder. Maar wij met zijn allen profiteren van de zegening van voortreffelijk duinwater.

Hoe krijgen we dat water? De wethouder heeft al geschetst hoe moeilijk het vroeger was – en dat wij het nu zo makkelijk hebben, dank zij Jacob van Lennep, en goedkoop (wethouder Udo Kock gaat niet alleen over water, ook over financiën, vandaar).

Hoe het gegaan is, weten we: mevrouw Van Lennep wilde zo graag het duinwater van Heemstede in Amsterdam drinken, en daarop ging Van Lennep nadenken. Hij legde contact met de ingenieur Vaillant die al jaren bezig was met waterleidingsprojecten, hij leerde een ingenieur van de Londense waterleiding kennen en de plannen werden gesmeed. Die werden in de gemeente afgeserveerd. Een romanschrijver moest zich maar bij zijn fantasie op schrift houden, maar geen dolle dingen in zijn kop halen. Rijke Amsterdammers die een buitenhuis in de duinen hadden gaven een brochure tegen hem uit: Bedenkingen van eenige bewoners der duinen, over de physieke of finantiële mogelijkheid van eene waterleiding uit dezelve tot en in Amsterdam. Het kapitaal dat Van Lennep nodig had om het plan te financieren, kreeg hij niet van de grachtengordelkennissen. Van Lennep kende het woord ‘opgeven’ niet, dus ging hij naar Engeland en haalde daar kapitaal. Zijn familie hielp wel: papa David Jacob schonk Mariënduin, zijn zus Antje stond doorgraven op Leijduin toe, zijn neef Johan Frederik gaf terrein Groot Bentveld prijs. Op 11.11.1851 kwam het kroonprinsje naar de plek waar het duinwater uit de grond welde en stak de eerste schop in de grond. Van Lennep hield een toespraak waarin hij de onverschilligheid, kortzichtigheid, benepenheid, kleingeestigheid van zijn medeburgers hekelde.

Twee jaar later had Amsterdam de eerste waterleiding van Nederland. Het verhaal gaat dat Van Lennep om de grachtengordel te jennen speciaal het water eerst naar de Jordaan bracht: maar om bij de grachtengordel te komen móest hij wel eerst door de Jordaan…

In 1896 werd de Duinwater Maatschappij overgenomen door de gemeente – en toen waren er mensen die opperden dat er een plaquette of borstbeeld voor Van Lennep moest komen. Dat gebeurde toen niet. Hoe komt het dat er nu, 165 jaar later, wel een standbeeld voor hem is?

In 2003 werd 150-jarig bestaan van waterleiding gevierd. Ik mocht toen een lezing geven – en toen heb ik gezegd dat Jacob van Lennep een standbeeld zou verdienen als schrijver, maar vooral als de man van het Amsterdamse water. Job Cohen, toenmalig burgemeester en Caroline van de Wiel, toenmalig directeur van het Waterleidingbedrijf, smoesden na de lezing met elkaar: dat standbeeld zou er komen. Een commissie, waarin ik ook zitting kreeg, schreef een wedstrijd uit, Lia van Vugt kreeg de opdracht. Maar er kwamen buurtbezwaren, inspraaksessies, nieuwe ontwerpen, afkeuringen, milieuverordeningen – het plan leek in het slop te raken. En toch is men op het stadhuis met de vasthoudendheid die ook Van Lennep kenmerkte doorgegaan.

Het is met grote trots dat ik vandaag bij deze onthulling ben: trots dat Van Lennep gekregen heeft wat hij verdient, trots dat ik daaraan heb kunnen bijdragen, en vooral: trots op het Amsterdamse water. Uit allerlei onderzoekingen blijkt het zo ongeveer het beste stadswater ter wereld te zijn. En dat komt zomaar uit de kraan – dank zij Jacob van Lennep.

IMG_4288

Marita Mathijsen spreekt

IMG_4292

Louis van Lennep spreekt

IMG_4315

Mijn hondje Mimi was er ook

Onthulling 6 juli 12 uur

Duinwater12dec

Op 6 juli om 12 uur is de onthulling van het standbeeld van Jacob van Lennep. Het Waternet heeft een besloten bijeenkomst ervan gemaakt, maar het gebeurt in de openbare ruimte, dus daar mag iedereen komen die graag wil zien welke plek Jacob van Lennep toegewezen heeft gekregen, en of het beeld van Lia van Vugt mooi spiegelt met het water erachter. De onthulling wordt gedaan door wethouder Udo Kock met als portefeuilles Financiën, Waterbeheer, Coördinatie Decentralisaties, Aanpak Subsidies en Stadsdeel West. Als ik probeer samenhang te zien tussen die portefeuilles moet het iemand zijn die zorgt dat er zonder subsidie geld komt voor drinkwaterkraantjes in heel de stad en niet alleen op de Dam en dan speciaal in Stadsdeel West, of zoiets. Ik hoop dat Udo op het idee komt het beeld te dopen met een fles Amsterdams water! In 1853 moest er nog een cent per emmer duinwater betaald worden.

Het programma is:

12.05 uur        welkomstwoord door Roelof Kruize, algemeen directeur Waternet

12.10 uur        wethouder Udo Kock

12.20 uur        Marita Mathijsen

12.30 uur        jhr. mr. Louis H. van Lennep, voorzitter Van Lennep Stichting

12.40 uur        overdracht kunstwerk Van Lennep door Wethouder Kock aan stadsdeel Centrum

12.45 uur        opening aanlegsteiger door Boudewijn Oranje, ‎voorzitter bestuurscommissie stadsdeel Centrum, gemeente Amsterdam

Ik nodig u uit met een glas Amsterdams water hierop te proosten!