Welkom

Image

IK STA OP MEER DAN 1600 VOLGERS. De biografie over Jacob van Lennep is klaar. De vierde druk is 24 mei 2019 hals over kop verschenen, ik kreeg niet de gelegenheid nog wat late correcties in te voegen. Het dagboek van Van Lenneps voetreis uit 1823 is in een fraaie herziene editie opnieuw uitgekomen bij Atlas-Contact. Bovendien is er nu een route ontwikkeld om Van Lenneps voetreis per fiets na te bootsen, met heel veel mooie tips. Zie Jacob van Lennep route. Verschenen is ook een nieuwe editie van De lotgevallen van Ferdinand Huyck met een inleiding van mij in de klassiekenreeks van uitgever Veen.

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
Ik vorder met een literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. Minder saai dan die van de Taalunie, persoonlijker, vast ook minder wetenschappelijk. Eigenlijk wordt het meer een lezersgeschiedenis. Wat las de gretige lezer van de negentiende eeuw? Wat wist hij (zij) van het literaire leven, welke boeken kocht hij, om welke pamfletten kon zij niet heen, welke recensies las hij, welke vertalingen, stak hij een kaarsje op bij het portret van Bilderdijk toen hij hoorde dat deze overleden was? Opnieuw zal ik in dit blog verslag doen van schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, ziektes en natuurlijk prachtige literatuur.

Advertenties

Moet de lezer de trap op of moet de editeur de trap af?

Zo’n twintig jaar geleden was bij de afdelingen Nederlands aan de universiteiten Teksteditie nog een belangrijk vak. Studenten leerden hoe historische literatuur uitgegeven moest worden, namelijk in de authentieke vorm. Daarvoor moest een keuze gemaakt worden uit verschillende versies of drukken, als die er waren, en de teksten werden voorzien van geleerd commentaar en verklarende uitleg. Ze oefenden daarin, en ze lazen dit soort edities voor hun literatuurlijst, die toen nog bestond.

Tekstedities

Zo las ik zelf, lang geleden, de Jephta van Vondel, stukken uit Hoofts Historiën en de Karel ende Elegast, vaak in edities die al in het begin van de 20e eeuw gemaakt waren. De teksteditie ging zich in de late 20e eeuw ook buigen over modernere teksten, bijvoorbeeld Max Havelaar en het volledige werk van Louis Couperus. Er kwamen van grote dichters ook variantenedities op de markt. Er werd een speciaal onderzoeksbureau opgericht voor edities (1983), eerst Basisbureau Tekstedities geheten, later het Huygens Instituut. In de eerste jaren werden daar variantenedities gemaakt van grote Nederlandstalige dichters, zoals J.H. Leopold, K. van de Woestijne en J.C. Bloem. Van elk gedicht werden alle kladjes, nethandschriften en verschillende drukken vergeleken en ondergebracht in een systeem waarmee de lezer de groei van een gedicht kon volgen. De complete Couperus verscheen er. Alle beschikbare handschriften en drukken werden woord voor woord vergeleken om zo dicht mogelijk bij de door Couperus bedoelde tekst te komen. In Vlaanderen kwam er een vergelijkbaar instituut: het Centrum voor Teksteditie en Bronnenstudies, waar bijvoorbeeld een modeleditie van Hendrik Consciences De Leeuw van Vlaanderen uitkwam.

Veel schrijvers die kortgeleden nog een begrip waren, zijn nu onbekend

Tegenwoordig is er weinig aandacht meer voor dit soort edities en op de universiteiten wordt het vak Teksteditie niet meer overal gegeven. Wel is er aan de Gentse universiteit een onderzoeksgroep Teksteditie Literatuur in Vlaanderen actief, die jaarlijks leesedities bezorgt. Bij andere literatuurwetenschappers is er natuurlijk ook nog wel belangstelling voor, maar het grote publiek is zich er niet van bewust dat een literair werk dat je kunt downloaden van de Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren (DBNL) of van Google Books, vaak niet de versie vertegenwoordigt die de schrijver het liefst zag.

Veel zorgwekkender is dat het aantal mensen dat een historische literaire tekst leest, ernstig daalt, of ze die nu lezen in een verantwoorde editie of niet. Veel schrijvers die kortgeleden nog een begrip waren, zijn nu onbekend. Mijn dochter heeft op de middelbare school nooit een Vestdijk gelezen, nooit een Stijn Streuvels, mijn neef had op zijn gymnasium nooit gehoord over Herman Gorter.

Taalkunstenaars

Het oude Nederlands staat vanzelfsprekend steeds verder van ons af. Dat ligt niet alleen aan de vooroorlogse spelling met die boomen en menschen. De woorden en de zinsvolgorden zijn veranderd, de beschrijvingen zijn niet meer zo uitvoerig, en ook de thematiek kan veranderd zijn. Dat leidt ertoe dat literairhistorici zich moeten bezinnen op methoden om historische teksten toch nog onder ons te houden. Want literatuur uit het verleden mag dan wat ontoegankelijker zijn dan die uit het heden, ze kan ons ongelooflijk veel laten zien over de grote constante levensvragen, en ons tegelijkertijd verplaatsen in andere tijden en andere denkwerelden. Bovendien zijn er in het verleden, net als nu, ware taalkunstenaars geweest die ons een fijn geslepen of expres ruw Nederlands van een zeldzame kwaliteit voorschotelen. Bredero, Multatuli, Elsschot, om maar een paar namen te noemen, te bijzonder om in vergetelheid te laten liggen.

De lezer krijgt weliswaar een getransformeerde tekst in handen, maar die is vergelijkbaar met vertalingen van meesterwerken uit bijvoorbeeld de Russische literatuur

Wat zouden literairhistorici kunnen doen om de waardevolle teksten uit het verleden toch weer onder lezers te krijgen? De edities met toelichtingen die vroeger gemaakt werden, voldoen niet meer. Andere aanpassingen zijn nodig.

Herspellen of hertalen?

Laten we eens uitgaan van een van de hoogst aangeschreven teksten uit de Nederlandstalige literatuur: Max Havelaar. Voor studenten Nederlands ligt het voor de hand dat ze die lezen in de oorspronkelijke versie. Die is via onderzoek van het Huygens Instituut uitgegeven in een uitstekend gedocumenteerde en royaal toegelichte editie door Annemarie Kets-Vree (in de reeks Nederlandse Klassieken). Maar die is weinig toegankelijk voor middelbare scholieren. Ik geef een willekeurig citaat uit het eerste hoofdstuk als voorbeeld:

Ik heb niets tegen verzen op-zichzelf. Wil men de woorden in ’t gelid zetten, goed! Maar zeg niets wat niet waar is. ‘De lucht is guur, en ’t is vier uur.’ Dit laat ik gelden, als het werkelyk guur en vier uur is. Maar als ’t kwartier voor drieën is, kan ik, die myn woorden niet in ’t gelid zet, zeggen: ‘de lucht is guur, en ’t is kwartier voor drieën.’ De verzenmaker is door de guurheid van den eersten regel aan een vol uur gebonden. Het moet voor hem juist een, twee uur, enz. wezen, of de lucht mag niet guur zyn. Zeven en negen is verboden door de maat. Daar gaat hy dan aan ’t knoeien! Of het weêr moet veranderd, òf de tyd. Eén van beiden is dan gelogen.

Herspellen van de passage zou weinig opleveren, een -ij in plaats van een -y, een de in plaats van een den, dat vergemakkelijkt het lezen niet. Anders heeft Gysbert van Es het aangepakt. Die heeft, speciaal voor scholieren, een hertaalde en ingekorte versie van Max Havelaar gemaakt, waarin het citaat zo geworden is:

Ik heb niets tegen verzen op zichzelf. Als men zo nodig woorden op hun plek wil zetten, goed! Maar zeg nooit iets wat niet waar is. ‘De lucht is guur, en het is vier uur.’ Dit geldt voor mij alleen als het werkelijk guur en vier uur is. Maar als het kwart voor drie is, zou ik zeggen: ‘de lucht is guur, en het is kwart voor drie.’ De verzenmaker is door de guurheid van de eerste regel aan het hele uur gebonden. Het moet voor hem juist één uur zijn, of twee uur, enzovoorts, of de lucht mag niet guur zijn. Zeven of negen is verboden door het ritme. Daar gaat hij dan aan ’t knoeien! Of het weer moet hij veranderen, of de tijd. Eén van beide is dan gelogen.

Toegankelijk Nederlands

Dat leest moderner. Is de tekst daardoor minder mooi? Wie beide stukken hardop voorleest, merkt dat er een mooiere klank en een mooier ritme in de oorspronkelijke versie zit. Maar laten we realistisch blijven. Van Es’ editie had tot gevolg dat op sommige middelbare scholen bij Nederlands het boek weer in zijn geheel voorgeschreven werd, terwijl leerlingen het daarvóór mochten laten bij het lezen van Saïdjah en Adinda. De lezer krijgt weliswaar een getransformeerde tekst in handen, maar die is vergelijkbaar met vertalingen van meesterwerken uit bijvoorbeeld de Russische literatuur. Noodgedwongen zal hij die in vertaling lezen – en toch waarderen, zeker als die vertaling zelf recent is en dus in toegankelijk Nederlands. Een belangrijk verschil is er wel: Van Es liet ook stukken weg die scholieren niet meer zo snel zullen kunnen plaatsen, bijvoorbeeld een passage over verzen van Hiëronymus van Alphen. Een vertaler zal dat niet doen: hij zal juist zo dicht mogelijk bij het oorspronkelijke proberen te blijven.

De hedendaagse lezer staat te ver af van teksten van voor pakweg 1900 om die nog zonder hulp aan te kunnen

Wat Van Es deed, wordt al veel gedaan voor literatuur uit het verleden. Hedendaagse schrijvers zoals Thomas Rosenboom en Willem Wilmink hebben teksten hertaald. Rosenboom maakte een meeslepende hertaling van Het Journaal van Bontekoe, Wilmink boog zich over Mariken van Nimweghen. Koos Meinderts waagde het zelfs om van Reinaert de Vos een kinderversie te maken. In de – niet meer bestaande – Griffioenreeks verscheen een uiterst geestige bewerking van de Ferguut in proza, evenals van Floris en Blancefloer. In de reeks Tekst in context is het gebruikelijk de hertaalde tekst in te korten en wat weggelaten is, samen te vatten. Zelf houd ik het meeste van de edities waarin aan een kant de oorspronkelijke tekst staat en aan de andere kant de hertaling. De Visioenen van Hadewych zijn zo uitgegeven.

Toegankelijke meesterwerken

Moeten we het nu toejuichen dat er weinig aandacht meer is voor edities met de complete oorspronkelijke tekst? Ik denk dat neerlandici zich bij de realiteit neer moeten leggen: de hedendaagse lezer staat te ver af van teksten van voor pakweg 1900 om die nog zonder hulp aan te kunnen. Dan is het toch aantrekkelijk voor literairhistorici, schrijvers en vertalers, liefst in gezamenlijke projecten, om die hulp aan te bieden? Voor studenten Nederlands is het zelfs aantrekkelijk als zij in colleges hertalingen van historische teksten mogen maken. Het is wellicht de beste manier om er diep in door te dringen, door zich te verdiepen in de afstand tussen verleden en heden. Vanuit het oorspronkelijke kunnen zij proberen transformaties naar het heden te vinden. Op diverse universiteiten wordt dat al gedaan. Het mooiste zou het zijn als er dan ook nog vanuit een studentengroep en onder begeleiding van een gespecialiseerde docent mooie edities naar buiten zouden komen. Meesterwerken uit de oudere Nederlandse literatuur, toegankelijk gemaakt voor scholieren en een breed publiek door en in de taal van de jonge generatie. Uiteindelijk zal er dan toch misschien nog wel een enkeling zijn die naar het origineel gaat en daarvoor gewonnen raakt.

Dit artikel verscheen in Neerlandia123 (2019) 3, 16-19. Neerlandia is het tijdschrift van het Algemeen-Nederlands Verbond (ANV).

Tegen vadsige, morrende en trage lediggangers

Vrijwel helemaal vergeten is de auteur Willem Kist. Toch is hij indertijd enorm gewaardeerd vanwege vooral De ring van Gyges (1805-1808). Dat is een uiterst merkwaardig boek, enigszins te vergelijken met dat van Alain-René Lesage, Le diable boiteux uit 1706, waarin een duivel een student door Madrid leidt en overal de daken van huizen licht, zodat ze kunnen zien wat er zich werkelijk in woon-, slaapkamers en salons afspeelt. De hoofdpersoon van Kists roman heeft een ring gevonden waarmee hij zichzelf onzichtbaar kan maken. Dat slaat terug op de legende van de ring van Gyges, die voorkomt in Plato’s Politeia en die naverteld is door Cicero in De Officiis. Bij Plato en Cicero gaat hem om de menselijke deugd: zal iemand die zich onzichtbaar kan maken zich daaraan houden? Dat is niet wat de hoofdpersoon van Kists boek bezielt. Hem gaat het er meer om inzichten te krijgen in de verborgenheden van de toenmalige maatschappij, en die juist aan de kaak te stellen door erover te schrijven. Zijn lezers moeten van ‘vatsige [sic], morrende en trage lediggangers arbeidzame, dankbare en nuttige leden worden der Maatschappij’.[1]

Dus komen we onteerde meisjes tegen, een gierigaard die zijn dochter een dokter onthoudt, een christen die een jodin redt, stukken over onmatigheid en schijnheiligheid, over afkeer van geleerden, over kindermishandeling. De onzichtbare volgt ook een geneesheer die bij rijkelui met ingebeelde ziektes en verwende studenten ontboden is, maar ook bij een stervende winkelierster die een testament maakt van het weinige wat ze bezit, zoals lege potten en kousenbanden. Grappig is een stuk over gewoontevorming waarover bejaarde sociëteitsleden het met elkaar hebben: blijven wonen in een krakkemikkig huis, pijp roken op steeds hetzelfde tijdstip, het aanhouden van oude paarden. En vervolgens komen de gewoonten van de vrouwen ter sprake: tweemaal per week boenen en poetsen van ongebruikte kamers, kaartleggen met vriendinnen, de kachel pas op 1 november aansteken en op 1 april weer doven, hoe koud het daarvoor of daarna ook is. Kist verwerkt ook een stukje kritiek op lezen. Een nichtje krijgt van haar oom te horen dat lezen maar ‘dwaasheid en kwellinge des geestes’ is. Hij heeft maar drie boeken in zijn leven uitgelezen: Doctor Faustus, de schiedenis van Helena en de reizen van Bontekoe. Haar tante verklaart vervolgens dat  ‘de boeken van den hedendaagschen smaak … het bederf der jeugd’ zijn. Dat er zoveel goddeloosheid en ontucht heerst, komt door dat soort zedenbedervende boeken. Het nichtje blijkt overigens een heel keurig boek te lezen, de Zedenlessen van Christiaan Gellert. De ring van Gyges is een voorloper van de Camera Obscura, en tegelijk ook een voortzetting van achttiende-eeuwse romans met inkijkjes, zoals die van Wolff en Deken. Maar de humor van de dames, en de venijnigheid van Beets mist Kist.



[1] Dit schrijft hij in het voorbericht van zijn volgend boek, Eduard van Eikenhorst, 1810, dl.1, p. IV

151ste sterfdag Jacob van Lennep

Vandaag ben ik weer naar Oosterbeek gegaan om een bos bloemen op het graf van Jacob van Lennep te leggen. Nog één boeket witte rozen volgde er later op de dag.

Het was een beetje dubbelspel, want ik wilde toch in Oosterbeek zijn voor de 14de Kneppelhoutwandeling. Die wordt elk jaar gehouden eind augustus. Dit jaar hoorden wij Darja de Wever die over Augusta de Wit sprak in de tuin van het huis waar Augusta gewoond heeft. Zij ligt op hetzelfde kerkhof als Jacob van Lennep. Brigitte Beelaerts van Blokland vertelde over de band tussen haar familie en de Kneppelhouts. Lotte Jensen en Rick Honings gaven een voorproefje van hun boek dat 11 september verschijnt onder de titel Romantici en revolutionairen. En tenslotte sprak Peter van Zonneveld over de tekenschool die Kneppelhout aan Leiden schonk.

Jacob van Lennep en Jan Kneppelhout waren kennissen, geen vrienden. Er zijn maar weinig brieven bewaard die tussen hen geschreven zijn. Maar Van Lennep kon wel op Kneppelhout rekenen als hij geld nodig had voor een goed doel. Toen hij problemen kreeg met de uitvoering van zijn kostbare Vondeleditie, bedacht hij een plan om aandelen uit te schrijven. Kneppelhout nam een aandeel van 1000 gulden (ongeveer 10.000 euro). De rijke handelaar-schrijver Potgieter niet, en Nicolaas Beets vond dat het geld beter naar de armen kon.

Ik weet niet of de reislustige Jan Kneppelhout in Oosterbeek was toen Jacob van Lennep op 25 augustus 1868 stierf. In elk geval was hij niet bij de begrafenis.

In memoriam Tom van Deel, dichter, criticus, docent

Hij sprak even bedachtzaam als hij schreef. Ik heb hem nooit zijn stem horen verheffen en nooit een onvolledige zin horen uitspreken. Taal was voor hem niet iets dat je zonder aandacht kon gebruiken. Hij hield ervan met zijn zachte en melodieuze stem woorden bij wijze van spreken te strelen en ze in een perfecte zinsschikking te brengen, waar plompe of pathetische wendingen uit geweerd werden. Dat respect voor taal kenmerkte zijn hele wezen. Of het nu de criticus, de docent of de dichter was: alles ging om de waarde daarvan, die alleen beseft kon worden door er volledig voor open te gaan staan.

Zo gaf hij zijn poëziecolleges. Hij draaide om een gedicht heen, las het voor, nam tijd, wachtte op reacties. Dan pas zoomde hij in. In de bundel Voortgezette schepping die hij aangeboden kreeg bij zijn afscheid als docent aan de Universiteit van Amsterdam (2006),  omschrijven zijn collega’s het zo: ‘Generaties studenten hebben van hem geleerd wat het betekende om zich een gedicht eigen te maken. Ze zullen zich herinneren hoe Tom eerst om het gedicht heen cirkelde, als een merel om een appel voor hij erin doordringt. Zoals de merel erom heen draait, een positie kiest, en dan pas zijn snavel erin steekt om voorzichtig bij de kern, het klokhuis, te komen, en de zaden open te leggen, zo las Tom het geheel voor, en las het vers nog eens, en bekeek het weer, en dan pas brak hij het open, voorzichtig, laagje voor laagje, rustig en altijd vragenderwijs. Nooit zou hij iets stellig beweren, maar altijd met weinig woorden, de studenten groepsgewijs aankijkend, om instemming vragend. Meestal met een voorwaardelijke negatie: “zou het niet kunnen zijn dat hier staat…?”’[1] Hij had geen haast en legde geen interpretaties op.

     En toch wist hij in zijn bedachtzaamheid ook bewondering over te brengen. In een stuk over Simon Vestdijk schiet hij uit zijn habitus en schrijft hij dat diens poëzie ten naaste bij alles is wat poëzie kan zijn: ‘tegelijk mooi, stroef, lyrisch, bespiegelend, ontroerend, intelligent, ironisch, pathetisch, vernuftig, gemaniëreerd, hooggestemd, parlando, klein, groot, gewrongen, cerebraal, gevoelig, geraffineerd, gedreven, nuchter, romantisch, historisch, mythisch’. Drieëntwintig adjectieven had hij nodig om dat wat poëzie voor hem is te omschrijven.[2] De analyse ervan was voor hem belangrijk. Hij was tegen de opvatting dat ontleding een gedicht zou slopen: ‘Een goed gedicht blijft ook na een uitputtende analyse raadselachtig en onbegrepen genoeg. Er moet juist wel over gedichten gepraat worden, want als dat niet gebeurt bestaan ze niet meer. Er moet ook over gedichten geschreven worden, want als dat niet gebeurt, wordt er hooguit nog over ze gepraat en dat duurt dan meestal niet lang meer’.[3]

     Als criticus heeft hij een groot aantal jaren een sleutelpositie ingenomen onder de Nederlandse recensenten. Trouw was van 1969 tot 2008 zijn podium, en daarin verschenen wekelijks zijn weloverwogen stukken. Veel van die recensies werden verzameld in bundels – indertijd zagen uitgevers daarin nog heil – in bijvoorbeeld De komma bij Krol en andere essays (1986) of Recensies (1980). Als medeoprichter en redacteur van De Revisor had hij de kans om jonge talenten voor het voetlicht te brengen. Zoveel critici, schrijvers en neerlandici zijn door hem op weg geholpen: Rob Schouten, Guus Middag, Yra van Dijk, Menno Hartman, Jeroen Vullings, Marjoleine de Vos, Thomas Möhlmann. Ikzelf ook. Ik was nog student toen ik de brieven van De Schoolmeester (Gerrit van de Linde) ontdekte. Hij was toen al docent en was razend enthousiast over wat ik boven water gehaald had. Samen gaven we toen een collegereeks over de gedichten van De Schoolmeester, en daarna gaven we samen een editie van de gedichten uit. Hij introduceerde mij bij De Revisor met mijn eerste stukken, hij bracht me bij uitgever Querido. Hij wees me op het ritme van zinnen, hij leerde me niet tevreden te zijn met het eerste resultaat, hij liet me kennismaken met bibliofiele uitgaven. Hij leerde me ook dat deadlines er zijn om ze te overschrijden.

 Naast Trouw en De Revisor waren er tientallen andere tijdschriften waarin hij publiceerde: Literama, Bzzlletin, Tirade, Vrij Nederland, Maatstaf, de Achterbergkroniek, de Vestdijkkroniek, Raster. Bovendien verzorgde hij jarenlang korte recensies voor bibliotheken, die bepaalden of een boek aangeschaft werd of niet. Voor de neerlandistiek is van belang dat hij mederedacteur was van het omvangrijke Kritisch Lexicon en van Het literaire klimaat 1970-1985. Ook stelde hij bloemlezingen samen (Lees eens een gedicht en Lees nog eens een gedicht), maakte hij interviews met toonaangevende schrijvers (verzameld in Bij het schrijven) en was hij betrokken bij edities van Vestdijk, Lehmann en Van Geel.  

Hij had een uitgesproken voorkeur voor bepaalde schrijvers: voor Leo Vroman, Gerrit Krol, Simon Vestdijk, Chris van Geel, Willem Brakman, Jeroen Brouwers, Willem van Toorn. Hij had met enkele van deze ook een vriendschappelijke band, evenals met andere schrijvers zoals Nicolaas Matsier, Tomas Lieske, Martin Reints en Willem Jan Otten. In bepaalde kringen, zoals die van Propria Cures, werd hem dat aangerekend. Er werd hem verweten dat hij persoonlijke omgang had met schrijvers die hij ook recenseerde, en dat dat hem zou verhinderen kritisch te zijn. Dat hij ook zeer geregeld in jury’s van belangrijke prijzen zat, versterkte de gedachte dat hij vooringenomen zou zijn. Wie hem gekend heeft, weet dat dit onzin is: alleen al het feit dat dionysische schrijvers als Brakman en Brouwers door hem evenzeer gewaardeerd werden als de sobere Van Geel en Faverey, zegt voldoende.

 De laatste jaren trad hij niet meer als criticus op. Hij had zijn positie bij Trouw opgegeven omdat hij niet meer zelf kon bepalen wat hij bespreken wilde. Dat podium miste hij, en dat stemde hem droevig. Ook de studenten miste hij sinds hij in 2006 afscheid had genomen van de universiteit. Zo bleef alleen de dichter over, die in 2016 nog een bundel uitgaf bij Querido en daarna nog enige gedichten in bibliofiele kleine oplagen voor intimi liet drukken.

De dichter Tom van Deel laat vooral de natuurliefhebber zien. Tom hield van vogels, van het Hollands landschap, van het Griekse. Als er ijs lag, nam hij vrij om lange tochten te maken in Noord-Holland. Hij is ook als dichter bedachtzaam, van de 23 woorden voor Vestdijk gaan voor hem omschrijvingen als pathetisch, hooggestemd, groot, gewrongen, cerebraal, historisch, mythisch niet op. Maar grote onderwerpen gaat hij niet uit de weg. Zoiets als dit:

Het is weer helemaal genieten. Zo

zou het altijd moeten zijn: licht

en vredig dus, alsof alles ineens

voor altijd en nooit weer is. Geen

lengte van dagen, geen gevoel van

weg te moeten en te huilen. Nooit

gaat meer iets voorbij.[4]

Het is nu wel voorbij.


[1] Nico Laan, Marita Mathijsen, Thomas Vaessens, ‘Nawoord’. In: Tom van Deel, Voortgezette schepping. Amsterdam 2006.

[2] Tom van Deel, ‘Waarom ik van Vestdijk houd’. In: Vestdijkmededelingen 27 (1998), 2.

[3] Tom van Deel, ‘Luisterende stemmen’. In: Een verbeelde God. Zoetermeer 2001.

[4] T. van Deel, Glorie. Privé-druk 2010-2011.

Censuur op Bilderdijks Afscheid

Het publiek moet uitzinnig van enthousiasme zijn geweest toen Bilderdijk het gedicht ‘Afscheid’ voordroeg voor de Amsterdamse Afdeling van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen en Kunsten op 10 januari 1811. Dit is het slot:

Bilderdiijkafscheidslot

Hij had daarvoor het publiek een treurig beeld van het vaderland voorgehouden, dat hij had zien zinken in een diepe val. ‘Holland is geweest’, meende hij, en hijzelf ook: dit zou zijn zwanenzang zijn. 362 alexandrijnen lang beschrijft hij zijn eigen dichterschap dat altijd hooggestemd was, maar nu kan hij niet meer. In zijn jeugd, de achttiende eeuw, was het bar en boos gesteld met de dichtkunst: Vondel was vergeten en dichtkunst was niet meer dan laag-bij-de-gronds kruipen. Hijzelf had hoger doelen: ‘Zij is geen spruit van de aarde, de Dichtkunst die ons blaakt; zij is van hooger waarde’, ze is ‘in hemelvuur geteeld’. Hij had zijn snaren aan het vaderland gewijd en zag dat vaderland gelukkig – maar hij zag het ook vallen:

De naam van ’t Vaderland, van Holland is geweest.

Zie daar mijn’ laatsten snik; met dien geve ik den geest.

Met ‘DE DICHTER WAS!’ besluit hij de alexandrijnen. Dan volgt een balladeachtig besluit van ruim honderd regels van twee of drie jamben waarin hij de val van Napoleon voorspelt:

Dees ellenden

Gaan volenden;

En, verpletterd wordt het juk.

Het was moedig van Bilderdijk om zich in het openbaar uit te spreken tegen de Franse overheersing. Weliswaar was hij niet steeds anti-Napoleon geweest, maar wat hij nu liet horen was niet mis te verstaan. Kennelijk was er geen politie in de zaal, want opgepakt werd hij niet. In de Bilderdijkbiografie van Honings en Van Zonneveld staat dat er geen getuigenissen overgeleverd zijn van aanwezigen bij de voordracht, maar dat klopt niet helemaal. Theodorus van Kooten, hoogleraar en politicus, was erbij geweest en schreef daarover heel summier aan een vriend. Hij had een kopie van het handschrift gekregen en las die tot drie keer toe: ‘Dat is poëzy! poëzy van het begin tot het einde!’

Toen Bilderdijk het gedicht wilde publiceren in zijn bundel Winterbloemen (deel 2) kreeg hij het wel aan de stok met de censuur. Hij publiceerde slechts 272 van de in totaal 476 regels. In de bundel kondigde de uitgever aan dat de rest zou volgen. Er kwam dus een verminkt gedicht in de Winterbloemen te staan.

Bilderdijkafscheid

Hoe werkte dat indertijd met de censuur? Alleen een beperkt aantal uitgevers kreeg vergunning om te drukken. Als een van de erkende uitgevers iets wilde uitgeven, moest die aan de politieprefect verlof vragen. De prefect stuurde vervolgens een lijst met aanvragen door naar de Direction Génerale de l’Imprimerie et de la Librairie te Parijs. Wanneer de Direction liet weten achterdocht te koesteren, moest de uitgever vijf exemplaren van het handschrift opsturen naar diverse instanties. Een Nederlandstalige censor in Parijs keek het manuscript na. Als deze geen vuiltje aan de lucht zag, stuurde hij zijn goedkeuring naar de prefect, die de instemming weer meldde aan de drukker. Was het werk eenmaal gedrukt, dan moesten er opnieuw exemplaren ingeleverd worden en dan kwamen er soms nog achteraf verboden. Van de uitgever werd verwacht dat hij zelf censuur toepaste voor hij de weg van de officiële censuur insloeg.

De Haarlemse uitgever Bohn, bij wie Winterbloemen verscheen, had een drukvergunning. Hoe het nu gegaan is met de censuur op Bilderdijk is nog nooit tot op de bodem uitgezocht. Er moeten bij het Nationaal Archief en bij de Franse archieven van de Direction Génerale vast wel documenten over deze kwestie bewaard zijn, maar daar is nog geen onderzoeker ingedoken. Wel weten we dat Bilderdijk eind oktober 1811 al erover klaagde dat het tweede deel van Winterbloemen vertraging opliep door de ‘Heeren Censeurs’. Eind van dat jaar was er toestemming, maar terwijl het laatste blad (16 pagina’s) werd afgedrukt kwam er weer een verbod. De censuur wilde een paar regels veranderen en andere schrappen, maar Bilderdijk weigerde: hij liet het gedicht afbreken. Er is één compleet gedrukt blad bewaard gebleven van die verboden versie. Ook is er een afschrift bewaard waarop aangetekend staat wat de censoren precies wilden schrappen of veranderen.

November 1813 was duidelijk dat het Napoleontische regime gevallen was en daarmee ook de staatscensuur beëindigde. Tientallen dichters klommen in de pen om Hollands vrijwording en de terugkeer van Oranje te bejubelen. Zo ook Willem Bilderdijk en zijn vrouw, die samen eind 1813 de bundel Hollands verlossing, ook bij Bohn, lieten verschijnen, met een twaalftal vaderlandslievende gedichten. Daarin kwam nu ook het hele ‘Afscheid’ te staan, met het fameuze slot. Bilderdijk zelf én zijn lezers konden het nu zelf lezen: Bilderdijk was een ware voorspeller van ‘het juichensuur’ geweest. Maar de profeet had ongelijk gehad met de aankondiging van zijn stervensuur. Er wachtten hem nog twintig jaar.

[Ik ontleende gegevens aan de ongepubliceerde uitmuntende scriptie: J.E. van de Wege-de Rooy, Willem Bilderdijks Afscheid. Een deelstudie. Utrecht 1992. En aan: Marita Mathijsen, ‘Manuscriptkeuringen en boekverboden. Censuur rond de Franse tijd’. In: Marita Mathijsen (red.), Boeken onder druk. Censuur en pers-onvrijheid in Nederland sinds de boekdrukkunst. Amsterdam 2011, 59-74. Het unieke blad van de verboden versie werd bewaard in het voormalig Bilderdijk Museum; het afschrift Tydeman met censuuraantekeningen is nog in de KB te vinden.]

De heldhaftige leraar Nederlands van Gerrit Kouwenaar

drs van schaffelaar

 

Hoewel de stenen marva van de generaal

over zijn schouder meelas, brak hij

de atjeh-oorlog af, stak hij het socialistisch

ochtendblad op, haast in tranen, daags na

het vervalste sprookje van andersen, genaamd

de kristalnacht

 

de dood was toen nog niet vertaald

de onsterfelijkheid nog gangbaar in deze taal

maar hij vervoegde het werkwoord doodmaken

enige malen, en dat zaaide ongemak, verbazing, zelfs

agitatie in de klas, hij was

een gewone leraar, oh, hij had

een uitgesproken naam, maar u lezer

kunt volstaan met van schaffelaar

 

lexicologisch bekeken zoals hij het zelf

gewoon was, was hij zonder meer laf, ja

zeker, maar pas dik 30

denkt men achteraf en van kostbaar vlees

de schaarste al meedragend, toen hier zelfs

de bloedworst nog niet op de bon was, men moest

tegen wil en dank lachen

om zijn bolle wangen als van een hamster, al lang voordat

er uit zijn mythen en sagen een echte

storm opstak

 

hij was laf, ondervond blijkbaar

van bepaalde trefwoorden bij voorbaat de haast

eetbare inhoud en omvang, hij sprong

drie jaar later nadat van dood

en doorslaan nu ook letterlijk sprake

in het huis van bewaring aan de havenstraat

van de 3de ring af

 

de gemengd gehuwde kalfaktor karl

millimeterend het ontijdig artistenhaar

van k, wees fluisterend met zijn schaar: dáár

kwam van schaffelaar neer, jongen, hij was

zo goed als plat, oh het spatte

tot hier, godzijdank

vandaag geen transport

 

Gerrit Kouwenaar vertelde pas in 1989, twintig jaar nadat dit gedicht gepubliceerd was, dat hij met drs van Schaffelaar zijn leraar Nederlands en geschiedenis Johan Benders op het Amsterdams Lyceum bedoelde. Over hem zei hij in een interview: ‘Politiek zeer bij de tijd en ook zeer bewogen als er iets gebeurd was. De klas hing aan zijn lippen. Inderdaad kwam hij op de ochtend na de Kristallnacht (9/10 november 1938) de klas in, wapperend met de ochtendeditie van Het Volk, zeer geëmotioneerd. In 1943 heeft hij, nadat hij door de Duitsers was opgepakt, in de gevangenis zelfmoord gepleegd, bang dat hij zou doorslaan. Het toeval wilde dat ik een paar dagen daarna in dezelfde gevangenis terechtkwam.’ De laatste strofe van Kouwenaars gedicht slaat daarop en met ‘k’ die gekortwiekt werd is hijzelf bedoeld. Kouwenaar was opgepakt omdat hij mederedacteur was van het anti-Duitse blad Lichting. Benders zat vast omdat hij ervan verdacht werd betrokken te zijn geweest bij de aanslag op het bevolkingsregister van 27 maart 1943. Ook regelde hij onderduikadressen, vervalste persoonsbewijzen en hij had een joodse onderduikster en twee half joodse pleegkinderen in huis. Het oudste van de twee kinderen en de onderduikster werden samen met hem door de Duitsers meegenomen. Op dat moment had Benders zelf twee dochters en zijn vrouw was zwanger. Hij werd 5 april 1943 opgepakt, de dag daarna gooide hij zichzelf van de bovenste verdieping van het huis van bewaring. Zijn vrouw hoorde pas 17 april van zijn dood. Het pleegkind kwam vrij, de onderduikster wist tijdens een transport te ontsnappen.

fotoJohanBenders

Johan Benders 1907-1943

De achtergrond van het gedicht is uitstekend uitgewerkt in een artikel van Gerrold van der Stroom uit 2000.[1] Nu is er een fascinerend boek verschenen van Johan Benders’ postuum geboren dochter Mart met nog meer gegevens over hem, onder de titel Leraar in oorlogstijd.[2] Daarin doet zij verslag van haar speurtocht naar de geschiedenis van haar vader, voor zover zij nog getuigen daarvan kon spreken. Het merkwaardige is dat zij pas vrij laat te horen kreeg wat haar vader betekend heeft. Haar moeder zweeg over hem, en haar zusjes waren te jong toen de vader overleed om veel herinneringen aan hem te hebben. Toen Mart een jaar of negen was, vertelde de onderwijzer over Jan van Schaffelaar en zijn sprong van de Barneveldse toren in 1482 om zijn manschappen te redden. De hele klas was onder de indruk van de dappere Schaffelaar. ‘Nou, jouw vader heeft dat toch ook gedaan’, zei een klasgenootje toen tegen haar. Pas veel later kwam ze achter de toedracht. Ze sprak met iemand die met haar vader op die bewuste 5 april in dezelfde cel van het huis van bewaring aan de  Amstelveenseweg gezeten had. Tot tweemaal toe probeerde hij die avond zelfmoord te plegen: eerst sneed hij met een meegesmokkelde paperclip zijn polsen door, maar kwam niet diep genoeg. Daarna zag hij een glazen flesje staan en wilde dat stukslaan om de scherven op te eten. Hij wilde niet levend te pakken genomen worden, had hij gezegd. Zijn celgenoten waarschuwden toch de bewaking, die Benders vervolgens meenamen, die beweerde ‘in einer melancholischen Stimmung’ te zijn.

fotohuisvanbewaringHavenstraatAmstelveenseweg

Huis van Bewaring, Amstelveenseweg/Haven-straat Amsterdam

Mart Benders heeft ook het dagboek in handen gekregen dat het jongste van de twee zussen die bij hen in huis woonden bijhield over de aprildagen. Benders was erg nerveus toen hij opgepakt werd, schrijft ze. Zijn studeerkamer en de donkere kamer waarin hij persoonsbewijzen vervalste, werden verzegeld. Op 17 april werd mevrouw Benders twee uur lang verhoord en daarna pas kreeg ze te horen van zijn dood. Nog diezelfde dag werden zijn papieren opgehaald. Weer enige dagen later was er de bevestiging van de zelfmoord: ‘Hij heeft het gedaan om niet te worden gedwongen andere mensen te verraden’, schreef het meisje. Lexicologisch bekeken laf, zoals Kouwenaar schrijft? Dapper zou ik het noemen, extreem dapper. Maar dat bedoelde Kouwenaar waarschijnlijk ook in zijn gedicht met zijn ambigue gebruik van ‘haast’, met de beperking van laf tot ‘lexicologisch’ en de ‘uitgesproken naam’ ([ik] ben-d’r).

Dank zij het voorbeeldige onderzoek van zijn dochter, meer dan 75 jaar nadat haar moeder in De Telegraaf van 4 augustus 1943 de geboorte van haar dochter Martha te kennen gaf, bijna vier maanden na het overlijden van haar man, kunnen we nu nog meer achtergronden van dit magnifieke gedicht over deze moedige man leren kennen.

[1] G.P. van der Stroom, ‘Wie was Gerrit Kouwenaars drs van Schaffelaar?’. In: Voortgang 19 (2000), 211-222. Zie hier: Van der Stroom. Van der Stroom gebruikt een vroege versie van dit gedicht, net als hier afgedrukt. In latere versies heeft Kouwenaar ‘drie jaar’ veranderd in ‘vier jaar’. Gerekend vanaf de Kristalnacht naar de zelfdoding zou er eigenlijk ‘vijf jaar’ moeten staan.

[2] Mart Benders, Leraar in oorlogstijd. Reconstructie van een vader. Z.p: Karakter Uitgevers, 2019. ISBN 978-90-452-1972-1

Aagje Deken stierf aan verdriet

Zo bekend was Betje Wolff dat haar overlijden in de Haarlemsche Courant gemeld werd. Ze stierf op 5 november 1804, 66 jaar oud. Haar vriendin Aagje Deken volgde haar negen dagen later, nog geen 63 jaar oud. Zevenentwintig jaar hadden ze bij elkaar geleefd en lief en leed gedeeld. Ze waren in 1788 samen naar Frankrijk gevlucht voor het geweld van de oranjeklanten. In Trévoux, dat tussen Villefranche en Lyon ligt, vonden ze onderdak. Er is daar op de Place de la Terrasse een tweetalige plaquette ter herinnering aangebracht.

Plaque_Wolff_Deken_Trévoux

Al die vakantiegangers die op de Route du Soleil een afslag naar Villefranche zien, zullen er niet aan denken dat daar in de buurt meer dan twee eeuwen geleden twee landgenoten hun toevlucht hadden gezocht en vervolgens erachter kwamen dat de beheerder van hun kapitaal failliet was gegaan, zodat zij in armoede vervielen en zelfs een verzoek tot bijstand richtten aan de Franse overheid. Omdat er inmiddels een schrikbewind ingesteld was, kregen ze ook met dagvaardingen voor het Franse Comité Révolutionnaire te maken. Toen in 1795 in Nederland de Oranjes verdreven waren en de Bataafsche Republiek opgericht, vroeg Betje haar weduwepensioen op. Maar dat kreeg ze alleen als ze zich weer in Nederland zou vestigen. Het duurde tot 1797 voor de dames voldoende reisgeld hadden om terug te komen. Inmiddels liepen hun romans niet meer zo goed, dus vertaalden ze zich blauw om enig inkomen te hebben. Betje lag drie jaar ziek voor ze stierf. Ze leed helse pijnen. Aagje schreef enige maanden voor haar dood aan een vriendin: `Zij lijdt bijna zonder tussenpauzes beurtelings aan woedende kramp in de borst en de maag, aan valse braakneigingen, dodelijke benauwdheden, aan een bijna verstikkende hoest als de kramp op de borst zit. Ook heeft zij aanvallen van zwarte melancholie, waarbij zij, zoals zij het uitdrukt, gewaarwordingen heeft alsof zij door een onzichtbaar wezen getergd wordt en inwendig in alle richtingen als het ware met koorden uiteen getrokken wordt. Dan schreit zij uren achter elkaar werktuiglijk. Daarna schijnt het weer alsof alle krachten verdwijnen en alle veerkracht verslapt, het hoofd zakt weg, de knieën buigen, men voelt geen pols. Al die toevallen komen zo geheel onverwacht dat wij in het ene kwartier nooit zeker kunnen zijn van wat het volgende brengt, en zij is geheel en al het slachtoffer van de allerminste, voor ons bijna onwaarneembare verandering in de dampkring.’ Na Betjes dood schreef Aagje dat ze blij was dat haar hartsvriendin was verlost uit haar ellendig lichaam, maar ze schreide ook ‘bloedige tranen’  om de verloren vriendschap. Ze ging nog naar de notaris om een nieuw testament op te maken, waarbij ze de schamele erfenis overmaakte aan Betjes nicht. Daarna kon Aagje niets meer uitbrengen dat nog verstaanbaar was. Zij stierf aan ‘zinkingskoorts’. In het begin van het verhaal van de Familie Kegge, uit de Camera Obscura, beschrijft Nicolaas Beets wat de verschijnselen van die koorts zijn:

Wie kent niet die ontzettende ziekte, die men in het dagelijks leven met de gevreesde naam van zenuwzinkingskoorts gewoon is te bestempelen? Wie heeft onder haar geweld geen dierbaren zien bezwijken? Wie heeft haar nimmer bijgewoond, die verschrikkelijke worsteling der zenuwen en vaten, waar deze zich onderling het gezag betwisten, totdat de lijder – meestal helaas! – onder die kampstrijd bezwijken moet. Voor mij rijst menige angstige herinnering aan haar verschijnselen op. Ik zie nog die lijders, met die gebroken ogen, die zwarte lippen, die droge lederachtige handen, die vingers in altoosdurende beweging. Zij staan mij voor de geest, zoals zij nu eens in een dof en mompelend ijlen als verdiept waren en in stilte bezig met hun vizioenen, en dan met een kracht, die niemand hun meer zou hebben toegeschreven, zich in hun bed ophieven, om daarna weer ineen te krimpen als in dierlijke angst. Zij staan mij voor de geest, ook in hun noodlottig stilliggen, in die treurig heldere tussenpozen, die de dood voorbeduiden.

Aagje volgde haar vriendin in hetzelfde graf, dat vanwege de vorst nog open lag. Iedereen was ervan overtuigd dat het verdriet haar de dood gebracht had.

Ze werden stijlvol herdacht. Er werd voor hen een erepenning geslagen en de Bataafsche Maatschappij organiseerde een herdenkingsavond met een speciale lierzang en een lofrede, die beide gedrukt werden. De trouw van de twee vriendinnen, die in leven en dood elkaar niet konden missen, blijft aandoenlijk tot in het heden.

aagje-deken-en-betje-wolff

Buitenkansje: Museum Tetar van Elven, Historische Galerij De Vos

Je zult maar rijk zijn in de negentiende eeuw, van geschiedenis houden, geïnteresseerd zijn in kunst, een groot huis en een grote tuin hebben. Je zult maar opgevoed zijn met een kunstcollectie om je heen, verzameld door je vader en grootvader. En dan een beslissing nemen: ik laat gewoon de hoogtepunten van de vaderlandse geschiedenis schilderen door jonge goed opgeleide schilders, ik maak er een soort beeldverhaal van, een strip. En dan bouw ik in mijn tuin een paviljoen daarvoor, en ik nodig mijn vrienden en bekenden uit om te komen kijken naar mijn visuele verbeelding van de geschiedenis. Zo groot en majestueus als de historische galerij in Paleis Versailles van de Franse geschiedenis, zo kan ik het niet krijgen, maar dat hoeft ook niet: met wat kleinere, goed gekozen breekpunten in de Nederlandse geschiedenis, geschilderd door de beste jonge kunstenaars die het land te bieden had, kan ik kunst én geschiedenis verenigen.

Zo ongeveer moet de steenrijke Amsterdamse assuradeur Jacob de Vos gedacht hebben toen hij in 1850 het plan opvatte een ‘Historische Galerij’ op te zetten in de tuin van zijn huis op Herengracht 130. Dertig kunstenaars werden aan het werk gezet, om in totaal 253 olieverfschetsen te maken.

43 van de schilderijen over de periode 1477-1711 zijn nu tentoongesteld in Museum Tetar van Elven in Delft. Ruimte voor alles is er niet in dit juweeltje van een museum. Wie nog nooit in dit voormalig woonhuis van de schilder Paul Tetar van Elven geweest is, moet zich spoorslags naar Delft begeven – nu vanwege de Galerij de Vos, maar ook voor de vaste collectie schilderijen en voor de historische inrichting. Tetar van Elven was een van de schilders die voor De Vos werkte: hij maakte 11 taferelen. Hij is overigens niet de meest overtuigende van de kunstenaars – dat moet ik helaas toegeven. Dat is wél Charles Rochussen, en als tweede de vrijwel onbekende Johannes Egenberger. Die weten wat kleur, passie en het momentum zijn.

RochussenDeVosErnstCasimir

Ch. Rochussen, Ernst Casimir sneuvelt bij Roermond

 

Het aardige van Galerij De Vos is, dat je kunt merken dat de geschiedenisopvatting aan het schuiven is in het midden van de eeuw. De heldenverering is niet meer zo manifest, en de verheerlijking van het vaderland heeft deuken gekregen. Een aansprekend schilderij moest niet meer bewondering voor één held afdwingen, en daarmee afstand, maar nu moest de toeschouwer binnengesleurd worden. Actie spat er vanaf, emotie, kantelingen. Dus geen stijve portretten of kroningen, maar ontsnappingen, vernielingen, bedrog, voorspellingen, martelingen, verdrinkingen. Afschuw en vrees net zo sterk als mededogen en identificatie. Niet meer de aandacht gericht alleen op één centrale persoon, maar op menigte, bijfiguren, vrouwen, kinderen. Wel natuurlijk in een verantwoord historisch kader.

47EgenbergerBeeldenstormAmsterdammuseum

J. Egenberger, De Beeldenstorm

Er was maar één man rond 1850 die zowel verantwoorde als publieksvriendelijke adviezen kon geven: Jacob van Lennep. Jacob de Vos en Van Lennep kenden elkaar van allerlei gelegenheden: de sociëteit, de vrijmetselaars, het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, het Bestuur van de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten. Ze zaten op één lijn als er conflicten waren of als er iets voor elkaar gebracht moest worden. De Vos overlegde met Van Lennep voor de Galerij over de keuze van de taferelen. Tussen 1845 en 1849 waren Van Lenneps De voornaamste geschiedenissen van Noord-Nederland aan zijne kinderen verhaald in vier delen uitgekomen, en daarop baseerden ze samen hun keuze. Er zijn toelichtingen bewaard gebleven bij de schilderijen, in de hand van Jacob Vos, en daaruit blijkt overduidelijk dat hij geregeld zelfs de bewoordingen aan Van Lennep ontleent.

BijschriftDeVos

Voorbeeld van een bijschrift in de hand van De Vos

De laatste keer dat dit stripverhaal over de geschiedenis te zien was in Nederland, was in 1991. Nu in Delft alles over de Gouden Eeuw, met een flinke aanloop en een lange nasleep.

49 eerstejaars Neerlandistiek aan de VU: geen aprilgrap

Op 1 april heb ik bij de HOVO aan de VU de cursus Nederlandse literatuur (over de Tachtigers) afgesloten. 49 studenten hadden zich ervoor ingeschreven, en dit is geen aprilgrap. Ik heb niet naar hun leeftijd gevraagd, maar zo te zien was er niemand bij die jonger dan 60 was. Het waren geweldige studenten, die zich verdiepten in de stof, die de werken lazen die ik aanbeval en die goede vragen stelden waar ik vaak geen kant-en-klaar antwoord op kon geven. Ja, ouderen kunnen dus wél Nederlands studeren aan de VU, voor de jongeren is dat niet meer weggelegd.

Zelf mag ik geen cursussen meer geven aan gewone studenten. Dat voorrecht werd me afgenomen toen ik de 65 bereikte. Een gastcollege af en toe is nog toegestaan, maar toen ik verleden jaar een tutorial van een research-master-student begeleidde, moest een jongere collega het cijfer en het aantal studiepunten dat ik gaf invullen, ondertekenen en inleveren. Wat hij blind en zonder controle deed.

Hoe kan het nu dat er wel enthousiasme is onder senioren, en de jongelui het af laten weten bij de inschrijvingen? Natuurlijk is er verschil: de ouderen hoeven geen tentamens te doen, geen papers in te leveren, ik controleer niet of ze aanwezig zijn, ik controleer niet of ze de boeken gelezen hebben die ik aan de orde wil stellen. Ze krijgen ook geen doodsaaie artikelen voorgeschoteld met theoretische modellen. En voor mij is het leuke dat ik gewoon kan zeggen wat ik mooi vind – en ik onderbouw dat losjes door op de techniek van het vertellen of de taal te wijzen.  Natuurlijk wijs ik ook op begrippen als ‘framing’ en ‘literaire positionering’, maar in het algemeen hou ik me aan de klassieke literatuurgeschiedenis.

Zijn er lessen te trekken uit de belangstelling van ouderen voor neerlandistiek, in dit geval dus specifiek de aandacht voor Nederlandse literatuur? Lessen die voor aanwas van reguliere studenten zouden kunnen zorgen? Niet veel denk ik. De senioren komen naar de literatuurcolleges omdat ze vroeger goed literatuuronderwijs gekregen hebben. Ze willen de kennis uit het verleden die nog met brokstukken in hun geheugen zit restaureren, en aanvullen met de kennis die ze  tientallen jaren lang opdeden. Dat zijn jaren  waarin ze los en vast literatuur lazen, meestal naar aanleiding van stukken in NRC of De Groene, of omdat ze een aanbeveling hoorden zaterdagochtend op NPO 1 of zondagochtend bij VPRO Boeken. Ze zoeken naar verbanden tussen dat wat hun geheugen van de middelbare school behouden heeft en dat wat er allemaal bijgekomen is.

Dat is niet de motivatie van de weinige eindexamenkandidaten die wel voor Nederlands gekozen hebben. Zij hebben gedeformeerde literatuurlessen gekregen en legden een mechanisch in te vullen eindexamen af. Alleen als zij een bevlogen leraar hadden, of misschien een grootmoeder die colleges bij de HOVO volgde, kiezen zij nog voor neerlandistiek. Eén les slechts kan ik de huidige Neerlandistiek meegeven vanuit mijn ervaring bij de HOVO:  geneer je niet om te laten merken dat je door  literatuur bewogen kunt raken. Want dat is waar we toch eigenlijk allemaal naar zoeken.

 

Marita Mathijsen

Waar is de klok van het Paleis voor Volksvlijt???

Op 25 augustus 1875 om 7 uur in de avond precies sloeg op het Paleis voor Volksvlijt in Amsterdam voor het eerst de nieuwe klok zevenmaal. De wijzerplaat  was aangebracht aan de Utrechtsestraatzijde van het Paleis, en het geheel was bekostigd door een ‘belangstellend ingezetene’. De zware bronzen klok zelf hing binnenin het Paleis.

Paleisvolksvlijtmetklok2Waarom precies op 25 augustus en waarom om 7 uur? Het was de sterfdag en het was het sterfuur van Jacob van Lennep. Die was al zeven jaar eerder overleden, maar in de herinnering was blijven hangen dat hij bij herhaling geprotesteerd had tegen het verdwijnen van uurwerken op de stadpoorten, toen die afgebroken werden. Als je bij avond door de stad liep waren er geen verlichte torenklokken en overdag was het ook al niet makkelijk de klok op de torenhoge Westerkerk af te lezen. En de Nieuwe Kerk had niet eens een toren, laat staan een klok. In de Amsterdamsche Courant van 25 januari 1862 vertelt Van Lennep (anoniem overigens maar iedereen wist wel dat hij het was) over een nachtwaker die aan hem vroeg hoe laat het was. De verbaasde Van Lennep antwoordde hem dat de nachtwaker toch was aangesteld om de uren om te roepen, waarop de man zei: ‘wij zijn geen lui, die arlozies er op nahouden’. Nu het Leidse poorthuis afgebroken is ‘moet ik mij wel bij anderen invermeeren na ’t uur’. Van Lennep houdt er wel een horloge op na en loopt met de man naar een straatlantaarn en kijkt dan op zijn zakhorloge hoe laat het is – hoewel hij zijn horloge niet gelijk heeft kunnen zetten met een stadsklok. Hij vraagt zich vervolgens af of hij wel in ‘het bevolkte en magtige Amsterdam’ is, of misschien bij toeval terecht is gekomen in Schilda of Krähwinkel. Dat zijn twee fiktieve plaatsen waar uiterst domme of bekrompen burgers wonen. In Schilda, een stadje dat in een schelmenroman uit 1597 voorkomt, hebben de burgers besloten om een kostbare raadhuisklok te beschermen voor de vijand door hem in het nabijgelegen meer te laten zinken. Op de plek waar de klok verzonken wordt, kerven ze in de houten boot een forse streep, om die plek later terug te kunnen vinden. Als ze de klok weer op willen halen, blijkt de gekerfde boot natuurlijk geen soelaas te bieden. Krähwinkels domme burgers komen voor in werken van Kotzebue en Heinrich Heine. Van Lennep heeft het gevoel in de veertiende eeuw teruggeplaatst te zijn.

Van Lenneps verhaal over de nachtwaker die de tijd niet wist, maakte blijkbaar zo’n indruk dat de klok op het Paleis voor Volksvlijt aan hem opgedragen werd. Op de avond van de eerste klokslag was er feest met een concert en een voordracht van Schillers ‘Het lied van de klok’ in de vertaling van Jacob van Lennep (uit 1830). Het begint zo:

Vast in ’s aardrijks schoot besloten,

Staat de vorm, van leem gebrand:

Heden wordt de klok gegoten.

Paleisvolksvlijt25augustusfeestIk was tot vandaag nog op zoek naar de naam van de belangstellende Amsterdammer die de klok schonk. Een vriendin gaf me net een bericht uit de NRC van 1 juni 1929 door met de naam van de filantroop: een zekere Koch, deelgenoot in de bankiersfirma Stadnitsky en Van Heukelom.

Bij de brand van april 1929 ging het Paleis ten onder. Maar de klok werd onbeschadigd teruggevonden. In het Algemeen Handelsblad van 4 februari 1930 staat dat hij door de N.V. IJzerhandel “Hollandia” aan het gemeentebestuur is  geschonken voor een van de musea.  Waar hij toen heen ging is onbekend. In december 1945 is die in bruikleen  gegeven aan de Krijtberg, de katholieke kerk aan het Singel tegenover de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam. Maar hierna is het spoor kwijt. In de Krijtberg is hij niet meer.

KA 12926 Algemeen Handelsblad 19300204

Professor Gabri van Tussenbroek, bouwhistoricus bij de stad en hoogleraar stedelijke identiteit en monumenten voor Amsterdamse geschiedenis, schrijft een boek over de bouwgeschiedenis van het Paleis. Hij is op zoek naar de klok. Wie o wie kan hem helpen?