Welkom

Image

IK STA OP 1518 VOLGERS. De biografie over Jacob van Lennep is klaar. De derde druk is verschenen. De vierde komt eraan. Voor de feestdagen is er door de uitgever een verlaagde prijs ingesteld! Het dagboek van Van Lenneps voetreis uit 1823 is in een herziene editie opnieuw uitgekomen. Het blog blijft.

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
Ik begin nu aan een literatuurgeschiedenis van de negentiende eeuw. Minder saai dan die van de Taalunie, persoonlijker, vast ook minder wetenschappelijk. Eigenlijk wordt het meer een lezersgeschiedenis. Wat las de gretige lezer van de negentiende eeuw? Wat wist hij (zij) van het literaire leven, welke boeken kocht hij, om welke pamfletten kon zij niet heen, welke recensies las hij, welke vertalingen, stak hij een kaarsje op bij het portret van Bilderdijk toen hij hoorde dat deze overleden was? Opnieuw zal ik in dit blog verslag doen van schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, ziektes en natuurlijk prachtige literatuur.

Advertenties

25 beste boeken 2018: De bezielde schavuit

Ja, hij staat bij de 25 beste boeken van het jaar: Jacob van Lennep, een bezielde schavuit. Als u genoten heeft van het boek, dierbare volger, ga dan naar NRC-beste boeken en stem! Kijk nog maar even naar reacties en naar de speciale feestdageneditie. Ik ben iemand die blij is met nominaties en prijzen (hoewel ik maar één literaire prijs gehad heb in mijn leven, lang geleden, de Multatuliprijs).

Maar ik heb ook veel begrip voor de kritiek op literaire prijzen. Vorige week donderdag was ik bij de uitreiking van de Prijs der Nederlandse Letteren aan Judith Herzberg. Ze had bedongen dat er geen foto’s van de uitreiking ervan gemaakt mochten worden, en dus maakte de éne toegestane fotograaf alleen maar foto’s van de koning, en van wat gasten, maar niet van haar of van het moment suprême. Zelfs de mobieltjes mochten niet klikken. Met het gevolg dat er de volgende dag in de kranten niets verscheen over de uitreiking van deze voornaamste literaire prijs van het Nederlands taalgebied. Over de nieuwe grote Poëzieprijs zijn de laatste tijd heel veel kritische stukken geschreven. De dichters die mee willen dingen moeten € 75 storten of laten storten. Benno Bernard schreef een stuk in NRC over het beschamend circus om deze prijs en weigert eraan mee te doen. Vooral hekelt hij de uitreikingsavonden van literaire prijzen waarin verliezers en winnaar tegelijkertijd moeten optreden en tv inzoomt op teleurgestelde gezichten. Hij heeft groot gelijk. Eigenlijk is dat soort avonden vernederend voor iedereen, winnaar, verliezer, aanhang en jury inclusief.

De wedstrijd van NRC is heel anders ingericht. Hier is de prijs een pakket met álle 25 genomineerde boeken. Dus ook de prachtige Thorbecke-biografie, het schrijnende De eeuw van Gisèle, de indrukwekkende Bredero-biografie. En de prijs gaat niet naar de schrijver, maar naar de lezer. Stemmen dus!

Historieverneukerij

De driedimensionale Maria Callas zweefde over het podium van theater Carré in Amsterdam op maandag 26 november 2018 – ze stierf in 1977. Ik had me er enorm op verheugd en al heel vroeg kaartjes gekocht, voor 95 euro per plaats en 9,50 servicekosten.

We zagen een pop die sterk op Maria Callas leek, maar een karikatuur van de echte zangeres was. Ze drapeerde telkens opnieuw haar dunne sjaal, strekte haar hand poeslief uit naar de dirigent, bedankte quasi ontroerd met lichte buigingen het applaudisserend publiek. Haar stem was van blik geworden, zonder foutjes, zonder ademmomenten. Ze zong een ratjetoe aan aria’s die ze in werkelijkheid nooit bij elkaar in een concert gezongen zou hebben en van de befaamde aria Casta diva uit de opera Norma zong ze alleen het eerste deel en niet de cabaletta. Daarvoor zou ze zich zwaar gegeneerd hebben in het echt.

Ik voelde me opgelicht. Enige weken daarvoor had ik de documentaire Maria by Callas van Tom Volf gezien. Die kun je niet zien zonder gebiologeerd te raken door de diva. Je hoeft niet van haar te houden maar het is onmogelijk om onder haar uit te komen. Er is iets adembenemends in haar stem, houding, reacties. Toch liet Volf slechts krakkemikkige stukjes film zien, zwart-wit foto’s, haar onopgepoetste stem horen. Alles kwam over als werkelijke historie.

Die ervaring kreeg ik totaal niet bij de driedimensionale projectie. Het was een pop van pixels zonder de suggestie van leven die ik zag. De pop ademde niet, aarzelde niet, straalde geen nerveusheid uit, geen opluchting als de aria afgelopen was, reageerde niet op muziek of zaal.

callas3

Hologram van Maria Callas

Nu is zo’n teleurstelling natuurlijk maar een anekdote, en de verspilde euro’s beschouw ik als boete die ik betalen moest om te zeer gehoopt te hebben op het onmogelijke. Maar er is voor mij meer aan de hand dan alleen een mislukking. Het gaat hier om de mogelijkheid of onmogelijkheid om historie te herbeleven of niet. Om historische sensatie of historische sensatiezucht.

Ik had me voorgesteld dat bijvoorbeeld het Literatuurmuseum in de nabije toekomst stromen van bezoekers zou kunnen aantrekken door een driedimensionale Vondel op het podium te vertonen, die vervolgens geïnterviewd werd door Adriaan van Dis en voorgeprogrammeerde antwoorden gaf. Ik stelde me voor dat de techniek nog verder kon gaan: bezoekers konden vragen stellen en Vondel zou die kunnen beantwoorden, als het zou gaan om eenvoudige dingen als ‘hoe lang hoopte Gysbrecht nog de stad Amsterdam te kunnen redden?’. Ik zag Annie M. G. Schmidt al voor me, sigarettenpaffend op een stoel, en maar grappen maken met scholieren. Ik zag Harry Mulisch ijsberend geprojecteerd in zijn werkkamer, die tot in detail werkelijk nog bestaat (en op verzoek bezocht kan worden).

Ik had voor literatuur mijn hoop gevestigd op de techniek. In het Goethehuis in Weimar zag ik enige jaren geleden iets wonderlijks waar ik nogal van onder de indruk was. Er is daar een installatie waar schoolkinderen met woorden uit gedichten van Goethe die in een ruimte zwevend geprojecteerd worden. Door die woorden te vangen kunnen die kinderen zelf nieuwe gedichten maken. Prachtig, dacht ik, dit is de redding van literatuurmuseums die eindelijk verlost werden van nog weer eens een manuscript of eerste druk in een platte vitrine leggen. Driedimensionale dode dichters en zwevende gedichten: mooi toch?

Maar ik ben door de levenloze Callas ernstig aan het twijfelen gegaan. Het op deze manier opleuken van geschiedenis is wat men in Amsterdam en elders zo vaak doet met oude huizen: de gevels laten staan en er splinternieuwe appartementen achter plakken. Kitsch, humbug, charlatanerie, lariekoek. Ik moet me er maar bij neerleggen dat de tijdmachine niet bestaat, dat we hooguit een schaduw kunnen opvangen van het verleden. Nepgeschiedenis is niet wat we moeten willen. Dus toch maar gewoon Vondel laten spelen door Pierre Bokma en hem zo in die rol laten groeien dat hij Adriaan van Dis én scholieren antwoorden kan geven die van Vondel zouden kunnen zijn? Ook nep – maar toch een ander, eerlijker soort. Denk ik.

Marnixkade1

Historieverneukerij: gevels aan de Marnixstraat in Amsterdam waarachter het Nieuwe de la Mar theater gebouwd is

 

 

 

De eeuwwisseling van 1800 en de klok van de Bavo

Op oudejaarsavond 1799 was er in de Haarlemse gehoorzaal van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen een bonte avond. Vrouwen waren ook welkom, om gezamenlijk de nieuwe eeuw in te gaan. De bekende uitgever-dichter Adriaan Loosjes zou spreken. Loosjes had zijn zakhorloge gelijk gezet met de kerkklok van de Bavo. Enige tijd voor middernacht kwam hij op het podium. Hij overdacht de eeuw die nu bijna afgelopen was en de vrolijke stemming die er eerst was geweest veranderde in somberte. De achttiende eeuw was een gruwelijke eeuw geweest, die nu naar zijn einde liep. Hele rijken waren verwrikt en overhoop gehaald, allerlei volken van staat gewisseld. Oorlog had gebieden misvormd. Het mensdom was ten prooi gevallen aan de eerzucht van machtswellustelingen. Hoe vaak leek de vrede dichtbij, en toch werd die weer verjaagd. Ook ons vaderland werd niet gespaard voor oorlog of heerszucht. Interne twisten verdeelden het land, ijzingwekkende tonelen van geweld en woede speelden zich op onze grond af. Bijna sloeg de klok twaalf toen Loosjes bij het sterven van de achttiende eeuw en de toekomst aankwam:

En Toekomst? Welk een lot is voor dit volk bereid?

Dat laat deez’ stervende Eeuw den wijsten zuchtend raden. –

Hoe ’t zij, o Vriendenkring! nog weinig schreden maar,

En de Achttiende Eeuw verdwijnt; is als een rook vervlogen;

Net voor de eerste klokkeslag van de Bavo om 12 uur was hij bij de woorden:

Hoe ’t zij, o Vriendenkring! nog weinig schreden maar,

En de Achttiende Eeuw verdwijnt; is als een rook vervlogen;

Een enkle schrede nog; –

Daar stopte hij en wachtte tot de klok twaalf keer geslagen had en ging door:

 

de Negentiende is dáár;

Daarop begonnen de mensen te juichen, maar Loosjes maande de massa tot stilte, want:

 

Zij treedt haar loopbaan in, met duisternis omtogen.

De negentiende eeuw begon maar haar toekomst was duister. Toch eindigde Loosjes hoopvol: laten we ons niet storen daaraan. In deze nieuwe eeuw zijn er mensen met hart voor het goede, die ware mensenvreugd weten te verspreiden. Juist de Maatschappij tot Nut voor ’t Algemeen kweekt nieuwe burgers, die bereid zijn offers te brengen voor het algemeen heil. Wellicht dat er nog nieuwe rampen komen als eigenbaat de voorrang krijgt, maar als er een burgerij is die onzelfzuchtig naar verbetering voor iedereen streeft, zal het een goede eeuw voor iedereen worden.

Loosjes’ gedicht is symptomatisch voor het algemeen gevoel. Er werd niet vreugdevol teruggekeken op de voorbije achttiende eeuw, integendeel. Als er begin november 1799 een orkaan over Noord-Nederland raast die diverse slachtoffers maakt, bomen velt en dijkdoorbraken veroorzaakt, maakt de dichter M.C. van Hall de vergelijking met wat er in zijn tijd op politiek gebied gebeurd is, en hij vervloekt de achttiende eeuw:

Zink in het niet terug, rampzaligste der Eeuwen,

Ga onder, in een zee van tranen en van bloed!

De menschheid leed te lang door ’s menschen euvelmoed;

Men hoorde haar alöm, tot God, om redding schreeuwen.

’t Scheen dat haar bange kreet, door ’t krijgsrumoer gesmoord,

Niet tot den Hemel steeg, door God niet werd gehoord.

De volken zagen haar in bloedig stof gezonken;

Maar ’t schouwspel ’t geen, weleer, Barbaren had verzacht,

’t Gevoel weêr in het hart van ’t wreedste monster bragt,

Scheen nu der volken drift in heeter gloed te ontvonken […].

Niet alleen de orkaan van november, ook de watersnood die de eeuwwende had begeleid en die tot grote schade had geleid, werd gezien als een bevestiging van hogerhand dat het tijdvak niet deugde. De winter van 1799-1800 was uitzonderlijk streng, en bij het losgaan van de rivieren was het water en het ijs met een vernielend geweld gaan woeden. Zelfs de stevigste dijken bezweken, het ijs verpletterde eeuwenoude gebouwen, hele huisgezinnen werden begraven onder de puinhopen van hun woningen.

Nijmegen1800ZillesenOverstroming

C. Zillesen, Beschryving van den Watersnood 1800

Dit is wat algemeen overheerst bij de gedichten die geschreven werden om de eeuwwisseling te gedenken: de natuurrampen die het land troffen zijn symbolen voor de algemene ontreddering, de achttiende eeuw heeft weinig goeds gebracht, de helden van weleer hebben een verbasterd Nederland achtergelaten, de toekomst is ongelooflijk onzeker.

De dichter Cornelis Loots heeft het in zijn ‘Eeuwzang bij het begin der negentiende eeuw’over een afschuwelijk ondier, erger dan een duivel kan bedenken, dat macht heeft gekregen over Europa:

In naam der vrijheid moordt en woedt,

En zwelt zich zat aan menschenbloed,

’t Afschuwlijkst ondier, nooit te voren

In ’t brein van duivels zelfs gedacht. […]

Heel de aarde is thans een schrikverblijf,

Vol jammer en vol wanbedrijf.

De hele achttiende eeuw is er volgens hem een van tranen en bloed geweest, met bovendien `een fel vergiftigde staart’. Dat klopte voor Nederland ook, waar na de verdrijving van de stadhouder de twisten tussen Oranjegezinden, gematigde patriotten en felle revolutionairen zouden aanhouden, tot de overheersing door Napoleon de partijen in elkaars armen dreef. Het zou nog tot eind 1813 duren voor het ‘afschuwlijkst ondier’ aan zijn eind kwam, nog even nakwispelend in zijn honderd dagen.

Lejeune_-_Bataille_de_Marengo1800

L.F. Lejeune, Slag bij Marengo 1800 (Franse troepen onder Napoleon tegen Oostenrijkse troepen in Noord-Italië)

Wij tegen het water

We hebben weer een hoogleraar negentiende-eeuwse literatuur. Lotte Jensen in Nijmegen is degene die die specialisatie weliswaar niet in de leeropdracht heeft staan, maar het is uit alles duidelijk dat ze op die negentiende eeuw de nadruk legt in haar onderzoek en onderwijs. Afgelopen vrijdag hield zij haar oratie. Lotte werkte als postdoc onder mijn leiding  aan haar veelgeciteerde boek De verheerlijking van het verleden (2008). Het stemt mij intens tevreden in haar een academische voortzetter van mijn fascinatie voor de negentiende eeuw gekregen te hebben. De studenten die zij opleidt zijn in goede handen.

Haar oratie gaat over de strijd tegen het water en hoe bindend die werkt en tot gemeenschapszin leidt. Vooral rampzalige overstromingen leidden tot een heroïsche inzet om slachtoffers te helpen. Lotte Jensen wil met haar oratie vooral laten zien hoe de Nederlandse identiteit verbonden wordt met de strijd tegen het water, en hoe die culturele constructie ‘bij vlagen heroïsche en mythische proporties aanneemt’. U kunt haar verhaal nalezen in het boekje Wij tegen het water, uitgegeven door Vantilt.

Wat zij in het kort ook aansnijdt, is het verschijnsel van liefdadigheidsuitgaven, speciaal voor slachtoffers van rampen. Dat zijn boekjes van een paar pagina’s, meestal met een gedicht dat toepasselijk is op de ramp. Ze werden tegen een lage prijs verkocht onder de burgerij en de opbrengst ging naar de gedupeerden. Het lijkt vooral iets van de negentiende eeuw te zijn, maar er zijn ook vroegere van die uitgaven ‘ten voordeele van de slachtoffers van…’. Vaak waren die voor overstromingsslachtoffers, maar het kan ook om branden, de cholera, een ontploffing of mislukte oogsten gaan. De auteurs van die uitgaven zijn zowel lokale als nationale beroemdheden. Hendrik Tollens is de kampioen van liefdadigheidsuitgaafjes. Als hij een liefdadigheidsgedicht schreef, was de opbrengst gegarandeerd hoog. Ikzelf heb al vaker over de literatuur voor liefdadigheid geschreven, onder andere in De gemaskerde eeuw,  in Nederlandse literatuur in de romantiek  en in Verliefd op het verleden.

Een vroege liefdadigheidsuitgave voor watersnoodslachtoffers is er een uit 1799 bij een overstroming in Nijmegen: Merkwaardige brief uit Nymegen, wegens de ellende aldaar, door het water veroorzaakt. Het was voor 3 stuivers, ‘ten voordeele der Ongelukkigen’ te bekomen bij boekhandelaars in de hele randstad. Vijf predikanten schreven het boekje waarin deerniswekkende verhalen staan over slachtoffers en onvoorziene reddingen. Zo had een boer zijn vee in een schuur op een verhoging gebracht, de schuur werd met vee en al van zijn grondvesten getild en door het ziedende water kilometers verder neergeplant – al het vee overleefde. Ze beschrijven hoe een brakke schuit op woedende golven in de akeligste duisterheid van die ijselijke nacht door de storm voortgejaagd werd, onder donder en bliksem zonder roer of spanen, slechts met een koekenpan om het water uit de boot te hozen. Uiteindelijk werd de schuit op de wallen van Nijmegen gesmeten en de opvarenden konden gered worden.

watersnoodbriefNymegenDe meeste watersnoodhulpgedichten zijn wellicht in 1861 geschreven, toen er rondom Nijmegen 21 dorpen getroffen werden. Een student van me telde 88 uitgaven. Slachtoffers waren er 37 – niet zo heel veel voor wie weet dat de Watersnoodramp van 1953 officieel 1836 doden telde, en eerdere overstromingen zoals de Tweede Marcellusvloed en de St.Elisabeth’s vloed duizenden slachtoffers maakten. Ook Jacob van Lennep liet in 1861 voor de slachtoffers in Noord-Brabant een gedicht drukken, Rouwtoonen, dat bij de gebroeders Muller in Den Bosch gedrukt werd en voor een kwartje te koop was. Het leukste watersnoodgedicht is van de hand van Peter de Génestet. Die speelde dubbelspel: hij kritiseerde het genre maar zijn gedicht was wel uitgegeven ‘ten voordeele der overstroomden’. Het was opgedragen ‘Aan de waternood-poëten’ die ‘fluks aan het verzen lijmen’ waren geslagen:

Op, ’t is nu tijd van zingen,

Heel akelig – dat spreekt!

Laat allen handenwringen,

Terwijl u ‘t harte breekt.

Als het de dichter niet snel lukte kon hij ook wat streepjes zetten, ‘dat staat verschrikkelijk naar’. En hij kon ook oude verzen recyclen. In plaats van schapen laat hij dan koeien verzuipen. Hij moest vooral ook een opa op een dak zetten met een baby in de armen of een wiegje in de vloed laten drijven. Zo kan er zelfs voedend brood gemaakt worden van waterpoëzie, besluit De Génestet.

KoningWillemIIIwatersnood

Koning Willem III komt slachtoffers te hulp in 1861, afgebeeld in een wassenbeeldenmuseum

Lotte Jensen plaatst die watersnoodgedichten in een groter geheel van literaire verwerking van rampen. Daarover zal nog een boek verschijnen. Het is duidelijk dat zij oog heeft voor de rafelranden van de literatuur, en juist die zijn zo belangrijk in de negentiende eeuw.

Ken ik u ergens van? De lezer van de negentiende eeuw.

Negende Jacob van Lennep-Lezing.

Hebben we wel een goed beeld van de negentiende-eeuwse lezer? Dan bedoel ik de literatuurlezer, niet de lezer van kookboeken of de Enkhuizer almanak. Het is alweer 37 jaar geleden dat Bernt Luger zijn revolutionaire lezing hield: ‘Wie las wat in de negentiende eeuw?’ Het tekende een andere omgang met de literatuur van de negentiende eeuw, die al enige jaren daarvoor op gang was gekomen. Sindsdien heeft het onderzoek naar de lezer van de negentiende eeuw een hoge vlucht genomen, met proefschriften over recensies, met minutieus onderzoek naar de kopers van boeken, met boeken over protestantse lectuur, over censuur en pornografie. Maar hebben die ons verder gebracht met onze kennis van de lezer?

verhuelllezers

Er zijn ook sindsdien veel meer persoonlijke getuigenissen uit dagboeken en briefwisselingen gepubliceerd, wat zou kunnen helpen bij het vormen van een lezersportret. Delpher maakt krantenonderzoek een stuk makkelijker. We zouden advertenties voor boeken kunnen gaan bestuderen, maar wat zeggen die precies? Multatuli klaagde erover dat er geen advertenties van Max Havelaar verschenen en toch kan Max Havelaar een van de invloedrijkste boeken van de eeuw genoemd worden. Het zou bepaald niet makkelijk zijn een lijst samen te stellen van de meest invloedrijke boeken van de negentiende eeuw. Als je die voor Nederland zou wil samenstellen, heb je grote kans dat veel titels vertalingen uit het buitenland zijn. Zouden De brave Hendrik van Nicolaas Anslijn en De opkomst van de Nederlandsche Republiek van John Lothrop Motley op zo’n lijst komen? Waren er misschien ook boekjes die in zeer kleine oplagen onder de toonbank verspreid werden en toch invloed hadden? Wat betekenden boeken voor de negentiende-eeuwer dan eigenlijk? Vanuit de Verlichting was hij gewend grote betekenis te hechten aan kennisvermeerderende boeken. De particulier kocht graag cognitieve boeken. Maar wat verwachtte hij van bellettrie, literatuur? Het is de tijd van de opkomst van de roman, en die heeft wellicht toch heel andere lezers voortgebracht dan de achttiende-eeuwse spektatoriale geschriften en ontologische dichtbundels.

De vraag die bij de zoektocht naar de lezer opkomt is: moeten de literatuurprofessoren van nu eigenlijk nog wel literatuurgeschiedenissen schrijven, nu de nadruk steeds meer op de lezer en op het boek in het algemeen is komen te liggen? Is het nog wel gewenst een literatuurgeschiedenis te schrijven vanuit hedendaagse criteria over waarde en originaliteit – want dat doen de meest recente literatuurgeschiedenissen nog steeds? Nu het vak Nederlands en de literatuur zo in de gevarenzone terecht zijn gekomen, hoe kunnen we dan nog braaf opsommingen schrijven van wat wijzelf de canon vinden? Zou een geschiedenis van waar de lezer door geïntrigeerd werd, wat hem tot aanschaf of reacties bewoog, niet interessanter zijn dan een traditionele literatuurgeschiedschrijving?

De bovenstaande vragen ga ik stellen en deels beantwoorden in de negende Jacob van Lennep-lezing die ik geef op 4 oktober, 8 uur in Spui 25, Amsterdam. Meld u zich wel aan: de zaal is zo vol, op Spui25

 

Troostbloemen

Vandaag kreeg ik een grote bos bloemen met een kaartje: ‘Bloemen voor jou, omdat jij en ik en vele anderen wel beter weten. Hartelijke groet, Jacob van Lennep’. Ik verraad niet wie de echte afzender was. Ja, het is spijtig, De bezielde schavuit heeft de Nederlandse Biografieprijs niet gehaald. Het is gebleven bij de nominatie in de short list. Maar ik krijg dagelijks via de mail en de post (ja, ik ontvang ook echte brieven, soms handgeschreven) complimenten van lezers die meegesleept zijn door het boek. En dat is de prijs waar een auteur echt op zit te wachten: geboeide lezers.

Ik geef de komende tijd nog lezingen of interviews over Van Lennep in Oosterbeek (23 september), in Roermond (6 oktober), in het Historisch café in Amsterdam (10 oktober), in Zutphen (17 oktober), in Lelystad (24 oktober), in Haarlem (31 oktober), in Oisterwijk (6 november), in Laren (13 november), in Izegem (14 november), in Maastricht (16 november), in Edam (22 november), en nogmaals Oosterbeek (2 december). Verder treed ik woensdag 26 september in het Gronings Museum op met Hella en Freek. Geen idee waarover dat zal gaan. Zie voor details: Uitgeverij Balans

troostbloemen1

Maar inmiddels ploeter ik ook aan de nieuwe literatuurgeschiedenis. Daarover geef ik op 4 oktober in Spui 25 in Amsterdam de negende Jacob van Lennep-lezing onder de titel:

Ken ik u ergens van? De lezer van de negentiende eeuw.

Nadere informatie volgt.

 

Shortlist Nederlandse Biografieprijs

De bezielde schavuit staat, met vier andere biografieën, op de shortlijst van de Nederlandse Biografieprijs. De andere hebben allemaal twintigste-eeuwers als onderwerp. Afwachten maar…

De Vondel-uitgave van Jacob van Lennep: een verhaal over idealisme, een bodemloze put en editieroverij

Op vrijdag 31 augustus om 5 uur geef ik de tiende Frederik Mullerlezing in de Lutherse kerk op het Spui Amsterdam (toegang gratis, wel aanmelden, zie de link hieronder). Ik spreek over de door Jacob van Lennep bezorgde Vondel-editie uit 1849–1869, dat in twaalf delen verscheen bij uitgever Binger, onder de bezielde leiding van Jacob van Lennep. In de biografie geef ik van dit project een compacte beschrijving, maar ik zal nu veel meer gegevens naar buiten brengen.

Eind 1849 kondigde de uitgever M.H. Binger aan dat er bij hem ingetekend kon worden op De werken van J. van Vondel, met verklaringen en aantekeningen door Mr. J. van Lennep. Het zou een prachtuitgave worden met ‘glyphographische platen’. Voor het eerst zou er een volledige editie komen, chronologisch gerangschikt. De intekenaren kregen gratis marokijnlederen ruggen met goudstempels erbij.

Vondelprospectus

Van Lennep stond in zijn eentje voor een onafzienbare berg werk, want er was nog geen eerder onderzoek waarvan hij gebruik kon maken. Financieel liep het project niet naar wens. Van Lennep hielp de uitgever met een flinke lening en kocht onverkochte delen op. In 1862 zette hij de ‘Vereeniging voor de Verdere Uitgave en Exploitatie der Werken van J. van Vondel’ op, met aandelen van 1000 gulden, die hij sleet aan familie en vrienden.

Vondelaandeel

Uitgever Binger zat vast aan deze kapitale uitgave. De Schiedamse uitgever Roelants was handiger: die liet de letterkundige Johannes van Vloten een goedkope versie maken, en deze plunderde daarvoor de editie van Van Lennep. Er kwam een rechtszaak wegens plagiaat, maar Vondel was rechtenvrij, dus Binger verloor het proces.

Toen Jacob 25 augustus 1868 overleed, had hij het laatste, twaalfde deel net voltooid. Alleen de laatste twee vellen van de drukproeven van het register heeft hij niet meer zelf gecorrigeerd.

Aanmelden Frederik Mullerlezing 

100. Drukproef Vondeluitgave1862

Gecorrigeerde en aangevulde drukproef van de Vondel-uitgave

 

Vandaag 150 jaar geleden, om 19.00 uur

Voor mijn venster in Amsterdam heb ik vanochtend een klein altaartje gebouwd.25augustus2018

In de stromende regen herdachten vanmiddag zo’n veertig sympathisanten in Oosterbeek Jacob van Lennep.

25augustusgrafLennep3Op de terugweg vanuit Oosterbeek tekende zich rond zijn sterfuur een dubbele regenboog tegen de hemel af, de helderste reikte aan beide zijden tot aan de grond. Ik vat het als een teken op dat Jacob van Lennep instemde met de sfeervolle herdenking – vanwege de regen kregen we onderdak bij Jan Hofstede, waar Dick Welsink van het Literatuurmuseum, Louis van Lennep (voorzitter Stichting van Lennep) en ik spraken. Job Hubatka zong twee liederen op teksten van Van Lennep.

In 1868 werd Jacob van Lenneps ziekte en dood heel intensief gevolgd in alle kranten. Het begon eind juli slecht met hem te gaan.  Hieronder een selectie van respectievelijk 28 juli, 30 juli, 18 augustus, 22 augustus en, tenslotte, 27 augustus.

krantenberichtenziekteVL1868

 

150ste sterfdag: 25 augustus

Op 25 augustus is het 150 geleden dat Jacob van Lennep in Oosterbeek overleed. In samenwerking met de Stichting Begraafplaats Fangmanweg en de Stichting van Lennep is er om 16.00 uur een kleine herdenkingsbijeenkomst georganiseerd op de begraafplaats in Oosterbeek, die openbaar toegankelijk is.

Programma:

–          Verwelkoming door Herman Erinkveld, voorzitter van de Stichting Begraafplaats Fangmanweg

–          Toespraak door Marita Mathijsen, schrijver van de biografie Jacob van Lennep, een bezielde schavuit

–          Toespraak door Louis van Lennep, voorzitter van de Stichting van Lennep

–          Zang door Job Hubatka, bariton, betachterachterkleinzoon van Jacob van Lennep, begeleid door de accordeonist Gert Wantenaar. Lied op tekst van Jacob van Lennep

–          Toespraak door Dick Welsink, conservator van het Literatuurmuseum

–          Zang door Job Hubatka van een lied op tekst van Jacob van Lennep. Begeleiding Gert Wantenaar

grafuitsnede