Welkom

MMfolder

IK STA OP MEER DAN 1000 VOLGERS. De biografie over Jacob van Lennep is klaar. De vierde druk is verschenen. Nu is ook mijn lezersgeschiedenis met de éénletter titel L klaar, in september verschijnt het.

Het dagboek van Van Lenneps voetreis uit 1823 is in een fraaie herziene editie opnieuw uitgekomen bij Atlas-Contact. Bovendien is er nu een route ontwikkeld om Van Lenneps voetreis per fiets na te bootsen, met heel veel mooie tips. Zie Jacob van Lennep route. Verschenen is ook een nieuwe editie van De lotgevallen van Ferdinand Huyck met een inleiding van mij, in de klassiekenreeks van uitgever Veen.

Welkom op het blog van Marita Mathijsen.
De leesgeschiedenis van de negentiende eeuw is ingeleverd bij de uitgever. Wat las de gretige lezer van de negentiende eeuw? Wat wist hij (zij) van het literaire leven, welke boeken kocht hij, om welke pamfletten kon zij niet heen, welke recensies las hij, welke vertalingen, stak hij een kaarsje op bij het portret van Bilderdijk toen hij hoorde dat deze overleden was? Opnieuw zal ik in dit blog verslag doen van schandalen, verdachtmakingen, ontroerende verhalen, waarschuwingen, ziektes en natuurlijk prachtige literatuur. Enkele mensen hebben het al gelezen en waren gefascineerd (‘een formidabel boek’ mailde mijn redacteur). In de literatuurgeschiedenis verwerk ik dagboekaantekeningen van een fictieve lezer over wat hij leest, hoe hij daarover denkt, en ook zijn commentaar op literaire gebeurtenissen. 

Dagboek van een lezer 9

Bijna is het zover: 30 september kunt u L in handen krijgen. Ik ben bezig met de correctie van de drukproeven. Maar eerst nog een voorproefje uit de dagboeken.

Eind negentiende eeuw laaide het antisemitisme op. Er zijn twee affaires in deze tijd die dat bevorderden. Over de schoolstrijd schreef de opperrabijn van Amsterdam een stuk: de openbare scholen waren volgens hem in handen van socialisten gekomen zodat joodse kinderen verkeerde denkbeelden kregen. Daarom sloten de orthodoxe joden zich aan bij de schoolstrijd van de protestanten en katholieken. In heel Europa was aandacht voor de Dreyfus-affaire. Een Frans-joodse officier werd er in 1894 van beschuldigd spion te zijn voor Duitsland. De beschuldiging was gebaseerd op valse verklaringen en er volgde een geheim proces. De schrijver Émile Zola vermoedde terecht antisemitische achtergronden, zocht de affaire uit en publiceerde in 1898 een krantenstuk met in knallende hoofdletters: J’ACCUSE. Hij beschuldigde de staat, de rechtbanken en de legermachthebbers ervan dat zij op antisemitische gronden Dreyfus veroordeeld hadden. Zola kreeg daarop een jaar gevangenisstraf wegens laster, maar vluchtte naar Engeland. Deze twee affaires maakten bij de jonge joodse schrijver Herman Heijermans zo veel los dat hij een toneelstuk scheef, Ghetto (1898), over antisemitisme en hoe dat bevorderd werd door de oppositie tussen orthodoxe en vrijzinnige joden. Het stuk trok ongelooflijk veel belangstelling, er waren binnen een paar maanden meer dan honderd voorstellingen en in de pers werd het stuk zowel vernietigend als enthousiast besproken. Heijermans liet in het stuk een orthodoxe lepe lompenhandelaar botsen met zijn progressieve zoon. Sommige critici meenden dat Heijermans met die sjacheraar joodse stereotyperingen, zoals die in Shakespeare’s Shylock, versterkte en dus bijdroeg aan het antisemitisme.

L

Mijn vrouw drong erop aan, we moesten toch echt naar de Hollandsche Schouwburg waar een nieuw stuk van een jonge joodse schrijver speelt. Dit zou pas zijn tweede of derde toneelstuk zijn, maar iedereen spreekt er al over. In de schouwburg schijnt het extra druk en ook extra levendig te zijn, omdat er in de parterre veel mensen uit de joodse buurt bijeenkomen die luidkeels commentaar leveren. Ik zei mijn vrouw nog dat ik daar niet van gediend was, maar zij vond dat we zulke stukken ook moesten zien ‘om erbij te horen’. Nou, dat heb ik geweten, wat heb ik erbij gehoord!

Je moet het je zo voorstellen. In het eerste bedrijf zie je een schamel uitdragerijtje, aan tafel zit de lompenbaas Sachel, er komt een zielige klant binnen die kleding komt belenen. De blinde Sachel snauwt de man en zijn spullen af, ‘Geen cent waard. Helemaal niks. Prullen.’ Meteen was er in de parterre geroezemoes, ik kon niet horen of ze daar nu vonden dat het wel erg voorspelbaar was, zo’n lompenjood, of dat ze gewoon meeleefden met die arme klant die geld nodig had voor z’n zieke vrouw. Op het toneel staat ook een dienstmeisje dat voor de klant partij trekt, maar zodra die man weg is, scheldt Sachel haar verrot. Als ze een jodenmeid was geweest zou ze ‘leper’ zijn geweest, meent hij.

Enfin, op een gegeven moment komt een vriend op bezoek, die samen met Sachel een huwelijk bekokstooft tussen diens zoon Rafaël en de dochter van de vriend. Het dienstmeisje luistert dat gesprek af en zonder dat de twee joden het zien, barst ze in tranen uit. Waarom weten we dan nog niet. Die twee bakkeleien over het geld dat ze voor het bruidspaar op tafel moeten leggen. Nou ja, daar hoef je toch niet zo de nadruk op te leggen, meen ik, dat joden geldbelust zijn. En ondertussen eten ze boterkoek en snoeven ze over hoe goed hun vrouwen in de keuken zijn. Dan komt Rafaël thuis, die zijn vader verwijt dat die z’n klanten oplicht. Sachel maakt zich daar vanaf door te zeggen dat iedereen dat doet – waarop Rafaël hem toebijt: ‘Ons héle volk is ontaard.’ Toen had je de parterre moeten horen: gefluit, gesis, iemand riep keihard dat de politie deze zin verboden had.

In het tweede bedrijf kom je erachter dat Rafaël en het christelijke dienstmeisje Rose een verhouding hebben, ze is zelfs zwanger. Rose brieft aan Rafaël door wat zij gehoord heeft over het geplande huwelijk, en verwijt hem dat hij haar maar als een sjabbesmeid ziet en dat een jood nooit met haar zal trouwen. Rafaël bezweert dat het jodendom voor hem passé is. Dat leidt tot een harde discussie tussen Rafaël, zijn vader en een rebbe. De rebbe verwijt Rafaël dat hij de joden met zijn denkbeelden over integratie verraadt, Rafaël werpt hem voor de voeten dat de joden het getto in stand houden en er zelf schuldig aan zijn dat ze buiten de maatschappij staan: ‘Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de getto’s gelaten – we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld – nee, schud je hoofd niet – stràks heb je ’t zelf gezeid. – We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we…. hebben we betááld, – de onze getroùwd!’ Ja en toen barstte het publiek los. Applaus van de hogere rangen, rumoer in de parterre. Alweer een barse stem: de politie heeft die zin over betaalde vrouwen verboden!

In de pauze was er een enorm kabaal tussen jonge joden en oude joden. Niet te geloven hoe dat gaat als je dat volk hoort rebben, vrouwen en mannen, allemaal door elkaar heen. Heijermans kent dat gekwek goed, dat was op toneel ook wel duidelijk wanneer Sachel en zijn vrouw elkaar uitschelden. Na de pauze proberen Sachel en zijn vriend nog om Rose af te kopen, en Sachel liegt haar voor dat Rafaël niets meer met haar te maken wil hebben. Dan springt Rose in de gracht. Eigenlijk zou het stuk dan het best afgelopen kunnen zijn, maar Rafaël komt nog op, beseft dat zijn vader Rose de gracht ingejaagd heeft en vertrekt dan terwijl hij uitroept dat hij een missie heeft om de wereld te verbeteren.

Ik vond het slot maar niks, en het publiek was aan het eind ook terneergeslagen, het applaus was na afloop veel minder dan bij de pauze. Mijn vrouw vond het toch goed dat we gegaan waren: zo zie je maar dat het in de jodenbuurt toch ook echt aan het veranderen is, zei ze.[1]


[1] Later heeft Heijermans het eind veranderd. In de Toneelwerken (Heijermans 1965, dl. 1, 175-241) staat een versie waarin Rose geen zelfmoord pleegt, maar met Rafaël een nieuw leven begint. De versie hier is gebaseerd op de 2e druk (Heijermans 1899).

Het is zover

Het is zover. Het boek over het lezen in de negentiende eeuw is klaar. Ik heb het de anticonventionele titel L gegeven, een titel bestaand uit één letter dus, en als ondertitel: Het lezen van de negentiende eeuw. Expres dubbelzinnig: het lezen zoals het was in de negentiende eeuw, maar ook: hoe wij de negentiende eeuw lezen. L staat voor de lezer of lezeres in die tijd.

Op 30 september hoop ik het te kunnen presenteren in de Lutherse Kerk van Amsterdam, onder auspiciën van Spui25. Toegankelijk voor iedereen. Daar zal ik toelichten wat ik gedaan heb, het eerste exemplaar uitreiken aan ??? en daar zullen drie lezers optreden die de dagboeken van lezers die in L voorkomen voorlezen.

L is een geschiedenis van het lezen van proza en poëzie, maar niet gebaseerd op de traditionele literatuurgeschiedenissen of op de canon. Dat wat in de gewone literatuurgeschiedenissen centraal staat, komt soms helemaal niet voor in L. De Tachtigers speelden maar een ondergeschikte rol indertijd, Jacob Geels Gesprek op den Drachenfels dat elke student Nederlands moet lezen, kende de doorsnee lezer niet. Potgieter stond in de marge, Multatuli’s toneelstuk Vorstenschool werd vaker herdrukt dan de Max Havelaar. Maar dat stuk werd dan ook gezien als vuilmakerij van koning Willem III.

Ik heb geprobeerd de toptien van de decennia te achterhalen. Een lastige opgave, want oplagecijfers zijn zelden bekend, aantallen herdrukken zijn niet voor alle boeken te achterhalen, er zijn nauwelijks cijfers van leesbibliotheken en er waren nog geen openbare bibliotheken tot 1899. Moeilijk te becijferen zijn ook de publicaties van delen van romans in kranten of tijdschriften. Eline Vere dat vier drukken haalde in de negentiende eeuw, verscheen eerst in Het Vaderland als feuilleton – maar die Haagse krant had slechts 2500 abonnees. Daartegenover verscheen er van Hendrik Consciences roman Een goed hart maar één druk, maar het verhaal had wel in De Katholieke Illustratie gestaan, met 50.000 abonnees. Veel profijt heb ik gehad van de geweldige romandatabase van Toos Streng, waaraan ik het aantal bekende herdrukken van in Nederland uitgegeven romans kon ontlenen.

Verder heb ik natuurlijk veel gebruik gemaakt van recensies (alle jaargangen van Vaderlandsche Letteroefeningen doorgenomen) en geprobeerd te achterhalen waarover veel gesproken werd, door in verzamelingen pamfletten en brochures te kijken of er reacties waren op bepaalde boeken. Op Da Costa’s Bezwaren tegen de geest der eeuw bijvoorbeeld kwamen tientallen pamfletten uit.

Ik heb het verhaal van het lezen, gebaseerd op vlijtig onderzoek, onderbroken met verzonnen dagboekstukken van een lezer of lezeres, waarin die zijn of haar gevoelens over een roman of dichtbundel die hij/zij net gelezen heeft neerschrijft. Dat is net zo onconventioneel als de eenletterige titel. U heeft er hiervoor al een achttal kunnen lezen. Wat ik de L laat uitspreken komt uit mijn duim, maar die duim is rechtstreeks verbonden met wat ik weet over de lezers van de eeuw. Al op mijn achtste ben ik begonnen met Dickens te lezen…

Lees hieronder wat mijn uitgever denkt over L.

Dagboek van een lezer 8

Ik had een woordenwisseling met mijn vrouw. Gisteravond las ik voor uit de Belangrijke tafereelen uit de geschiedenis der lijfstraffelijke regtspleging. Ook Anna en Johan waren erbij, de jongere kinderen waren al naar bed. Iedereen heeft het over dat boek, het bijzondere is dat de schrijver oude rechtbankverslagen opgediept heeft en daar mooie verhalen van maakt. Van sommige moorden blijkt pas na jaren wie de eigenlijke dader was, terwijl al die tijd een onschuldige in het gevang zat. Of men vindt een lijk en kan niet achterhalen wie het is, tot een toeval de zaak oplost.

Zo vertelt de schrijver over een paard dat op hol geslagen was en het woud in vluchtte. De knechten gingen er achteraan, en toen ze het beest aantroffen, stond het stil naast het lijk van een jonge man in vreemde kledij. Het gerecht probeerde alles om te achterhalen wie de dode was en wie de dader, maar uiteindelijk nam men maar aan dat het om een Turk ging, al stond er op zijn arm een tatoeage met gewone letters, niet van die speciale oosterse tekens. Elf jaar later was er kermis in die streek, men vertelde elkaar verhalen over recente moorden, en een man vertelde over de onbekende Turk en de tatoeage. Daarop werd een toehoorder lijkbleek. Het bleek de vader van de vermoorde te zijn, die al jaren op zoek was naar zijn zoon. De jongen was zo vreemd gekleed gegaan omdat hij optrad als koorddanser in zijn vaders circus. De knaap was met een collega naar een kermis gereisd, en toen die man alleen terugkwam, zei hij dat de zoon weggelopen was en zich als huursoldaat aangemeld had. Nu bleek wie de moordenaar was. Die werd opgepakt, maar nog voordat hij berecht kon worden, hing hij zichzelf op.

Mijn vrouw vond dit verhaal nog wel geschikt voor de kinderen, omdat de daad uiteindelijk gewroken werd, maar zij ergerde zich over het verhaal van een ongehuwd dienstmeisje, dat bij haar minnaar een kind had gekregen. Dat had zij met een steen om de hals in de gracht gegooid. Deze moord was uitgekomen omdat er vier zilveren lepels vermist waren. Haar baas veronderstelde dat het dienstmeisje die per ongeluk met het spoelwater in de gracht gegooid had. Maar toen er een baggerman naar de lepels ging zoeken, kwam het lijkje van de ongelukkige zuigeling naar boven.

Toen de kinderen naar bed waren hebben we daarover gesproken. Mijn vrouw vond die misdaad te gruwelijk voor de kinderen. Ook meende zij dat die niet hoefden te weten dat ongetrouwde vrouwen een kind kunnen krijgen. Zij zouden dan wellicht vragen stellen die we niet willen beantwoorden. Nu heb ik haar uitgelegd dat je kinderen toch ook moet leren wat er aan verderfelijks in de maatschappij is. De schrijver laat steeds zien dat door tussenkomst van God toch de ware misdadigers gestraft worden. Zij meende echter dat het verhaal over de kindermoord te aangrijpend was. Inderdaad kwam Anna de volgende dag bleek en met kringen onder haar ogen uit haar slaapkamer: ze had geen oog dichtgedaan. Ik heb nu mijn vrouw beloofd dat ik eerst alle verhalen lees en dan besluit of er bij zijn die te gruwzaam zijn om voor te lezen in de familiekring.

Het misdaadverhaal gebaseerd op ware gebeurtenissen is nieuw in de tijd dat onze lezer het voorlas aan zijn gezin. De auteur, een ambtenaar bij de provincie Utrecht, Jan Bastiaan Christemeijer, was zijn tijd vooruit met de Belangrijke tafereelen uit de geschiedenis der lijfstraffelijke regtspleging (1819) en Nieuwe tafereelen uit de geschiedenis der lijfstraffelijke regtspleging (1828), beide ettelijke malen herdrukt en zeer hoog gewaardeerd bij het publiek. Bij Christemeijer worden de misdaden vaak bij toeval opgelost, maar er zijn bij hem ook ‘detectives’, slimme politie-inspecteurs die blijven volhouden tot een diefstal of moord opgelost is. De echte ‘detective’ zal pas aan het eind van de negentiende eeuw geschreven worden. De Engelse schrijver Wilkie Collins zou de eerste schrijver daarvan zijn met The woman in White (1860) en The moonstone (1868). Maar Edgar Allan Poe was hem nog voor met drie verhalen over de scherpzinnige detective C. Auguste Dupin, voor het eerst in The murders in the Rue Morgue (1841). Terwijl nu vooral detectiveseries op tv (Netflix) met autistische, alcoholverslaafde en vereenzaamde misdaadonderzoekers populair zijn, waren de eerste detectives in een hoofdrol vooral slimme redeneerders.

Dagboek van een lezer 7

We hebben zo gelachen gisteren bij onze literaire club, Oefening kweekt kennis. Ik had gehoord dat er een jonge dichter zou optreden, die eigenlijk nog drukkersgezel is maar die opgang maakt met een verhaal over een zekere Pieter Spa. Zo kondigde hij zijn optreden aan: Pieter Spa’s reize naar Londen, ter gelegenheid van het krooningsfeest van koningin Victoria. Die kroning was twee jaar geleden, in 1837 dus. Nu, zoals die man voorlas, zo heb ik het nog nooit meegemaakt. Meestal toch zijn schrijvers die komen voorlezen deftige heren die de tijd nemen om hun toehoorders te doordringen van de diepzinnige inhoud van hun bespiegelingen. Deze jongeman, Van Zeggelen heet hij, kwam op met een innemende glimlach en een olijke blik, en hij liet het koddige en luimige bij de voordracht heel geestig uitkomen. De toehoorders gierden al na enige minuten van pret, toen hij begon met het tafereeltje waarbij de rentenier Pieter Spa aankondigt naar Londen te willen, en zijn kousenstoppende vrouw hem erop wijst dat hij nog nooit verder dan van Den Haag naar Amsterdam gereisd heeft en geen taal dan Hollands spreekt. Ze begrijpt er niets van: hij is altijd zo gierig en nu wil hij met de dure stoomboot.

Met koffer, valies, paraplu, overjas en hoedendoos stapt hij in Rotterdam op de boot, waar hij zeeziek wordt en zich beroerd en wel op het dek te slapen legt, onder zijn overjas. Als hij wakker wordt en meent in Londen te zijn, blijkt hij op de verkeerde boot te zijn gestapt en is hij in Duinkerken beland. Of hij misschien een processie wil bekijken, vragen ze hem. Nou, en toen deed Van Zeggelen dat Vlaamse taaltje na, zo van ‘parbleu, jou passe niet is koete’. Wat wil zeggen: verdorie, je paspoort deugt niet. Nu heeft de koning België dit jaar wel eindelijk erkend, maar het blijft toch een mal en achterlijk land met die Vlamingen die geen Nederlands en die Walen die geen Frans kunnen spreken.

Maar goed, Spa kon tegen grof geld met een smokkelaarsschuit vol varkens mee naar Londen. Na allerlei tegenslag komt hij nog net op tijd in Londen aan. Voor een Hollandse gouden munt krijgt hij een staanplaats op een propvolle tribune. Als het volkslied aangeheven wordt, wil hij zoals het hoort zijn hoed afnemen. Maar hij zit zo ingeklemd dat hij zijn armen niet omhoog krijgt.

Zijne armen hingen langs hem neêr,

Hij kon geen lid of vin verwrikken.

Hij was voor zijn bestel beducht,

En hijgde vaak naar versche lucht.

De omstanders roepen: ‘Pull off that hat’, maar het lukt hem niet. Een boze Engelsman beukt dan zijn hoed over zijn oren, zodat hij niets meer ziet als Victoria voorbijkomt:

Daar heft op eenmaal de euvelmoed

Zijn ijzren vuist omhoog en doet

Haar nederbonzen op Spa’s hoed,

Die om het hoofd niet sluitend scheen

Want, toen de slag werd toegebragt

Verkeerde hem de dag in nacht:

De hoed gleed eensklaps naar beneên,

Hem over neus en lippen heên.

En, tot de kin er in gedoken,

Was ’s mans gelaat in ’t vilt verstoken.

En dan moet hij weer terug en zijn vrouw de mislukking vertellen. Die constateert tevreden dat ze hem toch gewaarschuwd had.

Enfin, het verhaaltje stelt niks voor, maar die Van Zeggelen wist er echt iets van te maken. Van die man gaan we nog vaker horen. Heel afwisselend is dat gedicht ook, met zo’n huiselijk tafereeltje in het begin, dan die man die niet gewend is te reizen en op de verkeerde boot stapt. Vervolgens die Belgen die hem flink afzetten voor zijn stommiteit. Dan volgt er nog een heel romantische beschrijving van de angst van Pieter Spa als er een storm losbreekt. Heel klunzig dwaalt hij door Londen, en als hij thuiskomt heeft hij schrik voor de sarcastische woorden van zijn vrouw. Pieter Spa is typisch iemand die vijftig jaar achterloopt in de tijd en van stoomboot en reizen geen weet heeft. Dat type ken ik wel. Mijn eigen oom Pieter die in de zestig is en vroeger een handel in linten had en nu couponnetjes knipt, is er ook zo een. Die oom van mij, die lijkt weer sprekend op een type waarover ik las in een boek dat net is uitgekomen, van een zekere Hildebrand. Camera Obscura heet het, en daarin staat een verhaal over een benepen Leidse student, Pieter Stastok. De vader van die Stastok, dat is nou precies zo iemand als Pieter Spa en als mijn eigen oom Pieter. Hoe ik nou al die Pieters uit elkaar moet houden weet ik niet. Die Van Zeggelen heet in elk geval gewoon Willem.

Dagboek van een lezer 6 (1844)

Zou u wat nu volgt svp niet aan uw vrouw of dochters te lezen willen geven!

Ik had van mijn vriend M. gehoord dat er een leuk boek is verschenen, in vier delen notabene, over het geheime leven in Amsterdam, zowel in de hoogste kringen als bij het volk. Het heet De verborgenheden van Amsterdam en de auteur is een zekere L. van Eikenhorst. Mijn vriend had het via de leesbibliotheek geleend, en dus heb ik me ook maar eens naar Frijlink begeven en ik kon het eerste deel warempel meenemen, het was net terugbezorgd. Frijlink wist me te vertellen dat de werkelijke auteur een gesjeesde theologiestudent is, Jan de Vries, die pas 23 jaar oud is en al een stuk of tien romans en fysiologieën  heeft geschreven. Hij heeft ook het plan van die kleine stooktijdschriftjes uit te gaan geven tegen de koning en de regering, maar volgens Frijlink heeft hij daar nog geen uitgever voor. Toch probeert hij nu van de pen te leven.

A. Ver Huell Broodschrijver

Frijlink bespotte hem: de man heeft als voorbeeld altijd romans van Eugène Sue en Charles Dickens voor zich liggen en met daarbij wat roddelpraat uit het dagelijks leven prakt hij alles door elkaar tot een vlot verhaal.  De verborgenheden van Amsterdam zou niet alleen over bekende bedriegers, gluiperds en pooiers in de handel van Amsterdam gaan, maar ook over een rijke Amsterdamse grachtengordelbewoner, waarvan iedereen weet dat die niet van de meisjes af kan blijven.

Nu was ik wel benieuwd naar wat er in dat boek staat over die man. In De verborgenheden heet die geldbeluste geilaard Adam Smith. Het is een handelaar in effecten die zijn zinnen gezet heeft op een jong meisje uit het volk. Zij heet Nancy, zoals de nobele prostituee in Dickens’ Oliver Twist, die zich opoffert voor de kleine Olivier, en deze Nancy is bevriend met een bedrieger die haar geld aftroggelt. Als zij op een gegeven moment acuut geld nodig heeft voor haar arme grootvader en dat wil lenen bij de rijke vrek, wil hij dat alleen maar afstaan tegen een fysieke beloning en hij dwingt die af na het meisje flink wat wijn geschonken te hebben. Wat er dan gebeurt geeft De Vries met stippellijntjes aan:

Adam Smith sloeg zijne armen om het ranke ligchaam van het onschuldige meisje en drukte haar wellustig aan zijne borst.

– ‘Kom, wees verstandig,’ fluisterde hij haar, naauwelijks hoorbaar in, ‘Nancy, mijn engel…!’

– Neen, neen, mijnheer Smith, laat mij los,’ hijgde zij, maar zijne kussen sloten haren mond.

………………………………………..

…………………………………………

En toen werd het stil, Men hoorde alleen het wellustig zwoegen… het zacht gefluister van Adam Smith, en … toen Nancy het kantoor van den kommisionair verliet, was zij in het bezit van het benoodigde geld… maar tot welk eenen prijs had zij het verkregen?!!

Nu was ik verbaasd dat de schurk ‘Adam Smith’ genoemd werd, naar de bekende achttiende-eeuwse Engelse econoom, met zijn ideeën over de vrije handel, waar toch de economie van de hele wereld tegenwoordig op gebaseerd is. Ook de jonge Thorbecke die een nieuwe grondwet wil, hangt die theorie aan. Maar waarom nu zo’n oude bok die achter de jonge blaadjes aan zit in Amsterdam een Engels naam geven? Alsof alleen Engelse handelaars in Amsterdam zoiets doen. Ik hoef maar de namen van Maurice Luden, Joan Hodshon, Willem Röell of Van Vessem te noemen, en dan weet iedereen wat heren aan de Amsterdamse grachten met dienstmeisjes of gouvernantes uithalen. Toen herinnerde ik mij dat het bekendste werk van Adam Smith, The wealth of nations, opgedragen is aan die achttiende-eeuwse Amsterdamse bankier van Engelse afkomst, Henry Hope van de bank Hope & Co. Die is allang dood, maar zou die Jan de Vries nou toch een spelletje met die namen spelen? Zou hij met zíjn wellusteling misschien iemand bedoelen die betrokken is bij de hedendaagse bank Hope & Co? Er is geen Hope meer in die firma, maar wel Adriaan van der Hoop, die stinkrijke paarden- en kunstverzamelaar, en Jan Luden is er chef. Wel, Frijlink kon of wilde me hier niet meer over vertellen. Ik denk dat ik eens probeer een praatje met een Van Lennep te maken, die weten van dit soort dingen wel af.

Jan de Vries 1819-1855

[In het dagboek van Maurits van Lennep zijn namen van heren met grensoverschrijdend gedrag te vinden op trefwoorden als: ‘deugniet’, ‘wellust’, ‘liederlijk’, ‘maitresse’ etcetera. De namen die ik citeer komen daaruit, zie Dagboeken | Stichting van Lennep ]

Dagboek van een lezer 5

Schiedam: Roelants [1851]

Omdat ik bij het leesgezelschap nog niet aan de beurt was voor Coquetterie van een schrijfster die zich Henriette Maria L*** noemt, en dat een echt heerlijk boek voor ons vrouwen moet zijn, ging ik naar de leesbibliotheek en daar ried meneer Van der Hoek mij aan om dan maar eens een vertaald boekje te lezen dat ook erg leuk voor vrouwen zou zijn: De pantoffel-regering of de kunst om de mannen onder het juk te brengen en te beheerschen, Een onmisbaar handboekje voor elke vrouw. Van der Hoek lachte me een beetje ondeugend toe toen ik het meenam, het vloog weg zei hij, zelfs de vrouw van de burgemeester had het al geleend. Nu heb ik besloten er met onze dameskrans over te praten. Het is echt zo amusant wat de schrijfster, een zekere Emilia Alfken, ons allemaal toevertrouwt. Ze meent dat wij vrouwen eigenlijk altijd onze mannen onder de pantoffel hebben, en als dat nog niet zo is, moeten we zorgen dat dat gebeurt. Ze vergelijkt ons met pantoffels: we zijn zacht, buigzaam, knellen niet. Alleen moeten we zorgen dat het ons niet vergaat als pantoffels die snel uitgewipt kunnen worden. We moeten zorgen dat het huwelijk de mannen aan ons bindt. Die mannen overtreffen vrouwen alleen maar in kracht. Maar wat zou dat, als je beseft dat mannen daarin weer ondergeschikt zijn aan olifanten, beren en paarden. Wíj zijn eigenlijk de heren der schepping, want wij hebben toverkrachten. Onze schoonheid, onze vertederende stem, onze scherpzinnigheid maken ons onverslaanbaar. Daar moeten we handig mee omgaan. Schoonheid is een dood kapitaal als we er niet mee woekeren, maar tegelijk moet die bij beetjes toegediend worden. Verzadiging van de mannelijke begeerte zou onze ondergang zijn. Dus laat ze meer begeren dan genieten. Dan blijft de begeerte ook bestaan als we wat ouder worden.

Dat is een heel wat ander boekje dan wat mijn moeder me gaf toen ik trouwde: Pligt en roeping der vrouw van de Engelse schrijfster Mrs. Ellis. Daarin wordt de invloed van de vrouw gezien in haar vermogen om huiselijke en openbare deugden te verenigen. Ze moet geen huissloof zijn, maar zich inspannen voor het tijdelijk en eeuwig welzijn van allen om haar heen. Zo heeft de vrouw invloed op de hele maatschappij. Ik geloof dat ik mijn dochters beide boekjes geef als ze trouwen, het een om zich te amuseren, het ander om er een voorbeeld aan te nemen.

Nu kreeg ik deze week toch al Coquetterie. Het is een brievenroman, net wat minder goed als die van Betje Wolff en Aagje Deken, die hadden dat genre toch helemaal onder de knie. Evengoed loopt het verhaal wel prettig. Het grappige van dit boek is dat het hier niet een man is die vrouwen verleidt, maar dat vrouwen hier hun verleidingskunsten op mannen loslaten. Dat lazen we bij de dames uit de vorige eeuw nog niet, dat vrouwen ook ‘lichtmissen’ kunnen zijn. Het verhaal gaat over een moeder en dochter die koket door het leven gaan. Bij de dochter loopt dat helemaal fout. Ze krijgt niet de man op wie ze eigenlijk verliefd was. Die doorziet haar valse spelletjes en ziet van haar af. Haar moeder is uit hetzelfde hout gesneden. Ze had vroeger een minnaar aan wie ze ontrouw was geworden. Ik weet eigenlijk niet of je ontrouw aan een minnaar kunt zijn, het is toch al overspel, hoe kun je nog eens ontrouw zijn als je al ontrouw bent? Hoe dan ook, ze zag die minnaar een hele tijd niet, hij zat in Oost-Indië. Verbitterd kwam hij daaruit terug en hij zocht zijn vroegere minnares op onder hevige verwijten. Hij eiste als genoegdoening een huwelijk met haar tweede dochter, een onbedorven, lief en mooi meisje. Omdat de moeder bang was dat haar minnaar haar echtgenoot zou inlichten over haar vroegere gedrag, stemde ze daarin toe. Het arme kind stierf op de dag van haar huwelijk. Kortom, een roman om achter mekaar uit te lezen, omdat er veel spanning in zit, en omdat de schrijfster zo duidelijk met voorbeelden waarschuwt tegen verkeerd gedrag van vrouwen. Dat spelletjes spelen met mannen, dat zie ik echt wel toenemen in deze tijd. In de Pantoffelregering wordt daar luchthartig over gedaan, maar de Hollandsche schrijfster van Coquetterie houdt ons heel goed voor waartoe dat kan leiden. Zodat het dan lijden wordt!

PS: nu hoorde ik van een schrijver, genaamd Atte Jongstra, met wie ik af en toe in verbinding sta, dat er ook een brochure verschenen is tegen De pantoffel-regering of de kunst om de mannen onder het juk te brengen. Wie dat geschreven heeft weet ik niet, wellicht deze Atte Jongstra die er aardigheid in heeft met pseudoniemen en anoniemen te goochelen. Het heet in elk geval: Geen Pantoffel regering! of de Man is de Baas. Eene onmisbare handleiding voor ieder Man. De derde druk zou al van 1848 zijn. Maar nu het vreemde: het is nergens te krijgen. Ik informeerde overal waar ik maar kon, maar nergens kon ik het inzien of bestellen. En toch staat er een advertentie voor in de Oprechte Haarlemsche Courant van 28 april. Wie helpt mij dit raadsel op te lossen?

[noot van MM: noch in Google Books, noch in Picarta, noch in WorldCat, vond ik een verwijzing naar dit boekje. Het is dus niet overgeleverd? Of kent iemand het? Ik vond wel een ander boekje: De man is de baas, gedrukt in Schiedam bij Roelants, uit 1851, met achterin de 10 geboden voor vrouwen!]

Dagboek van een lezer 4

Woord vooraf van MM: Mijn dochter wil dat ik de titel van Harriet Beecher Stowe’s bekendste boek, De negerhut van Oom Tom, niet gebruik. Maar ik kan de juiste titel uit 1853 toch niet veranderen, ook al staat het n -woord niet in de oorspronkelijke titel? De kinderversies van het boek hebben een neutralere titel (De hut van Oom Tom en Een kijkje in de hut van Oom Tom). Nu pretendeer ik de gedachten van een lezer uit 1853 weer te geven. Die gebruikte het n-woord zonder enige gêne, en evenmin omzwachtelde hij het woord ‘slaaf’. Rond 1840 was in Nederland de abolitiebeweging op gang gekomen, na bezoeken van leden van de British and Foreign Anti-Slavery Society. De Maatschappij ter bevordering van de afschaffing van de slavernij werd in 1842 opgericht. Zowel van orthodox-protestantse als liberale zijde kreeg koning Willem II petities om de slavernij in de Nederlandse koloniën af te schaffen. Maar de koning en zijn ministers zagen hier geen heil in: economisch niet, en ook vreesden ze een opstand van tot slaaf gemaakten in de koloniën, als deze lucht kregen van acties in Nederland. De beweging kwam pas goed op gang na de verschijning van het boek van Harriet Beecher Stowe, Uncle Tom’s Cabin, dat in 1852 in Amerika als boek verschenen was, nadat het eerst als feuilleton opzien gebaard had. Er kwam al begin 1853 een vertaling uit onder de titel De negerhut, een verhaal uit het slavenleven in Noord-Amerika, en binnen datzelfde jaar waren er al vier drukken nodig, en het volgende jaar nog twee. De eerste druk kostte nog f 7,90, een gigantisch bedrag indertijd, maar de vierde druk was een volksuitgave die voor 90 cent op de markt kwam. De lezeres die ik aan het woord laat, spreekt vanuit een filantropisch verlicht gemoed, met mededogen, zonder zich bewust te zijn van de vooroordelen en aannames die ze hanteert.

Voor kinderen

Met mijn vriendin had ik het over nieuwe boeken voor onze leeskring. Ik had al  gehoord dat De negerhut van Oom Tom zo mooi zou zijn, dus ik stelde voor om die titel te bestellen. Toen zei Olga dat het echt een boek was om zelf aan te schaffen, want ik zou het boek zeker willen herlezen als ik het eenmaal had. Dus heb ik mijn echtgenoot gevraagd of hij eens naar Muller wilde lopen. Ik meen dat hij net een voordeeltje heeft gehad met zijn coupons, dus dat kon er wel af. Enfin, ik ben er een paar dagen geleden in begonnen en ik kon het niet wegleggen en ik heb geschreid alsof ik zelf Elize was die zo achtervolgd werd. Ik was me er eigenlijk niet van bewust dat slaven zo’n erbarmelijk leven hebben en nu weet ik wel dat ik dominee ga steunen die lid is van de Maatschappij ter Bevordering van de Afschaffing der Slavernij. Hij heeft daar in de kerk ook al over gepreekt en hij meent dat slavernij niet met het Christelijk geloof te verenigen is. Hij preekte dat zelfs Isaac da Costa, die vroeger vond dat slavernij door God ingesteld was, nu daartegen is en overtuigd is dat God niet wil dat een mens eigendom is van een ander. Ik kan me alleen niet voorstellen dat op de Nederlandse plantages in Oost- en West-Indië ook zo met slaven omgegaan wordt als in Amerika.

Eerste druk

Nu is het bijzondere van De negerhut dat de schrijfster niet alleen slechte plantage-eigenaren beschrijft, maar ook goede, die hun slaven behandelen zoals ze gewone bedienden behandelen. Het is dus echt geen zwart-wit verhaal met alleen maar goede mensen aan de ene kant en schurken aan de andere. Het verhaal gaat om de slaven Eliza, haar man George en hun zoontje Harry, en oom Tom. George werkt bij een kwaadaardige eigenaar; Oom Tom, Eliza en Harry zitten bij een goedaardige heer. Maar die man heeft schulden en tegen zijn zin verkoopt hij Oom Tom en het kind. Dat kind is zo’n leuk zwart mannetje dat alles kan wat die mensen zo goed kunnen, zoals dansen en grimassen trekken. Eliza vlucht met het jongetje en uiteindelijk komen ze samen bij George, die ook van zijn plantage gevlucht is, en na verschrikkelijke achtervolgingen komen ze in Canada goed terecht. Daar komen steeds meer gevluchte slaven aan en dan ontmoet Eliza voor het eerst van haar leven haar moeder. De hele familie reist nu naar Liberia, de republiek in Afrika die opgericht is door uit Amerika gevluchte slaven.

Tom vergaat het veel slechter. Eerst valt het nog mee, als hij wordt gekocht door een rechtvaardige planter. Maar als deze sterft, verkoopt zijn vrouw alle slaven via een veiling aan de wreedst denkbare plantagehouder. Tom weigert andere slaven te verraden die gevlucht zijn, en dan laat de plantagehouder hem verschrikkelijk martelen. Op zijn sterfbed komt de zoon van zijn eerste eigenaar langs, omdat hij een brief heeft ontvangen over Toms verschrikkelijke lot. De zoon is zo geschokt dat hij besluit alle slaven van zijn plantage de vrijheid te geven.

Ik vond het prettig om eens een boek te lezen dat echt over deze tijd gaat. Al die historische romans gaan op den duur toch vervelen. Wat ik ook zo prettig vond is dat het niet zo helemaal alleen over Nederland gaat, want andere boeken over nu, zoals de Camera Obscura of De oudejaarsavond zijn alleen leuk voor Nederlandse lezers, terwijl ik nu een boek gelezen heb dat wel honderdduizend mensen in de hele wereld kennen.

Dagboek van een lezer 3 (24 maart 1848)

Het was al de hele maand maart onrustig in Amsterdam. Op de 24ste liep ik in de vroege middag naar de sociëteit waar ik tot mijn verwondering de deur gesloten vond. Ik belde en vroeg de meid wat er aan de hand was. ‘Weet u het niet?’ antwoordde zij ‘er is oproer, zij plunderen de winkels. O – foei! daar komen zij aan,’ en tegelijk sloot zij de deur. En toen ik doorliep naar de Dam zag ik inderdaad een tierende hoop volk uit de stegen komen en zich verzamelen. Ik sprak een vriend van me aan die ook naar de club had willen gaan, en die vertelde dat een paar oproerkraaiers het gepeupel opgeroepen hadden om voor het paleis samen te komen. Het schijnt dat de schrijver van Verborgenheden van Amsterdam, Johannes de Vries, erachter zit. Die geeft ook de Hydra uit, waar ik veel akeligs over hoor omdat de koning en de ministers erin aangevallen worden, en ook de heren. Ik lees die niet en ze hebben er op de club ook geen abonnement op. Die De Vries werkt nu samen met de socialisten die hier vanuit Duitsland binnengekomen zijn en die willen dat werklui meer te zeggen krijgen. De samenscholing op de Dam was bedoeld om de regering en het stadsbestuur op te roepen iets te doen tegen de werkloosheid. Er waren wel duizenden mannen, ik zag ook vrouwen en vooral veel straatjongens.

Een deel van de menigte trok de Kalverstraat in om winkels te plunderen. Anderen renden achter de Nieuwe Kerk om naar de grachten en begonnen bij de heren de ruiten in te gooien. Huis aan huis werden de glazen van de onderkamers en van de belétages verbrijzeld. Ik was bang dat het razende volk ook mijn huis op de Utrechtsestraat zou bereiken en zette het op een draf daarheen. Ik bleef aan de kant van de gracht waar de meute niet was. Op de hoogte van de Leidsegracht zag ik Mijnheer Van Lennep lopen. Hij was heel bedaard en keek alsof hij elke dag zulk oproer gewend was. Hij leek zich zelfs te amuseren, zeker toen er dragonders op de menigte afkwamen en de boel begonnen schoon te vegen. Vanaf de overkant van de gracht bleef hij toekijken, en toen durfde ik ook mijn pas te vertragen. Hier speelde zich voor Van Lenneps ogen af wat hij zo vaak in zijn boeken had beschreven, als hij zich  volksoproertjes in de middeleeuwen voorstelde. Misschien hoopte hij dat er zich een historische gebeurtenis voltrok die hij voor een volgende roman kon gebruiken. De dragonders sloegen zo hard toe, dat er enkele oproerkraaiers in de gracht belandden, waar ze door hun makkers met veel moeite uitgehaald werden. Met natuurlijk het gevolg dat de meute uit elkaar viel. Het bleef nog wel een hele tijd onrustig, her en der vlogen er nog stenen door de ruiten, maar het was geen grote bende meer, slechts wat overgebleven kwajongens die er gewoon zin hadden om te keer te gaan.[1]


[1] Deels ontleend aan het dagboek van Maurits Jacob van Lennep, te raadplegen via Dagboeken | Stichting van Lennep.

Dagboek van een lezer 2 (juli 1806)

Iedereen vertelt heden over Mietje Hulshoff. De schrijfster is de dochter van de overleden dominee van de doopsgezinde kerk. Ze heeft een vreemde neiging tot opstand. Al twee jaar geleden kwam ze in aanraking met de politie vanwege een opruiend geschrift, maar ze werd vrijgesproken. Nu heeft ze in april door het hele land pamfletten verspreid tegen de Fransen, met de opruiende titel; Oproeping, van het Bataafsche volk, om deszelfs denkwijze en wil openlijk aan den dag te leggen, tegen de overheersching door eenen vreemdeling waarmede het Vaderland bedreigd wordt. Ze heeft het notabene voor eigen rekening laten drukken, en ze is zelf in een koets door het land getrokken om overal bij boekhandelaren en koffiehuizen het boekje te slijten. Ze gaat te keer tegen keizer Napoleon die zijn broer koning van Holland schijnt te willen maken. Dat is natuurlijk infaam, om onze Republiek zo te vernietigen, maar evengoed is het niet verstandig om zo naar buiten te treden. Als het mijn dochter was, zou ik haar wel tegengehouden hebben. Dit schrijft ze:

Over ons wil men een vreemd Vorst, met eigendunkelijke magt, de Schepter laten voeren; deze Republiek van eene vrije en onäfhankelijke Bondgenoote, gelijk zij behoort te zijn, in een wingewest veranderen, ons voor altoos tot slaven maken!! … Binnen weinige weken zal deze rampzaligste staat de onze zijn, ten zij gij U op een waardige wijze tegen zulk een ontwerp verzet.

Haar moeder was desperaat en heeft geprobeerd haar te verstoppen, maar het wicht zoekt zelf de aandacht. Ze heeft aan de politie laten weten waar ze te vinden was. Maar toen de agenten kwamen aanzetten met een arrestatiebevel, was Mietje verdwenen. Onbekende heren in een rijtuig met vier paarden hadden haar meegenomen, terwijl ze hevig tegenstribbelde. Dat vertelden ooggetuigen. Wie hebben Mietje ontvoerd? In de stad zeggen ze dat het haar moeder was, die haar wilde vrijwaren van politiegeweld. Maar misschien waren het ook oude patriotten die haar tegen zichzelf willen beschermen. Of handlangers van de justitie, die zit niet te wachten op een proces tegen een vrouw, daar komt altijd heibel van. Er wordt zelfs gezegd dat het representanten van de regering waren die bang waren voor oproer. Want alle echte vaderlanders zijn op haar hand. Hoe dan ook: Mietje is ontsnapt, teruggegaan naar Amsterdam, regelrecht naar de politie gestapt en ze eiste arrestatie. De politie aarzelde en toen dreigde ze een brief aan het stadsbestuur te schrijven over achteloosheid. Ze wilde zichzelf gewoon opofferen voor de goede zaak. De politie kon niet anders dan haar opsluiten, en ze kreeg een proces. De eis was driejarige opsluiting en eeuwige verbanning uit Holland, op grond van haar lasterlijk geschrijf tegen de overheid, van belediging van hooggeplaatste personen en het aanzetten tot oproerige beweging. Willem Bilderdijk werd een van haar advocaten. In zijn pleitrede stelde hij haar voor als kwetsbaar en geëxalteerd. Eigenlijk bepleitte hij vrijspraak op basis van haar vrouwelijke gevoeligheid. Mietje wilde daar echter niets van weten. Dat soort slappigheid hoort niet bij haar. Wat Bilderdijk ook probeerde als excuus voor haar actie: de vroege dood van haar vader, haar jeugdige leeftijd of haar vrouwelijk geslacht, het mocht van haar allemaal niet meetellen in de bepaling van de straf. Voor de wet moet iedereen gelijk zijn. Ze besloot zichzelf te verdedigen. Maar toen ze op 18 juli voor de rechter kwam, kon ze geen woord uitbrengen. Dus die vrouwelijke gevoeligheid, daar had Bilderdijk wel gelijk in. Het vonnis is nu geveld: twee jaar opsluiting.

Afbeelding van burgervrouwen, moeder en dochter, rond 1806

Dit is een stuk uit het lezersdagboek dat ik verwerk in mijn eerstvolgende boek over het lezen in de negentiende eeuw. Ik zette er al een op mijn blog op 1 januari 2021.