De Schoolmeester postuum boos

schoolmeester1edr
Gerrit van de Linde schreef onder het pseudoniem ‘De Schoolmeester’ verzen voor Jacob van Lenneps almanak Holland. Gerrit stuurde die verzen naar Van Lennep vergezeld van razend knap gestileerde brieven. Na Gerrits vroege dood stelde Jacob in 1859 de bundel De gedichten van de Schoolmeester samen, met een prachtige voorrede. De eerste die De Schoolmeester vermeldde in een literatuurgeschiedenis was Jan ten Brink (1882). Hij noemde Gerrits gedichten ‘koddig’, ‘echt nationaal’ en ‘voortzettingen van de zeventiende-eeuwse kluchtentraditie’. Ook vond hij dat ze zo inpalmden dat Van Lennep ze wel zelf geschreven zou kunnen hebben. Van de Linde zou daar razend om geworden zijn. Ik stel me voor dat hij daarover een brief aan Jacob van Lennep had geschreven die er dan als volgt zou hebben uitgezien (ik gebruik hiervoor zinnen die rechtstreeks uit Gerrits brieven aan Jacob komen):
Waarde Vriend, Wat nu de Hollandsche letterkunde betreft en mijn schamel aandeel daarin, zoo moet ik u rondweg bekennen dat niets mij ooit meer verdroten of berouwd heeft dan door Jan ten Brink in het veld der letterkunde ingelijfd te zijn. Hoe komt het op in het hoofd van deze vraatzuchtige ekster, die in drie goudgerande folianten uitlegt wat er blinkt en schittert in de hedendaagse letterkunde zonder het verschil tussen goud en koper te kennen, om mij, onschuldige verzenmaker, op het pronkaltaar van de Hollandse letterkunde uit te stallen! Ik hoef geen inlijving in een goud-op-snee foliant waar geen ontsnappen uit mogelijk is. Geen aasgier heeft het recht mij als een lijk te beschouwen en in mij te pikken als ware ik een kreng dat opgeruimd moet worden voordat de verrotting toeslaat! Waar haalt de man het vandaan als hij schrijft dat ik hem wil inpalmen? Hij laat me zo koud als een maagd van tachtig jaar en ik zou nog liever koningin Victoria willen veroveren of inpalmen dan deze opgeblazen pad. Ten Brink moet vast een heel hoog geleerde in Holland zijn, maar in Engeland zou hij nagewezen zou worden door de straatjeugd, omdat hij zo pedant als een dominee en zo smakeloos als een Hollandse hutspot over mijn gedichten oordeelt, die, ik geef het toe, wellicht niet een plaats verdienen naast die van Bilderdijk, maar die ik me schamen zou ter neder geschreven te hebben als ze navolgingen zouden zijn van de kluchtige trant van het oude blijspel der zeventiende eeuw. Geen leuterkundige heeft ooit een groter belediging gedaan dan deze Ten Brink aan mijn verzen over Leeuw, Olifant en Kalf, die hij zo ‘koddig’ noemt dat ze wel door U, lieve vriend, zouden geschreven moeten zijn. Waarde Van Lennep, ik waardeer uw schrijfkunst ten volle, maar hoe zou u het vinden om koddig genoemd te worden? Het is alsof men de koning der dieren eens kietelt onder zijn muil en de slagtanden der olifant melkkiesjes noemt. En zo iemand wordt in Nederland een letterkundige genoemd? Ik hoor dat hij tegenwoordig hoogleraar is in Leiden. Wel dat doet me plezier, dat de traditie van brekebenen, holle vaten en stofdoeken onder de hoogleraren daar tenminste voortgezet wordt. Vindt hij mijn verzen zouteloos, dan kan ik hem een keulse pot vol pekel toesturen, die hij naar believen over mijne verzen kan uitstrooien. Maar wellicht kan hij beter zichzelf in die pot stoppen om, nadat hij zo in het zout gezet is, althans nog enige jaren zijn opgeblazen waanwijsheid te kunnen conserveren, die daarzonder zeker morgen al bedorven zou zijn. Ik heb volstrekt geen ambitie of lust om tot de Hollandsche letterkunde te behoren, maar als ik daar dan, tegen mijn wil en tegen mijn wens ingetrokken wordt, dan is toch het minste dat ik verlangen mag dat er mij geen bastaardonzin toegeschreven wordt die ik nooit en te nimmer neergeschreven zou hebben. Doch wat beduidt het als ik den echt nationalen toon zou weten te treffen? De heer Ten Brink zou er goed aan doen om, in plaats van een nationaal pijpje te roken en een nationaal kopje thee te drinken, zich eens goed nationaal te bezinnen op een werkelijk nationale literatuurgeschiedenis en zich intussen in een nationaal boetekleed te kleden en zijn hoofd door een nationale schandpaal te steken zodat de Leidse studenten hem eens waarlijk buitengewoon talentvol kunnen bekogelen met nationale eieren. Lieve vriend, ik omhels u en hoop binnenkort te vernemen dat gij de nationale literatuurgeschiedenis van den heer Ten Brink opgekocht heb om die eens flink te kuisen, zoals gij met den Havelaar ook zo succesvol gedaan hebt.
uw Gerrit van de Linde

Een beestachtig ding: spotschrift over de affaire Ko en Doortje III

[Lees eerst de twee voorgaande afleveringen]

Na de mislukte ontsnapping uit het burgermansbestaan verspreidde het verhaal zich als een olievlek. In de Amsterdamse Kalverstraat werden karikaturen opgehangen in de etalages van prentenwinkels. Bekende Nederlanders schreven elkaar erover: ‘Gij weet toch dat de dichter der Genade door zijn vader achterhaald is op zijne reis naar Engeland waar hij zich met zijn buurmeisje heen wilde begeven?’, klikte de Leidse hoogleraar Van Assen aan de politicus Groen van Prinsterer. In Rotterdam was men ook op de hoogte. ‘Na de zondvloed geloof ik dat er niets gebeurd is, dat zooveel geruchts heeft gemaakt, dan uwe beroerde historie,’ schreef vriend Aart Veder aan Van Lennep. Zelfs in Londen kreeg Gerrit van de Linde het verhaal te horen van een reiziger. De karikaturen heb ik nooit ontdekt. Maar geheel toevallig kwam ik een drukwerkje tegen met de titel:

 Saffo en Freule Rinkkink, op hare Eds. terugreize van Rotterdam

De link was meteen duidelijk: Saffo was een opera die Jacob van Lennep in 1834 schreef, Rinkkink leek wel erg op Ringeling en Rotterdam, dat was de plek waar Ko en Doortje door papa Van Lennep betrapt werden.

Het pamflet geeft een gesprek tussen Saffo en Freule Rinkkink weer. Saffo en Rinkkink zitten innig bij elkaar, en heffen een glas Maaswater. ‘’k Zou denken aan uw’ taal dat gij reeds waart beschonken,’ zegt de freule. Ze is bang dat ze betrapt worden. Saffo meent dat professor N. inderdaad al in de buurt is. Dan wordt Rinkkink boos: Saffo heeft haar met zijn vleitaal bedrogen. Had ze maar een zoon, dan was ze niet langer alleen in de wereld. Dat laat Saffo zich niet tweemaal zeggen:

Saffo: Droog uwe tranen af; ik wil hem u bezorgen.
Rinkkink: Ja, maar wat schielijk dan; want ik wacht niet tot morgen.

Dan rollen ze in elkaars armen, terwijl ze toespelingen maken op Pleegzonen, Idyllen en Legenden, op werk van Van Lennep dus. Maar ‘praten vult geen gaten’ verzucht Rinkkink als het te lang duurt. Ze heeft van hem nog ‘geen vreugd’ gekregen en vraagt hem voort te maken: ‘Ach, dierbare! rijm nog eens…, en dan vooral… vatje ’t niet?’ Op dat moment komt professor N. binnen, en onderbreekt het liefdesspel. Saffo belooft: ‘Ik zal het nooit weer doen, Pa!’ en deze wrijft zich in de handen: ‘Wij zullen die zaak wel dempen’.

Voor dempen was het echter te laat. De kwestie Ringeling zou Van Lennep nog geregeld aangewreven worden. Hij miste er in 1839 een hoogleraarsbenoeming door en toen hij in de Tweede Kamer zat werd de affaire ook weer opgerakeld.

Schrijver van het spotschrift was de beruchte pamflettist Jean Baptiste Didier Wibmer. Van Lennep heeft het zelf ook in handen gekregen en noemde het ‘een beestachtig ding’. Hijzelf trok er zich niet veel van aan, zijn vrouw leed er wel onder.

Het arme Doortje zal er echter het meest onder geleden hebben. Doortje bleef ongehuwd, misschien omdat ze haar hele leven nog aan Van Lennep verknocht bleef. Maar waarschijnlijk vooral omdat geen man zich aan de minnares van de schrijver wilde binden. Ze overleed in 1856. Haar graf valt nu nog te bezoeken op de Lage Vuursche. Maar wie zal er op haar graf nog een traan storten of een bloem neerleggen?

grafdoortje

ringelingwibmer1
*Sinds kort is het pamflet, waarvan maar één exemplaar bestaat, ook via Google Books te lezen: https://books.google.nl/books?id=yRlpAAAAcAAJ&printsec=frontcover&dq=saffo+en+freule&hl=nl&sa=X&redir_esc=y#v=onepage&q&f=false

Ra ra hoe weet ik dit? Aflevering II

gerritaanjvl1834

Onleesbaar gemaakte brief van Gerrit van de Linde aan Jacob van Lennep, 21 juni 1834
Hoe weten we van Doortje en Ko alles zo in detail? Het verhaal van de vlucht en de achtervolging door papa komt van Jan Dedel, bestuurder en vriend van papa professor. Die vertelde het door aan de politicus Anton Reinhart Falck. Deze tekende het in zijn dagboek op. De neerlandicus Rody Chamuleau is de eerste die deze passage in het dagboek ontdekte (1981). Bevestiging en allerlei andere details komen uit briefwisselingen en uit … dat leest u morgen!
Johanna Dorothea Ringeling was de dochter van een overleden suikerraffinadeur en geboren in 1804. Dus was ze twee jaar jonger dan Van Lennep en liep al tegen de dertig toen er mooie dingen met Ko begonnen. Toch niet meer helemaal de leeftijd van de onschuld. Ze moet met haar moeder in de buurt van het Manpad en Woestduin gewoond hebben, dus bij de buitenhuizen van de familie Van Lennep. Misschien hebben ze elkaar in de kerk van Heemstede getroffen, want Van Lennep schrijft op een gegeven moment dat hij niet meer naar de kerk gaat: ‘daar krijgt men maar zondige gedachten’. Heel mooi was ze niet eens, volgens haar minnaar, maar ze had wel prachtige blauwe ogen. Juni 1833 stoeide Ko (zo werd Jacob in familiekring genoemd) al met het meisje op Woestduin. Hij had daarover ruzie gekregen met zijn vrouw. De affaire liep zo hoog op dat Van Lenneps vrouw de huur van Woestduin wilde opzeggen.
Jacob en zijn vrienden Aart en Willem Veder schreven openhartig in hun onderlinge brieven over wat er zich afspeelde. Die brieven zijn bewaard gebleven, maar juist de leuke stukken zijn onleesbaar gemaakt. Een grote passage in een brief van Willem Veder is echter ontcijferbaar: ‘Hoe is het mogelijk dat de lippen eener Vrouw (en voornamelijk van deze wie gij mij nog al een ruim en verheven gevoel toeschreeft) eenen Echtgenoot en Vader dorsten aansporen om uwe Vrouw te verlaten die hem in lief en leed (ja Co! leed ook, dat weet ik) eene trouwe gezellinne was, die hem [onleesbaar] kinderen baarde [rest onleesbaar]’. Van Lennep schreef hem daarop terug dat Doortje minder schuld had dan hij: zij was oprecht geweest, hij daarentegen had hartstocht geveinsd waar alleen maar begeerte was. Willem liet zich niet bedotten: zolang Van Lennep op Woestduin kwam zou daar altijd een duivel met een ‘ringeling belletje’ rondlopen.
In de winter van 1833-1834 was het rustig in huize Van Lennep. De affaire leek achter de rug te zijn. Woestduin werd inderdaad voor een jaar opgegeven. Jacob stond min of meer onder toezicht van zijn vrouw, want aan Willem Veder, die hem uitnodigde voor een bezoek, schreef hij dat zijn vrouw daarover besliste: ‘De koning mag niets doen zonder consent van de Staten Generaal’. Vóór de zomer begon reisde Jacob van Lennep naar Engeland. In Londen bezocht hij zijn vriend Gerrit van de Linde, die later als De Schoolmeester een bekende dichter zou worden. Deze Leidse student was begin 1834 naar Engeland gevlucht omdat hij een meisje én de vrouw van een hoogleraar zwanger gemaakt had. Eenzaam, verlaten en arm als een kerkrat liep hij daar met zijn ziel onder de armen. Van Lennep nam Gerrit, die zelf zo gestraft was voor zijn vrouwenpassie, in vertrouwen. Zijn gevoel voor Doortje was nog ongeblust. Dat wordt duidelijk uit een brief die Gerrit aan Jacob stuurde toen die weer terug in Nederland was. Ook deze brief is onleesbaar gemaakt, maar met veel moeite toch voor een groot deel te ontcijferen. Van de Linde waarschuwde op een indringende en tegelijk meelevende wijze zijn vriend voor de gevolgen:

Ik heb vroeger altijd gedacht, dat hoeveel strijd en zelfverloochening u het overwinnen van deze hartstocht mogt kosten, de gedachte echter nimmer in uw was opgekomen, om u gansche bestaan [onleesbaar] ervoor te vernietigen en door u zelve mede te laten slepen in dezen afgrond uw huisgezin en uwe familie met u in het verderf en in de schande te storten, maar dat in tegendeel de banden die u aan uwe vrouw, maar vooral aan uwe kinderen verbinden te sterk waren dan dat men bij eenige mogelijk een dergelijken stap van u had kunnen onderstellen. Gij hebt mij intusschen van echtscheiding, van expatriëren en zelfs van de mogelijkheid om de finantieele bezwaren uit den weg te ruimen op eene wijze gesproken die mij mocht doen onderstellen, dat dit noodlottig denkbeeld u niet meer zoo geheel vreemd is, als ik zeker ben dat het u voor 8 of 9 maanden was en ik beef op de gedachte, dat Doortje welligt eene langzame maar zekere zegepraal zal behalen.

De reis naar Engeland was dus niet alleen bedoeld om zijn oude vriend te bezoeken, Van Lennep had hem ook gebruikt om zich te oriënteren op een nieuw bestaan. De hele zomer en herfst moet er wel veel contact tussen de twee geliefden zijn geweest en ze moeten hun plan om samen verder te gaan uitvoerig besproken hebben. Hierover zijn geen documenten bewaard, en het lijkt erop dat de vlucht als een donderslag bij heldere hemel aankwam bij familie en kennissen van het geheime liefdeskoppel. Een avontuurtje zou nog te vergeven zijn geweest, maar je gezin in de steek laten, waar nog een baby in de wieg lag, je gerespecteerde bestaan opgeven, en dat allemaal voor een volstrekt onzekere toekomst, dat was een liederlijk schandaal! Bovendien ging het om een meisje uit dezelfde kringen en dat lag toch weer anders dan een liefdesnacht met een dienstmeisje. Geen wonder dat 21 november 1834 Van Lennep zijn hele leven bijbleef. Ook omdat…
Wordt vervolgd

Één nacht was hem gegund I

keizersgracht
Keizersgracht 560, waar Van Lennep sinds 1836 woonde. Er is geen bordestrap, die heeft hij zelf laten slopen om een grotere en lichtere voorkamer te hebben.

Het verhaal dat hieronder volgt heb ik al vele malen verteld en ook gepubliceerd, maar ik zet het toch op mijn blog omdat ik het nodig heb als inleiding bij een nieuw opzienbarend document dat ik gevonden heb. Morgen en overmorgen leest u het vervolg.

Op vrijdag 21 november 1834 zat professor David Jacob van Lennep op het Manpad in Heemstede uit te rusten na een jachtpartij toen er keihard aan de schel getrokken werd. Binnen kwam jonkheer Roëll, een van de zwagers van zoon Jacob, met het bericht dat deze sedert ettelijke uren uit Amsterdam vermist werd. Toen zijn vrouw namelijk omstreeks etenstijd naar hem vroeg, was de dienstbode stomverbaasd. Ze kon zich niet voorstellen dat Mevrouw van Lennep niet wist dat meneer zelf zijn koffers gepakt had voor een buitenlandse reis en in de voormiddag vertrokken was. Mevrouw van Lennep liet dadelijk haar broer halen, en deze vond de zaak heel verdacht, want hij was op de hoogte van een roddel die al een tijdje rondging.

In de zomer van 1833 had Van Lennep op zijn buitenhuis Woestduin een buurvrouw met een aantrekkelijke dochter gekregen. Deze Doortje Ringeling was een liefhebster van literatuur en bewonderde de verzen van Van Lennep zeer. Was het vreemd dat de bewondering van het maaksel op de maker overgedragen werd? Kortom, er ontstond een verhouding en heel wat mensen waren daarvan op de hoogte.

Mevrouw van Lennep en haar broer inspecteerden de linnenkast en kwamen tot de ontdekking dat de dichter inderdaad genoeg had meegenomen voor een lange reis. Tevens vonden zij een financiële volmacht voor mevrouw. De conclusie was niet moeilijk te trekken. De broer van Mevrouw Van Lennep spoedde zich zo snel mogelijk naar het Manpad, een kleine veertig kilometer verder. Op de Haarlemse weg kwam hij een rijtuig tegen waarvan hij de koetsier kende en die wel vaker voor Van Lennep reed. Hij sprak de man aan, en deze koets had inderdaad de twee gelieven naar Hillegom gebracht, waar ze van koets gewisseld hadden. De koetsier vertelde dat Van Lennep stiekem uit het raam van zijn woning aan de Herengracht in de koets gekropen was en van Amsterdam naar Halfweg gereden. Doortje Ringeling had heimelijk het huis van haar moeder in Haarlem verlaten en een rijtuig naar Halfweg genomen en daar hadden ze elkaar ontmoet. Doortje was bij Van Lennep ingestapt, de bagage werd bij elkaar gevoegd en daar gingen de gelieven samen verder. Toen Roëll dit allemaal aan David Jacob van Lennep had meegedeeld, was deze wanhopig, maar besefte toch dat snel handelen geboden was. In het begin van de nacht vertrok hij met Henk van Lennep, zijn schoonzoon, naar Rotterdam, steeds de reis onderbrekend om navraag te doen over de route van het liefdespaar. ’s Ochtends om vijf uur kwamen ze aan bij Hotel des Pays Bas in Rotterdam en wachtten bij de haard tot ‘Meneer en Mevrouw’ zoals het hotelpersoneel zei, opgestaan waren. En toen gebeurde er iets wat heel typerend is voor de vader en voor de moraal van de negentiende eeuw, en eigenlijk ook heel ontroerend. Eén nacht gunde David Jacob zijn zoon en zijn geliefde. Eén nacht om in elkaars armen te verzinken, volledig op te kunnen gaan in een grenzenloos bestaan. Na de coïtus, wanneer immers iedereen een beetje triest pleegt te zijn, zou hij hem aanspreken. Toen de dichter zonder laarzen uit zijn slaapkamer kwam, schoot papa hem aan, bracht hem alles onder ogen wat een vader onder zulke omstandigheden doet. Zo overtuigend waren de vaderlijke vermaningen, dat de zoon berouwvol zonder laarzen in de koets stapte en gewillig met zijn vader terug naar Amsterdam ging. ’s Middags zat hij weer thuis met zijn vrouw en vier kinderen aan tafel alsof er niets gebeurd was. De arme juffrouw Ringeling vond, toen ze klaar was met haar toilet en uit de kamer kwam, niet haar amant, maar een grimmige zwager van de overspelige echtgenoot. De gezamenlijke bagage werd van de stoomboot gehaald en Henk van Lennep bracht het bedroefde meisje naar haar zuster. Zo fijngevoelig was hij nog wel dat hij haar niet bij haar moeder op de stoep afzette.

Wordt vervolgd

Analyse van wat Rutte werkelijk zegt:

Excuus aan mijn volgers: ik ben zo boos over de vooronderstellingen die verborgen zitten in de advertentie die Rutte vandaag in de kranten plaatste dat ik een keer naar deze tijd uitwijk. Als je tot de kern van zijn tekst doordringt staat er dit:

Aan alle mensen met een Nederlands paspoort

We hebben veel geld in Nederland. Toch gedragen mensen zich alsof er armoede is.* Die mensen hebben veel invloed. Terwijl wij mensen met veel geld hard gewerkt hebben voor dat rijke Nederland, zijn die anderen bezig de boel te verstoren. De meesten van ons vinden het prima zoals het is. Maar we hebben zorgen. Iedereen doet niet meer normaal.* Dat heeft u ook wel gemerkt. De mensen gedragen zich asociaal. Ze nemen altijd voorrang in het verkeer. Ze spugen naar conducteurs. Ze gooien afval op straat. Ze maken groepjes. En die treiteren of bedreigen andere mensen. Mishandelen doen ze ook.

 Wij mensen met veel geld die hard werken vinden het wel heel erg dat hier mensen van buiten komen die de boel willen verklooien. Vreemdelingen die zich niet aanpassen.* Die homo’s lastigvallen of meisjes in korte rokjes. Ook maken ze ons uit voor racisten als we daar iets over zeggen. Nou, dan moeten die mensen maar weggaan. Of normaal doen, dat is voorrang geven, niet spugen naar conducteurs, geen afval op straat gooien en geen groepjes maken. Want als je dat niet doet kunnen wij dat niet normaal vinden. Nu begrijp ik wel dat jullie niet allemaal hetzelfde zijn en dat we jullie niet zo maar het land uit kunnen zetten. Dus: pas je nou maar aan en dan kun je blijven.

Want we willen ons eigen land zo houden als het was. Iedereen werkt voor zijn geld en haalt het beste uit zijn leven. Ik zou nergens anders willen wonen dan in Nederland. U wil dat ook, maar dat recht heeft u alleen als u normaal bent.

Vertaling: Marita Mathijsen

  • synoniemen van armzalig: armoedig, ellendig, belabberd
  • Rutte heeft het echt eerst over ‘de meerderheid’ en ‘niemand die meer normaal doet’, alsof ‘niemand’ niet uitsluit dat er nog een andere meerderheid kan bestaan.
  • Rutte gebruikt het woord ‘vreemdeling’ niet, maar omdat hij het heeft over mensen die naar ons land zijn gekomen en omdat hij het heeft over ‘weggaan’, en omdat hij zich richt tot alle Nederlanders, houdt dat in dat hij over vluchtelingen/vreemdelingen praat.

Wat ik in 2016 had willen doen

De foto’s inplakken van toen er nog geen digitale camera was. Fotoalbums samenstellen van sinds er wel digitale camera’s zijn en die naar de fotoservice van de HEMA sturen. Broeken passen en wat niet meer past naar de kledingbak van het Leger des Heils brengen. Die lezing over de eerste vrouwelijke gepromoveerden uitwerken en publiceren. Een nieuwe boekenkast laten bouwen en daar de boeken in zetten die nu op stapeltjes in de woonkamer en studeerkamer liggen. De rododendron snoeien. Naar Wight gaan waar Van Lennep geregeld zijn vakantie doorbracht. Het Literatuurmuseum zo ver krijgen dat ze naar Amsterdam verhuizen. Oude e-mails van lieve vrienden uitprinten en in mappen stoppen. Het boek over Van Lennep afmaken. Iemand laten kijken naar de wijnflessen in de kelder en er de flessen uit laten halen die in 2017 leeg moeten. Een nieuwe deurmat kopen. In de zomer naar de opera in Verona gaan. Heel toegankelijke artikelen schrijven over historische romans, de Romantiek, nationalisme, de canon, artikelen die elke student voor zijn plezier zou lezen. De zeven versies van mijn boeken en artikels die ik in de computer opgeslagen heb wissen tot ik de beste overhoud. Het boek over Van Lennep afmaken. Een brief aan Jan Fontijn schrijven dat ik zoveel van hem geleerd heb. Schoenen met hoge hakken die ik toch nooit meer zal dragen wegdoen. Twee olijfboompjes in bakken op het terras voor mijn huis zetten. Zeven gedichten van buiten leren. Goed zoeken naar dat gouden kettinkje van mijn dochter dat kwijt is. Het boek over Van Lennep afmaken. Opiniestuk opsturen naar NRC over de kwijnende Neerlandistiek aan de Nederlandse universiteiten. Een telefoon met apps leren gebruiken. Het boek over Van Lennep afmaken. Een nieuw broodrooster kopen. De vlekken van het hondje op het tapijt in de slaapkamer behandelen. Het boek over Van Lennep afmaken. Een haakwerkje dat mijn moeder een paar maanden voor haar dood begonnen is afhaken. Zorgen dat er altijd champagne in de koelkast ligt. Het boek over Van Lennep afmaken. Het boek over Van Lennep afmaken, afmaken…

Ik had gehoopt aan het eind van 2016 het bouwwerk klaar te hebben, zodat ik in 2017 kon gaan stucken, vloerbedekking leggen, schilderijen ophangen. Noten schrijven dus, samenhang controleren, illustraties uitzoeken. Nee het is niet gelukt. Vier verdiepingen zijn klaar met twintig kamers, de vijfde staat in de steigers en voor de zesde ligt het bouwmateriaal klaar. Ik kan niet beloven dat ik over veertien dagen klaar ben. Maar het komt eraan. Wat ik in 2017 ga doen? Het boek over Van Lennep afmaken.

 

Meer, groter, megalomaan

pepenrcjacob

‘Ik heb geen regt begrip van Uwe verbazende werkzaamheid’, schreef de neerlandicus Matthias de Vries, zelf ook bepaald geen stoelklever, aan Jacob van Lennep in 1853. Zo vanaf 1848 worden de projecten waarop Van Lennep zich stort steeds spectaculairder. Poëzie en vertellend proza schrijft hij dan minder dan in voorgaande jaren, hoewel altijd nog meer dan bijvoorbeeld Nicolaas Beets. Hij is dan vooral historicus, editeur, woordenboeksamensteller, en geobsedeerd door de mogelijkheid maatschappelijke moderniseringen voor elkaar te krijgen, waarbij hij gebruik maakt van zijn netwerken en zijn naam.

Het is onvoorstelbaar wat hij allemaal aangaat in deze tijd. Zijn eerste megalomane project was het schrijven van een deels historische, deels fictionele reeks over de wording van het vaderland, Onze voorouders in verschillende tafereelen geschetst, die hij begon hij in 1838. Het is een van de omvangrijkste projecten uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis, van een A.F.Th. van der Heijdense megalomanie. Hij ambieerde meer dan alleen een schrijver van losse historische romans te zijn, maar wilde de hele geschiedenis van Nederland, vanaf de vroegste tijden, omzetten in verhalen die historisch gegrond waren. Hij wilde doorgaan met Onze voorouders ‘zoolang mij het schrijven en het publiek het lezen daarvan niet verveelt’. Verveelde het project hem of het publiek? In elk geval vorderde hij slechts tot in de late dertiende eeuw, maar toen had hij wel al bijna 2000 pagina’s geschreven. Na 1844 kwamen daar geen delen meer van uit.

In 1849 kwam hij met een veel omvangrijker project naar buiten: de uitgave van de verzamelde werken van Joost van den Vondel. Dat was nog door niemand aangepakt, niemand had enig idee van wat de langlevende dichter allemaal uitgegeven had en wat de status van verschillende drukken was. Uiteindelijk zou de uitgave daarvan in twaalf gigantische delen in 1869 klaar zijn, een jaar na zijn dood, maar hij had wel zelf nog de laatste drukproeven gecorrigeerd. Daarnaast werkte hij aan de uitgave van een uitvoerig Zeemanswoordenboek, om de zeevaarttermen die ras aan het veranderen waren door de stoomvaart, vast te leggen. Hij hielp de redactie van het grote Woordenboek der Nederlandsche taal geregeld aan nieuwe woorden die hij bij zijn onderzoek tegenkwam. Hij ging in een commissie zitten die plannen moest beramen om het nationaal toneel te verbeteren. De almanak Holland verscheen vanaf 1849, en ook dat was een groot project dat elk jaar een uitvoerige correspondentie eiste met potentiële medewerkers. Hij begon ook zijn eigen verzameld werk uit te geven. Zijn Dramatische werken voorzag hij van kritisch, enigszins badinerend commentaar, de Romantische werken kwamen tussen 1856 en 1859 in veertien delen uit bij een Rotterdamse uitgever, en zoals altijd herzag Van Lennep de drukproeven nauwkeurig. Vanaf 1853 nam hij zitting in de Tweede Kamer en bemoeide zich publiekelijk met de politiek. Zijn troetelobject bleef de historie en zijn spiedend oog hield in de gaten wanneer er belangrijke historische gebouwen dreigden afgebroken te worden of wanneer er iets herdacht kon worden met een monument. Natuurlijk stond hij in de kraamkamer van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Ook ijverde hij in deze jaren voor het Noordzeekanaal, dat uiteindelijk pas na zijn dood geopend zou worden. Zijn gewaagdste project is wel de aanleg van de Duinwaterleiding tussen Heemstede en Amsterdam geweest. Maar daarover heeft u al genoeg gelezen.

Daarnaast had hij gewoon zijn baan: rijksadvocaat. Hij schreef elke dag tientallen brieven, aan familie, vrienden, zakenbrieven, brieven aan literatoren. ’s Ochtends ging hij naar de Leessociëteit op het Rokin, waar hij onder andere buitenlandse kranten las. In de middag ging hij gewoonlijk schaken of biljarten in de sociëteit, eerst in de deftige Munt maar na enige jaren verwisselde hij de Munt voor Concordia, waar de leden uit diversere hoeken van de samenleving kwamen. Hij wandelde graag door de stad, ook in de arme buurten, niet alleen omdat de stad hem in de historie verplaatste, ook omdat hij er de levende taal kon opvangen die hij verwerkte in zijn romans. ’s Avonds ging hij naar de schouwburg of naar vergaderingen van de vrijmetselaars en van talloze andere verenigingen waar hij lid van was. Of hij gaf voorlezingen. Hoe hij dit allemaal binnen de 24 uren van een dag voor elkaar kreeg? Het enige wat ik zeker weet is dat hij nooit hoefde af te wassen,  bedden verschonen of boodschappen doen.

Een hork van een advocaat

aartveder    foetus

Jacob van Lennep was erg close met een Rotterdamse advocaat, Aart Veder. Veder was een gevierde advocaat, die lang vrijgezel bleef, terwijl hij aasde op rijke meisjes. Uiteindelijk vond hij een toegewijde echtgenote in de provincie. Aart Veder en Jacob van Lennep hebben samen dat wat Trump ‘locker room talk’ noemde. In hun doorgaans geestige en vaardige correspondentie is het een en ander doorgestreept dat voor het nageslacht verborgen moest blijven. Maar er zijn vreselijke dingen blijven staan die misschien wel erger zijn dat de onleesbaar gemaakte passages. Lees maar eens mee met een brief die hij in 1837 schreef aan Jacob. Die gaat over een echtpaar dat voor hem de huishouding deed.

Voorleden maandag word ik te ½ 9 door den man geroepen “Mijnheer het is reeds ½ 9, zoudt ge niet opstaan?” – “Waaröm roept uwe vrouw mij niet vroeger: ik had order gegeven tegen 8 ure?” – “Och Mijnheer, mijne vrouw heeft eene verzakking.” – Nu wist ik wel niet precies, wat dat was, maar ik begreep toch wel, dat het de eene of andere smerige boêl wezen moest en zweeg dus, aan de spontaneïteit van mijnen hospes de nadere ontknooping toevertrouwende. – Te twaalf uren kwam hij wêer van zijn werk te huis en verzocht mij te spreken. “Het is regt jammer, mijnheer, het was een zoontje.” – Ik proeste het uit van ’t lagchen en dat moet ik tot zijn eer bekennen, hij deed cordialiter mede; ik geloof dat hij het zelf gek vindt. Een oogenblik later – ik had mij gerecomposeerd [hersteld]; hij bleef altijd voor mij staan – vertoonde zich weder die verlegene trek, waarmede hij de kamer ingetreden was en welke zo veel beteekende als “Wij begrijpen wel, dat Mijnheer ons gehuurd heeft in de verwachting dat zoo iets niet gebeuren zoude en dat hem zulks uiterst lastig is”. Ik bleef hem zonder medelijden aanzien. – “Nog gisteren avond,” stamelde hij eindelijk, “had de meester [geneesheer] er geen idee op en dacht dat mijne vrouw het water had: wij hielden het allen voor onmogelijk; maar heden is het voor den dag gekomen, een zoontje van vijf maanden.” Ik antwoordde niet. – “Maar mijnheer kan er op aan,” zuchtte hij eindelijk in verlegenheid “dat wij zullen zorgen, dat het niet weder gebeurt!” Toen kreeg ik mijne goede luim weder of liever kon ze niet langer verbergen en zond hem getroost henen. – Ik moest dien avond de Whistpartij [kaartavond] bij mij hebben, hetgeen nu natuurlijk niet gebeuren kon. Toen ik uitging en het kleine kamertje voorbij liep, waar zoo veel meer gebeurd was, dan ik aan den moed van mijn hospes had toegeschreven, hoorde ik eene kermende stem “Zijt gij het Mijnheer?”- “Ja Antje, houd uw rust maar!”- “Och God, mijnheer, het is onze schuld niet…. Het past wel niet, mijnheer, maar wilt ge niet eens even zien?” – “Neen, Antje, ik ben zelf zenuwachtig (eene toespeling op mijne lachspieren) wees maar bedaard en veröntrust u nergens over.” Wat zij mij nu wilde laten zien, begrijp ik niet regt, waarschijnlijk het onschuldige foetusje. – Een malle bôel, niet waar? Nu gaat het nog beroerder bij mij toe, als anders.

Wat een hork van een man. Wat een afwezigheid van empathie, van teerhartigheid, van respect. Hij lacht zijn knecht uit, hij betreurt dat zijn kaartavondje niet kan doorgaan, hij accepteert dat het echtpaar belooft geen vrijages meer te hebben, hij gunt de vrouw niet eens een blik op het dode kind.

De brief is nog niet afgelopen. Aart dist Van Lennep vervolgens een ander miskraamverhaal op:

Dit geval herinnert mij aan het gedrag van eenen mij zeer wel bekenden, hier woonächtige doctor, die bij de eerste kraam zijner vrouw (ook eene miskraam) het foetusje op sterk water zettede en er aanvankelijk zoo sentimenteel naar kijken kon als een gans. Later heeft hij jaarlijks een kindje gekregen en bezit er thans vier. Dit heeft zijn gevoel voor den stamhouder op brandewijn zoo zeer verminderd, dat hij reeds lang er op bedacht was denzelven te removeren, totdat hij nu eindelijk besloten is hem onder de liefhebberijen op eene boekverkooping te werpen. Kent gij een meer fantastisch denkbeeld, dan dat van eenen vader, die zijnen zoon onder de rariteiten achter een boekverkooping laat uitventen? Ik betuigde hem mijne veröntwaardiging. – “Dat zijn kinderen, die nog wat opbrengen,” antwoordde hij koeltjes en met een schuinschen blik op zijne oudste zoon (in leven), dien hij in ’t vervolg wil laten studeren.

Het pleit een klein beetje voor Aart Veder dat hij het ongepast vindt een eigen dood kind als rariteit te verkopen, maar krediet heeft deze arrogante man bij mij niet, ook al is hij de beste vriend van Van Lennep. Les amis de mes amis sont pas toujours mes amis.

 

De duivelse viool

107e4d13e9cccd105c66db3d71ef439e

Jacob van Lenneps romans zijn nog wel enigszins blijven hangen in het collectieve geheugen van oudere Nederlanders. De Ferdinand Huyck stond nog wel eens op literatuurlijsten in de tijd dat leraren Nederlands … – nee, ik ga niet klagen, vul zelf maar in wat hier moet volgen. Toneelstukken van Jacob van Lennep kent helemaal niemand meer, en toch heeft hij er een stuk of veertig geschreven. Bij een of andere herdenking jaren geleden is zijn toneelstuk Het dorp aan de grenzen, waarin Belgen belachelijk worden gemaakt, nog wel eens opgevoerd.

Ik weet ook niet zeker of ik een pleidooi zou willen houden om zijn meest idiote stuk, De betooverde viool en het bloemen-oproer, een anakreontisch, romantisch, fantastisch, bloemrijk, tragi-komisch, met zang, dans en verderen vreemden toestel vercierd drama-ballet uit 1851 te heropvoeren. Maffer toneel is waarschijnlijk nooit geschreven. Stelt u zich een musical uit de stal van Van de Ende voor, een revue van André van Duyn, een script van Maria Goos en een voorstelling van Hans Klok, gooi die bij elkaar in een pan, roer eens flink, haal er een willekeurige schep uit en flikker dat op een podium, dan heb je misschien een idee van wat Van Lennep hier deed. Het was een bewerking van een stuk dat hij in Londen gezien had, en hij meende dat het een kassakraker zou worden. Nog nooit was aan het Leidseplein een stuk vertoond, ‘zoo rijk aan onwaarschijnlijkheden, aan anakronismen, aan dwaasheden, aan duivelskunstenarijen, aan onmogelijke toestanden’, schreef hij zelf. Hoofdpersoon is een werkloze violist die verliefd is op een freule. Maar hij wordt belaagd door een edelman die dezelfde freule om haar geld begeert. Freules papa heeft liever een geldjager mét adelstitel dan een armoedige kunstenaar. De dokter die optreedt blijkt de duivel zelf in vermomming te zijn. Dan verrijst ook nog de zeventiende-eeuwse duivelbanner Balthazar Bekker uit zijn graf op de planken. Het stuk begint in een herberg waar een bloemist overstuur binnen komt vallen, want hij heeft net de duivel gezien. Kort daarna treedt die dan ook in de gedaante van een zwartgeklede dokter binnen. Hij raakt in gesprek met de violist, en de dokter belooft de suïcidale kunstenaar aan zijn freule te helpen, maar alleen als hij zich aan zwarte kunst wil overgeven. Of hij daartoe zijn viool wil overhandigen. De mistroostige loser doet dat, waarop de dokter geesten oproept die onder veel rookwolken en gierende geluiden het instrument betoveren. Er volgt totale ontreddering van alle personages, want onder invloed van de duivelse dokter bedriegt iedereen elkaar. Maar het doel is bereikt: de freule wordt inderdaad verliefd op de violist, die zich op zijn betoverde viool ontpopt als een rattenvanger van Hamelen. Iedereen valt nu als een baksteen voor hem. De laatste akte speelt zich af in een broeikas waar lelies, dahlia’s, anemonen en andere bloemen tot leven gekomen zijn. Stelt u zich dus Halina Reijn als dahlia voor. Maar de bloemenpersonages zijn bepaald niet lieflijk, integendeel, ze worden onbehoorlijk agressief ten opzicht van de bloemist, die ze aanvallen om zijn snijgedrag. Uiteindelijk krijgt de violist zijn freule door de tussenkomst van Balthazar Bekker die en passant de duivel verdrijft. Bovendien weet Bekker de muzikant nog aan een koninklijke afkomst te helpen, zodat de papa van de freule in kan stemmen met het huwelijk – zie dit als zelfspot met Van Lenneps eigen romans over vondelingen die van hoge geboorte blijken te zijn. Het stuk is helemaal op rijm, er zitten nogal wat toespelingen op de actualiteit in. Zeker verwijst Van Lennep ook naar de razend virtuoze altijd in het zwart geklede violist Nicolai Paganini, die een duivel op de viool genoemd werd, en een slokje Faust en zijn zielsverkoop aan Mephisto zit er ook in. Morbide grappen te over, bijvoorbeeld wanneer de bloemist met een tuinschaar het verliefd kussende paartje probeert te scheiden. Tegen zoveel absurdisme was het Nederlands publiek niet opgewassen. Het stuk viel als een baksteen.

“Was er iemand ooit zoo ongelukkig?”

Een van Van Lenneps beste vrienden was de domineedichter Willem Veder. Dramatisch was wat er in 1842 gebeurde met hem, toen hij zich net als predikant in Dordrecht gevestigd had. Ik kan die familieberichten niet met droge ogen lezen. Binnen een maand stierven zijn twee zoontjes van één en drie jaar, waarschijnlijk aan de mazelen.

ddd_010521103_mpeg21_p005_image

ddd_010978986_mpeg21_p004_image

Negen dagen na de dood van de kleine Aart stierf Veders jonge vrouw aan t.b.c. of tering, de ziekte waar zoveel jonge mensen in de negentiende eeuw aan ten onder gingen. Ze trof mensen uit alle klassen, en pas in 1882 ontdekte Robert Koch de bacterie die de ziekte veroorzaakte. In veel romans, gedichten en opera’s overlijden mooie jonge meisjes eraan, in een ziekbed dat hun langzaam verzwakt en uitmergelt. In Van Lenneps laatste roman, Klaasje Zevenster, sterft de hoofdpersoon ook aan tering. De rouwadvertentie van Willem Veder in de Opregte Haarlemsche Courant is hartverscheurend:

ddd_010521118_mpeg21_p002_image

Maar nog was de beker van smart niet leeggedronken. Twee dochtertjes verloor hij daarna nog:

ddd_010979036_mpeg21_p004_image

ddd_010979056_mpeg21_p003_image

Begin januari 1843 bleef hij alleen achter met nog één kind, dat hij bij zijn moeder onderbracht. Opnieuw schreef Van Lennep hem:

Bij zulk een lijden als het uwe, bij zulke herhaalde slagen is er geen midden tussen ongeloof en aanbidding. Hier moet men of een blind noodlot aannemen, dat zonder onderscheid, zonder medelijden, zijn slagen vallen laat, of … een onbegrijpelijke liefde, die slaat, maar weder heelen zal, die foltert, maar om weder te verblijden.

Voor de dominee zocht Van Lennep troostwoorden in de godsdienst, maar besefte ook dat die geen oplossing boden.

Wel is Gods hand zwaar over u en over uw huis, arme Vriend! ’t Is hartverscheurend en ontzettend, zelfs voor hen, die u niet kennen, en die op het lezen dier herhaalde doodmaren, de handen vol weemoed en medelijden in elkander slaan en uitroepen: was er ooit iemand zoo ongelukkig?

Willem zou nog lang lijden, en deelde dat met zijn vriend in brieven:

Soms wordt het mij weer zoo donker. Dan worde ik, als de bare der zee door twijfelingen geslingerd – dan ben ik zoo diep ongelukkig.

Het volgende jaar herbeleefde hij dag na dag de dagen waarop hij zijn geliefden verloor.

Elke dag brengt mij thans smartelijke herinneringen! Het was den 29 Junij een jaar geleden dat mijn John stierf – den 26 dezes (overmorgen) verjaart de sterfdag van mijn Aart, dan volgt die der Moeder, dat gaat alzo voort tot 4 January toen de laatste en smartelijkste slag mij in de dood van mijne Dientje trof. Tusschen de data zelve liggen dagen van pijnlijke angst! Mijn God! Hoe heb ik dit alles kunnen dragen!’

verzucht hij in een brief aan Van Lennep, die ook niet veel anders kon dan hem meelevende brieven schrijven, hem bezoeken en inviteren bij hem thuis. Voor iemand als Willem Veder, die zo duidelijk een familieman was, geldt de Victoriaanse opvatting van familiegeluk, zoals Peter Gay die zo overtuigend beschreven heeft. In tegenstelling tot wat meestal aangenomen wordt, zo stelt Gay, waren de negentiende-eeuwse burgerhuwelijken geen economische overeenkomsten. Ze waren zeer kameraadschappelijk en liefdevol, de kinderen werden geliefkoosd en dus was er intens beleefd verdriet als de bekende negentiende-eeuwse ziekten toesloegen. De godsdienst gaf dan slechts een schijntroost, maar wel de enige die voorhanden was. De echte troost kwam voor Willem Veder vier jaar na de dood van zijn vrouw, toen hij hertrouwde, zijn enig overgebleven dochtertje weer in huis kon nemen en er nieuwe kinderen geboren werden.

willem-veder