Shortlist Nederlandse Biografieprijs

De bezielde schavuit staat, met vier andere biografieën, op de shortlijst van de Nederlandse Biografieprijs. De andere hebben allemaal twintigste-eeuwers als onderwerp. Afwachten maar…

Advertenties

De Vondel-uitgave van Jacob van Lennep: een verhaal over idealisme, een bodemloze put en editieroverij

Op vrijdag 31 augustus om 5 uur geef ik de tiende Frederik Mullerlezing in de Lutherse kerk op het Spui Amsterdam (toegang gratis, wel aanmelden, zie de link hieronder). Ik spreek over de door Jacob van Lennep bezorgde Vondel-editie uit 1849–1869, dat in twaalf delen verscheen bij uitgever Binger, onder de bezielde leiding van Jacob van Lennep. In de biografie geef ik van dit project een compacte beschrijving, maar ik zal nu veel meer gegevens naar buiten brengen.

Eind 1849 kondigde de uitgever M.H. Binger aan dat er bij hem ingetekend kon worden op De werken van J. van Vondel, met verklaringen en aantekeningen door Mr. J. van Lennep. Het zou een prachtuitgave worden met ‘glyphographische platen’. Voor het eerst zou er een volledige editie komen, chronologisch gerangschikt. De intekenaren kregen gratis marokijnlederen ruggen met goudstempels erbij.

Vondelprospectus

Van Lennep stond in zijn eentje voor een onafzienbare berg werk, want er was nog geen eerder onderzoek waarvan hij gebruik kon maken. Financieel liep het project niet naar wens. Van Lennep hielp de uitgever met een flinke lening en kocht onverkochte delen op. In 1862 zette hij de ‘Vereeniging voor de Verdere Uitgave en Exploitatie der Werken van J. van Vondel’ op, met aandelen van 1000 gulden, die hij sleet aan familie en vrienden.

Vondelaandeel

Uitgever Binger zat vast aan deze kapitale uitgave. De Schiedamse uitgever Roelants was handiger: die liet de letterkundige Johannes van Vloten een goedkope versie maken, en deze plunderde daarvoor de editie van Van Lennep. Er kwam een rechtszaak wegens plagiaat, maar Vondel was rechtenvrij, dus Binger verloor het proces.

Toen Jacob 25 augustus 1868 overleed, had hij het laatste, twaalfde deel net voltooid. Alleen de laatste twee vellen van de drukproeven van het register heeft hij niet meer zelf gecorrigeerd.

Aanmelden Frederik Mullerlezing 

100. Drukproef Vondeluitgave1862

Gecorrigeerde en aangevulde drukproef van de Vondel-uitgave

 

Vandaag 150 jaar geleden, om 19.00 uur

Voor mijn venster in Amsterdam heb ik vanochtend een klein altaartje gebouwd.25augustus2018

In de stromende regen herdachten vanmiddag zo’n veertig sympathisanten in Oosterbeek Jacob van Lennep.

25augustusgrafLennep3Op de terugweg vanuit Oosterbeek tekende zich rond zijn sterfuur een dubbele regenboog tegen de hemel af, de helderste reikte aan beide zijden tot aan de grond. Ik vat het als een teken op dat Jacob van Lennep instemde met de sfeervolle herdenking – vanwege de regen kregen we onderdak bij Jan Hofstede, waar Dick Welsink van het Literatuurmuseum, Louis van Lennep (voorzitter Stichting van Lennep) en ik spraken. Job Hubatka zong twee liederen op teksten van Van Lennep.

In 1868 werd Jacob van Lenneps ziekte en dood heel intensief gevolgd in alle kranten. Het begon eind juli slecht met hem te gaan.  Hieronder een selectie van respectievelijk 28 juli, 30 juli, 18 augustus, 22 augustus en, tenslotte, 27 augustus.

krantenberichtenziekteVL1868

 

150ste sterfdag: 25 augustus

Op 25 augustus is het 150 geleden dat Jacob van Lennep in Oosterbeek overleed. In samenwerking met de Stichting Begraafplaats Fangmanweg en de Stichting van Lennep is er om 16.00 uur een kleine herdenkingsbijeenkomst georganiseerd op de begraafplaats in Oosterbeek, die openbaar toegankelijk is.

Programma:

–          Verwelkoming door Herman Erinkveld, voorzitter van de Stichting Begraafplaats Fangmanweg

–          Toespraak door Marita Mathijsen, schrijver van de biografie Jacob van Lennep, een bezielde schavuit

–          Toespraak door Louis van Lennep, voorzitter van de Stichting van Lennep

–          Zang door Job Hubatka, bariton, betachterachterkleinzoon van Jacob van Lennep, begeleid door de accordeonist Gert Wantenaar. Lied op tekst van Jacob van Lennep

–          Toespraak door Dick Welsink, conservator van het Literatuurmuseum

–          Zang door Job Hubatka van een lied op tekst van Jacob van Lennep. Begeleiding Gert Wantenaar

grafuitsnede

Een dier dat taal beheerst?

De neerlandicus/taalonderzoeker/hoogleraar Marc van Oostendorp is de drijvende kracht achter de website www.neerlandistiek.nl. Elke dag beheert hij de stukken die daarop verschijnen, en vrijwel elke dag is er ook een stuk of een vlog of minicollege van hemzelf. De titel van zijn laatste vlog over ‘Een dier dat taal beheerst’, zette me op het verkeerde been (http://www.neerlandistiek.nl/2018/07/een-dier-dat-taal-beheerst/ ). Ik dacht: ha, Marc gaat het over de taalbeheersing van dieren hebben bij zijn komende oratie, want hij dacht in die vlog na over het onderwerp daarvan. Over vogels die woorden imiteren, over honden die commando’s verstaan, over paarden die liefkooswoordjes beantwoorden. Ik heb sinds ik bij mijn ouders uit huis ben, eeuwen geleden, vier honden, een poes en een rat gehad, en sinds mijn dochtertje eisen begon te stellen een tiental goudvissen, een woestijnrat, een hamstertje. De vissen begrepen alleen maar tikken tegen de ruit, de poes kende alleen maar haar naam en benamingen voor eten, de knaagdieren reageerden naar mijn idee alleen maar op het stemgeluid, en niet op verschillende woorden. Alles naar oppervlakkige waarnemingen, want ik heb daar niet mee geëxperimenteerd. De goudvissen waren er overigens niet alleen voor mijn dochtertje. Ik nam er ook jaarlijks een mee naar het openingscollege voor eerstejaars waar ik ze als metafoor gebruikte. Vraag aan de zaal: ‘Wat gebeurt er met vissen in een te kleine kom?’ Antwoord: ‘Die groeien niet.’ Nog een antwoord: ‘Dat worden stresskippen’. Conclusie van mij naar de zaal: ‘Zo is het ook met jullie: blijf niet vastzitten, kom uit de kom, geef jezelf ruimte.’ Maar ik had niet het idee dat de goudvis zelf besefte dat hij een metafoor was. Hij spartelde wat meer in de kleine kom die ik voor het college op tafel gezet had dan in de grote bak thuis.

Met de honden zat het anders. Mijn derde hond, Binkie, was het meest bekwaam in het begrijpen van menselijke taal. De tegenwoordige, Mimi, kan er ook wat van.

MimizwartwitKops

Hondje Mimi. Foto Pim Kops

 

 

Ik heb ooit een documentaire gezien over een hond die 200 woorden kende. De hond zat in het midden van een groot aantal voorwerpen. Als de baas ‘groene pop’ zei, haalde hij de groene pop en niet de blauwe. Bij Binkie heb ik eens geteld hoeveel hij begreep van taal. Ik kwam tot een kleine veertig woorden of korte zinnen waarop hij adequaat reageerde. Overigens spreek ik Limburgs met mijn honden, niet omdat ik daarvoor ooit bewust gekozen heb, maar zo ging dat gewoon bij de eerste (Hector) en zo doe ik het nu nog met Mimi. Binkie kende de namen van de mensen die geregeld op bezoek kwamen, een stuk of tien. Hij kende uitdrukkingen als: ‘geitter mei?’(ga je mee?), ‘we gaon nao Belfeld’ of ‘we gaon nao Italië’ (‘we gaan naar Belfeld’, mijn geboortedorp, of ‘we gaan naar Italië’ waar ik een vakantiehuis heb). Hij reageerde ook op ‘gank Alma wakker maken’ (‘ga Alma wakker maken’- mijn dochter). Bevelen voor sanitaire plichten volgde hij niet op, hoewel hij ze verdomd goed begreep. Mimi, een vrouwtje, is er veel gehoorzamer in. Binkie hanteerde tegenover mij ook een soort taal: hij blafte heel anders wanneer hij bijvoorbeeld van de tuin uit naar binnen wilde dan wanneer zijn waterbak gevuld moest worden. Mimi gebruikt alleen maar een soort kort of lang piepen, tegen je opspringen of strak aankijken als ze iets wil bereiken. Affectie drukt ze uit met piepend gejank. Als ze iemand op wie ze gesteld is lang niet gezien heeft, blijft ze minutenlang duidelijk maken dat ze die persoon gemist heeft.

Er zijn veel onderzoeken geweest naar het begrip van taal bij dieren, die ik verder nooit gelezen heb. Vogels schijnen veel meer taal te beheersen en er veel meer gebruik van te maken dan we ooit vermoed hebben, las ik ergens in een krant. Via computeranalyses waren wetenschappers er namelijk achter gekomen dat bepaalde soorten via klanken elkaar aangeven waar voedsel te vinden is. Veel research in het verleden is naar dolfijnen uitgegaan. Hans Faverey heeft een prachtige gedichtencyclus geschreven over de pogingen van trainers om dolfijnen tot spreken te bewegen (Man & dolphin/ mens & dolfijn):

Ball; say: ball.

Bal; zeg: bal).

Je moet ‘bal’ zeggen.

Dolfijn, zeg eens bal.

B/a/l: bal. Hé,

Dolfijn, zeg nou eens ‘bal’.

Toen ik na Faverey’s dood zijn nalatenschap mocht inventariseren, trof ik in zijn boekenkast diverse boeken aan over dolfijnenonderzoek, zoals het befaamde boek van John Cunningham Lilly, in een editie uit 1969: The Mind of the Dolphin. A Nonhuman Intelligence. Lilly had een speciaal waterhuis laten bouwen waarin hij samenleefde met dolfijnen en experimenteerde met hun capaciteiten. Faverey had als psycholoog natuurlijk veel belangstelling voor dit soort onderzoek. Er is een klankopname bewaard gebleven, gemaakt op Poetry International, waarop hij die cyclus voorleest. Een fascinerende opname, waarin zijn sonore stem met het  licht Surinaamse accent klinkt alsof hij een rapsodie zingt. Die opname vond ik niet op You tube, wel een andere die ook prachtig is: Hans Faverey, De schildpad

Enfin, dit ging er door me heen toen ik Marc van Oostendorps vlog met de misleidende titel las. Ik wens hem veel succes bij zijn oratie op 25 oktober, die dus over de taalontwikkeling van het mensdier zal gaan, als ik hem goed begrijp.

Wandelen door het Amsterdam van Jacob van Lennep

In het julinummer van Ons Amsterdam staat een wandeling door het Amsterdam van Jacob van Lennep, die begint bij de Westerkerk, en dan zo langs geboortehuis, woonhuis, huizen van vader en opa’s, school, en uitgaansgelegenheden loopt. Hij eindigt bij Museum Van Loon, waar een huis te bezichtigen valt zoals dat in de kringen van Van Lennep in de negentiende eeuw ingericht was.

plattegrondwandelingdeel

wandelingOnsAmsterdam

Donateurs van het Prins Bernhard Cultuurfonds kunnen deze wandeling onder begeleiding van voordrachtskunstenaar Simon Mulder lopen op 22 juli en 16 september. Zie: https://www.cultuurfonds.nl/nieuwsbericht/stadswandeling-voor-donateurs.

Fenomenaal portret van Thorbecke

Wat een biografie! Ik begon met een zeker plichtsgevoel te lezen in de biografie die Remieg Aerts, hoogleraar Nederlandse Geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam, over Rudolf Thorbecke geschreven heeft. Ik ken het eerdere werk van Aerts als gedegen, wetenschappelijk, brede verbanden leggend, maar niet speciaal vol stilistische hoogstandjes, ironie of diepgaande psychologische ontledingen. Vanaf het ‘Woord vooraf’ wist ik al dat hier iets anders gebeurde. Of eigenlijk al vanaf de titel: Thorbecke wil het. In drie simpele woorden vastgelegd: de ijzeren discipline, de onbuigzaamheid, het gezag, de onontkoombaarheid, de onverzettelijkheid van de man. Het ‘Woord vooraf’ dan, met zinnen als ‘Veel van wat er over hem beweerd wordt, berust op aangekoekte interpretaties en ingesleten misvattingen’ over deze ‘perkamenten figuur’, geeft in een paar welgekozen woorden weer wat Aerts wil. Hoewel hij meent dat de biografie ‘de traagste vorm van geschiedenis [is], een wereld van details, uiterst materieel en brongebonden’, schrijft hij ook dat er politieke leidersfiguren zijn die de cultuur veranderen en ‘door hun doorzettingsmacht, hun roekeloosheid, hun grootheidswaan of hun falen het lot van miljoenen tijdgenoten’ bepalen. Iets soortgelijks geldt voor kunstenaars, filosofen, wetenschappers. Daarom, zegt hij, is de biografie toch wezenlijke geschiedschrijving.

thorbeckewilhet

En dat maakt Aerts op een geweldige manier waar. Het is alsof je een driedimensionaal panorama voorgeschoteld krijgt van de omslagtijd waarin Thorbecke leefde. Geschreven met humor, met afstand én betrokkenheid en met een enorm inzicht in de politieke kringen van Thorbeckes tijd. Het portret dat Aerts van Thorbeckes vader en diens invloed op de ontwikkeling van zijn zoon geeft, lijkt wel ontleend aan Dickens’ roman David Copperfield. Thorbecke senior was zo ongeveer als Mr. Micawber, met zijn nooit aflatend optimisme, gebrekkige zelfkennis en financieel gehaspel. Rudolf moest goedmaken wat de vader niet voor elkaar kon krijgen. Hij dwong de jonge Thorbecke in een corset van discipline en ambitie. Toen Thorbecke in Duitsland ging studeren, verloor hij iets van zijn dwangmatige arbeidsregelmaat, omdat hij zich daar ook in culturele kringen begaf. Hij leerde er de ideeën van de idealistische Romantiek kennen die ook zijn politieke ideeën ging vormen. In Berlijn kwam hij in contact met de weduwe van de bekende filosoof Karl Solger. Zij was 31 jaar oud, hij 22. Er ontwikkelde zich een hechte vriendschap. Aerts suggereert dat zij meer in hem zag dan een gesprekspartner, wellicht hem zelfs beschouwde als iemand voor een tweede huwelijk. Thorbecke pakte het anders aan: veertien jaar later versierde hij haar dochter, die hij als driejarig kindje had leren kennen. Twee jaar moest hij nog wachten voor hij kon trouwen met de toen 19-jarige Adelheid Solger. Thorbecke, 38 jaar, droeg de gevoelens die hij voor mama had gehad op haar over. Het werd een buitengewoon innig huwelijk. De beschrijving van haar vroege dood bracht me tranen in de ogen. Dat kan en durft Aerts dus ook: het gevoel aanspreken.

Wat deze biografie echt uniek maakt, is de kenschetsing van de Nederlandse politiek en de omkanteling van oude naar nieuwe tijden waarvoor Thorbecke wat de staatsinrichting betreft grotendeels verantwoordelijk was. Aerts kent al die hele en halve politici met hun half of heel verborgen agenda’s, met hun regionale en/of religieuze drijfveren alsof het de hedendaagse Rutte met zijn ploeg betreft. Thorbecke zet hij daartussen, niet als een heilige, niet als iemand die geen fouten beging, niet als een man van wie makkelijk gehouden kon worden, wel als iemand met een enorme systematische denkkracht, die overtuigd was van zijn eigen superioriteit, en daar in de regel ook gelijk in had. Hij ontwierp de infrastructuur van de staat zoals die nog steeds, met kleine aanpassingen, functioneert. Zij het dat er juist nu aan geknaagd wordt…

Eén ding betreur ik: Aerts heeft nauwelijks illustraties opgenomen in zijn boek. Het is een beetje gek om méér te vragen als er al zoiets rijks geschonken is, maar hij moet en passant zoveel spotprenten, portretten en markante briefjes tegengekomen zijn, dat die er toch ook nog wel bijgekund hadden. 900 of 1000 pagina’s, who cares. Misschien nog iets voor een website?

Het is onbegrijpelijk dat de NRC, als nazaat van het liberale Algemeen Handelsblad waarin Thorbecke in zijn goede tijd gesteund werd, nog altijd geen recensie van dit boek geplaatst heeft. Had ik zelf niet een biografie geschreven, zo kort geleden nog, dan had ik die beoordeling wel voor mijn rekening genomen, maar in dit geval moet ik me beperken tot een korte loftuiting in mijn privéblog.

 

Herziene uitgave van de voetreis in 1823

Hoeveel kilometer legden Jacob van Lennep en Dirk van Hogendorp in het jaar 1823 te voet af door Nederland, toen ze hun befaamde voetreis maakten? Ik zou de rekenaars onder mijn volgers willen vragen of zij wellicht het aantal kilometers dat Jacob en Dirk liepen kunnen berekenen. Er is een prachtige kaart van hun route getekend in de nieuwe druk van Jacobs dagboek van de voetreis. Een presentexemplaar voor wie het juiste antwoord geeft kan ik echter niet ter beschikking stellen, want ik weet het antwoord niet! Het zal lastig rekenen zijn omdat de kilometers over de paden en wegen van toen anders waren die van nu.

kaart5

In 2000 gaven Geert Mak en ik Lopen met Van Lennep uit, het dagboek dat Jacob bijhield in de zomer van 1823. Tegelijkertijd kwam er een serie op de buis, waarin te zien was hoe Geert deze voetreis naliep door het landschap van nu – en hoeveel er nog onveranderd was gebleven. 2000 was het jaar dat de negentiende eeuw definitief zijn benaming ‘de vorige eeuw’ verloor, en in dat jaar waren er in het hele land tentoonstellingen en bijeenkomsten over de negentiende eeuw, waarbij de uitgave van Van Lenneps dagboek naadloos aansloot.

We zijn nu achttien jaar verder. Het boek zou meerderjarig zijn geworden, als het nog leverbaar was. Maar het is al een hele tijd alleen maar antiquarisch te krijgen, voor vrij hoge bedragen. Tijd voor een nieuw jasje. Het oude was een beetje sleets. Inmiddels zijn  afbeeldingen van negentiende-eeuwse landschappen, buitenhuizen, markten en dergelijke veel makkelijker te vinden via internet. Dus hebben we de visuele informatie in het boek flink kunnen uitbreiden. Tientallen plaatjes hebben we toegevoegd, die allemaal naadloos aansluiten bij de landschapsbeschrijvingen in de tekst. Ook vonden we afbeeldingen van schilderijen die ze zagen en gebouwen die ze bezochten. De toelichtingen zijn herzien en uitgebreid. De vorige editie had geen plaatsenregister, dat is nu toegevoegd, dus iedereen kan nu volgen dat de jongens dorpjes als Haaften, Koekange, Ferwerd en Zweelo bezochten. En ook dat ze Brabant grotendeels, Limburg, Zeeuws-Vlaanderen en de Zuidelijke Nederlanden helemaal oversloegen. Het Verenigd Koninkrijk zat nog niet in hun gedachten, Nederland was nog min of meer een synoniem voor de Zeven Provinciën.

Van Lenneps dagboek is af en toe bevlogen, als hij zich kwaad maakt over de manier waarop met bedelaars wordt omgesprongen. Hij is een flirter en gokker in Bad Bentheim en altijd zoekt hij getuigen van het verleden op in de plaatsen die hij bezoekt. Zijn weergaven van dialogen tussen bijvoorbeeld een duffe dominee en de twee die hem willen bezoeken, zijn heel geestig. Als hij ontroerd is, door landschappelijke schoonheid, door een agressieve behandeling of door de ontmoeting met een vroegere vriendin, schrijft hij zijn gevoelens op in poëzie.

Naar aanleiding van de eerdere uitgave zijn er nogal wat mensen geweest die de voettocht geheel of gedeeltelijk zijn gaan nalopen of nafietsen. Her en der op internet vind ik er verslagen van. Ik hoop dat er nu weer mensen geïnspireerd worden om de Van Lennep-wandeling uit te voeren. Het Geuldal en het Pieterpad zijn al zo platgelopen – hier kunt u zelf nog aan de slag. Met de nieuwe uitgave van uitgeverij Atlas Contact in uw hand.

zmer1823omslag

 

 

Bredero in Wroclaw

Toen ik in 1966 aankwam bij de Universiteit van Amsterdam, kreeg ik meteen commentaar zodra ik mijn mond open deed. ‘O, jij komt uit Limburg. En je studeert Nederlands?’ Ik mocht dan zelf invullen wat de spreker dacht: ga eerst eens spraaklessen nemen, wat moet dat hier met die zachte -g, zou je wel Nederlands kunnen studeren als je het ABN niet eens behoorlijk uitspreekt. Talloze keren deden Hollanders mijn zachte -g en andere zangerige klinkers en medeklinkers na, nooit beseffend dat ze die toch niet behoorlijk uitgesproken kregen, en nooit erbij stilstaand dat ze mij ermee kwetsten. Ik werd meteen tot ‘de ander’ gemaakt. Dat gebeurde al voordat ik met de colleges begon, in de introductieweken van de studentenvereniging. De eerste week dat ik aansloot bij de colleges viel ik van mijn stoel van verbazing: ik kreeg colleges over Bredero van een vrouw die plat Amsterdams sprak. Ik wist niet wat ik hoorde: een taaltje dat in mijn omgeving altijd afgedaan werd als ordinair en onbeschaafd, werd hier voor de collegebanken gesproken. Dr. Liesje Oey gaf zeventiende-eeuws, en deed dat op de sappigst denkbare manier – en dat plat-Amsterdams deed ze niet na als het om Robbeknol ging, het was haar eigen taal. Al heel snel werd ze een legitimatiemodel voor me: als zij plat-Amsterdams mag praten vóór de zaal, mag ik in de zaal zangerig Limburgs spreken. Wie daar iets over zegt heeft geen recht van spreken. Nederlands is voor en van iedereen.

Liesje jaren60B

Liesje Oey, een struise dame met een enorme krullebos haren, rokend als een ketter wat in die tijd nog voor de collegezaal mocht, behandelde met ons Moortje en De Spaansche Brabander. Ik herinner me hoe ze ons in de lokalen van het Lambert ten Kate-huis figuurlijk mee de stad in nam. Hoe ze ons de groente-, vlees en vismarkten liet kijken met de uitstallingen van niet meer bestaande kapoenen en schelvissen. Ze legde uit dat er ’s winters in de bevroren grachten wakken open gehouden werden zodat de mensen er water konden tappen en konden vissen – en dat er wel eens mensen in die wakken terechtkwamen omdat ze niet goed uitkeken. Bredero zelf misschien wel. Wakken kende ik niet – in Limburg waren geen grachten die konden bevriezen. Ik kende ook niet de veelkleurige stad die Amsterdam in de zeventiende eeuw was, met allerlei ‘gekleurde mensen’ zoals wij ze tegenwoordig noemen. En natuurlijk was ik ook stomverbaasd dat Oey het zonder enige gêne over hoeren en hoerenmadames had – daar hadden de leraren op de nonnenschool waar ik zat nooit over verteld in de lessen. Ik had mezelf natuurlijk wel via de literatuur op seksueel gebied bijgeschoold, ik had Wolkers en Claus gelezen, Alexandre Dumas en Flaubert, maar in de les was seks als onderwerp taboe. Liesje sprong behendig van ijswakken naar het bordeel, alsof het allemaal gewone gespreksonderwerpen waren. Ik leerde Bredero door haar lessen veel beter kennen dan ik Vondel leerde kennen – die kwam in de massale hoorcolleges van Stuiveling aan de orde.

 

Later verloor ik Bredero uit het oog, hoewel ik de aanpak van Liesje zelf ging hanteren. Zo dien je met teksten om te gaan: plaatsen in de tijd, omgevingen en mentaliteiten erbij betrekken. Bredero was in de negentiende eeuw, waarin ik me specialiseerde, geen canonfiguur. Kluchten werden niet hoog aangeschreven en voor schoolgebruik zou Bredero niet erg geschikt zijn: ‘Den Brabander beschouw ik voor scholen geen goed boek’, had Eelco Verwijs geschreven, J. ten Brink meende ook dat Bredero geen passende lectuur voor gymnasiasten was en J. H. van den Bosch, redacteur van de Zwolsche herdrukken, wilde de Brabander niet in de vierde klas behandelen: ‘Ik heb er twee jonge dames onder mijn gehoor en een bende van zestien schalken van jongens’ (ik ontleen de voorbeelden aan Lisa Kuitert, Het ene boek in vele delen).  Toch is er in het Klassiek Letterkundig Pantheon in 1859 een uitgave van Moortje verschenen – de klucht die toch nog heel wat vrijmoediger is dan de Spaansche Brabander.

Nu was ik deze week in het Poolse Wroslaw om colleges te geven – en toevallig was daar bij de afdeling Nederlands (groter dan die in Amsterdam!) een Brederofestival. Men vroeg me of ik ook wat wilde bijdragen. In een boekwinkel was een voordrachtsmiddag. In het Pools en in het Nederlands werd gereciteerd. Zeventiende-eeuwse Poolse teksten en Bredero. Twee studenten met prachtige stemmen zongen het geestige ‘Eenicheydt is Armoedt’: Wat baat je macht, rijkdom, schoonheid, geleerdheid – als je ’s nachts alleen in je bed moet slapen? Er was voor leerlingen van middelbare scholen een declameerwedstrijd uitgeschreven: de winnaars droegen uiterst plastisch oude Poolse poëzie voor, ik verstond er niets van maar hoorde de klankrijkdom en rytmiek van Bredero erin terug. Lia van Gemert was er ook, de Amsterdamse hoogleraar Gouden Eeuw, zij zong a capella een lied van Bredero en wist vervolgens iedereen in de boekwinkel mee aan het zingen te krijgen. Ikzelf had een stukje uit de Spaansche Brabander gekozen om voor te dragen: dat deel waarin Robbeknol en Jerolimo tegen elkaar opsnijden over de schoonheid van respectievelijk de Amsterdamse en de Zuid-Nederlandse taal. Het is een uiterst actueel stukje, waarin Robbeknol het Zuid-Nederlands aanpakt omdat er zoveel uitheemse woorden in staan en Jerolimo het Hollands bot en ongeciviliseerd noemt.
PolenWrozlaw4

Ik probeerde het Amsterdams uit te spreken zoals Liesje Oey het deed, en ik probeerde het Zuid-Nederlands uit te spreken zoals ik het deed toen ik net in Amsterdam aankwam. Het lukte me maar half, maar wat ik wel besefte is dat er geen schrijver is die zo muzikaal, plastisch en virtuoos die beide varianten van het Nederlands weet uit de drukken als Bredero.

 

Van Lennep, gij moet hangen!

Van Lennep, gij moet hangen! Ge hebt Max Havelaar stukgesneden, en zijt ingenomen met u zelven.

Op Neerlandistiek.nl van 16 mei plaatsten de heren Van de Ven en Van Leeuwen een ingezonden brief, aan mij gericht, met de titel: En toch heeft Van Lennep Multatuli een oor aangenaaidBrief Neerlandistiek. Het onderstaande is hier een antwoord op:

Geachte Heren Van de Ven en Van Leeuwen

Bij deze mijn dank voor uw brief die getuigt van een vasthoudendheid die u in principe siert, maar in de praktijk toch enige nadelen heeft.

Graag ga ik op uw argumentatie en uw vragen in. In de eerste plaats stoort uw woordgebruik over Van Lennep die Multatuli ‘een oor heeft aangenaaid’ mij buitengewoon. Het gezegde betekent dat je iemand voor de gek houdt, iemand bedot. Nu is vanaf de eerste brief die Douwes Dekker van Van Lennep gelezen heeft duidelijk dat deze bezwaren heeft tegen de data en het slot. Dat blijkt in de brief van 18 november 1859 van Van Lennep aan Van Hasselt, die Douwes Dekker te lezen kreeg. Uit diezelfde brief blijkt ook dat Van Lennep erkent en veroordeelt dat er ‘knevelarijen’ en ‘infamiën’ in de Oost plaatsvinden. Als het slot gehandhaafd bleef, zou het publiek denken dat de auteur door wraakzucht gedreven werd. Lezers zouden hem dan minder geloven, en er zouden ook minder exemplaren van verkocht worden. Met de data erin zou het boek te zeer als feitelijk, te historisch gezien worden.

U verwijt Van Lennep dat hij Multatuli niet voldoende steunde met wat hij eigenlijk wilde met zijn boek en dus nalatig was. Kan men Van Lennep iets verwijten als hij daartoe geen opdracht had, daarvoor niet betaald werd, zich gewoon vrijwillig en in eerste instantie uit compassie met de berooide schrijver inzette voor diens zaak en diens bl…  mooie boek? Het is alsof u Rutte verwijt dat hij geen fokprogramma voor leguanen opgesteld heeft.

Wat mijn ‘leermeester’ Stuiveling betreft: ik heb in de colleges inderdaad heel vaak Stuiveling horen uithalen naar Van Lennep en naar de hele negentiende-eeuwse letterkunde vóór de Tachtigers. Mijn echte leermeesters waren anderen. Mondeling was Stuiveling feller dan op schrift, maar dat Van Lenneps uitgave getuigt van een ‘fundamenteel tekort aan eerbied voor de persoonlijkheid, de arbeid en het levensdoel van een ander’ is evengoed een fundamenteel tekort aan eerbied voor iemand die zich belangeloos ingezet heeft voor het tot stand komen van een uitgave van de Max Havelaar, daar heel veel arbeid voor verzet heeft door het manuscript persklaar te maken, ten bate van iemand die een ander levensdoel had dan hijzelf. Van Lennep heeft Multatuli niet in de steek gelaten, zoals u beweert, hij heeft er juist voor gezorgd dat Multatuli met het ongekende meesterwerk het literaire veld kon betreden.

Inderdaad stond Van Lennep voor een duivels dilemma. Hij was conservatief in de politiek in die zin dat hij geen opstand wilde en, overigens net als Multatuli, Nederlands-Indië voor Nederland wilde behouden. Maar hij zag ook de meesterschrijver en het meesterlijke boek, hij wilde de schrijver stimuleren en het boek aan het publiek gunnen, inderdaad in een aangepaste vorm. Niet tegen een belachelijk hoge prijs zoals altijd beweerd is: tegen de normale romanprijs. Van Lennep zag ook de misstanden in de Oost. Hij wilde wel dat die bestreden werden, maar niet via een volksopstand. Bij de regering, in het parlement, moest de Indische kwestie aan de orde komen.

Om nu op uw vragen te antwoorden.

Vraag 1. Ik stel dat Van Lennep dubbele gevoelens heeft. Klopt het dat hij vrij snel kiest voor het voorkomen van onrust in Nederland, ten koste van de geest en bedoelingen van Douwes Dekker?

Antwoord: Van Lennep ziet vanaf het begin dat het boek de potentie heeft opstand te veroorzaken. Dus: enigszins afzwakken van het boek overweegt hij vanaf het begin (VW 10 117-118). Tegelijk maakt hij zich enorm kwaad over de reactie van minister Rochussen op een brief van hem ten faveure van Douwes Dekker (131). Als nog voor het verschijnen van Max Havelaar berichten in Nederland binnenkomen over opstand in Nederlands-Indië, schrijft Van Lennep aan Rochussen, de minister van Koloniën, dat deze grotere opstand kan voorkomen door Dekker naar Indië te sturen, in een hoge positie (146). Als Rochussen schrijft niets te kunnen doen en hij Van Lennep verwijt dat die zich laat meeslepen, krijgt de minister een brief op poten terug: Van Lennep heeft geprobeerd het vaderland en Indië te behoeden voor rampen, hij had willen waarschuwen, en de man helpen ‘wiens werk, karakter en lotgevallen mij sympathie inboezemden’. Hij besluit met: ‘ik had liever gehad, dat de man in staat ware gesteld, ginds te handelen, dan dat hij verplicht worde, hier te spreken’. Maar daarvoor was het te laat (167). Vervolgens kiest Van Lennep ervoor mee te werken aan de openbaarmaking van het boek, met wat ik kleine aanpassingen zou noemen. De puntjes die hij invoerde (overigens door Multatuli zelf al toegepast als hij de naam van de Indische regent Karta Nata Negara vervangt door puntjes, bovendien gebruikte Multatuli voor Nederlandse ambtenaren in zijn boek steeds pseudoniemen of functieaanduidingen, geen namen) lieten niet onverlet dat iedereen in kon vullen ‘Lebak’ als er ‘L…’ of ‘Leb…’ stond.  Uit recensies en uit de hele behandeling in de Tweede Kamer blijkt dat de goegemeente direct wist wie en wat er bedoeld werd. Van Lennep wilde geen opstand onder het volk, maar de regering mocht, moest van hem zelfs, onrustig worden. Overigens twijfelde Multatuli zelf lang over zijn bedoeling met het boek: wel of niet publiceren. Dus: hij kiest meteen voor het voorkomen van opstand, wat iets anders is dan onrust. Uw gevolgtrekking ‘ten koste van de geest en bedoelingen’ gaat niet op.

Vraag 2

Van Lennep schrijft dat hij de voorzichtigheid van een slang nodig heeft. Dit doet u de vraag stellen of hij dubbelspel heeft gespeeld en of hij De Ruyter niet als stroman en marionet gebruikt heeft om de rust te bewaren.

Antwoord: U citeert gebrekkig. Van Lennep schrijft dat hij bij de oprechtheid van een duif de voorzichtigheid van een slang nodig heeft (120). Dus hij wil oprecht zijn maar moet daarbij voorzichtig zijn. Zijn voorzichtigheid betreft hier de brief die hij aan Rochussen geschreven heeft. Hij wilde Rochussen ervan overtuigen dat het een ernstige zaak was die de minister niet lichtvaardig mocht behandelen. Van dubbelspel ten opzichte van Douwes Dekker is geen sprake.

Wat nu De Ruyter betreft: al voordat er sprake is van drukken van Max Havelaar, had Van Lennep deze uitgever overgehaald om Dekkers toneelstuk De bruid daarboven te drukken (132). Van Lenneps eigen toneelstukken kwamen ook in deze jaren bij De Ruyter uit. Van een uitvoering en een druk van dit stuk kwam het uiteindelijk niet, maar Douwes Dekker moet gecharmeerd zijn geweest van de welwillendheid van De Ruyter, immers, kort daarna koos Dekker voor zijn open Brief aan de kiezers te Amsterdam De Ruyter als uitgever. Ik heb in een eerder artikel van mij De Ruyter gekenschetst als een ‘voorzichtig, ietwat bangelijk persoon […] die niet in politieke zaken verwikkeld wilde raken. Het lijkt erop dat hij het boek slechts uitgaf om Van Lennep te vriend te houden. En vooral: om een belangrijke opdrachtgever niet te verliezen’ (Ik heb u den Havelaar niet verkocht 62). Dat u De Ruyter een marionet of stroman wil noemen die in handen van Van Lennep gemanipuleerd werd om rust te bewaren, is een redenatie die berust op aannames over de ‘what if’-story van Max Havelaar die niet waar gemaakt kunnen worden. Mijn eigen aanname is: het is heel onaannemelijk dat er wèl opstand ontstaan zou zijn als het boek op de markt was gekomen exact zoals Multatuli het geschreven had. Het verschil tussen de ‘nulde druk’ en de eerste is te klein om te denken dat het ene wel kon wat het andere niet zou kunnen.  Bovendien veroorzaakte het boek wel degelijk onrust, er ging een ‘rilling’ door het land.

Vraag 3

‘Voed honden op, voed wolven op, opdat ze u weer verslinden.’ Met dit citaat van Vondel, dat Van Lennep gebruikt in een brief aan zijn vriend Aart Veder, beklaagt hij zich erover dat Dekker hem ervan beticht op diens armoede gespeculeerd te hebben, terwijl Van Lennep hem juist geholpen heeft bij het gedrukt krijgen van het boek, met het gevolg dat het boek nu overal in het land het gesprek van de dag is. Wie is de wolf, wie is verslonden vraagt u zich af.

Antwoord: Heel eenvoudig: wie is heden ten dage erkend als de beste schrijver van de negentiende eeuw? Welk boek is er heden ten dage nog in verschillende edities te koop? En wie krijgt heden ten dage nog voor de voeten geworpen dat hij iemand een oor aangenaaid heeft?

Ik meen voldoende stof gegeven te hebben om vraag vier niet meer te hoeven beantwoorden. Ja dit nog: Van Lennep heeft de impact van het boek niet beperkt. Juist doordat politici, schrijvers en de hele elite wisten dat Van Lennep achter dit boek van een debuterende schrijver stond, kreeg het veel meer aandacht dan het anders gekregen had – veronderstel ik.

Met een vriendelijke groet,

Marita Mathijsen

P.S. Dat Tom Böhm al vóór mij geconstateerd heeft dat Van Lennep slechts een klein deel van de vragen van Frits geschrapt had, en dat de ‘marionet’ hoogstwaarschijnlijk de rest van de vragen gewist heeft, was nieuw voor mij (‘Misschien is niets geheel waar… en zelfs dát niet’ 64). Zelf ontdekte ik de potloodstreepjes pas bij de voorbereiding van mijn lezing van 3 maart voor het Multatuli-Genootschap. Daardoor staat dit ook niet in de biografie.