Nr. 1836, een standbeeld voor een naamloos kind

Zo wreed kan geen mens het bedenken. Ergens in de jaren negentig kwam men er achter dat er nog een slachtoffer extra bij de 1835 doden van de Watersnoodramp 1953 geteld moest worden. Een kind was geboren in de nacht van de stormramp en diezelfde nacht, nog voordat de naam geboekstaafd stond, verdronken met zijn moeder en haar andere kinderen. Wat een gruwzame kortstondigheid van een bestaan, dat bedoeld was om uit te groeien tot een flink leven! Wat een helse smart voor een moeder die haar barenspijnen beloond zag met een beloftevol kind, en misschien nog voordat het kraambed verschoond was en het jongetje en zij gewassen waren, omkwam in de vloedgolf. Geboren om verdronken te worden, zoals een nest jonge honden door een onbarmhartige boer in een juten zak gestopt werd en in de Maas gegooid, vroeger in Limburg. Het efemere 1836ste slachtoffer zou alleen al uit verzet tegen de zinloosheid een granieten standbeeldje verdienen, ergens op een plaats in Zeeland waar de meest luidruchtige en brallerigste toeristen even zouden stilstaan bij een herinnering aan de aangrijpende nutteloosheid van zo’n geboorte.

Hulp militairen Watersnoodramp
Een baby die wel gered werd

Wat in Zeeland gebeurde, kent een lange geschiedenis in Nederland. Ook in 1836 werd Nederland geteisterd door een watersnood. De grootste van de negentiende eeuw is die van 1825 geweest, waarbij 800 mensen, 700 paarden en meer dan 20.000 koeien omkwamen. De storm woedde toen tussen 3 en 5 februari, en vooral Groningen, Friesland en Overijssel werden getroffen. Maar nog omvangrijker zijn de cijfers uit de middeleeuwen: 36.000 mensen in Noord-Holland in 1212, 100.000 bij de Marcellusvloed in 1219 in Friesland, duizenden een jaar later bij een Driekoningenvloed, althans volgens cijfers uit een oude encyclopedie. Bij de St. Elisabeth’s vloed van november 1421 verdwenen 72 dorpen in Zuid-Holland onder water, waarvan er 34 nooit meer te voorschijn kwamen. De Biesbosch ontstond toen. Bij Petten werden 400 mensen begraven onder de instortende kerk. In 1809 waren de dijkbreuken zo omvangrijk, dat half Nederland een open zee leek.

De negentiende eeuw is de tijd van de grote rivieroverstromingen. In 1820 werd het gebied tussen Rijn, Lek, Maas en Merwede `over een lengte van 22 uren gaans’ herschapen in een golvende ijszee. Enorme overstromingen waren er ook in het rivierengebied in 1855 en 1861. De gebieden rond de rivieren waren extra kwetsbaar in de winterperiodes bij de overgang van vorst naar dooi. Wanneer er nog ijs op de rivieren lag, kon het smeltwater niet wegvloeien. Ook kwam het voor dat zich enorme ijsdammen ophoopten van losgeslagen brokken ijs, die het water tegenhielden. Daardoor kwam er een geweldige kracht op de dijken te staan. Vrijwilligers van het dijkleger probeerden gaten te dichten met zandzakken of meststortingen. Vaak hielp dat niet meer: dan werden de klokken geluid of kanonnen afgeschoten. Als er nog tijd was, vluchtten de mensen naar hoger gelegen gebieden, maar ook toen was het water zo snel dat vaak alleen de zolder nog een tijdelijke uitweg bood. De ramp van 1861 was extra ingrijpend, omdat die zo lang duurde. Begin januari vonden de eerste dijkdoorbraken plaats bij ijzige kou, waarna de een na de andere dijk viel tot begin februari het land van Maas en Waal, het gebied rond Nijmegen en Noord-Limburg, een water- en ijsvlakte was.

Vóór de negentiende eeuw moest alle hulp voor de slachtoffers van particulieren komen. De gewestelijke regeringen bevorderden de aanleg van nieuwe dijken, maar daarmee hield hun bemoeienis op. In de negentiende eeuw werd de hulp een nationale kwestie, al was die nog steeds van particulieren afkomstig. Bij de watersnoodramp van 1809 wist koning Lodewijk Napoleon zich geliefd te maken bij de Hollanders door in een bootje de overstroomde gebieden te bezoeken. Hij bemoedigde slachtoffers, deelde kwistig dukaten uit, vooral aan weduwen en wezen, en coördineerde de hulpverlening. Daarmee gaf hij een voorbeeld aan zijn Oranje-opvolgers in de negentiende en twintigste eeuw. Bij de rampen van 1855 en 1861 gaf de regering nog steeds geen slachtofferhulp, maar ze nam wel het initiatief tot landelijke collectes. Er werden watersnoodcomités opgericht die ingezamelde gelden en goederen verdeelden. Een aardige beschrijving daarvan staat in het dagboek van Keetje Hooijer-Bruins, een domineesvrouw uit Zaltbommel, gepubliceerd in 1981. De Waal was in de Bommelerwaard gedrongen en bevroor daar meteen. Veel inwoners vluchtten naar Bommel en de bevolking steeg in een paar dagen van drieduizend naar zesduizend. Al die mensen moesten onderdak krijgen, gevoed en gekleed worden. In de woning van dominee Hooijer vonden twee gezinnen onderdak. Hij werd president van de hoofdcommissie, en terwijl andere leden van de commissie de omtrek van de stad verzwaarden met bekistingen vol mest, zorgde dominee voor de verdeling van kleren en eten. Ketels zuurkool en grauwe erwten met spekvet werden in Amsterdam gekookt en gloeiend heet per spoor naar Utrecht vervoerd, waarna wagens van het garnizoen ze naar Bommel reden. Daar werden ze op sleden gezet om over het ijs naar Tuil gebracht te worden. Het eten kwam nog warm aan. In Herwijnen waren in de hooggelegen woning van de dominee tientallen mensen op zolder gevlucht. Een katholieke vrouw beviel er van een kindje en de pastoor werd met een schuitje gehaald om het te dopen. Het ventje overleefde de watersnood evenmin als nr. 1836. Koning Willem III kwam op bezoek, liep over de bevroren Waal en door de straten van Zaltbommel die vrijwel onbegaanbaar waren door een mengeling van vastgevroren mest en sneeuw. Met een schuit die beurtelings over het ijs getrokken werd of geroeid waar open water was, ging hij naar geïsoleerde gehuchtjes waar nog wat mensen bijeen kleumden. Toen de koning weer in Den Haag was liet hij hulpgoederen sturen, waaronder flanellen onderhemden met parelmoeren knoopjes en zijden stiksels, die de heren van de commissie onder elkaar verdeelden, al legden zij de geschatte waarde in de slachtofferkas. De koning was niet de enige die onbruikbare goederen zond. Zoals er in 1953 onbruikbaar kleine b.h’s en partijen dadels opgestuurd werden, zo ontving men in 1861 versleten huisraad, theebladeren en een partij feestkleding.

In het Zeeuwse rampjaar verscheen er één boek met foto’s dat vrijwel elk huisgezin aanschafte. Ik herinner me dat ik als kind getuige was van een gesprek tussen mijn vader en moeder of ze dat boek zouden aanschaffen. Ze hadden het niet breed in die tijd, maar kochten het toch, omdat de opbrengst naar de slachtoffers zou gaan.

Boek over de watersnoodramp 1953

In de negentiende eeuw was het drukken van rampboekjes een belangrijke vorm van extra hulp aan de slachtoffers. Er was een dominee die een preek op het ijs afstak en die liet drukken `ten voordeele der noodlijdenden’. Alle bekende schrijvers maakten wel een gedicht of novelle speciaal voor de ramp. In 1861 verschenen er ten minste 88 watersnooduitgaven. De boekjes werden gratis gedrukt door een filantropische uitgever en voor een paar dubbeltjes verkocht. J.J. Cremer schreef de schets `Op den zolder’; dominee-dichter B. ter Haar gaf de novelle `Roode Teun’  en een leerrede voor de noodlijdenden uit; J.P. Hasebroek hoorde `Gods stem in den watervloed’. De meest bizarre uitgave is wel die van Peter de Génestet. Ook hij geeft een gedicht uit `ten voordeele der overstroomden’, maar hij voegt daaraan toe: `en in het belang der kunst’. In zijn gedicht hekelt hij de watersnoodpoëten: `nu zijn alle rijmen geheiligd door het doel’. Er moet in zo’n vers vooral drama spelen: `een drama op een dak. Laat daar een grijsaard zweven, een wichtjen in den arm – al zaagt ge ’t nooit – om ’t even, dat maakt ons koud en warm’. De dichter kan ook oude watersnoodgedichten gebruiken, niemand die het merkt: `waar schapen eens verzopen, schrijf daar nu koeien voor!’ Nederland kan zelfs voedend brood maken van waterpoëzie, schrijft hij smalend.

Wat er van de watersnooduitgaven niet verkocht werd, kwam in Den Haag op een loterij terecht van `allerlei voortbrengselen van handel en nijverheid, kunst en smaak’. De prijzen werden gratis beschikbaar gesteld en varieerden van geborduurde pantoffels tot geglazuurd gebak met een overstromingstafereeltje. Er werden meer dan 200.000 loten verkocht, die 1 gulden per stuk kostten (omgezet twee miljoen euro). Het geld was op dat  moment niet meer nodig en er werd een fonds van gesticht voor nieuwe watersnoodrampen. Ik heb niet uitgezocht of dit fonds in 1953 nog bestond. Mocht er nog een restant bestaan, ach, zou het bestemd kunnen worden voor een steentje voor nr. 1836?

Vanwege de herdenking vandaag van de watersnoodramp deze bewerking van de column die ik 1 februari 2003 in de NRC publiceerde. Hij staat ook in mijn boek Verliefd op het verleden. De laatste tijd publiceert Lotte Jensen veel over overstromingen en de literaire verwerking daarvan, bijvoorbeeld in Wij tegen het water (2018) en in de verzamelbundel Crisis en catastrofe (2021) waarin ook een artikel van mij over liefdadigheidsuitgaven.

Wie helpt mij dit uitleenboek thuis te brengen?

Al enige tijd heb ik een groot kasboek in huis. Het moet het aantekenboek van een leesbibliotheek geweest zijn, waarin aangetekend werd welke boeken wanneer uitgeleend werden en wanneer ze terugkwamen. Het loopt van 12 maart 1853 tot 19 januari 1856. Nu zou zo’n leenregister het water in de mond van boekhistorici doen lopen, als … als duidelijk zou zijn welke boeken er achter de nummering schuilgaan en als duidelijk was waar de leners woonden…

Ik herinner me dat mijn collega en leermeester Bernt Luger mij eens een visioen schilderde: stel dat hij een leenregister zouden vinden en de bijbehorende catalogus van een leesbibliotheek, dan zou hij een wonderbaarlijk betrouwbare inkijk hebben in het werkelijke leesgedrag van de negentiende-eeuwer. Op zo’n vondst hoopte hij en daarnaar zocht hij, tot zijn dood op 62-jarige leeftijd in 1996.[i]

Zou dit kasboek nou het visioen van Luger kunnen waarmaken? Welke gegevens geeft het prijs? Het is een speciaal voor uitleen gedrukt soort kasboek met bovenaan de kolom ‘Uitgegevene Boeken’ en daarnaast  ‘Terug ontvangene Boeken’. De kolommen zijn onderverdeeld in namen van leners, de signatuur van het geleende boek, de aflevering of het deel, aantekening van een eventuele boete en nog wat onbeduidende rubrieken. De bibliotheek is alleen op zaterdagen open en de leners krijgen een boek voor een week mee. Er zijn boetes voor te laat terugbrengen (10 cent voor een week).

In de winter worden er zo’n 35 boeken per zaterdag uitgeleend, in de zomermaanden vaak maar een stuk of 10.

Elk boek heeft een signatuur, in de vorm van een cijfer. Als ik het goed zie is het hoogste cijfer 135. Dat zou betekenen dat er slechts 135 titels bij deze bibliotheek waren. Één titel kon wel uit meer delen bestaan, titel 17 bijvoorbeeld bestond uit zes banden. Ook tijdschriften werden uitgeleend.  

De administratie van de uitlening werd bijgehouden door twee of drie mensen die het register per zaterdag ondertekenden. Dat zijn steeds mensen die ook als leners voorkomen. Dat moet wel betekenen dat het niet om een commerciële leesbibliotheek gaat.

Is het de Nutsbibliotheek van een kleine plaats? Dan zouden de ondertekenaars waarschijnlijk steeds dezelfden zijn geweest: de dominee en de schoolmeester. Of gaat het om de bibliotheek van een sociëteit of een vereniging?  

De volgende namen kan ik (moeizaam) ontcijferen als ondertekenaars:

C. van Epse

H. Denekamp

W. F. Looman

H, Harmsen

J.J. Roelofsen

J. Botterweg

M. Straatman

A. Vales

De namen van leners zijn ook allemaal genoteerd. Ik noem er een paar opvallende:

Pieperiet

Nooteboom

Maandag

Van Ritbergen

Klomp

Ankersmit

Noordijk

En nu de hamvraag: is er een kenner van locale geschiedenissen die deze namen ziet en denkt: maar dit zijn toch allemaal inwoners van Velpen, Den Helder, Stroe of welke plaats dan ook? Op www.genealogieonline.nl zag ik dat de familienaam Pieperiet veel voorkomt in Delden en Enschede. Mogelijk moet in die buurt gezocht worden. Maar stel dat ik kan achterhalen waar deze Pieperieten en Botterwegen woonden, dan is het belangrijkste punt nog niet opgelost: welk boek gaat schuil achter bijvoorbeeld het veel uitgeleende 44? Pas als we dat weten hebben we een tot heden ongekende kijk in leesgedrag!

Een heel enkele keer is er een indicatie van een titel. Zo is er een abonnement op het tijdschrift Het vaderland, nr. 19 is een album, nr. 7 heeft 12 losse platen, nr. 24 heeft er zelfs 36. Nr. 42 is het tijdschrift De Tijd, bij nr. 9 staat de naam van de dichter Storm van ’s Gravesande.

Wie helpt mij dit uitleenregister te identificeren? Ik ben van plan het te schenken aan de Pierson Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam. Maar stel dat het thuis te brengen is in Delden en stel dat de oudheidkundige vereniging daar het ongelooflijk graag in het dichtstbijzijnde archief zou willen hebben? Sorry Amsterdam, zal ik dan zeggen!


[i] Voor mijn boek L. De lezer van de negentiende eeuw zou dit heel wat noodzakelijk natte-vinger-werk hebben voorkomen.

Sinterklaasavond met Peter de Génestet

Begin januari 1850 droeg de twintigjarige Peter de Génestet in Den Haag voor het genootschap Oefening kweekt kennis voor het eerst zijn lange gedicht De Sint-Nikolaas-avond voor. De schilder Bosboom schreef over de voordracht: ‘Dat was geen verhandeling, geen lezing, geen voordracht van een gedicht- dat was een springende fontein van verzen, dat was een jong, opgewonden, bezield, schitterend improvisator, dat was iets eenigs’. Die ‘springende fontein van verzen’ is nu opnieuw uitgegeven, met een inleiding van Arjan Peters.[1]

Het hele gedicht is een bespotting van lintjesregens en van mannen die zitten te vlassen op een lintje en andere mannen beoordelen op lintjes die ze al dan niet gekregen hebben. Het Sinterklaasfeest en een liefdesaffaire zijn de draperieën om de satire heen. Of De Génestet een aanleiding had om juist in 1850 de lintjesmanie te bespotten? Peters wijst erop dat Willem III net aangetreden was en er dus een nieuwe lintjesregenbui uitgebroken was. Het Sinterklaasfeest (dat eigenlijk als naamsdag van bisschop Nicolaas op 6 december valt en niet op 5 december) viel samen met de verjaardag van de in 1849 overleden koning Willem II, en die was ook een gulle strooier.

Tekening bij De Sint-Nikolaasavond, door F.C. Sierig, 1878

Opvallend is dat de Sinterklaas die in het gedicht optreedt geen knecht bij zich heeft, en ook geen strafpreken houdt, alleen maar gul cadeaus uitdeelt. Sinterklaas blijkt trouwens de verklede minnaar van de jonge dochter des huizes te zijn, die als Sinterklaascadeau een lintje voor de vader heeft, en daarmee voor elkaar krijgt dat papa toestemt in een huwelijk tussen de minnaar en de dochter. Dit komt allemaal tot stand door slim optreden van de moeder, die een ideale nederige en toch alles bestierende kracht is:

Zóó geniaal weet zij met Manlief om te springen,
Dat zij nooit kibblen, nooit! en toch – de meeste dingen
Ten slotte naar heur wil geschieden.

Waarom had de vader des huizes een hekel aan de minnaar van zijn dochter? De jongen had een gedicht voorgedragen over een dronken koning die met zijn rijkskanselier het land ingetrokken was met een zak lintjes om uit te reiken aan zijn vriendjes, maar de zak had een gat en dus waren alle lintjes terechtgekomen bij toevallige passanten, en sommigen die er een vonden verkochten ze:

Dié had het bekoorlijk, verlokkend sieraad
Gekocht van een jood of een beedlaar op straat,
En dié vond het op weg
In een goot of een heg;
Dié liep er met drie, dié met zes, dié met negen;
Een vierde weêr had het door vrouwlief gekregen.

Die spot was papa niet bevallen, en dus was de minnaar taboe. Maar het lintje breekt de weerstand en terwijl hij glundert van de voldoening ziet hij niet hoe zijn kinderen vechten om snoepgoed en zo het kapitalisme demonstreren:

Dat zit elkander in den weg en in het hair,
Dat kribt, dat joelt en woelt, dat kwanselt met elkaêr,
Als menschen van het vak! ‘t Is hebzucht, woeker, handel,
Drift, ijver, jaloezie om kraakling en amandel,
Als in de maatschappij om aanzien, geld of eer…
De kleintjes krijgen iets – de sterken halen meer,
De slimmen pakken ’t in en – ’t gaat zoo hier beneden! –
Die eindlijk ’t meest bezit, is nog het minst tevreden.

Kortom: een maatschappijkritisch gedicht, in humor verpakt.

Leuk, zo’n heruitgave juist nu Sinterklaas weer komt. Wie een bezigheid zoekt nu de lock down weer aanstaande is, zou de eerste publicatie van dit gedicht (1860) kunnen vergelijken met de heruitgave van 2021. Geen ‘wetenschappelijke editie’, zegt Peters, in zijn prettig informatieve inleiding, maar dat hoeft toch niet te betekenen dat zetfouten niet verbeterd worden?

Peter de Génestet, De Sint-Nikolaas-avond. Een Amsterdamsche vertelling. Met een inleiding van Arjan Peters. Van Maaskant Haun, 2021.


[1] De boekenbijlage van De Volkskrant is er overigens niet op vooruit gegaan sinds Peters daar vertrokken is. Maar is nog altijd beter dan die van NRC. Meen ik.

De aanbieding van L op 29 september

Er is een video-opname gemaakt van de presentatie in de Singelkerk te Amsterdam, met de introductie door de uitgever Plien van Albada, daarna de uitleg van mij en dan de overhandiging van eerste exemplaren aan drie parels van de hedendaagse literatuur: Alma Mathijsen, Mensje van Keulen, Nelleke Noordervliet. Alma blijft daarna op het podium om een stuk voor te lezen. Dan volgt de discussie over de overlevingskansen van de hedendaagse literatuur, onder leiding van Mieke van der Weij met Jörgen Apperloo, Gerda Aukes en Xandra Schutte. Atte Jongstra draagt op zijn onnavolgbare manier een gesproken column voor. En dan is er plaats voor twee negentiende-eeuwse auteurs: Nicolaas Beets voorgesteld door Carel Alphenaar, en Cécile Goekoop-de Jong van Beek en Donk in de persoon van Nelleke Noordervliet. U kunt het nazien hier:

https://spui25.nl/programma/l-de-lezer-van-de-negentiende-eeuw

Interview met Nicolaas Beets, 13 september 1900

[Bij de presentatie van het boek L hield ik een interview met Nicolaas Beets, vertolkt door Carel Alphenaar. Het kan binnenkort op de site van Spui25 bekeken worden. Voor nu alvast de tekst van het interview dat ik met Beets hield.]

Professor Beets, we staan nu aan het begin van de twintigste eeuw – U bent vandaag 86 jaar geworden. Maar u bent nog behoorlijk fit en, als ik het zo mag zeggen, u telt nog steeds mee in de literatuur. Dat moet u toch wel genoegen doen?

Verbazen, bedoelt u dat? Wel, ik kan u vertellen dat ik net een dichtbundel, Dennenaalden, heb samengesteld en dat ik twee jaar geleden nog, toen Hare Majesteit op de troon kwam, zeven gedichten voor haar geschreven heb, die uitgevoerd werden bij haar kroning. Ik heb zelfs een nieuw Wilhelmus geschreven: [hij begint te zingen]

Wilhelma van Nassauwe

Tot Koningin gekroond!

U blijft het Volk getrouwe,

Dat U zijn liefde toont.

Dank u wel, meneer Beets, u zingt nog perfect. Maar ik wil het niet over het koningshuis hebben, Laten we over de literatuur spreken. In De Nederlandsche Spectator heeft een enquete gestaan onder lezers, over welk boek zij nou als het beste boek van de negentiende eeuw zien. Het beste van de Nederlandse literatuur dus. Daar kwam uit dat de Camera Obscura door de lezers het meest gewaardeerd werd van alle boeken van Nederlandse schrijvers uit de vorige eeuw. Hoe vindt u dat?

Wel mevrouw, ik weet dat dat boek nog steeds hoog gewaardeerd wordt. Het is merkwaardig, in 1839 kwam de eerste druk uit, en nu ben ik de twintigste druk aan het corrigeren. De twintigste, jawel! Er bestaan luxe-uitgaven, volksuitgaven, schooluitgaven, de mensen kunnen er maar niet genoeg van krijgen.

Waar ligt dat aan, denkt u?

Wel, het past een oude man past niet om zelfingenomen te zijn, maar toch, ik denk dat ik de werkelijke Hollandse geest in dit boek begrepen heb, en die heb ik met wat humor beschreven. Daar houden lezers van. Dus ik spiegel hun niet alleen de goede dingen van de Hollanders voor, maar ook hun slechte eigenschappen, en dan niet in zwart-wit kleuren, en ook niet in grijs, maar in alle tinten van de regenboog.

Maar het boek is meer dan zestig jaar oud, de Nederlanders moeten inmiddels toch wel veranderd zijn?

Wel, ja ja, de maatschappij is veranderd, we hebben stoomschepen en treinen, onze steden zijn niet meer ommuurd, de fotografie is uitgevonden en ze kunnen tegenwoordig een boek in een paar dagen herdrukken op zo’n moderne pers. Maar de Hollanders zelf zijn toch niet veranderd. Die zijn nog steeds even zuinig zoals de familie Stastok, er zijn nog steeds arme sloebers zoals Keesje het Diakenhuismannetje en er zijn nog steeds van die dames die denken dat ze aan cultuur doen als ze af en toe een boek lezen, en er zijn nog steeds mensen die plotseling rijk geworden zijn en hun weelde protserig en opzichtig ten toon stellen, zoals vader Kegge.

Dat is wel zo, maar de literatuur, die is toch zeker wel veranderd. De mensen willen nu toch andere boeken dan in de tijd dat u jong was?

Ach heremijntijd, die literatuur van tegenwoordig. Ik weet niet wat u ervan vindt, maar ik kan het er niet mee vinden. De Tachtigers, zo’n bende van over het paard getilde jongelui die vinden dat poëzie niet hoeft te rijmen en geen metrum hoeft te hebben. Ze stoppen alles wat maar smerig en platvloers is in boeken, waarom moet dat? Ik heb het zelf ook over akelige dingen gehad, die Suzette heb ik in de Camera opgevoerd, het meisje dat… eh… aangerand wordt, maar dan ga ik toch niet zover om te beschrijven wat er werkelijk gebeurt? Ik leid mijn lezers toch niet een bordeel in, en ik geef ze ook geen vergrootglas om eens goed te kijken naar… nu ja, u weet wel wat ik bedoel.

Over welke schrijvers heeft u het dan precies?

Ja, die bengels die schrijven voor De Nieuwe Gids, die speciaal. Lodewijk van Deyssel, ik hoop niet dat u Een liefde gelezen heeft. Dat zou verboden moeten worden in een christelijk land.

Er gebeurt toch niet veel meer in dat boek dan dat een vrouw dezelfde lichamelijke gevoelens heeft als een man?

En heeft u dan gelezen hoe die dame, een moeder nota bene, in de tuin zit – en daar haar rokken opschort en … laat ik erover ophouden. Haar man gaat naar de prostituees, dat komt ervan als je met zo’n vrouw getrouwd bent.

O, het ligt aan de vrouw dus als een man prostituees bezoekt?

Mevrouw, dit onderwerp past ons niet.

Ik wil toch nog even verder over de jonge schrijvers. Zo’n roman als die van Louis Couperus, Eline Vere, wat vindt u daar dan van?

Louis Couperus? Die komt toch nog maar net kijken? Nee, nee, ik lees die jongeren niet allemaal. Ik heb ook die Fransen, die naturalisten zoals ze zich noemen, de gebroeders Zola, o nee, ik bedoel de gebroeders De Goncourt, niet gelezen. Maar ik heb wel over Eline Vere gehoord, het boek schijnt in Den Haag nogal opgang te maken. Het zou gaan over een meisje uit hogere kringen dat zich verveelt en hopeloos verliefd raakt op een operazanger en dan zichzelf van kant maakt. Ach, ik begrijp niet waar die verveling vandaan komt, die zoveel romanfiguren nu uitstralen. Is het zo moeilijk om een zinvol bestaan te zoeken? Ik ben oud, ik zie niet goed, ik loop moeizaam, alles gaat trager, maar ik verveel me geen seconde. Wie zich tot God wendt, vindt altijd wel een mogelijkheid om de dag in te vullen en iets te betekenen voor zijn omgeving.

Mag ik verder vragen over de Camera? U heeft maar één prozaboek geschreven, en daarna alleen maar verzen. Dat succes van de Camera Obscura, had u er geen behoefte aan om dat te herhalen? Een roman schrijven, heeft u dat nooit overwogen? Proza trekt nu eenmaal meer lezers dan poëzie.

O, dat is uw mening! Toen ik begon met schrijven, in de jaren dertig, als student, schreef iedereen poëzie en die werd gretig gelezen. Ik was toen trouwens in de ban van de romantiek, ik heb een stuk of vijf lange dichtverhalen geschreven, ze werden indertijd wel aardig gevonden, heel wild en vurig, vol akelige en afgrijselijke tonelen, maar ik geloof niet dat ze nu nog gelezen worden. Romantiek is afgelopen, het wordt nu iets van dwepers gevonden. Maar om op uw vraag terug te komen: ik heb nooit de behoefte gevoeld om in proza mijn weg te vinden. Een verhaal in proza, dat is toch eigenlijk alleen maar onderhoud, amusement. Waar ik veel meer in zie, is in gedichten die lezers kunnen opslaan in hun geheugen en dan toepassen op het leven. Juist gewone gedichten over het dagelijks leven, over beslissingen die je moet nemen, over rampen die je overkomen, of feestelijke dingen, die maken het bestaan zo draaglijk. Ik probeer de mensen gedichten aan te reiken die hun dagen kunnen versieren, maar ook gedichten die troost bieden in geval van tegenspoed.

Wij verwachten in de toekomst periodes van tegenspoed, besmettelijke ziektes, onbekwame  regeringen, gebrek aan huizen, oorlogen over de hele wereld. Heeft u daar ook gedichten van troost voor?

Ach, wat vraagt u nu van een oude dichter? Mag ik u het gedicht dat ik geschreven heb voor mijn verjaardag voorlezen:

Wat door hart en leven ging,
Of door ’t hoofd kwam spelen,
Lokte allicht een toontjen uit
Een der snaren van mijn luit,
Zocht zich meê te deelen.
  
‘In mijn dichten is mijn hart,’
Heeft mijn pen geschreven;
Ja, in vreugd en droefenis,
Zooals ’t was, en werd, en is,
Heel mijn hart en leven.
  
Ooren zijn er steeds geweest,
Die mij hooren wilden,
Trouwe harten, nimmer koel
Waar mijn snaren van ’t gevoel,
Dat mij aangreep, trilden.
  
Dank mijn Vrienden, dank mijn Volk!
 Houdt uw ooren open
 Voor wat schoon is, goed, en waar!
 Van uw ouden harpenaar
 Valt, na zes en tachtig jaar,
 Wel niet meer te hopen.

Professor, mag ik u hartelijk danken voor dit gesprek en dit gedicht.

Portret door Thérèse Schwartze

Atte Jongstra’s gesproken column op 29 september

Geachte aanwezigen…

Marita Mathijsens monumentale boek L. is een zogeheten intellectuele biografie, de hoofdpersoon L. opent zijn lezersogen op 1 januari 1800, en slaakt op oudejaarsavond 1899 klokke 12 zijn laatste zucht. Wie was de mens L.? Deze vraag houdt me bezig sinds ik L uit heb, overdag, maar ook s’ nachts. Was het een man, een vrouw? Meteen na het lezen van Marita’s biografie droomde ik met hem… L. was dus een man, maar dat zal hem aan mij liggen.

Ik droomde met hem samen de laatste oudejaarsavond van de voorvorige eeuw te vieren. We droegen beiden een hoed en zagen tot onze verbazing eenzelfde kostuum te hebben aangetrokken.

‘Here,’ zei L. zelfs ‘U lijkt mij wel.’

‘Dat weet ik niet hoor,’ zei ik. ‘Ik herken veel van mij in u,  maar als ik uw biografie mag geloven ben ik toch echt van een andere tijd. Laten we het liever over uw eeuw hebben. Hoe zou u die eigenlijk typeren?

‘Nou, op de valreep dan, bijna achteraf…’ zei L. ‘Is misschien best een goed moment.’ Hij haalde diep adem, daar ging hij:

Onze eeuw van machines…

Onze eeuw van woelen, werken, jagen en streven…

Onze eeuw van strenge kritiek…

Onze eeuw van gothische gebouwen, met zalen en meubelen à la renaissance…

Onze eeuw van overgang…

Onze eeuw van veelvuldige ondernemingen, waarin alles beproefd en niets gespaard wordt…

Onze eeuw van de fabrieksschoorsteen als teken van beschaving, in plaats van kerktorens

Onze eeuw van koolwaterstofgas en Bunsen-elementen, en…

‘Hoeveel komt er nog?’ vroeg ik.

‘Laat me nou,’ zei hij. ‘U vroeg er zelf naar. En mijn tijd is bijna om.’

Ik keek op de klok. Tien voor twaalf, hij had gelijk. Daar ging hij alweer:

Onze eeuw van opgeblazenheid…

Onze eeuw van weifeling…

Onze eeuw van terugdeinzen…

Onze eeuw van maatschappijen en genootschappen…

Onze eeuw van ongedwongen concurrentie…

Onze eeuw van schandelijke eerzucht…

Onze eeuw van deficiet…

Onze eeuw van verblindende helderheid…

Onze eeuw van publiciteit en drukpers…

Onze eeuw van duodecimo’s en luchtige literatuur…

Onze eeuw van luchtledige toestellen…

Onze eeuw van werkelijke of ingebeelde geloofsijver…

Onze eeuw van speculatie…

Onze eeuw van vervalsing…

Onze eeuw, waarin de godsdienstzin van miljoenen katholieken zo schitterend blijkt, en veelzijdig schijnt…

Onze hooggeprezen eeuw, waarin nog dezelfde dwaasheden heersen als voor duizend jaar…

‘Het was me de eeuw wel, die honderd jaar van U,’ zei ik.

‘Zeker,’ zei  L. ‘Om dat allemaal te verstouwen − je moet er maar de persoonlijkheid voor hebben.’

Gelukkig heeft L. zich in zo’n persoonlijkheid mogen verheugen, aldus zijn biografe. Standvastigheid en koppigheid maakten er geen deel vanuit. Hij was een lettervreter en at wat hem werd voorgezet. ‘Een lezende allemansvriend’, welbeschouwd. Heb je eigenlijk niks aan, als biograaf. Je wilt als levensbeschrijver immers liever een karakter met haken en ogen. L. wil alles lezen, mits het populair is. Van hoog tot laag, van bevlogen tot achterklap, alles tussen verstand en sentiment, alles tussen droom en daad. Poëzie, proza, beschouwelijk werk… Genre is hem onverschillig, het lezersoog van L. staat niets in de weg. Van een persoonlijke smaak kunnen we hem dus niet beschuldigen. Misschien werd hij daarom wel honderd, al  was het zijn persoonlijk gastrisch stelsel dat zijn literaire eetlust mogelijk maakte.

Terug naar mijn droom. Het was intussen twee voor twaalf, op die gedenkwaardige eenendertigste december 1899. Ik zat aan L’s sterfbed en vroeg hem wat hij had gemist in al zijn levensdagen. Zijn stem was al aan het breken, maar deze woorden klonken helder: ‘Ik had zo graag meer lijstjes gezien. Toptiens, nee tophonderds. En dan voor elk jaar één. Het zou me houvast hebben gegeven. Richting. Doel. Nu moest ik steeds maar stuurloos stomen, door de oceaan der letteren.’

‘Een beetje schipper kijkt anders waar de wind vandaan komt…’ zei ik.

Hier schoot de stervende overeind uit de kussens.

‘Zo is het, en precies dat heb ik gedaan. Maar de wind, die draaide steeds.’

Er leek iets over zijn gezicht te strijken, ik meende er een glimlach in te zien. Was hij gelukkig? Of was het reeds de dood die intrad?

‘Ho, wacht even,’ riep ik. ‘Voor U ervantussen gaat, kan ik uit uw mond nog een laatste woord noteren?’

Eenmaal nog sloeg hij zijn ogen op. Ik legde mijn oor aan zijn lippen, dit was wat hij zei: ‘Voor ik naar de vaantjes ga, ik was zelf zo’n vaantje. Met alle winden mee, ik zag alle hoeken. Zo rijk in overzicht te kunnen sterven, daar kunnen U en alle… ‘

Daar begon de staande klok. Slag nummer twaalf en L. was weg.

Honderd en een en een twintig jaar, dames en heren, 121 jaar moest het duren voor we eindelijk kennis kunnen nemen van het rijke overzicht van L.  Maar nu kunnen we dan ook. L. is dood, Leve L.

Dank u wel.

Deze tekst sprak Atte Jongsta op 29 september uit tijdens de presentatie van het boek L. De lezer van de 19de eeuw. Met zijn toestemming is die hier afgedrukt. De typeringen van de eeuw ontleende hij aan Delpher.

Wie heeft er een foto van Atte op het katheder? Dan plaats ik die! Hier is Nicolaas Beets aan het woord.

L bestaat

Gisteren heb ik ik het boek in handen gekregen. Het ziet er prachtig uit. Betere vormgeving had ik me niet kunnen wensen. Het ligt prettig in de hand, ondanks de 464 pagina’s kun je het lekker in bed lezen. Daar lenen sommige stukken zich echt wel toe. De plaatjes zijn mooi afgedrukt, bij de tekst, en niet in van die vervelende kleurenkaterns. En verder moet het boek zichzelf nu waarmaken…

Dagboek van een lezer 9

Bijna is het zover: 30 september kunt u L in handen krijgen. Ik ben bezig met de correctie van de drukproeven. Maar eerst nog een voorproefje uit de dagboeken.

Eind negentiende eeuw laaide het antisemitisme op. Er zijn twee affaires in deze tijd die dat bevorderden. Over de schoolstrijd schreef de opperrabijn van Amsterdam een stuk: de openbare scholen waren volgens hem in handen van socialisten gekomen zodat joodse kinderen verkeerde denkbeelden kregen. Daarom sloten de orthodoxe joden zich aan bij de schoolstrijd van de protestanten en katholieken. In heel Europa was aandacht voor de Dreyfus-affaire. Een Frans-joodse officier werd er in 1894 van beschuldigd spion te zijn voor Duitsland. De beschuldiging was gebaseerd op valse verklaringen en er volgde een geheim proces. De schrijver Émile Zola vermoedde terecht antisemitische achtergronden, zocht de affaire uit en publiceerde in 1898 een krantenstuk met in knallende hoofdletters: J’ACCUSE. Hij beschuldigde de staat, de rechtbanken en de legermachthebbers ervan dat zij op antisemitische gronden Dreyfus veroordeeld hadden. Zola kreeg daarop een jaar gevangenisstraf wegens laster, maar vluchtte naar Engeland. Deze twee affaires maakten bij de jonge joodse schrijver Herman Heijermans zo veel los dat hij een toneelstuk scheef, Ghetto (1898), over antisemitisme en hoe dat bevorderd werd door de oppositie tussen orthodoxe en vrijzinnige joden. Het stuk trok ongelooflijk veel belangstelling, er waren binnen een paar maanden meer dan honderd voorstellingen en in de pers werd het stuk zowel vernietigend als enthousiast besproken. Heijermans liet in het stuk een orthodoxe lepe lompenhandelaar botsen met zijn progressieve zoon. Sommige critici meenden dat Heijermans met die sjacheraar joodse stereotyperingen, zoals die in Shakespeare’s Shylock, versterkte en dus bijdroeg aan het antisemitisme.

L

Mijn vrouw drong erop aan, we moesten toch echt naar de Hollandsche Schouwburg waar een nieuw stuk van een jonge joodse schrijver speelt. Dit zou pas zijn tweede of derde toneelstuk zijn, maar iedereen spreekt er al over. In de schouwburg schijnt het extra druk en ook extra levendig te zijn, omdat er in de parterre veel mensen uit de joodse buurt bijeenkomen die luidkeels commentaar leveren. Ik zei mijn vrouw nog dat ik daar niet van gediend was, maar zij vond dat we zulke stukken ook moesten zien ‘om erbij te horen’. Nou, dat heb ik geweten, wat heb ik erbij gehoord!

Je moet het je zo voorstellen. In het eerste bedrijf zie je een schamel uitdragerijtje, aan tafel zit de lompenbaas Sachel, er komt een zielige klant binnen die kleding komt belenen. De blinde Sachel snauwt de man en zijn spullen af, ‘Geen cent waard. Helemaal niks. Prullen.’ Meteen was er in de parterre geroezemoes, ik kon niet horen of ze daar nu vonden dat het wel erg voorspelbaar was, zo’n lompenjood, of dat ze gewoon meeleefden met die arme klant die geld nodig had voor z’n zieke vrouw. Op het toneel staat ook een dienstmeisje dat voor de klant partij trekt, maar zodra die man weg is, scheldt Sachel haar verrot. Als ze een jodenmeid was geweest zou ze ‘leper’ zijn geweest, meent hij.

Enfin, op een gegeven moment komt een vriend op bezoek, die samen met Sachel een huwelijk bekokstooft tussen diens zoon Rafaël en de dochter van de vriend. Het dienstmeisje luistert dat gesprek af en zonder dat de twee joden het zien, barst ze in tranen uit. Waarom weten we dan nog niet. Die twee bakkeleien over het geld dat ze voor het bruidspaar op tafel moeten leggen. Nou ja, daar hoef je toch niet zo de nadruk op te leggen, meen ik, dat joden geldbelust zijn. En ondertussen eten ze boterkoek en snoeven ze over hoe goed hun vrouwen in de keuken zijn. Dan komt Rafaël thuis, die zijn vader verwijt dat die z’n klanten oplicht. Sachel maakt zich daar vanaf door te zeggen dat iedereen dat doet – waarop Rafaël hem toebijt: ‘Ons héle volk is ontaard.’ Toen had je de parterre moeten horen: gefluit, gesis, iemand riep keihard dat de politie deze zin verboden had.

In het tweede bedrijf kom je erachter dat Rafaël en het christelijke dienstmeisje Rose een verhouding hebben, ze is zelfs zwanger. Rose brieft aan Rafaël door wat zij gehoord heeft over het geplande huwelijk, en verwijt hem dat hij haar maar als een sjabbesmeid ziet en dat een jood nooit met haar zal trouwen. Rafaël bezweert dat het jodendom voor hem passé is. Dat leidt tot een harde discussie tussen Rafaël, zijn vader en een rebbe. De rebbe verwijt Rafaël dat hij de joden met zijn denkbeelden over integratie verraadt, Rafaël werpt hem voor de voeten dat de joden het getto in stand houden en er zelf schuldig aan zijn dat ze buiten de maatschappij staan: ‘Ontken ’t niet, rebbe Haëzer! Ze hebben ons uit de getto’s gelaten – we zijn tóch bij elkander gebleven. We hebben elkaar opgezocht. We hebben ons uitverkoren gevoeld – nee, schud je hoofd niet – stràks heb je ’t zelf gezeid. – We hebben ze als vréémden beschouwd, als vréémden behandeld. Hùn vrouwen hebben we…. hebben we betááld, – de onze getroùwd!’ Ja en toen barstte het publiek los. Applaus van de hogere rangen, rumoer in de parterre. Alweer een barse stem: de politie heeft die zin over betaalde vrouwen verboden!

In de pauze was er een enorm kabaal tussen jonge joden en oude joden. Niet te geloven hoe dat gaat als je dat volk hoort rebben, vrouwen en mannen, allemaal door elkaar heen. Heijermans kent dat gekwek goed, dat was op toneel ook wel duidelijk wanneer Sachel en zijn vrouw elkaar uitschelden. Na de pauze proberen Sachel en zijn vriend nog om Rose af te kopen, en Sachel liegt haar voor dat Rafaël niets meer met haar te maken wil hebben. Dan springt Rose in de gracht. Eigenlijk zou het stuk dan het best afgelopen kunnen zijn, maar Rafaël komt nog op, beseft dat zijn vader Rose de gracht ingejaagd heeft en vertrekt dan terwijl hij uitroept dat hij een missie heeft om de wereld te verbeteren.

Ik vond het slot maar niks, en het publiek was aan het eind ook terneergeslagen, het applaus was na afloop veel minder dan bij de pauze. Mijn vrouw vond het toch goed dat we gegaan waren: zo zie je maar dat het in de jodenbuurt toch ook echt aan het veranderen is, zei ze.[1]


[1] Later heeft Heijermans het eind veranderd. In de Toneelwerken (Heijermans 1965, dl. 1, 175-241) staat een versie waarin Rose geen zelfmoord pleegt, maar met Rafaël een nieuw leven begint. De versie hier is gebaseerd op de 2e druk (Heijermans 1899).

Het is zover

Het is zover. Het boek over het lezen in de negentiende eeuw is klaar. Ik heb het de anticonventionele titel L gegeven, een titel bestaand uit één letter dus, en als ondertitel: Het lezen van de negentiende eeuw. Expres dubbelzinnig: het lezen zoals het was in de negentiende eeuw, maar ook: hoe wij de negentiende eeuw lezen. L staat voor de lezer of lezeres in die tijd.

Op 30 september hoop ik het te kunnen presenteren in de Lutherse Kerk van Amsterdam, onder auspiciën van Spui25. Toegankelijk voor iedereen. Daar zal ik toelichten wat ik gedaan heb, het eerste exemplaar uitreiken aan ??? en daar zullen drie lezers optreden die de dagboeken van lezers die in L voorkomen voorlezen.

L is een geschiedenis van het lezen van proza en poëzie, maar niet gebaseerd op de traditionele literatuurgeschiedenissen of op de canon. Dat wat in de gewone literatuurgeschiedenissen centraal staat, komt soms helemaal niet voor in L. De Tachtigers speelden maar een ondergeschikte rol indertijd, Jacob Geels Gesprek op den Drachenfels dat elke student Nederlands moet lezen, kende de doorsnee lezer niet. Potgieter stond in de marge, Multatuli’s toneelstuk Vorstenschool werd vaker herdrukt dan de Max Havelaar. Maar dat stuk werd dan ook gezien als vuilmakerij van koning Willem III.

Ik heb geprobeerd de toptien van de decennia te achterhalen. Een lastige opgave, want oplagecijfers zijn zelden bekend, aantallen herdrukken zijn niet voor alle boeken te achterhalen, er zijn nauwelijks cijfers van leesbibliotheken en er waren nog geen openbare bibliotheken tot 1899. Moeilijk te becijferen zijn ook de publicaties van delen van romans in kranten of tijdschriften. Eline Vere dat vier drukken haalde in de negentiende eeuw, verscheen eerst in Het Vaderland als feuilleton – maar die Haagse krant had slechts 2500 abonnees. Daartegenover verscheen er van Hendrik Consciences roman Een goed hart maar één druk, maar het verhaal had wel in De Katholieke Illustratie gestaan, met 50.000 abonnees. Veel profijt heb ik gehad van de geweldige romandatabase van Toos Streng, waaraan ik het aantal bekende herdrukken van in Nederland uitgegeven romans kon ontlenen.

Verder heb ik natuurlijk veel gebruik gemaakt van recensies (alle jaargangen van Vaderlandsche Letteroefeningen doorgenomen) en geprobeerd te achterhalen waarover veel gesproken werd, door in verzamelingen pamfletten en brochures te kijken of er reacties waren op bepaalde boeken. Op Da Costa’s Bezwaren tegen de geest der eeuw bijvoorbeeld kwamen tientallen pamfletten uit.

Ik heb het verhaal van het lezen, gebaseerd op vlijtig onderzoek, onderbroken met verzonnen dagboekstukken van een lezer of lezeres, waarin die zijn of haar gevoelens over een roman of dichtbundel die hij/zij net gelezen heeft neerschrijft. Dat is net zo onconventioneel als de eenletterige titel. U heeft er hiervoor al een achttal kunnen lezen. Wat ik de L laat uitspreken komt uit mijn duim, maar die duim is rechtstreeks verbonden met wat ik weet over de lezers van de eeuw. Al op mijn achtste ben ik begonnen met Dickens te lezen…

Lees hieronder wat mijn uitgever denkt over L.