Één nacht was hem gegund I

keizersgracht
Keizersgracht 560, waar Van Lennep sinds 1836 woonde. Er is geen bordestrap, die heeft hij zelf laten slopen om een grotere en lichtere voorkamer te hebben.

Het verhaal dat hieronder volgt heb ik al vele malen verteld en ook gepubliceerd, maar ik zet het toch op mijn blog omdat ik het nodig heb als inleiding bij een nieuw opzienbarend document dat ik gevonden heb. Morgen en overmorgen leest u het vervolg.

Op vrijdag 21 november 1834 zat professor David Jacob van Lennep op het Manpad in Heemstede uit te rusten na een jachtpartij toen er keihard aan de schel getrokken werd. Binnen kwam jonkheer Roëll, een van de zwagers van zoon Jacob, met het bericht dat deze sedert ettelijke uren uit Amsterdam vermist werd. Toen zijn vrouw namelijk omstreeks etenstijd naar hem vroeg, was de dienstbode stomverbaasd. Ze kon zich niet voorstellen dat Mevrouw van Lennep niet wist dat meneer zelf zijn koffers gepakt had voor een buitenlandse reis en in de voormiddag vertrokken was. Mevrouw van Lennep liet dadelijk haar broer halen, en deze vond de zaak heel verdacht, want hij was op de hoogte van een roddel die al een tijdje rondging.

In de zomer van 1833 had Van Lennep op zijn buitenhuis Woestduin een buurvrouw met een aantrekkelijke dochter gekregen. Deze Doortje Ringeling was een liefhebster van literatuur en bewonderde de verzen van Van Lennep zeer. Was het vreemd dat de bewondering van het maaksel op de maker overgedragen werd? Kortom, er ontstond een verhouding en heel wat mensen waren daarvan op de hoogte.

Mevrouw van Lennep en haar broer inspecteerden de linnenkast en kwamen tot de ontdekking dat de dichter inderdaad genoeg had meegenomen voor een lange reis. Tevens vonden zij een financiële volmacht voor mevrouw. De conclusie was niet moeilijk te trekken. De broer van Mevrouw Van Lennep spoedde zich zo snel mogelijk naar het Manpad, een kleine veertig kilometer verder. Op de Haarlemse weg kwam hij een rijtuig tegen waarvan hij de koetsier kende en die wel vaker voor Van Lennep reed. Hij sprak de man aan, en deze koets had inderdaad de twee gelieven naar Hillegom gebracht, waar ze van koets gewisseld hadden. De koetsier vertelde dat Van Lennep stiekem uit het raam van zijn woning aan de Herengracht in de koets gekropen was en van Amsterdam naar Halfweg gereden. Doortje Ringeling had heimelijk het huis van haar moeder in Haarlem verlaten en een rijtuig naar Halfweg genomen en daar hadden ze elkaar ontmoet. Doortje was bij Van Lennep ingestapt, de bagage werd bij elkaar gevoegd en daar gingen de gelieven samen verder. Toen Roëll dit allemaal aan David Jacob van Lennep had meegedeeld, was deze wanhopig, maar besefte toch dat snel handelen geboden was. In het begin van de nacht vertrok hij met Henk van Lennep, zijn schoonzoon, naar Rotterdam, steeds de reis onderbrekend om navraag te doen over de route van het liefdespaar. ’s Ochtends om vijf uur kwamen ze aan bij Hotel des Pays Bas in Rotterdam en wachtten bij de haard tot ‘Meneer en Mevrouw’ zoals het hotelpersoneel zei, opgestaan waren. En toen gebeurde er iets wat heel typerend is voor de vader en voor de moraal van de negentiende eeuw, en eigenlijk ook heel ontroerend. Eén nacht gunde David Jacob zijn zoon en zijn geliefde. Eén nacht om in elkaars armen te verzinken, volledig op te kunnen gaan in een grenzenloos bestaan. Na de coïtus, wanneer immers iedereen een beetje triest pleegt te zijn, zou hij hem aanspreken. Toen de dichter zonder laarzen uit zijn slaapkamer kwam, schoot papa hem aan, bracht hem alles onder ogen wat een vader onder zulke omstandigheden doet. Zo overtuigend waren de vaderlijke vermaningen, dat de zoon berouwvol zonder laarzen in de koets stapte en gewillig met zijn vader terug naar Amsterdam ging. ’s Middags zat hij weer thuis met zijn vrouw en vier kinderen aan tafel alsof er niets gebeurd was. De arme juffrouw Ringeling vond, toen ze klaar was met haar toilet en uit de kamer kwam, niet haar amant, maar een grimmige zwager van de overspelige echtgenoot. De gezamenlijke bagage werd van de stoomboot gehaald en Henk van Lennep bracht het bedroefde meisje naar haar zuster. Zo fijngevoelig was hij nog wel dat hij haar niet bij haar moeder op de stoep afzette.

Wordt vervolgd

Analyse van wat Rutte werkelijk zegt:

Excuus aan mijn volgers: ik ben zo boos over de vooronderstellingen die verborgen zitten in de advertentie die Rutte vandaag in de kranten plaatste dat ik een keer naar deze tijd uitwijk. Als je tot de kern van zijn tekst doordringt staat er dit:

Aan alle mensen met een Nederlands paspoort

We hebben veel geld in Nederland. Toch gedragen mensen zich alsof er armoede is.* Die mensen hebben veel invloed. Terwijl wij mensen met veel geld hard gewerkt hebben voor dat rijke Nederland, zijn die anderen bezig de boel te verstoren. De meesten van ons vinden het prima zoals het is. Maar we hebben zorgen. Iedereen doet niet meer normaal.* Dat heeft u ook wel gemerkt. De mensen gedragen zich asociaal. Ze nemen altijd voorrang in het verkeer. Ze spugen naar conducteurs. Ze gooien afval op straat. Ze maken groepjes. En die treiteren of bedreigen andere mensen. Mishandelen doen ze ook.

 Wij mensen met veel geld die hard werken vinden het wel heel erg dat hier mensen van buiten komen die de boel willen verklooien. Vreemdelingen die zich niet aanpassen.* Die homo’s lastigvallen of meisjes in korte rokjes. Ook maken ze ons uit voor racisten als we daar iets over zeggen. Nou, dan moeten die mensen maar weggaan. Of normaal doen, dat is voorrang geven, niet spugen naar conducteurs, geen afval op straat gooien en geen groepjes maken. Want als je dat niet doet kunnen wij dat niet normaal vinden. Nu begrijp ik wel dat jullie niet allemaal hetzelfde zijn en dat we jullie niet zo maar het land uit kunnen zetten. Dus: pas je nou maar aan en dan kun je blijven.

Want we willen ons eigen land zo houden als het was. Iedereen werkt voor zijn geld en haalt het beste uit zijn leven. Ik zou nergens anders willen wonen dan in Nederland. U wil dat ook, maar dat recht heeft u alleen als u normaal bent.

Vertaling: Marita Mathijsen

  • synoniemen van armzalig: armoedig, ellendig, belabberd
  • Rutte heeft het echt eerst over ‘de meerderheid’ en ‘niemand die meer normaal doet’, alsof ‘niemand’ niet uitsluit dat er nog een andere meerderheid kan bestaan.
  • Rutte gebruikt het woord ‘vreemdeling’ niet, maar omdat hij het heeft over mensen die naar ons land zijn gekomen en omdat hij het heeft over ‘weggaan’, en omdat hij zich richt tot alle Nederlanders, houdt dat in dat hij over vluchtelingen/vreemdelingen praat.

Wat ik in 2016 had willen doen

De foto’s inplakken van toen er nog geen digitale camera was. Fotoalbums samenstellen van sinds er wel digitale camera’s zijn en die naar de fotoservice van de HEMA sturen. Broeken passen en wat niet meer past naar de kledingbak van het Leger des Heils brengen. Die lezing over de eerste vrouwelijke gepromoveerden uitwerken en publiceren. Een nieuwe boekenkast laten bouwen en daar de boeken in zetten die nu op stapeltjes in de woonkamer en studeerkamer liggen. De rododendron snoeien. Naar Wight gaan waar Van Lennep geregeld zijn vakantie doorbracht. Het Literatuurmuseum zo ver krijgen dat ze naar Amsterdam verhuizen. Oude e-mails van lieve vrienden uitprinten en in mappen stoppen. Het boek over Van Lennep afmaken. Iemand laten kijken naar de wijnflessen in de kelder en er de flessen uit laten halen die in 2017 leeg moeten. Een nieuwe deurmat kopen. In de zomer naar de opera in Verona gaan. Heel toegankelijke artikelen schrijven over historische romans, de Romantiek, nationalisme, de canon, artikelen die elke student voor zijn plezier zou lezen. De zeven versies van mijn boeken en artikels die ik in de computer opgeslagen heb wissen tot ik de beste overhoud. Het boek over Van Lennep afmaken. Een brief aan Jan Fontijn schrijven dat ik zoveel van hem geleerd heb. Schoenen met hoge hakken die ik toch nooit meer zal dragen wegdoen. Twee olijfboompjes in bakken op het terras voor mijn huis zetten. Zeven gedichten van buiten leren. Goed zoeken naar dat gouden kettinkje van mijn dochter dat kwijt is. Het boek over Van Lennep afmaken. Opiniestuk opsturen naar NRC over de kwijnende Neerlandistiek aan de Nederlandse universiteiten. Een telefoon met apps leren gebruiken. Het boek over Van Lennep afmaken. Een nieuw broodrooster kopen. De vlekken van het hondje op het tapijt in de slaapkamer behandelen. Het boek over Van Lennep afmaken. Een haakwerkje dat mijn moeder een paar maanden voor haar dood begonnen is afhaken. Zorgen dat er altijd champagne in de koelkast ligt. Het boek over Van Lennep afmaken. Het boek over Van Lennep afmaken, afmaken…

Ik had gehoopt aan het eind van 2016 het bouwwerk klaar te hebben, zodat ik in 2017 kon gaan stucken, vloerbedekking leggen, schilderijen ophangen. Noten schrijven dus, samenhang controleren, illustraties uitzoeken. Nee het is niet gelukt. Vier verdiepingen zijn klaar met twintig kamers, de vijfde staat in de steigers en voor de zesde ligt het bouwmateriaal klaar. Ik kan niet beloven dat ik over veertien dagen klaar ben. Maar het komt eraan. Wat ik in 2017 ga doen? Het boek over Van Lennep afmaken.

 

Meer, groter, megalomaan

pepenrcjacob

‘Ik heb geen regt begrip van Uwe verbazende werkzaamheid’, schreef de neerlandicus Matthias de Vries, zelf ook bepaald geen stoelklever, aan Jacob van Lennep in 1853. Zo vanaf 1848 worden de projecten waarop Van Lennep zich stort steeds spectaculairder. Poëzie en vertellend proza schrijft hij dan minder dan in voorgaande jaren, hoewel altijd nog meer dan bijvoorbeeld Nicolaas Beets. Hij is dan vooral historicus, editeur, woordenboeksamensteller, en geobsedeerd door de mogelijkheid maatschappelijke moderniseringen voor elkaar te krijgen, waarbij hij gebruik maakt van zijn netwerken en zijn naam.

Het is onvoorstelbaar wat hij allemaal aangaat in deze tijd. Zijn eerste megalomane project was het schrijven van een deels historische, deels fictionele reeks over de wording van het vaderland, Onze voorouders in verschillende tafereelen geschetst, die hij begon hij in 1838. Het is een van de omvangrijkste projecten uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis, van een A.F.Th. van der Heijdense megalomanie. Hij ambieerde meer dan alleen een schrijver van losse historische romans te zijn, maar wilde de hele geschiedenis van Nederland, vanaf de vroegste tijden, omzetten in verhalen die historisch gegrond waren. Hij wilde doorgaan met Onze voorouders ‘zoolang mij het schrijven en het publiek het lezen daarvan niet verveelt’. Verveelde het project hem of het publiek? In elk geval vorderde hij slechts tot in de late dertiende eeuw, maar toen had hij wel al bijna 2000 pagina’s geschreven. Na 1844 kwamen daar geen delen meer van uit.

In 1849 kwam hij met een veel omvangrijker project naar buiten: de uitgave van de verzamelde werken van Joost van den Vondel. Dat was nog door niemand aangepakt, niemand had enig idee van wat de langlevende dichter allemaal uitgegeven had en wat de status van verschillende drukken was. Uiteindelijk zou de uitgave daarvan in twaalf gigantische delen in 1869 klaar zijn, een jaar na zijn dood, maar hij had wel zelf nog de laatste drukproeven gecorrigeerd. Daarnaast werkte hij aan de uitgave van een uitvoerig Zeemanswoordenboek, om de zeevaarttermen die ras aan het veranderen waren door de stoomvaart, vast te leggen. Hij hielp de redactie van het grote Woordenboek der Nederlandsche taal geregeld aan nieuwe woorden die hij bij zijn onderzoek tegenkwam. Hij ging in een commissie zitten die plannen moest beramen om het nationaal toneel te verbeteren. De almanak Holland verscheen vanaf 1849, en ook dat was een groot project dat elk jaar een uitvoerige correspondentie eiste met potentiële medewerkers. Hij begon ook zijn eigen verzameld werk uit te geven. Zijn Dramatische werken voorzag hij van kritisch, enigszins badinerend commentaar, de Romantische werken kwamen tussen 1856 en 1859 in veertien delen uit bij een Rotterdamse uitgever, en zoals altijd herzag Van Lennep de drukproeven nauwkeurig. Vanaf 1853 nam hij zitting in de Tweede Kamer en bemoeide zich publiekelijk met de politiek. Zijn troetelobject bleef de historie en zijn spiedend oog hield in de gaten wanneer er belangrijke historische gebouwen dreigden afgebroken te worden of wanneer er iets herdacht kon worden met een monument. Natuurlijk stond hij in de kraamkamer van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap. Ook ijverde hij in deze jaren voor het Noordzeekanaal, dat uiteindelijk pas na zijn dood geopend zou worden. Zijn gewaagdste project is wel de aanleg van de Duinwaterleiding tussen Heemstede en Amsterdam geweest. Maar daarover heeft u al genoeg gelezen.

Daarnaast had hij gewoon zijn baan: rijksadvocaat. Hij schreef elke dag tientallen brieven, aan familie, vrienden, zakenbrieven, brieven aan literatoren. ’s Ochtends ging hij naar de Leessociëteit op het Rokin, waar hij onder andere buitenlandse kranten las. In de middag ging hij gewoonlijk schaken of biljarten in de sociëteit, eerst in de deftige Munt maar na enige jaren verwisselde hij de Munt voor Concordia, waar de leden uit diversere hoeken van de samenleving kwamen. Hij wandelde graag door de stad, ook in de arme buurten, niet alleen omdat de stad hem in de historie verplaatste, ook omdat hij er de levende taal kon opvangen die hij verwerkte in zijn romans. ’s Avonds ging hij naar de schouwburg of naar vergaderingen van de vrijmetselaars en van talloze andere verenigingen waar hij lid van was. Of hij gaf voorlezingen. Hoe hij dit allemaal binnen de 24 uren van een dag voor elkaar kreeg? Het enige wat ik zeker weet is dat hij nooit hoefde af te wassen,  bedden verschonen of boodschappen doen.

Een hork van een advocaat

aartveder    foetus

Jacob van Lennep was erg close met een Rotterdamse advocaat, Aart Veder. Veder was een gevierde advocaat, die lang vrijgezel bleef, terwijl hij aasde op rijke meisjes. Uiteindelijk vond hij een toegewijde echtgenote in de provincie. Aart Veder en Jacob van Lennep hebben samen dat wat Trump ‘locker room talk’ noemde. In hun doorgaans geestige en vaardige correspondentie is het een en ander doorgestreept dat voor het nageslacht verborgen moest blijven. Maar er zijn vreselijke dingen blijven staan die misschien wel erger zijn dat de onleesbaar gemaakte passages. Lees maar eens mee met een brief die hij in 1837 schreef aan Jacob. Die gaat over een echtpaar dat voor hem de huishouding deed.

Voorleden maandag word ik te ½ 9 door den man geroepen “Mijnheer het is reeds ½ 9, zoudt ge niet opstaan?” – “Waaröm roept uwe vrouw mij niet vroeger: ik had order gegeven tegen 8 ure?” – “Och Mijnheer, mijne vrouw heeft eene verzakking.” – Nu wist ik wel niet precies, wat dat was, maar ik begreep toch wel, dat het de eene of andere smerige boêl wezen moest en zweeg dus, aan de spontaneïteit van mijnen hospes de nadere ontknooping toevertrouwende. – Te twaalf uren kwam hij wêer van zijn werk te huis en verzocht mij te spreken. “Het is regt jammer, mijnheer, het was een zoontje.” – Ik proeste het uit van ’t lagchen en dat moet ik tot zijn eer bekennen, hij deed cordialiter mede; ik geloof dat hij het zelf gek vindt. Een oogenblik later – ik had mij gerecomposeerd [hersteld]; hij bleef altijd voor mij staan – vertoonde zich weder die verlegene trek, waarmede hij de kamer ingetreden was en welke zo veel beteekende als “Wij begrijpen wel, dat Mijnheer ons gehuurd heeft in de verwachting dat zoo iets niet gebeuren zoude en dat hem zulks uiterst lastig is”. Ik bleef hem zonder medelijden aanzien. – “Nog gisteren avond,” stamelde hij eindelijk, “had de meester [geneesheer] er geen idee op en dacht dat mijne vrouw het water had: wij hielden het allen voor onmogelijk; maar heden is het voor den dag gekomen, een zoontje van vijf maanden.” Ik antwoordde niet. – “Maar mijnheer kan er op aan,” zuchtte hij eindelijk in verlegenheid “dat wij zullen zorgen, dat het niet weder gebeurt!” Toen kreeg ik mijne goede luim weder of liever kon ze niet langer verbergen en zond hem getroost henen. – Ik moest dien avond de Whistpartij [kaartavond] bij mij hebben, hetgeen nu natuurlijk niet gebeuren kon. Toen ik uitging en het kleine kamertje voorbij liep, waar zoo veel meer gebeurd was, dan ik aan den moed van mijn hospes had toegeschreven, hoorde ik eene kermende stem “Zijt gij het Mijnheer?”- “Ja Antje, houd uw rust maar!”- “Och God, mijnheer, het is onze schuld niet…. Het past wel niet, mijnheer, maar wilt ge niet eens even zien?” – “Neen, Antje, ik ben zelf zenuwachtig (eene toespeling op mijne lachspieren) wees maar bedaard en veröntrust u nergens over.” Wat zij mij nu wilde laten zien, begrijp ik niet regt, waarschijnlijk het onschuldige foetusje. – Een malle bôel, niet waar? Nu gaat het nog beroerder bij mij toe, als anders.

Wat een hork van een man. Wat een afwezigheid van empathie, van teerhartigheid, van respect. Hij lacht zijn knecht uit, hij betreurt dat zijn kaartavondje niet kan doorgaan, hij accepteert dat het echtpaar belooft geen vrijages meer te hebben, hij gunt de vrouw niet eens een blik op het dode kind.

De brief is nog niet afgelopen. Aart dist Van Lennep vervolgens een ander miskraamverhaal op:

Dit geval herinnert mij aan het gedrag van eenen mij zeer wel bekenden, hier woonächtige doctor, die bij de eerste kraam zijner vrouw (ook eene miskraam) het foetusje op sterk water zettede en er aanvankelijk zoo sentimenteel naar kijken kon als een gans. Later heeft hij jaarlijks een kindje gekregen en bezit er thans vier. Dit heeft zijn gevoel voor den stamhouder op brandewijn zoo zeer verminderd, dat hij reeds lang er op bedacht was denzelven te removeren, totdat hij nu eindelijk besloten is hem onder de liefhebberijen op eene boekverkooping te werpen. Kent gij een meer fantastisch denkbeeld, dan dat van eenen vader, die zijnen zoon onder de rariteiten achter een boekverkooping laat uitventen? Ik betuigde hem mijne veröntwaardiging. – “Dat zijn kinderen, die nog wat opbrengen,” antwoordde hij koeltjes en met een schuinschen blik op zijne oudste zoon (in leven), dien hij in ’t vervolg wil laten studeren.

Het pleit een klein beetje voor Aart Veder dat hij het ongepast vindt een eigen dood kind als rariteit te verkopen, maar krediet heeft deze arrogante man bij mij niet, ook al is hij de beste vriend van Van Lennep. Les amis de mes amis sont pas toujours mes amis.

 

De duivelse viool

107e4d13e9cccd105c66db3d71ef439e

Jacob van Lenneps romans zijn nog wel enigszins blijven hangen in het collectieve geheugen van oudere Nederlanders. De Ferdinand Huyck stond nog wel eens op literatuurlijsten in de tijd dat leraren Nederlands … – nee, ik ga niet klagen, vul zelf maar in wat hier moet volgen. Toneelstukken van Jacob van Lennep kent helemaal niemand meer, en toch heeft hij er een stuk of veertig geschreven. Bij een of andere herdenking jaren geleden is zijn toneelstuk Het dorp aan de grenzen, waarin Belgen belachelijk worden gemaakt, nog wel eens opgevoerd.

Ik weet ook niet zeker of ik een pleidooi zou willen houden om zijn meest idiote stuk, De betooverde viool en het bloemen-oproer, een anakreontisch, romantisch, fantastisch, bloemrijk, tragi-komisch, met zang, dans en verderen vreemden toestel vercierd drama-ballet uit 1851 te heropvoeren. Maffer toneel is waarschijnlijk nooit geschreven. Stelt u zich een musical uit de stal van Van de Ende voor, een revue van André van Duyn, een script van Maria Goos en een voorstelling van Hans Klok, gooi die bij elkaar in een pan, roer eens flink, haal er een willekeurige schep uit en flikker dat op een podium, dan heb je misschien een idee van wat Van Lennep hier deed. Het was een bewerking van een stuk dat hij in Londen gezien had, en hij meende dat het een kassakraker zou worden. Nog nooit was aan het Leidseplein een stuk vertoond, ‘zoo rijk aan onwaarschijnlijkheden, aan anakronismen, aan dwaasheden, aan duivelskunstenarijen, aan onmogelijke toestanden’, schreef hij zelf. Hoofdpersoon is een werkloze violist die verliefd is op een freule. Maar hij wordt belaagd door een edelman die dezelfde freule om haar geld begeert. Freules papa heeft liever een geldjager mét adelstitel dan een armoedige kunstenaar. De dokter die optreedt blijkt de duivel zelf in vermomming te zijn. Dan verrijst ook nog de zeventiende-eeuwse duivelbanner Balthazar Bekker uit zijn graf op de planken. Het stuk begint in een herberg waar een bloemist overstuur binnen komt vallen, want hij heeft net de duivel gezien. Kort daarna treedt die dan ook in de gedaante van een zwartgeklede dokter binnen. Hij raakt in gesprek met de violist, en de dokter belooft de suïcidale kunstenaar aan zijn freule te helpen, maar alleen als hij zich aan zwarte kunst wil overgeven. Of hij daartoe zijn viool wil overhandigen. De mistroostige loser doet dat, waarop de dokter geesten oproept die onder veel rookwolken en gierende geluiden het instrument betoveren. Er volgt totale ontreddering van alle personages, want onder invloed van de duivelse dokter bedriegt iedereen elkaar. Maar het doel is bereikt: de freule wordt inderdaad verliefd op de violist, die zich op zijn betoverde viool ontpopt als een rattenvanger van Hamelen. Iedereen valt nu als een baksteen voor hem. De laatste akte speelt zich af in een broeikas waar lelies, dahlia’s, anemonen en andere bloemen tot leven gekomen zijn. Stelt u zich dus Halina Reijn als dahlia voor. Maar de bloemenpersonages zijn bepaald niet lieflijk, integendeel, ze worden onbehoorlijk agressief ten opzicht van de bloemist, die ze aanvallen om zijn snijgedrag. Uiteindelijk krijgt de violist zijn freule door de tussenkomst van Balthazar Bekker die en passant de duivel verdrijft. Bovendien weet Bekker de muzikant nog aan een koninklijke afkomst te helpen, zodat de papa van de freule in kan stemmen met het huwelijk – zie dit als zelfspot met Van Lenneps eigen romans over vondelingen die van hoge geboorte blijken te zijn. Het stuk is helemaal op rijm, er zitten nogal wat toespelingen op de actualiteit in. Zeker verwijst Van Lennep ook naar de razend virtuoze altijd in het zwart geklede violist Nicolai Paganini, die een duivel op de viool genoemd werd, en een slokje Faust en zijn zielsverkoop aan Mephisto zit er ook in. Morbide grappen te over, bijvoorbeeld wanneer de bloemist met een tuinschaar het verliefd kussende paartje probeert te scheiden. Tegen zoveel absurdisme was het Nederlands publiek niet opgewassen. Het stuk viel als een baksteen.

“Was er iemand ooit zoo ongelukkig?”

Een van Van Lenneps beste vrienden was de domineedichter Willem Veder. Dramatisch was wat er in 1842 gebeurde met hem, toen hij zich net als predikant in Dordrecht gevestigd had. Ik kan die familieberichten niet met droge ogen lezen. Binnen een maand stierven zijn twee zoontjes van één en drie jaar, waarschijnlijk aan de mazelen.

ddd_010521103_mpeg21_p005_image

ddd_010978986_mpeg21_p004_image

Negen dagen na de dood van de kleine Aart stierf Veders jonge vrouw aan t.b.c. of tering, de ziekte waar zoveel jonge mensen in de negentiende eeuw aan ten onder gingen. Ze trof mensen uit alle klassen, en pas in 1882 ontdekte Robert Koch de bacterie die de ziekte veroorzaakte. In veel romans, gedichten en opera’s overlijden mooie jonge meisjes eraan, in een ziekbed dat hun langzaam verzwakt en uitmergelt. In Van Lenneps laatste roman, Klaasje Zevenster, sterft de hoofdpersoon ook aan tering. De rouwadvertentie van Willem Veder in de Opregte Haarlemsche Courant is hartverscheurend:

ddd_010521118_mpeg21_p002_image

Maar nog was de beker van smart niet leeggedronken. Twee dochtertjes verloor hij daarna nog:

ddd_010979036_mpeg21_p004_image

ddd_010979056_mpeg21_p003_image

Begin januari 1843 bleef hij alleen achter met nog één kind, dat hij bij zijn moeder onderbracht. Opnieuw schreef Van Lennep hem:

Bij zulk een lijden als het uwe, bij zulke herhaalde slagen is er geen midden tussen ongeloof en aanbidding. Hier moet men of een blind noodlot aannemen, dat zonder onderscheid, zonder medelijden, zijn slagen vallen laat, of … een onbegrijpelijke liefde, die slaat, maar weder heelen zal, die foltert, maar om weder te verblijden.

Voor de dominee zocht Van Lennep troostwoorden in de godsdienst, maar besefte ook dat die geen oplossing boden.

Wel is Gods hand zwaar over u en over uw huis, arme Vriend! ’t Is hartverscheurend en ontzettend, zelfs voor hen, die u niet kennen, en die op het lezen dier herhaalde doodmaren, de handen vol weemoed en medelijden in elkander slaan en uitroepen: was er ooit iemand zoo ongelukkig?

Willem zou nog lang lijden, en deelde dat met zijn vriend in brieven:

Soms wordt het mij weer zoo donker. Dan worde ik, als de bare der zee door twijfelingen geslingerd – dan ben ik zoo diep ongelukkig.

Het volgende jaar herbeleefde hij dag na dag de dagen waarop hij zijn geliefden verloor.

Elke dag brengt mij thans smartelijke herinneringen! Het was den 29 Junij een jaar geleden dat mijn John stierf – den 26 dezes (overmorgen) verjaart de sterfdag van mijn Aart, dan volgt die der Moeder, dat gaat alzo voort tot 4 January toen de laatste en smartelijkste slag mij in de dood van mijne Dientje trof. Tusschen de data zelve liggen dagen van pijnlijke angst! Mijn God! Hoe heb ik dit alles kunnen dragen!’

verzucht hij in een brief aan Van Lennep, die ook niet veel anders kon dan hem meelevende brieven schrijven, hem bezoeken en inviteren bij hem thuis. Voor iemand als Willem Veder, die zo duidelijk een familieman was, geldt de Victoriaanse opvatting van familiegeluk, zoals Peter Gay die zo overtuigend beschreven heeft. In tegenstelling tot wat meestal aangenomen wordt, zo stelt Gay, waren de negentiende-eeuwse burgerhuwelijken geen economische overeenkomsten. Ze waren zeer kameraadschappelijk en liefdevol, de kinderen werden geliefkoosd en dus was er intens beleefd verdriet als de bekende negentiende-eeuwse ziekten toesloegen. De godsdienst gaf dan slechts een schijntroost, maar wel de enige die voorhanden was. De echte troost kwam voor Willem Veder vier jaar na de dood van zijn vrouw, toen hij hertrouwde, zijn enig overgebleven dochtertje weer in huis kon nemen en er nieuwe kinderen geboren werden.

willem-veder

Klaasje Zevenster op de literatuurlijst!

klaaasjezevensterbordeelscene Klaasje Zevenster in het bordeel

Vanavond treed ik op in de Woordnacht in Rotterdam. Ik zit dan aan tafel met onder anderen Christiaan Weijts die zo’n tergend stukje schreef over de canon op literatuurlijsten. Hij noemt daarin de Max Havelaar een ‘afgrijselijke monumentale baksteen’ en een ‘effectief moordwapen voor elk sluimerend vonkje literaire interesse’. Schrijvers uit het verleden zijn volgens hem ‘vergeelde murmelaars van vroeger die in muffe kamertjes hun belegen aftrekfantasietjes neerpenden’. Die aftrekfantasietjes zou ik overigens wel willen lezen, maar die zijn er nu net niet van Vondel, bijvoorbeeld. Bij Bilderdijk vind je ze wel. Hoe dan ook, ik denk dat juist die column van Weijts een moordwapen is voor literaire interesse.

Want wat Weijts in zijn gemakzuchtige opstelling overslaat, is dat elke tekst als die maar op de juiste manier wordt aangepakt, over kan komen. Ik daag hem uit: geef me 20 minuten om de telefoongids van 1920 te laten lezen door een groep vwo-ers en ik hou ze bij de les!

Als de jeugd de Max Havelaar vrijwillig niet leest, so what? Een groot deel van leerlingen gaat ook niet vrijwillig naar gymnastiekles, scheikunde of wiskunde, laat staan economie. En toch vinden we het met z’n allen belangrijk dat de jeugd er kennis mee maakt. Dat is de functie van school: kennis laten maken met de maatschappij, de wetenschap, de kunsten in alle facetten, zodat de leerlingen later gemotiveerd voor iets wat hun interesse opgewekt heeft kunnen kiezen. Wie nooit kennis heeft gemaakt met poëzie weet niet dat die een enorme functie kan hebben in moeilijke tijden. Wie niet weet dat taal buigzaam en plooibaar en individualistisch en springerig en grensoverschrijdend kan zijn, zal zelf ook nooit een taalkunstenaar kunnen worden.

Over trots op ons literair erfgoed heb ik het dan niet eens. In Frankrijk kun je op benzinestations boeken van Flaubert en Victor Hugo kopen, in Nederland vind je daar nog geen Grünberg, laat staan Mulisch. Maar ik weet ook wel dat wij literairhistorici onszelf ook iets te verwijten hebben. Materieel erfgoed moet geregeld gerestaureerd worden. In het Paleis op de Dam zijn toiletten en badkamers aangelegd die er eerst niet waren. Literair werk uit het verleden heeft ook restauratie nodig. Ik ben niet meer tegen hertalen. Engelse en Franse boeken uit de negentiende eeuw krijgen frisse vertalingen, waarom zou ik dat tegen het lezen van een frisse hertaling van het historisch Nederlands zijn? ‘Beter een luie lezer dan geen lezer.’ heb ik wel eens geschreven (nota bene in een geleerdenblad) en dat wil ik uitbreiden. Ja, laat de leerlingen films kijken, ingekorte Max Havelaars lezen – later komen ze wel bij de originelen terecht. Of niet, omdat ze handelaars in bijvoorbeeld koffie geworden zijn.

En dan zou ik zo graag zien dat Klaasje Zevenster, Van Lenneps laatste roman, eens onderhanden genomen zou worden. Dat boek heeft alles voor een prachtige historische serie mee: het gaat over alle zeven hoofdzonden, het speelt in alle klassen van de maatschappij, het heeft vreemd genoeg zowel een happy als een treurig einde, zelfmoord en ziekte, overspel en machtsmisbruik, bordeelbezoek en aanranding, alles zit erin. En als daar een serie van gemaakt zou worden: geloof maar scholieren dan Klaasje Zevenster op de literatuurlijst zetten.

 

Schrijvers slachtoffer van meester-oplichter

alghandelsblad10nov1846sternbergwaarschuwinglennepthijmIn het Algemeen Handelsblad van 10 november 1846 stond een ingezonden stuk van Jacob van Lennep en Joseph Alberdingk Thijm met een waarschuwing voor een oplichter van wie ook deze twee schrijvers het goedgelovig slachtoffer waren geworden. Het bericht werd overgenomen door alle voorname kranten, zoals de Nieuwe Rotterdamsche Courant, en het Dagblad van ’s Gravenhave. Wat was het geval? Een jonge blonde Duitser, tamelijk goed gekleed, van gewone lengte, liep sinds enige tijd rond in Holland en gaf zich uit voor de romanschrijver Baron von Sternberg. Hij liet zich bij Hollandse letterkundigen introduceren en troggelde hun dan geld af. Van Lennep en Thijn schreven dat hij ‘doorslepen in zijn vak’ is, ‘begaafd met een voorbeeldeloze onbeschaamdheid, en een takt, die fijne kieschheid weet te huichelen’. Een meester-oplichter kortom, die tegenwoordig in het programma Opgelicht aan de kaak zou worden gesteld.

Uit het ingezonden stuk kan ik niet opmaken of Van Lennep en Thijm ook geld zijn kwijtgeraakt. Ik vermoed van wel. Als de baron een goed verhaal had, bijvoorbeeld over reisgeld dat hem ontstolen was, of over een uitgever die hem zijn voorschot niet betaalde, dan is het bijna voorspelbaar dat Van Lennep daarin trapte. Hij was altijd bereid kunstenaars die in slechte omstandigheden verkeerden te helpen. Zo heeft hij Gerrit van de Linde, Willem Hofdijk, de Markies de Thouars en ook Eduard Douwes Dekker geholpen. Ja, ook Multatuli, al vergeten degenen die zich vooral Van Lenneps inmengingen in de Max Havelaar herinneren, wel eens dat hij hem wel uit eigen zak meteen een flinke ondersteuning gaf.

Ik heb geprobeerd meer te weten te komen over de baron, zowel de echte als de namaak, maar ik vind niets over hen. Er was een schrijver van boeken voor leesgezelschappen, Sternberg, die in deze tijd vertaald werd in het Nederlands (met bijvoorbeeld de roman De grootheid naar de wereld en De zendeling) , maar ik vind geen bijzonderheden over hem. In Wikipedia komen geen Sternbergs voor die midden negentiende eeuw leefden. In het stuk van Van Lennep en Thijm staat dat de nepbaron zich helemaal ingeleefd had in zijn personage en zich beriep op diens kennissen, maar meer bijzonderheden vernemen we niet, behalve dat hij makkelijk over alles weet mee te praten. De trucs die hij hanteert lijken op die van oplichters zoals we die via de media hebben leren kennen: snelle praatjes, goed gekleed, tactvol, een beroep doen op gezamenlijke bekenden en dergelijke.

Van Lenneps vriend Aart Veder, de Rotterdamse advocaat, troost hem in een brief: ‘mieux vaut être dupe que fripon’ (beter de dupe te zijn dan zelf een schurk). ‘Van Lennep wordt opgeligt, ergo leeft hij’, schrijft hij, want hij had al lang geen brief meer gehad en heeft het bericht klaarblijkelijk ook uit de krant.

Is de man opgepakt? Is hij verder gegaan met zijn praktijken? Hoeveel geld waren Thijm en Van Lennep aan hem kwijt? Ik lig er niet wakker van dat ik dit niet kan oplossen, maar ik hou me natuurlijk wel aanbevolen voor tips.

Een traan en een bloem

JvL 2016-08-25Vandaag 148 jaar geleden rond zeven uur in de avond stierf Jacob van Lennep in een hotel in Oosterbeek. Het moet net zo’n hete dag zijn geweest als vandaag, want het lijk werd in een schuur gezet. Zijn vrouw was daar diep door gegriefd. Hij werd snel begraven, want de vliegen waren kwamen al op de lijkengeur af. Ik heb er verleden jaar een blog over geschreven. Op het graf in Oosterbeek is vandaag één boeket witte rozen gelegd door vriend Henk Eijssens. Verder was er geen mens. Ook ik niet. Het portret van Jacob stond vandaag wel op mijn werktafel, ik had zijn haarlok erbij gelegd met enkele bloemen uit mijn tuin en een kaarsje.

werktafelbeneden25aug

Er is in de opera La Traviata van Giuseppe Verdi een heel verdrietig stemmende aria van de prostituee die de hoofdpersoon is. Ze ligt op sterven aan de tbc, verlaten door haar minnaars en door de enige man van wie ze gehouden heeft, en zingt:

Le gioie, i dolori tra poco avran fine,

la tomba ai mortali di tutto è confine!

Non lagrima o fiore avrà la mia fossa,

non croce col nome che copra quest’ossa!

(De vreugden, het verdriet zullen binnenkort voorbij zijn. Het graf is het einde voor alle stervelingen. Op het mijne zullen geen bloemen neergelegd worden en geen tranen gestort. Geen kruis met mijn naam zal mijn beenderen bedekken)

(luister naar deze opname met Anna Netrebko: https://www.youtube.com/watch?v=cSr7hh9mbyg )

Dat kan me zo verdrietig stemmen, dat er zovelen, zovelen vergeten zijn. Ten minste twee mensen dachten vandaag na 148 jaar aan Jacob van Lennep. Hoeveel doden zijn er niet waar niemand meer aan denkt?

Toevallig was vandaag de presentatie van het boek dat Geert Mak over de familie Six geschreven heeft. Mak vertelde dat Lucretia Six-van Winter, een tante van Jacob van Lennep, voor haar overlijden in 1845 bepaald had, dat ze pas mocht worden begraven als ze begon ‘te rieken’. Mensen waren toen collectief bang voor levend begraven, wat bij de cholera-epidemieën wel eens gebeurde. Toen ze overleed was het ijzig winterweer, de koudste februarimaand sinds anderhalve eeuw. Dus ze lag daar maar in huis in een natuurlijke vrieskist en bleef weken goed. De familie besloot toen maar de kachel in de kamer waar ze opgebaard lag op te stoken, totdat ze eindelijk naar haar graf gebracht kon worden. Wie zal er op 28 februari op haar graf een roos leggen?