Bredero in Wroclaw

Toen ik in 1966 aankwam bij de Universiteit van Amsterdam, kreeg ik meteen commentaar zodra ik mijn mond open deed. ‘O, jij komt uit Limburg. En je studeert Nederlands?’ Ik mocht dan zelf invullen wat de spreker dacht: ga eerst eens spraaklessen nemen, wat moet dat hier met die zachte -g, zou je wel Nederlands kunnen studeren als je het ABN niet eens behoorlijk uitspreekt. Talloze keren deden Hollanders mijn zachte -g en andere zangerige klinkers en medeklinkers na, nooit beseffend dat ze die toch niet behoorlijk uitgesproken kregen, en nooit erbij stilstaand dat ze mij ermee kwetsten. Ik werd meteen tot ‘de ander’ gemaakt. Dat gebeurde al voordat ik met de colleges begon, in de introductieweken van de studentenvereniging. De eerste week dat ik aansloot bij de colleges viel ik van mijn stoel van verbazing: ik kreeg colleges over Bredero van een vrouw die plat Amsterdams sprak. Ik wist niet wat ik hoorde: een taaltje dat in mijn omgeving altijd afgedaan werd als ordinair en onbeschaafd, werd hier voor de collegebanken gesproken. Dr. Liesje Oey gaf zeventiende-eeuws, en deed dat op de sappigst denkbare manier – en dat plat-Amsterdams deed ze niet na als het om Robbeknol ging, het was haar eigen taal. Al heel snel werd ze een legitimatiemodel voor me: als zij plat-Amsterdams mag praten vóór de zaal, mag ik in de zaal zangerig Limburgs spreken. Wie daar iets over zegt heeft geen recht van spreken. Nederlands is voor en van iedereen.

Liesje jaren60B

Liesje Oey, een struise dame met een enorme krullebos haren, rokend als een ketter wat in die tijd nog voor de collegezaal mocht, behandelde met ons Moortje en De Spaansche Brabander. Ik herinner me hoe ze ons in de lokalen van het Lambert ten Kate-huis figuurlijk mee de stad in nam. Hoe ze ons de groente-, vlees en vismarkten liet kijken met de uitstallingen van niet meer bestaande kapoenen en schelvissen. Ze legde uit dat er ’s winters in de bevroren grachten wakken open gehouden werden zodat de mensen er water konden tappen en konden vissen – en dat er wel eens mensen in die wakken terechtkwamen omdat ze niet goed uitkeken. Bredero zelf misschien wel. Wakken kende ik niet – in Limburg waren geen grachten die konden bevriezen. Ik kende ook niet de veelkleurige stad die Amsterdam in de zeventiende eeuw was, met allerlei ‘gekleurde mensen’ zoals wij ze tegenwoordig noemen. En natuurlijk was ik ook stomverbaasd dat Oey het zonder enige gêne over hoeren en hoerenmadames had – daar hadden de leraren op de nonnenschool waar ik zat nooit over verteld in de lessen. Ik had mezelf natuurlijk wel via de literatuur op seksueel gebied bijgeschoold, ik had Wolkers en Claus gelezen, Alexandre Dumas en Flaubert, maar in de les was seks als onderwerp taboe. Liesje sprong behendig van ijswakken naar het bordeel, alsof het allemaal gewone gespreksonderwerpen waren. Ik leerde Bredero door haar lessen veel beter kennen dan ik Vondel leerde kennen – die kwam in de massale hoorcolleges van Stuiveling aan de orde.

 

Later verloor ik Bredero uit het oog, hoewel ik de aanpak van Liesje zelf ging hanteren. Zo dien je met teksten om te gaan: plaatsen in de tijd, omgevingen en mentaliteiten erbij betrekken. Bredero was in de negentiende eeuw, waarin ik me specialiseerde, geen canonfiguur. Kluchten werden niet hoog aangeschreven en voor schoolgebruik zou Bredero niet erg geschikt zijn: ‘Den Brabander beschouw ik voor scholen geen goed boek’, had Eelco Verwijs geschreven, J. ten Brink meende ook dat Bredero geen passende lectuur voor gymnasiasten was en J. H. van den Bosch, redacteur van de Zwolsche herdrukken, wilde de Brabander niet in de vierde klas behandelen: ‘Ik heb er twee jonge dames onder mijn gehoor en een bende van zestien schalken van jongens’ (ik ontleen de voorbeelden aan Lisa Kuitert, Het ene boek in vele delen).  Toch is er in het Klassiek Letterkundig Pantheon in 1859 een uitgave van Moortje verschenen – de klucht die toch nog heel wat vrijmoediger is dan de Spaansche Brabander.

Nu was ik deze week in het Poolse Wroslaw om colleges te geven – en toevallig was daar bij de afdeling Nederlands (groter dan die in Amsterdam!) een Brederofestival. Men vroeg me of ik ook wat wilde bijdragen. In een boekwinkel was een voordrachtsmiddag. In het Pools en in het Nederlands werd gereciteerd. Zeventiende-eeuwse Poolse teksten en Bredero. Twee studenten met prachtige stemmen zongen het geestige ‘Eenicheydt is Armoedt’: Wat baat je macht, rijkdom, schoonheid, geleerdheid – als je ’s nachts alleen in je bed moet slapen? Er was voor leerlingen van middelbare scholen een declameerwedstrijd uitgeschreven: de winnaars droegen uiterst plastisch oude Poolse poëzie voor, ik verstond er niets van maar hoorde de klankrijkdom en rytmiek van Bredero erin terug. Lia van Gemert was er ook, de Amsterdamse hoogleraar Gouden Eeuw, zij zong a capella een lied van Bredero en wist vervolgens iedereen in de boekwinkel mee aan het zingen te krijgen. Ikzelf had een stukje uit de Spaansche Brabander gekozen om voor te dragen: dat deel waarin Robbeknol en Jerolimo tegen elkaar opsnijden over de schoonheid van respectievelijk de Amsterdamse en de Zuid-Nederlandse taal. Het is een uiterst actueel stukje, waarin Robbeknol het Zuid-Nederlands aanpakt omdat er zoveel uitheemse woorden in staan en Jerolimo het Hollands bot en ongeciviliseerd noemt.
PolenWrozlaw4

Ik probeerde het Amsterdams uit te spreken zoals Liesje Oey het deed, en ik probeerde het Zuid-Nederlands uit te spreken zoals ik het deed toen ik net in Amsterdam aankwam. Het lukte me maar half, maar wat ik wel besefte is dat er geen schrijver is die zo muzikaal, plastisch en virtuoos die beide varianten van het Nederlands weet uit de drukken als Bredero.

 

Advertenties

Van Lennep, gij moet hangen!

Van Lennep, gij moet hangen! Ge hebt Max Havelaar stukgesneden, en zijt ingenomen met u zelven.

Op Neerlandistiek.nl van 16 mei plaatsten de heren Van de Ven en Van Leeuwen een ingezonden brief, aan mij gericht, met de titel: En toch heeft Van Lennep Multatuli een oor aangenaaidBrief Neerlandistiek. Het onderstaande is hier een antwoord op:

Geachte Heren Van de Ven en Van Leeuwen

Bij deze mijn dank voor uw brief die getuigt van een vasthoudendheid die u in principe siert, maar in de praktijk toch enige nadelen heeft.

Graag ga ik op uw argumentatie en uw vragen in. In de eerste plaats stoort uw woordgebruik over Van Lennep die Multatuli ‘een oor heeft aangenaaid’ mij buitengewoon. Het gezegde betekent dat je iemand voor de gek houdt, iemand bedot. Nu is vanaf de eerste brief die Douwes Dekker van Van Lennep gelezen heeft duidelijk dat deze bezwaren heeft tegen de data en het slot. Dat blijkt in de brief van 18 november 1859 van Van Lennep aan Van Hasselt, die Douwes Dekker te lezen kreeg. Uit diezelfde brief blijkt ook dat Van Lennep erkent en veroordeelt dat er ‘knevelarijen’ en ‘infamiën’ in de Oost plaatsvinden. Als het slot gehandhaafd bleef, zou het publiek denken dat de auteur door wraakzucht gedreven werd. Lezers zouden hem dan minder geloven, en er zouden ook minder exemplaren van verkocht worden. Met de data erin zou het boek te zeer als feitelijk, te historisch gezien worden.

U verwijt Van Lennep dat hij Multatuli niet voldoende steunde met wat hij eigenlijk wilde met zijn boek en dus nalatig was. Kan men Van Lennep iets verwijten als hij daartoe geen opdracht had, daarvoor niet betaald werd, zich gewoon vrijwillig en in eerste instantie uit compassie met de berooide schrijver inzette voor diens zaak en diens bl…  mooie boek? Het is alsof u Rutte verwijt dat hij geen fokprogramma voor leguanen opgesteld heeft.

Wat mijn ‘leermeester’ Stuiveling betreft: ik heb in de colleges inderdaad heel vaak Stuiveling horen uithalen naar Van Lennep en naar de hele negentiende-eeuwse letterkunde vóór de Tachtigers. Mijn echte leermeesters waren anderen. Mondeling was Stuiveling feller dan op schrift, maar dat Van Lenneps uitgave getuigt van een ‘fundamenteel tekort aan eerbied voor de persoonlijkheid, de arbeid en het levensdoel van een ander’ is evengoed een fundamenteel tekort aan eerbied voor iemand die zich belangeloos ingezet heeft voor het tot stand komen van een uitgave van de Max Havelaar, daar heel veel arbeid voor verzet heeft door het manuscript persklaar te maken, ten bate van iemand die een ander levensdoel had dan hijzelf. Van Lennep heeft Multatuli niet in de steek gelaten, zoals u beweert, hij heeft er juist voor gezorgd dat Multatuli met het ongekende meesterwerk het literaire veld kon betreden.

Inderdaad stond Van Lennep voor een duivels dilemma. Hij was conservatief in de politiek in die zin dat hij geen opstand wilde en, overigens net als Multatuli, Nederlands-Indië voor Nederland wilde behouden. Maar hij zag ook de meesterschrijver en het meesterlijke boek, hij wilde de schrijver stimuleren en het boek aan het publiek gunnen, inderdaad in een aangepaste vorm. Niet tegen een belachelijk hoge prijs zoals altijd beweerd is: tegen de normale romanprijs. Van Lennep zag ook de misstanden in de Oost. Hij wilde wel dat die bestreden werden, maar niet via een volksopstand. Bij de regering, in het parlement, moest de Indische kwestie aan de orde komen.

Om nu op uw vragen te antwoorden.

Vraag 1. Ik stel dat Van Lennep dubbele gevoelens heeft. Klopt het dat hij vrij snel kiest voor het voorkomen van onrust in Nederland, ten koste van de geest en bedoelingen van Douwes Dekker?

Antwoord: Van Lennep ziet vanaf het begin dat het boek de potentie heeft opstand te veroorzaken. Dus: enigszins afzwakken van het boek overweegt hij vanaf het begin (VW 10 117-118). Tegelijk maakt hij zich enorm kwaad over de reactie van minister Rochussen op een brief van hem ten faveure van Douwes Dekker (131). Als nog voor het verschijnen van Max Havelaar berichten in Nederland binnenkomen over opstand in Nederlands-Indië, schrijft Van Lennep aan Rochussen, de minister van Koloniën, dat deze grotere opstand kan voorkomen door Dekker naar Indië te sturen, in een hoge positie (146). Als Rochussen schrijft niets te kunnen doen en hij Van Lennep verwijt dat die zich laat meeslepen, krijgt de minister een brief op poten terug: Van Lennep heeft geprobeerd het vaderland en Indië te behoeden voor rampen, hij had willen waarschuwen, en de man helpen ‘wiens werk, karakter en lotgevallen mij sympathie inboezemden’. Hij besluit met: ‘ik had liever gehad, dat de man in staat ware gesteld, ginds te handelen, dan dat hij verplicht worde, hier te spreken’. Maar daarvoor was het te laat (167). Vervolgens kiest Van Lennep ervoor mee te werken aan de openbaarmaking van het boek, met wat ik kleine aanpassingen zou noemen. De puntjes die hij invoerde (overigens door Multatuli zelf al toegepast als hij de naam van de Indische regent Karta Nata Negara vervangt door puntjes, bovendien gebruikte Multatuli voor Nederlandse ambtenaren in zijn boek steeds pseudoniemen of functieaanduidingen, geen namen) lieten niet onverlet dat iedereen in kon vullen ‘Lebak’ als er ‘L…’ of ‘Leb…’ stond.  Uit recensies en uit de hele behandeling in de Tweede Kamer blijkt dat de goegemeente direct wist wie en wat er bedoeld werd. Van Lennep wilde geen opstand onder het volk, maar de regering mocht, moest van hem zelfs, onrustig worden. Overigens twijfelde Multatuli zelf lang over zijn bedoeling met het boek: wel of niet publiceren. Dus: hij kiest meteen voor het voorkomen van opstand, wat iets anders is dan onrust. Uw gevolgtrekking ‘ten koste van de geest en bedoelingen’ gaat niet op.

Vraag 2

Van Lennep schrijft dat hij de voorzichtigheid van een slang nodig heeft. Dit doet u de vraag stellen of hij dubbelspel heeft gespeeld en of hij De Ruyter niet als stroman en marionet gebruikt heeft om de rust te bewaren.

Antwoord: U citeert gebrekkig. Van Lennep schrijft dat hij bij de oprechtheid van een duif de voorzichtigheid van een slang nodig heeft (120). Dus hij wil oprecht zijn maar moet daarbij voorzichtig zijn. Zijn voorzichtigheid betreft hier de brief die hij aan Rochussen geschreven heeft. Hij wilde Rochussen ervan overtuigen dat het een ernstige zaak was die de minister niet lichtvaardig mocht behandelen. Van dubbelspel ten opzichte van Douwes Dekker is geen sprake.

Wat nu De Ruyter betreft: al voordat er sprake is van drukken van Max Havelaar, had Van Lennep deze uitgever overgehaald om Dekkers toneelstuk De bruid daarboven te drukken (132). Van Lenneps eigen toneelstukken kwamen ook in deze jaren bij De Ruyter uit. Van een uitvoering en een druk van dit stuk kwam het uiteindelijk niet, maar Douwes Dekker moet gecharmeerd zijn geweest van de welwillendheid van De Ruyter, immers, kort daarna koos Dekker voor zijn open Brief aan de kiezers te Amsterdam De Ruyter als uitgever. Ik heb in een eerder artikel van mij De Ruyter gekenschetst als een ‘voorzichtig, ietwat bangelijk persoon […] die niet in politieke zaken verwikkeld wilde raken. Het lijkt erop dat hij het boek slechts uitgaf om Van Lennep te vriend te houden. En vooral: om een belangrijke opdrachtgever niet te verliezen’ (Ik heb u den Havelaar niet verkocht 62). Dat u De Ruyter een marionet of stroman wil noemen die in handen van Van Lennep gemanipuleerd werd om rust te bewaren, is een redenatie die berust op aannames over de ‘what if’-story van Max Havelaar die niet waar gemaakt kunnen worden. Mijn eigen aanname is: het is heel onaannemelijk dat er wèl opstand ontstaan zou zijn als het boek op de markt was gekomen exact zoals Multatuli het geschreven had. Het verschil tussen de ‘nulde druk’ en de eerste is te klein om te denken dat het ene wel kon wat het andere niet zou kunnen.  Bovendien veroorzaakte het boek wel degelijk onrust, er ging een ‘rilling’ door het land.

Vraag 3

‘Voed honden op, voed wolven op, opdat ze u weer verslinden.’ Met dit citaat van Vondel, dat Van Lennep gebruikt in een brief aan zijn vriend Aart Veder, beklaagt hij zich erover dat Dekker hem ervan beticht op diens armoede gespeculeerd te hebben, terwijl Van Lennep hem juist geholpen heeft bij het gedrukt krijgen van het boek, met het gevolg dat het boek nu overal in het land het gesprek van de dag is. Wie is de wolf, wie is verslonden vraagt u zich af.

Antwoord: Heel eenvoudig: wie is heden ten dage erkend als de beste schrijver van de negentiende eeuw? Welk boek is er heden ten dage nog in verschillende edities te koop? En wie krijgt heden ten dage nog voor de voeten geworpen dat hij iemand een oor aangenaaid heeft?

Ik meen voldoende stof gegeven te hebben om vraag vier niet meer te hoeven beantwoorden. Ja dit nog: Van Lennep heeft de impact van het boek niet beperkt. Juist doordat politici, schrijvers en de hele elite wisten dat Van Lennep achter dit boek van een debuterende schrijver stond, kreeg het veel meer aandacht dan het anders gekregen had – veronderstel ik.

Met een vriendelijke groet,

Marita Mathijsen

P.S. Dat Tom Böhm al vóór mij geconstateerd heeft dat Van Lennep slechts een klein deel van de vragen van Frits geschrapt had, en dat de ‘marionet’ hoogstwaarschijnlijk de rest van de vragen gewist heeft, was nieuw voor mij (‘Misschien is niets geheel waar… en zelfs dát niet’ 64). Zelf ontdekte ik de potloodstreepjes pas bij de voorbereiding van mijn lezing van 3 maart voor het Multatuli-Genootschap. Daardoor staat dit ook niet in de biografie.

De Bilderdijk-battle

Tot 2014 was er een Bilderdijk-Museum. Weliswaar in een betonnen kelder van het complex van de Vrije Universiteit in Amstelveen, maar het was er. Er lagen tekeningen, een gipsen hand, brieven, zijn verzameld werk, eerste drukken en brieven van en aan hem konden ingezien worden. Ik heb er eens met een groep studenten een editie gemaakt van brieven tussen Bilderdijk en J.J.F. Wap, en we konden toen gewoon de colleges houden in die kelder (toen maakten studenten nog edities). De collectie is eigendom van de Vereniging ‘Het Bilderdijk-Museum’ die haar in bruikleen had gegeven aan de VU. Maar de VU deed er verder niets aan: geen bewegwijzering, geen aandacht. En toch: het was er en met enig georganiseer konden onderzoekers er terecht.

 

bilderdijkmuseum

Wijlen het Bilderdijk-Museum

 

Tot er weer eens een reorganisatie kwam. De kelder was nodig voor iets anders, de collectie verdween in de opslag. In 2017 werd duidelijk dat de VU eigenlijk in haar maag zat met de collectie. Als die geschonken zou worden, in plaats van in bruikleen houden, ja dan was het wat anders. Maar zelfs bij schenking zou niet alles van de collectie aangenomen worden. Schilderijen en haarlokjes bijvoorbeeld, daar doet de VU niet aan. De maat was vol na wat gesprekken tussen vertegenwoordigers van de VU-bibliotheek en het bestuur van de Vereniging. Terecht vond dat bestuur dat de collectie uit de desinteresse van de VU weggehaald zou moeten worden. Volgens de VU zelf was er echter nergens anders belangstelling voor de collectie. Vervolgens is het bestuur van de Vereniging voortvarend aan het werk gegaan. De Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, verbonden aan de Leidse Universiteit, bleek de collectie wél degelijk te begeren, ook in bruikleen. Alleen zouden de schilderijen er niet terecht kunnen. En dat zijn er heel wat, als je de catalogus die Ton Geerts van de kunstcollectie gemaakt heeft bekijkt. Heel genereus van Leiden, vond het bestuur. En dus schreef het aan zijn leden dat het afscheid van de VU wilde nemen en onderbrenging bij de Maatschappij in stemming wilde brengen.

Afscheid van de VU: juist, die verdient niet beter. Maar verhuizing naar de Maatschappij? Kansen op onderbrenging bij andere partijen die misschien nog wel betere condities bieden dan de Maatschappij zijn niet onderzocht. Men geloofde de VU zonder meer en onderzocht niet of het waar was wat daar over andere partijen beweerd werd. Misschien had de Universiteit van Amsterdam wel belangstelling? Het Literatuurmuseum in Den Haag sprong er meteen op toen het lucht kreeg van de overplaatsing, en deed een nog veel genereuzer aanbod dan de Maatschappij. Maar het Bestuur van het Bilderdijk-Museum wenste daarover niet eens in gesprek te gaan. Daarover maakte ik me kwaad, evenals enkele anderen. Ik schreef een brief aan het bestuur, en een artikeltje van mij kwam op Neerlandistiek.nl, dat vervolgens verder verspreid werd. Ik vroeg om een faire vergelijking – en er waren meer leden die dat vroegen. Het Bestuur was echter ‘not amused’ en ik kreeg het gevoel dat ik als een ‘spoiler’ van de Maatschappij-pret beschouwd werd. Wel was het bestuur zo netjes een nieuwe brief aan de leden te sturen, waarin het aanbod van het Literatuurmuseum gereproduceerd werd, maar tegelijk werd het Literatuurmuseum afgedaan als een noodlijdend instituut. Quod non. Het LM heeft een budget dat sterk gegroeid is sinds de bezuiniging vijf jaar geleden, terwijl de Maatschappij inteert op haar kapitaal.

Nu is er een vergadering van de leden geweest, die massaal het bestuursvoorstel gevolgd hebben. Zelf kon ik daar niet bij zijn. Ik blijf met een wrang gevoel zitten. Er is geen kans geweest voor de leden eerlijk te vergelijken en dan pas tot stemming over te gaan. Dat het Literatuurmuseum betere overlevingskansen heeft in deze tijd waarin universiteiten erfgoed steeds meer als lastpak beschouwen, en dat het bovendien bereid was ook de schilderijen te aanvaarden: dat pleit voor plaatsing daar. De Maatschappij heeft weer andere voordelen: studenten in de buurt bijvoorbeeld (jammer alleen dat die geen Bilderdijk meer lezen) en een grotere collectie vroegnegentiende-eeuwse literatuur dan het Literatuurmuseum. De VU kwam trouwens ook met hangende pootjes terug op haar onverschilligheid. Maar het lijkt erop dat het bestuur zo snel mogelijk van de sores af wilde zijn. Zoals een huisvrouw die in de supermarkt op de hoek voorverpakt brood haalt omdat dat nu eenmaal sneller gaat dan bij de warme bakker twee straten verderop.

Ooggetuigen van 1813

In een appartement in de buurt van Leiden maakte ik een paar dagen geleden november 1813 mee alsof ik er zelf bij was. Ik mocht snuffelen in vijf grote zware dozen met documenten van de notaris Jan Fabius (1776-1850). Ik las hoe Napoleon nederlaag na nederlaag leed, dat er een kozakkenleger op weg was naar Nederland, dat Franse politie, militie en ambtenaren angstig overlegden over blijven of verdwijnen. In Amsterdam trok de Franse militie zich op 14 november halsoverkop terug uit de stad. Prompt barstten er de volgende dag rellen los. Douanehuisjes in de hele stad vlogen in de fik, Franse boten gingen in vlammen op, een opgefokte menigte probeerde het marinedepot te bereiken om aan wapens te komen, een strooien pop die Napoleon voorstelde werd verbrand, uithangborden met het keizerlijk wapen vernield. Het is een historisch raadsel hoe die furie zo snel op gang kwam, zo snel dat die wel georganiseerd lijkt. Als ik de papieren van Jan Fabius mag geloven was hij ‘met Falck en Job May de allereerste’ die de revolutie begon. Tussen zijn papieren zit een verbleekte oranje kokarde met daarbij in de hand van Fabius de tekst: ‘de hieraan vastgehechte oranjekokarde werd mij den 14den November 1813 door A.R. Falck gezonden als een signaal dat de gelegenheid gunstig was om het volk in deze stad in beweging te brengen; gelijk signaal werd ook gezonden aan den Hr. Job May; aan niemand anders; gunstige uitslag volgde op onze pogingen’. Op een ander papier schrijft hij dat hij ‘het meest, en wel het allermeest’ zich aan gevaren heeft blootgesteld in die revolutiedagen. De rol van Fabius komt niet in alle recente studies die er in verband met 1813 verschenen zijn (Joor, Koch, Lok, Uitterhoeve, Verheijen, Vles) even prominent naar voren als hijzelf voorstelt.

IMG_3535

November 1813 moet een buitengewoon verwarrende tijd zijn geweest. Fransen verlieten hals over kop het land maar hielden nog vast aan hun gezag,  er was ver weg een oranjeprins van wie niemand wist wat hij wilde, de Van Hogendorp-clan in Den Haag hijgden naar restauratie van de Oranjes, de Amsterdamse elite wilde juist vooral niet terug naar de oranjejaren van voor 1795. Oranje had voor elke groep een andere kleur: de oude stadhouderskleur van terugkeer of de nieuwe nationale kleur van grondwetsherzieningen en burgerinspraak. De dagen na 5 mei 1945 moeten ook zo verwarrend overgekomen zijn, al was toen de capitulatie van de Duitsers wel duidelijk en die van Napoleon in november 1813 nog niet. Toch vielen er op 7 mei 1945 op de Dam in Amsterdam nog 32 doden doordat Duitsers het vuur openden op een feestvierende menigte. Iets dergelijks gebeurde op 24 november 1813 in Woerden toen daar Franse troepen 26 oranjevierende inwoners van Woerden willekeurig doodschoten.

IMG_3401

Oproep aan Amsterdamse mannen om zich beschikbaar te stellen voor de schutterij, die de orde moest bewaken

De papieren van Jan Fabius zijn in 1912 door zijn gelijknamige kleinzoon verwerkt in het boek Herinneringen aan het einde der Fransche overheersching. In de dozen die ik mocht bekijken van een achterachterkleinzoon zit nog heel veel materiaal dat Fabius in 1912 niet kon verwerken. Ik trof aan: brieven van David Jacob van Lennep, van koning Willem I, van Anton Reinhard Falck die in elk geval een regisseur van de omwenteling was, prachtige  affiches en vlugschriften in goede staat, documenten over het oprichten van een vrijkorps en van de schutterij, proclamaties van het voorlopige bestuur van Amsterdam, een onuitgegeven gedicht van Bilderdijk over het Jacobakannetje, een gedicht van Kinker en nog veel meer. Historici die zich voor deze tijd interesseren kunnen hun borst nat maken: er is werk aan de winkel. De nazaat van Fabius is bereid inzage te geven.

JanFabiusMoritz

Jan Fabius

Tranen om een brief

Sinds De bezielde schavuit op de markt is, krijg ik lezersbrieven. Die zijn me dierbaar, want een brief schrijf je niet zo maar – je hebt iets op je hart wat je kwijt wil, maar je doet er moeite voor, je spuugt het niet onoverdacht uit. Je zoekt papier, envelop, een geschikte pen, weegt woorden af, koopt postzegel, loopt naar de brievenbus. Toch heel wat anders dan wat kreten slaken op twitter. Soms staan er in de lezersbrieven kleine correcties, waar ik erg blij mee ben. Vooral als iemand bij zo’n correctie dan de volgende lieve opmerking maakt: ‘In een zo foutarm boek vallen de meest onbenullige foutjes het meeste op.’ Dezelfde aardige lezer, een cardioloog, schreef me dat de moeder van Jacob waarschijnlijk niet aan een epileptische aanval is overleden, maar dat het een hartaandoening zal zijn geweest die geleid moet hebben tot astma cardiale. Zodra er weer een nieuwe druk komt, kan ik door de lezers nog wat dingen verbeteren.

Een brief bracht me in tranen. De schrijver daarvan wil ook iets corrigeren. Iedereen die het boek gelezen heeft herinnert zich het verhaal van Doortje Ringeling en Jacob van Lennep die samen naar Engeland wilden vluchten. Jacob is van plan vrouw, kinderen en carrière op te geven voor deze vlam. Maar papa Van Lennep komt tussenbeide. Jacob keert terug in zijn gezin. Doortje blijft achter, alleen, verloren, in de steek gelaten. Ze trouwt niet meer, want haar reputatie was natuurlijk besmet, en ik stel me voor dat ze tot haar vroege dood dagelijks aan haar grote liefde gedacht heeft. Ik besluit dit hoofdstuk in het boek met de vraag: ‘Haar graf valt nu nog te bezoeken op de Lage Vuursche. Maar wie zal er op haar graf nog een traan storten of een bloem neerleggen?’grafDoortjeEn nu kreeg ik via de uitgever een brief van K. Ringeling. Ja, een familielid. Die brief is zo mooi dat ik een deel letterlijk citeer (met zijn toestemming):

De suggestie is dat niemand dat doen zal [een traan storten of bloem neerleggen]. Mijn “tekstcorrectie” bestond hieruit dat ik een dag na het lezen hiervan naar het graf ben gegaan en er een boeket witte bloemen op gelegd heb. Ik vond dat het verhaal van Dorothea niet compleet was zonder een blijk van liefde jegens deze vrouw die zelf maatschappelijke uitstoting geriskeerd heeft om liefde te kunnen geven aan iemand van wie ze blijkbaar onvoorwaardelijk hield.

Ach, inderdaad, maatschappelijke uitstoting accepteren omdat je bij je geliefde wil zijn. Zo mooi had ik het nog niet gelezen. Doortje moet een groot hart gehad hebben. Er zijn sinds het verschijnen van mijn boek nu minstens drie keer bloemen bij haar neergelegd: door haar familielid, door mijn vriend Henk en natuurlijk door mezelf. Laat iedereen die Doortje wil verklaren tot patrones van onvoorwaardelijke liefde dit voorbeeld volgen!  RingelingbriefBilthoven2

Bibberend in het hol van de leeuw

Ik moet vanmiddag voor de Multatulianen verschijnen. Ja, zo voelt het, alsof ik voor een rechtbank moet komen. Ik ga daar mythe en waarheid in de verhalen over de bemoeienis van Jacob van Lennep met Max Havelaar en Multatuli proberen te ontrafelen. Dat ik veel in de verhalen over Jacob van Lenneps verhouding met Multatuli beschouw als verdraaiingen en zwartmakerij, weet iedereen die De bezielde schavuit heeft gelezen. Ook al zijn er punten waarin Van Lennep wel degelijk twee heren diende: de revolutieloze natie en de berooide meesterschrijver Eduard Douwes Dekker. Dat ga ik toelichten voor een publiek waarvan ik me voorstel dat ze alle delen van het Volledig werk van Multatuli in hun hoofd hebben zitten. Ze zullen me om de oren slaan met citaten die mij ontgaan zijn, zoals Isaac da Costa de jonge Van Lennep steeds corrigeerde met bijbelcitaten.

Ik ga in de lezing stuk voor stuk de kritiek op Van Lennep na en probeer die te ontkrachten, of te bevestigen als die juist is: de schimpscheuten op de hoge prijs, de kritiek op het gebrek aan advertenties, die op de slechte verspreiding in Nederlands Indië, die op de ‘verminkingen’ in het manuscript, die op het afkopen van het kopijrecht, die op het achterwege blijven van een volksuitgave,  op het dubbelspel over de inhoud dat Van Lennep gespeeld zou hebben, op de financiële afrekening.

Opnieuw heb ik de delen van het verzameld werk doorgenomen die hierover gaan, de verschillende brochures, W.F. Hermans Raadselachtige Multatuli, Atte Jongstra’s De Multatulianen, Nop Maas’ Multatuli voor iedereen, de bundel met vooral rechtskundige opstellen Ik heb u den Havelaar niet verkocht, de editie van A.M. Kets-Vree, Stuivelings werk, mijn eigen nieuwe vondsten.

multatulibronnenfoto

De kritiek en de harde woorden kwamen vooral van Multatuli zelf, die al de term ‘verminkingen’ gebruikte voor de ingrepen van Van Lennep in het manuscript, waar hij wél mee akkoord gegaan was. Daarna blijft het aan de gang: bij het leven van Van Lennep en Multatuli en na beider dood even hard. Of het nu om Lodewijk van Deyssel, Menno ter Braak of W.F. Hermans gaat: allemaal zien ze Van Lennep als een opportunistische profiteur, zonder zich af te vragen wat eigenlijk het belang van Van Lennep was bij de uitgave. Enfin, nu lijk ik zelf wel door te slaan naar de andere kant van de weegschaal. Hoe dan ook: ik ben nerveus. Kan een gelovige ooit in één middag van zijn geloof afvallen, kan een Multatuliaan knorrig toegeven dat de zaak misschien toch iets gecompliceerder lag dan hij veronderstelde? Ik heb een piepkleine verrassing in petto waar nog nooit iemand op gewezen heeft. Ik verraad die nu nog niet, maar ik geef wel vast de bladzijde weer waarover die verrassing zal gaan.

 

MaxHavelaarhsFritsvragen4

De lezing begint vanmiddag om 15.30 in het Amsterdam Museum. Er zullen weer liederen van Jacob van Lennep gezongen worden door de betachterkleinzoon, Job Hubatka. Als u de middag wilt bijwonen zult u lid van het Multatuli Genootschap moeten zijn of worden (€ 30). En dat raad ik iedereen aan. Want hoe dan ook: de Max Havelaar is ‘bl… mooi’ (citaat uit brief Jacob van Lennep).

Effe dimmen

Inmiddels probeer ik bij te komen van de onvoorstelbaar goede ontvangst van de biografie. Ik sta op nr. 4 van de meest gekochte boeken in de NRC, in Het Parool op nr.2 (het boek over Trump verslaat me nog!) van de non-fictie. De tweede druk werd op volle stoomkracht bijgedrukt. Het aantal verzoeken om optredens in boekhandels en literaire centra is niet bij te houden: soms treed ik tweemaal op één dag op. Een erg prettig interview had ik vrijdag in het plaatje Amen bij Assen, waar ik terecht kwam in een lieflijke zaal die De literaire hemel heet. Genoten heb ik ook van de radioprogramma’s, bij Opium heel persoonlijk met Annemieke Bosman, spannend in de Taalstaat, en opwindend bij OBA-live met Theodoor Holman, die oprecht geïnteresseerd is in de 19e eeuw, en zowat struikelde over zijn enthousiasme:

OBA-live Theodoor Holman

Op 27 januari was de publieke presentatie in de bomvolle Lutherse kerk. Louis van Lennep, betachterkleinzoon, trad met ongelooflijk veel schwung op als Van Lennep zelf. Ik interviewde hem, zoals ik jaren geleden in het boek De geest van de dichter op papier gedaan heb. Het voelde alsof ik met Van Lennep zelf sprak. Louis heeft dezelfde geestigheid en welbespraaktheid, dezelfde sprankelende ogen. Zie hier een stukje van het interview:

Louis van Lennep als Jacob van Lennep

Atte Jongstra sprak een buitelende karakterisering van de negentiende eeuw uit, Hans Renders schetste de mogelijkheden van een biografie, Dik van der Meulen nam mij de maat. Er waren ook liederen van Van Lennep, gezongen door de bariton Job Hubatka (ook een betachterachterkleinzoon) en begeleid door Joan Berkhemer:

Job Hubatka en Joan Berkhemer: De veerman aan de Lek

Mijn lieve dochter presenteerde het geheel, dat een groot feest was voor me, ook door het enthousiaste publiek.

Maar dat alles ligt nu achter mij. Ik heb de Van Lennep-boeken die over mijn bureau zwierven keurig teruggezet in de aparte kast voor hem, ik heb de papieren aantekeningen gesorteerd en in een verhuisdoos bij elkaar gestopt, ik heb bij het Stadsarchief nog wat digitaliseringen van zijn handschriften aangevraagd, mapjes gemaakt voor brieven en voor recensies, ik heb een nieuwe  snellere computer gekocht want eerder durfde ik dat niet, bang als ik was dat er iets verloren zou raken. Presentexemplaren zijn verstuurd naar diverse archieven waarvan ik materiaal gebruikt heb. Het laatste boeket bloemen staat er verwelkt bij. De haarlok blijft wel nog in een doosje op mijn bureau liggen.

En nu voort…

weliswaar zit de duivel me niet op de hielen maar ik wil nu dat nieuwe boek schrijven over wat literatuur betekende in de negentiende eeuw. Ik ga duidelijk maken dat literatuur niet elitair was maar houvast en troost bood aan iedereen.

Overweldigende ontvangst

Donderdag was de officiële aanbieding van de biografie. Ondanks de storm waren er toch zo’n kleine 200 mensen aanwezig bij de presentatie en de opening van de tentoonstelling in het Stadsarchief. Ik ben niet in staat u te vertellen hoe bijzonder deze bijeenkomst was. Bijna de helft van de bezoekers kwam uit de Van Lennep-familie, niet allemaal uit de rechte mannelijke lijn, maar toch, het Van Lennep-DNA zinderde door de zaal. Na toespraken door de directeur van het Stadsarchief en de directeur van het Prins Bernhard Cultuurfonds las ik een brief van mij aan Jacob van Lennep voor. Een deel daarvan heeft u al kunnen lezen in het vorige blog. Daarna hoorden we twee liederen van W. Brachthuizer op tekst van Jacob van Lennep, magnifiek gezongen door bariton Job Hubatka, een nazaat van Jacob van Lennep, en begeleid door Joan Berkhemer. (Mocht iemand een opname hebben gemaakt: zet hem op You tube). Aanstaande zaterdag worden de liederen opnieuw gezongen.

IMG_5509

Het eerste exemplaar van de biografie reikte ik uit aan Geert Mak. Louis van Lennep, voorzitter van de Stichting Van Lennep, en Henrick van Lennep, samensteller van de genealogie Van Lennep, kregen het tweede en derde exemplaar. Geert Mak hield vervolgens een joyeuze toespraak waarin hij onder andere refereerde aan de voetreis uit 1823 die hij in 2000 naliep, deels met mij.

HilkeKrohn18jan

Geert Mak aan het woord, tekening door stadstekenaar Hilke Krohn

De tentoonstelling is magnifiek vormgegeven en geeft in kort bestek een mooi overzicht van Van Lenneps vele werkzaamheden. Centraal in de hal staat zijn schrijfcassette en vanuit dit relikwie van zijn voornaamste werkzaamheid glijdt het oog vanzelf naar het schitterend uitgelichte portret door J. Kruseman.

Bij de uitgever, die huist in een prachtig breed pand met maar liefst vijf ramen die uitkijken op de Keizersgracht, was na de bijeenkomst een diner aan een grote tafel, gedekt met linnen, kaarsen, bloemen. Degenen die het boek mee hadden helpen realiseren waren uitgenodigd.

IMG_4223

Diner bij de uitgever

Radio- en televisieprogramma’s toonden meer en sneller belangstelling dan ik had durven hopen: VPRO-boeken, De taalstaat, Met het oog op morgen, Opium (komt nog). Interviews met Folia Civitatis.nl, De Volkskrant, Neerlandistiek.nl, Vaktaal, Het Parool. De verrassing was dat er meteen deze week al recensies waren: een om gloeiend trots op te zijn in NRC (Atte Jongstra, vijf ballen), een heel goed doordachte in Het Nieuwsblad van het Noorden. In Trouw werd de biografie wel het boek van de week genoemd, maar in de recensie van Jaap Goedegebuure rakelde hij de kwestie Multatuli weer eens op de oude manier op en hij gaf een pertinent onjuiste voorstelling van mijn omgang met Van Lenneps antisemitisme. Maar verder kan ik alleen maar ongelooflijk blij zijn met de waardering voor mijn vierjarige intensieve studie.

Aanstaande zaterdag 5 uur in de Lutherse Kerk, hoek Spui Singel, Amsterdam: een herhaling, met opnieuw liederen, met verschillende toespraken en… een interview met Jacob van Lennep zelf. Wel aanmelden! UITNODIGING27januari

 Neerlandistiek

De Volkskrant

Dagblad van het Noorden

Het Parool

NRC

recensieNRC

Folia Civitatis

Trouw

Vrij Nederland

Waarde meneer Van Lennep

Vandaag heb ik het boek in handen gekregen dat ik over u geschreven heb. Ik kan u verzekeren dat het er prachtig uitziet. Het is mooi gebonden, het heeft een leeslint en hoewel het 592 pagina’s telt, weegt het maar 941 gram. Dat schitterende portret dat Jan Kruseman van u gemaakt heeft staat op de buitenkant. U gluurt bij wijze van spreken vanuit het boek de wereld binnen. Ik heb meer dan 100 illustraties mogen plaatsen, en die staan er magnifiek in. Tekeningetjes die u gemaakt heeft, portretten van uw ouders, tantes, zus en kinderen, veel Amsterdamse plekjes en natuurlijk briefjes van u. Ik moest erg lachen om een briefje dat u aan uw uitgever Binger schreef toen u drukproeven niet op tijd kreeg: ‘Blad elf! blad 11!! XI!!!’. Zoiets zouden wij nu per email versturen. Ik kon ook een pagina van het handschrift van Multatuli’s Max Havelaar bemachtigen, waarop u met rode inkt correcties aangetekend heeft.

Ik ben er zeker van dat u heel tevreden zult zijn over het uiterlijk. Over de inhoud: tja, meneer Van Lennep, u zult toch wel beseffen dat ik een ander boek heb geschreven dan uw kleinzoon Max in 1909. Dat is echt geen slechte biografie, maar hij heeft wel wat dingen weggelaten die we in 2018, 150 jaar na uw sterfjaar, toch best mogen weten. Uw kleinzoon was ook wel erg geneigd om alles wat u gedaan heeft omhoog te steken. Ikzelf heb me wel gepermitteerd af en toe eens wat kritisch te kijken. Misschien heb ik dat wat te veel gedaan met de ogen van een een-en-twintigste-eeuwer, naar uw zin, maar ik heb toch oprecht geprobeerd me zoveel mogelijk te verplaatsen in de denkwereld van de negentiende-eeuwer. Ik bied u het resultaat aan, met verontschuldigingen als ik misschien wat verkeerde accenten gelegd heb en mogelijk hier en daar wat al te vrijmoedig van uw openhartige privé-brieven en intieme dagboek gebruik gemaakt heb. Ik ben ervan overtuigd dat hedendaagse lezers er u te meer om zullen gaan waarderen als een compleet mens en wellicht daardoor ook eens uw literair werk in handen zullen nemen. Ferdinand Huyck, de Nederlandsche legenden, Klaasje Zevenster, ze mogen toch eigenlijk niet vergeten worden. Maar ik zal al tevreden zijn als er lezers zijn die als ze de biografie uit hebben verzuchten: ‘wat een man! die had ik wel willen leren kennen in het echt. Ik wist niet dat hij zo complex en tegelijkertijd zo fideel in elkaar zat. Dat hij inderdaad een beetje een schavuit was, maar vooral een gedreven idealist. En wat leer je de negentiende eeuw kennen als je over zijn leven leest.’

Met de meeste hoogachting, Marita Mathijsen

P.S. U kijkt waarschijnlijk geen t.v., maar anders zou u a.s. zondag naar VPRO-Boeken kunnen kijken. Zaterdag vertel ik bij de Taalstaat ook over u.

Uitnodiging voor 27 januari

omslag2Uitgeverij Balans, Spui25 en het Prins Bernhard Cultuurfonds nodigen u van harte uit voor de publiekspresentatie van Een bezielde schavuit. Jacob van Lennep van Marita Mathijsen op 27 januari om 17.00 uur in de Lutherse Kerk aan het Spui in Amsterdam.

 Programma 

  • Interview Marita Mathijsen met Jacob van Lennep
  • Liederen op teksten van Jacob van Lennep, met Joan Berkhemer aan de piano, gezongen door bariton Job Hubatka
  • Schrijver Atte Jongstra over de negentiende eeuw
  • Hoogleraar Hans Renders over de biografie
  • Interview biograaf Dik van der Meulen met Marita Mathijsen

Presentatie: Alma Mathijsen.

Jacob van Lennep (1802-1868), gangmaker en spotter, vrouwenliefhebber en hulpvaardig vriend. Hij leidde een fascinerend leven, gespleten tussen de bedrukkende moraal en de turbulente moderniseringen van zijn tijd. Als telg uit een voorname Amsterdamse familie voelde hij de last daarvan op zich drukken. Hij werd niet herkozen als lid van de Tweede Kamer, omdat hij spotverzen over de vaderlandse geschiedenis schreef. Zijn daadkracht was enorm: Amsterdam dankt zijn waterleiding aan hem en Den Haag het behoud van de Ridderzaal. Hij was betrokken bij de plannen voor het Amstel Hotel, het Noordzeekanaal en het Rijksmuseum. Maar Jacob van Lennep was bovenal een getalenteerde, enorm productieve schrijver die de moed had zijn eigen weg te volgen in een door conventies bepaalde tijd.

Marita Mathijsen schreef met Jacob van Lennep een fascinerend levensverhaal, dat tegelijk een biografie is van een tijdperk. Want Jacob van Lennep ís die fenomenale eeuw, met al zijn tegenstrijdigheden.

U kunt zich aanmelden via deze link

[vanaf ongeveer 18 januari ligt het boek in de winkels. Op die dag is de officiële aanbieding voor genodigden. Dan wordt ook de tentoonstelling in het Stadsarchief geopend over Jacob van Lennep en Amsterdam]